■■Vi.^^^i:^.* ^:''\ /'< jfe>^;, 3^ '>1-. ■•.m ^--^"\1 A C T A SOCIETATIS RE&IAE SCIENTIARÜM INDO-NEÊRLANDICAE. VOL. VIL VERHANDELINGEN DER KONINKLIJKE NATUURKUNDIGE VEREENIGING IN NEDERLANDSen INDIE. DEEL VIL A C T A SOCIETATIS REGIAE SCIENTIARU INDO-NEÊRL ANDIG AE. VOLUMEN VII. MDCCCLX. BATAVIAE, TYPIS LANGHI ET SOC. 1860. VERHANDELINGEN DER KONINKLIJKE NATUURKUNDIGE VEREENIGING IN NEDERLANDSen I N D I E. DEEL VII. , 18 6 0. BATAVIA, J. A N G E & CO, 1S6Ü. ü4' 7 — iz. /z. V E E S L AG VAN DE GËOGRAPHISCHË DIENST IN NEDERLANDSCH IM. OVER January im tot en met April 18S9. • i :ss.:> VERSLAG VAN DE GEOGRAPHISGHË DIENST M NEDERLANDSCH INDIË, OVER JaDoary 18S8 tot en met Aprii I8S9, OPGEMAAKT DOOR DEN HOOFD-INGENIEUR Dr. J. A. €«__01JDE:MAIV§ BATAVIA, LANGE & co. 1860. INHOUD. BLDZ. § 1. Inleiding. Eerste proeven van lengtebepaling door den electromagnetischen telegraaf. 1 § 2. Voortzetting der triangulaties. — Beraamde togt met eene oorlogsstoomboot tot het doen van geographische plaatsbepalingen in den O. I. Archipel. ....... 12 § 3. Bepaling van de lengteverschillen van Samarang en Cheribon met Batavia door middel van den electromagnetischen telegraaf. ;....;;... 13 § 4. Mislukte poging om het lengteverschil van Soerabaya en Batavia te bepalen. : . 15 § 5. Opgave der resultaten. . . . . : 16 § 6. Tijd, dien de seinen noodig hadden, om over te gaan ; . . . . 18 § 7. Ligging der observatieplaatsen te Cheribon en Samarang ten opzigte der triangu- latiestations : 19 § 8. Vergelijking van de resultaten, langs sterrekundigen en langs geodesischen weg ver- kregen. . . . . ; 20 § 9. Voortzetting van den signaalbouw in de residentie Samarang ; 21 § 10. Bepaling van de lengte van Batavia uit de waarnemingen ddor de H.H. de Lange in 1851 — 54 gedaan 26 § 11. Sterrebedekkingen, in 1858 waargenomen 50 § 12. Definitieve afleiding van de waarschijnlijkste waarde voor de lengte van Batavia. . 62 § 13. Mededeelingen , betreffende de instrumenten , behoorende tot het materieel der Geo- graphische Dienst 61 B IJ L A G E N. I. Bepaling van het lengteverschil tussclien Weltevreden (telegraaf kantoor) en Batavia (tijdklep) 95 II. Bepaling van het lengteverschil tusschen Batavia (tijdklep) en Samarang (uitkijk). 100 III. Bepaling van het lengteverschil tusschen Batavia (tijdklep) en Cheribon (havenlicht). 103 IV. Vergelijking der geodesisch gevondene met de sterrekundig bepaalde breedten . . 107 V. Nadere herleiding der waarnemingen van de heeren S. H. en G. A. De Lange, ge- daaan in de jaren 1851, 1853 en 1854, ter bepaling van de geographische lengte van Batavia. . : ... 110 VI. Bepaling van de halve middellijn der Maan uit vroegere waarnemingen , in Europa gedaan. 121 VII. Bepaling van de periodieke ongelijklieden der mikrometerschroeveii van de mikroskopen, aan het universaal-instrument van Eepsold 123 VIII. Onderzoek naar de buiging der kijkers vau de gebruikte universaal-instrumenten. . 127 VERSLAG VAN DEN HOOFD-INGEMEIR Y4N DE GE0GB4PHISCHE DIENST IN NEDERLANDS CH-INDIE, OVER January 1858 t/m April 1859. § I. Inleiding. Eerste proeven van lengtebepaling door den electro- magnetischen telegraaf. Op het einde van het jaar 1857 alhier aangekomen, vernam ik spoedig tot mijn leedwezen, dat de heer G. A. de Lange, sedert ongeveer twee jaren Geographisch Ingenieur, eervol ontslag had aan- gevraagd. Kort daarop werd zijn verzoek ook in mijne handen ge- steld, en aangezien mijne pogingen om hem te bewegen, op dit ver- zoek terug te komen, schipbreuk leden op bezwaren, die het niet in mijne magt lag om weg te ruimen, moest ik zelf wel het advies geven , het gevraagde ontslag te verleenen. Tevens volgde daarop de overgave der dienst op den 15'^'" February 1858. De Adsistent van den Gcographischen Ingenieur, de heer Jaeger, werd tijdelijk belast met de funktiën van Geographisch Ingenieur. De sergeant König, tot nog toe bij de geographische dienst ge- detacheerd, om redenen van gezondheid de militaire dienst den 1''"" 2 VERSLAG VAN DEN IIOOFD-INGENIEUR Maart verlaten hebbende , werd later door den korporaal der sappeurs G. A. Rosenkranz vervangen , die nog in de maand October tot ser- geant bevorderd werd. Behalve een voorstel tot regeling der geographische dienst, dat nog in behandeling is, deed ik nu verschillende voorstellen, betref- fende de te ondernemen werkzaamheden. In mijn voorstel van 30 Maart no. 26 stelde ik n beginselen" voor w aan te nemen bij het bepalen der werkzaamheden van het personeel der geographische dienst," welke bij Gouvernements Besluit van 7 July no. 1 werden vastgesteld. Bij dit besluit werd het sterrekundig bepalen van plaatsen in den Indischen Archipel weder als hoofdzaak, de bepaling der geographische leng- ten door de elektrische telegraaflijn , naar mate deze zich verder uit- breidt, als regel voorgeschreven, en tevens het doen van zuivere tri- angulaties door den Hoofd-ingenieur of den Ingenieur afgeschaft. Tevens stelde ik, na overleg met de Commissie ter verbetering der O. I. zeekaarten, in mijn voorstel van 30 Maart no. 27 de werk- zaamheden voor, waarmede het personeel der geographische dienst zich aanvankelijk zoude bezig houden; ook hiermede vereenigde zich de Regering bij besluit van 14 Juny 1858 no. 29 (*) , terwijl tevens (•) Gelezen enz. Is goed gevonden en verstaan: Eerstelijk te bepalen: a. dat het personeel van de geographische dienst aanvankelijk door middel van den elektromag- netischen telegraaf bepalen zal het verschil in lengte tusschen Batavia, Weltevreden, Cheribon, Samarang en Soerabaya ; h. dat daarna zal worden bepaald de geographische ligging van Muntok en wel de lengte ten opzigte van Batavia; c. dat vervolgens znllen worden bepaald de ligging van Palembang, Lucipara, Tandjoeng Toc- an, Tandjoeng Barikat, Zandeiland, Goenong Sekajoe, het zuidoostelijke eiland der Schaarvogel- eilanden , een der Montaran-eilanden , de piek van Karimata , Soekadana , een punt op Poeloe Galam en eenige andere te kiezen punten op de Westkust van Borneo, en wel de lengten ten opzigte van Muntok ; d. dat de bij §§ 6 en c genoemde expeditiën onmiddellijk zullen plaats hebben, zoodra een rijks- stooraschip daartoe beschikbaar is, en in dat geval voorafgaan de bepalingen in § a genoemd; e. dat uit de waarnemingen, door de geografische ingenieurs S. H. en G. A. de Lange in de jaren 1851, 1852 en 1853 ter bepaling der lengten van Batavia en Manado gedaan , de lengten dier plaatsen met de meeste naauwkeurigheid zullen worden afgeleid, daarbij gebruik makende van de korresponderende waarnemingen in Europa; VAN DE G EOGR APIilSCHE DIENST IN N. I. 3 het Marine-departement uitgenoodigd werd om zoodra mogelijk voor- stellen te doen tot het beschikbaar stellen van een stoomschip voor de uitvoerino- der in art. 1 ^ b en c van dat besluit bedoelde werkzaam- heden. Ofschoon dit besluit in Juny genomen werd , had ik toch reeds eenen aanvang gemaakt met de bepaling van het lengteverschil van den tijdklep te Batavia en het telegraaf kantoor te Weltevreden. Hier- mede had ik ten doel , niet zoo zeer de bepaling van dit lengtever- schil, als wel eene proef te doen, en den heer Jaeger de noodige oefeningen in het nemen der tijdsbepalingen en het waarnemen der seinen op den chronometer te verschaffen, ten einde niet op onver- wachte zwarigheden te stuiten, wanneer de scheiding tusschen hem en mij naderhand grooter zou zijn. Tevens was ik door deze bepalin" in de mogelijkheid gesteld om voortaan, in plaats van de lengtever- schillen met Batavia, de lengteverschillen (van Cheribon, Samarang, Soerabaya, en later van andere plaatsen) met Weltevreden te bepa- len, hetgeen des te doelmatiger was, zoowel Avegens het meerdere personeel der telegrafisten aan het kantoor te Weltevreden en het meer gelegene van dit station op het Koningsplein , als Wegens de on- gezondheid van het verblijf te Batavia, gedurende een groot gedeelte van den avond, in de opene lucht, tot het doen der tijdsbepalingen. Bij de gevondene lengteverschillen met Weltevreden zoude nu slechts het lengteverschil tusschen Weltevreden en Batavia opgeteld behoe- ven te worden , om de lengteverschillen met Batavia te verkrijgen. ƒ. dat de resultaten der eerstgenoemde expeditiën, te gelijk met het resultaat der definitieve lengte van Batavia zullen worden medegedeeld ; I'en tweede: De residenten van Cheribon, Samarang, Soerabaya, Banka, Palembang, de Wes- terafdeeling van Borneo, den assistent-resident van Billiton en den ingenieur der gouvernementa telegrafen, aan te schrijven, om ieder voor zooveel hem aangaat, de in art. 1 § a en c genoemde werkzaamheden naar hun vermogen te ondersteunen en te bevorderen; Ten derde: Het Marine-departement uit te noodigen, om zoodra mogelijk voorstellen te doen tot het beschikbaar stellen van een stoomschip voor de uitvoering der in art. 1 § i en c bedoelde werkzaamheden ; Ten vierde: Den Hoofd-ingenieur van de geografische dienst in Nederl. Indië uit te noodigen om , in overleg met het Militair departement de noodige voorstellen te doen voor de zuivere trian- gulatie van Java en de Westkust van Borneo ten dienste van de aldaar aangevangene topografische opnamen. 4 VERSLAG VAN DEN HOOFD-INGENIEUR De wijze, -waarop de lengtebepalingen geschiedden, was nu als volgt: Ik had van den Ingenieur van'sEijks telegrafen, den heer Groll, de vergunning verkregen om voor de bedoelde lengtebepalingen over den telegraaf te beschikken, wanneer mij zulks het gelegenst zou voorko- men. Voor de welwillendheid, waarmede ZEd. mijnen arbeid onder- steunde, kan ik niet nalaten hem hier openlijk mijnen dank aan te bieden. Ook kan ik de verklaring niet achterhouden, dat de tele- grafisten aan de verschillende betrokkene kantoren ons steeds met den meesten ijver bijstonden, ofschoon hun dienstverblijf op het telegraaf- kantoor menigwerf door onze bepalingen eenige uren verlengd werd. Ik had nu in het algemeen het volgende schema ontworpen , dat wij opvolgden, zooveel de omstandigheden het toelieten. Te vijf uren des namiddags, middelbaren tijd te Batavia, vervoegden de heer Jaeger en ik ons ieder naar ons telegraaf kantoor. Zoodra mogelijk vergeleken wij onze chronometers door seinen met den telegraaf, die eenvoudig daarin bestonden , dat aan het eene station de sleutel door een' tele- grafist werd nedergedrukt of gesloten, en na drie of vier sekonden weder losgelaten of geopend. Ieder van ons nam, op zijnen chrono- meter, zoo naauwkeurig mogelijk de oogenblikken waar, waarop dit sluiten van den sleutel plaats had. Ik oordeel het niet raadzaam , dat een der waarnemers zelf de seinen op bepaalde tikken des chronome- ters geeft, daar hierdoor eene constante fout ontstaan kan. De wil namelijk, om op een bepaald oogenblik den sleutel neer te drukken, heeft altijd eenigen tijd noodig om tot uitvoering te komen. Dit is mij dikwijls gebleken; ofschoon nl. de telegrafisten telkens door mij verzocht werden den sleutel te sluiten, als de secondewijzer op O, 15, 30 en 45 seconden wees, had de sluiting bijna altijd plaats na den tik des chronometers , en hoe oplettender de telegrafist was , hoe stand- vastiger werd het verschil. De seinen volgden elkander met tusschenruimten van 15 seconden op. Twaalf seinen vormden eene reeks. De sluiting des sleutels werd alleen geobserveerd , daar het openen mij voorkwam een te dof geluid te geven om naauwkeurig te worden waargenomen. Zie hier nu het schema: VAN DE GEOGRAPHISCHE DIENST IN N. I. 5 Batavia geeft eene reehs van 1 2 seinen , Weltevreden n " n » « » , Batavia n » » // « // , Weltevreden w // w // w // Tijdsbepalingen te Batavia en Weltevreden door zeniths-afstanden van sterren, zoo mogelijk in het Oosten en Westen. Batavia geeft eene reeks van 12 seinen , Weltevreden n » n // « '/ , Batavia n // n // /' // , Weltevreden // « « n n » Tusschen elke reeks seinen en de volgende , was de afspraak, zouden slechts dertig seconden verloopen. Binnen het kwartier uurs waren dus de seinen gewoonlijk afgeloopen. Door de seinen afwisselend te geven, werd het resultaat zoo goed mo- gelijk onafhankelijk gemaakt, van de tijdruimte, die de seinen noodig hadden om op het verwijderde station gehoord te worden, eene tijdruimte die hoofdzakelijk bestaat uit den tijd, dien de ankers van het relais en den schrijftoestel noodig hebben , om aangetrokken zijnde de elek- tro-magneten te bereiken , en die, behalve van de sterkte van den stroom, ook afhangt van de sterkte der veertjes, die de ankers terughouden. Werd een der seinen niet scherp waargenomen , dan werd zulks altijd aangeduid en de waarnemingen van dit sein bij het nemen van het arithmetisch midden verworpen. Eene twijfelachtige waarneming heeft naar mijn inzien geen het minste stemregt. Bij onze eerste bepalingen kwamen wel eens verschillen met het arithmetisch midden voor, grooter dan een tik des chronometers, d. i. grooter dan eene halve sekonde. Dergelijke fouten kunnen niet begaan worden, wanneer beide waarnemers met gespannen oplettendheid de seinen observeren, en tiende deelen van tikken aanteekenen. Ik heb er dus steeds bij -den heer Jaeger op aangedrongen, om eiken den minsten twijfel door het gewone teeken aan te geven en ik schrijf het voornamelijk aan het opvolgen van dit voorschrift toe , dat de waarschijnlijke fouten der seinwaarnemingen zooveel geringer geworden zijn dan in den be- ginne. Terwijl n. 1. de beide eerste dagen in de pa^and April , waarop, Q VERSLAG VAN DEN HOOFD-INGEN IE U K seinen werden waargenomen, de w. fout eener enkele vergelijkino- der chronometers door één sein bleek te zijn O**, 115, verminderde deze w. fout reeds spoedig en de overige dagen, waarop waarnemingen ge- daan werden ter bepaling van het lengteverschil tusschen den tijdklep te Batavia en het telegraaf kantoor te Weltevreden, werd zij = O s, 089 bevonden, (alles vereenigende kwam er O ^, 093 ,) terwijl de waarnemino-en in Augustus ter bepaling van het lengteverschil van Saniarang en Ba- tavia, even als die in October en November ter bepaling van het lengte- verschil van Cheribon en Batavia, beide 0^,067 gaven. Door het uitwerpen der twijfelachtige waarnemingen berustte de vergelijking der chonometers iedere keer op minder dan 48 , echter toch meestal op meer dan 40 goede sein waarnemingen en daar het, zoo als zoo even gezegd is, mij aanvankelijk gebleken was, dat elke vergelijking eene waarschijnlijke fout van 0^,115 had, zoo had het arithmetisch midden van 40 waarnemingen aanvankelijk eene waarschijnlijke fout van °-^^^ of van slechts 0^018. ^^ Uit deze hooge naauwkeurigheid , die mij reeds bij eene voorloo- pige proef gebleken was, en die ik mij overtuigd hield, dat in het vervolg nog zou toenemen , had ik afgeleid dat het nutteloos en noodeloos zou zijn, de waarnemingsmethode door het tusschenvoegen van slino-ers in den keten, volgens de methode van Wichmann en anderen, te verwikkelen. Dergelijke toevoeging aan den toestel zoude hier in O. Indië, waar men op bijna alle plaatsen geheel verstoken is van de hulp eens instrumentmakers , met zwarigheden gepaard gaan en bij de minste stoornis tot oponthoud aanleiding geven , terwijl de naauwkeurigheid van het resultaat er zoo goed als in het geheel niet door zoude verhoogd worden. Men hangt bij het bepalen van een lengteverschil door den electrischen telegraaf geheel van de tijdsbe- palingen af, die aan de beide eindstations gedaan worden. Fouten in deze tijdsbepalingen begaan, gaan onveranderd op de uitkomst voor het lengteverschil over en de onnaauwkeurigheid , die de tijdsbepa- lingen nog overlieten , was veel grooter dan de onnaauwkeurigheid , die uit de verg^eliikino; der chronometers door middel der electroraa";- netische seinen ontstond , zoodat eene verhooüin": der naauwkeurio;heid , 7 CO O > VAN DE GEOGRAPHISCHE DIENST INN. I. 7 waarmede de chronometers vergeleken worden, zeer weinig helpt, wanneer niet ook de tijdsbepalingen met meerdere zekerheid kunnen plaats hebben. Om dit duidelijker door getallen aan te toonen, zal ik die avonden tot voorbeeld nemen, waarop van beide zijden de tijdsbepalingen het best gelukt zjn; nl. 28 October en 1 November, daar voor zulke gevallen ook het naauwkeuriger uitvoeren van de vergelijking der chronometers het meeste invloed heeft. Op deze dagen nam de heer Jaeger te Cheri- bon waar en ik te Batavia. Mijne tijdsbepaling rustte op waarnemin- gen van drie sterren, de zijne op waarnemingen van vier sterren. De waarschijnlijke fout mijner tijdsbepaling was '^~f-= 0^, 031, die van den heer Jaeger -^—^ = O s, 055. De vergelijking der chrono- meters geschiedde door twee reeksen van seinen, ieder van 41 waar- nemingen. Om het lengteverschil te vinden , werden voor een be^ paald oogenblik de correctiën der beide chronometers gezocht, elk met betrekking tot den meridiaan der plaats , waar de waarnemer zich bevond, alsmede het verschil voor de aanwijzingen der chrono- meters. Dit oogenblik was op beide avonden zoo gelegen (*) , dat het (*) Zijn t en t' de tijden, waarvoor' het verschil in aanwijzing der chronometers door de beide stellen seinen bepaald is, en is i" het tijdstip, waarvoor men het verschil in aan- wijzing der chronometers weten wil; noemt men dit verschil voor de tijdstippen t, t' en t' respectievelijk a, b en x, dan zal x, hetzij t al dan niet tusschen t en t' inligt, uitgedrukt worden door de formule : f—t r f— f' „ X = o + a 1' —t t—t of als men !"~' p = stelt t—t X — pb + (l — p) a Is nu a bepaald door n en. b door n' seinen , en is tw de waarschijnlijke fout voor eene vergelijking der chronometers door een telegraafsein , dan is de waarschijnlijke fout van a = . — !f_ en van b = ■ " en de waarschijnlijke fout van x \X^-nJ ^\^ n' ■' l n n' ) en als n = n' is n Zoodat het gewigt van x, d. i. het aantal bepalingen , welker arithmotlsch midden de- zelfde waarschijnlijke fout heeft als x, uitgedrukt wordt door de formule : pj_ + (i-p) n n' en, als n = ra' is, door de formule: n 8 VERSLAG VAN DEN HOOFD-INGENIEUR verschil der chronometers uit de telegrafische seinen met eene naauw- keurigheid werd afgeleid, den 28^'^ October alsof het onmiddellijk door 47 en den 1^"^ November , alsof het onmiddellijk door 35 seinen bepaald was, en had dus eene waarschijnliike fout van ■ "' ' en -^^ — d. i. O^jOlO en 0',011, waarvoor wij gemiddeld 0^,0105 zullen aanne- men. De waarschijnlijke fout van het bepaalde lengte verschil werd nu : i^ ('0',031^ +0^0552+ 0%01052) ^ 0^0G4. Hadde echter de vergelijking der chronometers volstrekt naauwkeurig kunnen geschieden, dan ware de w. fout van het lengteverschil geweest: V- (0%03P+ 03,055^) = 09,063. derhalve slechts één G-i^*^^ deel minder. Men ziet uit deze getallen dui- delijk den grond tot mijne bewering spreken. Ik heb boven gezegd dat de tijdsbepalingen geschiedden door het nemen van zenithsafstanden. Gaarne had ik mij steeds bediend van de waarneming van doorgangen door den meridiaan, het universaal- instrument als passage-instrument gebruikende, welke methode, mits het voetstuk zeer stevig en de tappen der horizontale as geheel zuiver zijn, meerdere naauwkeurigheid moet opleveren dan de opgenoemde, als zijnde geheel onafhankelijk van straalbreking en van fouten in de verdeeling van cirkels. De opgave der resultaten zal echter aantoonen dat de naauwkeurigheid, waarmede met de universaal-instrumenten van Repsold en van Pistor en Martins de zenithsafstanden gemeten worden, zoo buitengewoon groot is, dat dit bezwaar, vooral bij mijne waarnemingen met het universaal-instrument van Repsold, grootendeels wegvalt. De tijdsbepalingen door zenithsafstanden bieden overigens zoo vele voordeelen voor reizende sterrekundigen aan, dat ik niet geloof dat één geographisch ingenieur haar niet de voorkeur geven zoude. Ik noem hier bepaaldelijk: 1° de onaf hankelijkheid van de absolute stevigheid van het voetstuk; 2° de onafhankelijkheid van de zuiverheid der tappen van de hori- zontale as ; 3° de waarnemins-en kunnen begonnen worden zonder de minste voorbereiding; VAN DE GEOGRAPHISCHE DIENST IN N. I. 9 4^ men kan zich bepalen bij de helderste sterren, die zich nog bij eene heijige lucht laten waarnemen en wier schijnbare plaatsen in den Nautical Almanac staan opgegeven, 6^ elke twee waarnemingen geven een resultaat, onafhankelijk van de fouten van het instrument , waarvoor , bij het gebruik van het univer- saal-instrument als passage-instrument in den meridiaan, vier noodig zijn. Het is hier nog de plaats van eene bijvoeging melding te maken, die ik aan de bamboezen voetstukken liet aanbrengen , zoo als de heer S. H. de Lange ze in zijn wVerslag der reis van de Geographische Ingenieurs S. H. de Lange en G. A. de Lange van Batavia naar de Residentie Menado en terug, van 23 January 1852 tot 20 Maart 1853", bladz. 3, (Tijdschrift der Natuurkundige Vereeniging, deel V, afd. I) beschreven heeft (*). Toen ik namelijk voor het eerst een dergelijk voetstuk naast mijne woning had laten oprigten , was het mij gebleken , dat eene verplaat- sing van het ligchaam tevens eene verplaatsing van de luchtbel der niveaus ten gevolge had. Daar wijlen de heer S. H. de Lange de vastheid der door hem op zijne expeditie in Menado het eerst gebruikte voetstukken hoogelijk prijst, zoo geloof ik, dat de zachtheid van den grond op het erf mijner Avoning misschien de oorzaak was, dat de vast- heid daar minder was. Hoe het zij, het kwam mij wenschelijk voor, de stevigheid der voetstukken te vermeerderen, en ik liet daarom eerst een voetstuk metselen en het met eenen marmeren vloersteen bedekken. Ofschoon ten gevolge zijner zwaarte , en dank zij het stevige fundament waarop het rustte, dit voetstuk minder onderhevig bleek te zijn aan verplaatsing dan het vorige , zoo werd de beweging van eenen persoon in de onmiddellijke nabijheid toch steeds door de niveaus ver- (*) MÜrie bamboezen worden loodregt een paar voet diep in den grond gezet, op afstanden gelijk aan »die der pooien van het daarop te plaatsen instrument. uDaar rondom wordt een koker van plat geslagen bapiboe geplaatst, die met rottan digt gebonden i>en daarna gevuld en aangestampt wordt met aarde, zoodanig dat de loodregt staande bamboezen er "Slechts ter handbreedte uitsteken. i)In het uiteinde van dezen worden steenen geplaatst, die aan het boveneinde vlak en breeder dan »de bamboe zijn en waarop de koperen plaatjes komen, waarin devoetscbroeven van het instrument staan." 2 10 VEESLAG VAN DEN HOOFD-INGENIEUR raden, en eerst toen ik rondom dit steenen voetstuk eenen afzonder- lijken bamboezen vloer had laten leggen van omtrent tien voeten in het vierkant , die noch het voetstuk , noch den grond onmiddellijk daar- nevens aanraakte , en , slechts aan elk zijner hoeken op een paar met- selsteenen rustte , toen eerst bleek de isolering aan het voetstuk niets te wenschen over te laten. Ook de bamboezen voetstukken op dezelf- de wijze van eenen bamboezen vloer omringd , voldeden volkomen aan den eisch, en loopen of springen op den vloer was in geenen deele aan de niveaus merkbaar. Daar de heer Jaeger en ik tegelijk zouden moeten waarnemen , en dus twee voetstukken voor de observaties zouden noodig hebben, wenschte ik nog een stel van drie zulke steenen te hebben, als waarvan de heer de Lange spreekt, doch na vergeefsche moeite aangewend te hebben, te Batavia eenen steenhouwer te vinden, die hunne vervaar- diging wilde ondernemen , legde ik op de uiteinden der drie bamboe- zen eenen marmeren vloersteen , en hiermede had ik eveneens een voetstuk , dat niets te wenschen overliet. Komen wij tot onze lengtebepaling terug. Eerst in April veroorloofde de regenbuijen ons een' aanvang te maken. Den 16™ en 24'='^ April en den l'^'* en S'^'^ Mei nam de heer Jaeger aan het kantoor te Weltevreden, en ik aan dat te Batavia waar; den 7^"^, 8en^ \Qen q^ i^en ]\fei was ik te AVeltevrcden en de heer Jaeger te Ba- tavia. Wij hadden over het algemeen veel met wolken te kampen , van daar dat onze afspraak, om steeds dezelfde sterren voor de tijds- bepalingen te gebruiken, meestal niet vervuld kon worden. De ver- wisseling der waarnemers had ten doel, het personele verschil te eli- mineren , dat bij het waarnemen van doorgangen van sterren door twee waarnemers steeds bestaat. Met de bepalingen, op de genoemde acht avonden geschied , meende ik te kunnen volstaan. Voordat het daarop betrekking hebbende Gou- vernements-besluit genomen was, (14 Juny) was dus deze werkzaam- heid reeds geheel afgeloopen. Het resultaat was: VAN DE GEOGRAPHISCHE DIENST IN N. I. 11 Ohservaüeplaats Weltevreden oostelijk van ohservatieplaats Batavia. 1S5 S. April 16 II 21 Mei 1 It 3 OuDEMANS te Batavia. Jaeger te Weltevreden Waarscli. fout. ± Os82 // 0,22 /' 0,30 " 0,17 .Lengteverschil. 4^,20 5,21 5,27 5,43 fia. ien. Betrekkelijk cewigt. 1858. 10 Mei 7 21 " 8 11 * 10 35 // 14 Oude MANS te Weltevreden. Jaeger te Batavia. Lengteverschil. Waarscli. fout. 5sl3 ± 0s23 5,37 " 0,19 5,69 " 0,22 5,38 " 0,23 Betrekkelijk gewigt. 19 29 21 20 En , het midden nemende , lettende op de gewigten : OüDEMANS te Batavia . . . .) "^n-x • ^ nr, r - nsifff 0^,21 gewigt 77, w. fout 0^,115, 89, // // 0%107, Jaeger te Weltevreden . . OüDEMANS te Weltevreden . . ) ks 39 Jaeger te Batavia i zoodat als vrij van de personele fouten der waarnemers aangenomen kan worden het resultaat: Ohservatieplaats AVeltevredcn oostelijk van ohservatieplaats Ba- tavia 5^30 gew. 165. w. f 0%08. Trekt men hier af: Ohservatieplaats Batavia westelijk van den Tijdklep 0^,06. Blijft: Ohservatieplaats Weltevreden oostelijk van den Tijdklep te Batavia 5^,24. Ik zal hij deze gelegenheid tevens de resultaten aangeven, die ik voor de poolshoogten dezer beide plaatsen verkregen heh. Ik vond door waarnemingen in nahijheid van den meridiaan voor de Zuiderbj^eedte van de ohservatieplaats hvj den tijdklep-. 1858. Gebruikte ster. Mei 1 12 Canum Venaticorum I) 11 /3 Leonis » 3 «■ Corvi » )i yi Argus Zenithsafstand. N 47°, 5 N 28, O Z 19, 6 Z 55, 2 Zuiderbreedte. Aantal waarnem. Reductie op den tijdklep: . , Zuiderbreedte yan den tijdklep: 6° 7' 38", 1 34, 4 38, 7 37, 5 6° 7'37",2 .' . . . O ,6 4 4 5 6 er 7 36 ,6 12 VERSLAG VAN DEN HOOFD-INGENIEUR terwijl de waarnemingen op de observatieplaats te Weltevreden in de onmiddellijke nabijheid van het telegraaf kantoor geven: Zuiderhreedte van de observatieplaats te Weltevreden. 1858. Gebruikte ster. Mei 10 >J Ursae Majoris // 8 12 Canum Veaatieorum # 8 . .. : 14 22 ,G3 » » » » ± 0s083 Gemiddeld: 14 22 ,80 » » .. » ± Os06. Hierbij moet nu geteld worden het lengteverschil van Weltevreden en Batavia; doch om het resultaat onafhankelijk te maken van de personele fouten der waarnemers , moet hiervoor genomen worden die waarde van dat lengteverschil, die gevonden is, toen de heer Jaeger te Batavia en ik te Weltevreden waarnam. Deze was, (zie blz. 10:) Weltevreden oostelijk van Batavia: 5^,39 Reductie op den Tijdklep : — O ,06 5,33 met eene waarschijnlijke fout ± 0^, 107. Daar eindelijk de waarnemingsplaats van den heer Jaeger te Samarang 88,4 N. El=:2",89 ^=;0%19 oostelijker dan de uitkijk aldaar lag, zoo is dus de einduitkomst onzer bepaling: Uitkijk te JSamarangr oostelijk van Tijdklep te Batavia: 14" 2ï%94 met eene w. fout ± 0%135. Veel schoonere overeenkomst, dan de boven gevondene twee waar- den voor het lengteverschil van Samarang en Weltevreden aanbieden, hadden de resultaten voor het lengteverschil van Cheribon en Welte- vreden. Er werd namelijk gevonden: 13 VERSLAG VAN DEN H OOFD-INGENI E UE 28 October 1858 6"' 57»,90 met eene waarscli. fout ± 0',064 29 1. II 58,07 » .. .. .. 0,085 30 » II 58,06 i> » » » 0,085 1 November » 58 ,06 " n » » ,064 Gemiddeld, lettende op de ■waar- schijnlijke fout van elk resultaat: G" 58*,01 " » » n O', 04 Weltevreden oostelijk van Batavia: 5,33 » » » n 0,11. komt derhalve, daar het havenlicht 0',52 :=! 0%03 oostelijker dan de ■waarnemingsplaats van den heer Jaeger lag: Ilavenliclit te Clieribon oostelijk van Tijdklep te BataTia: 3"" S'^ï met eene w. fout ± 0%i;S. § 6. Tijd, dien de seinen noodig hadden, om over te gaan. Onze waarnemingen geven nog den tijd aan, dien de telegrafische seinen noodig hebben, om, op het eene station gegeven zijnde, op het andei'e door het aantrekken van het anker door den electromagneet hoorbaar te worden. Standvastig is deze tijd niet, daar het anker, zoowel van het relais als van den schrijftoestel, door een klein spi- raal veertje wordt tegengehouden, zoodat de bedoelde tijd afhangt 1" van de sterkte van den stroom, en 2° van de kracht, waarmede het veertje gespannen is. De tijd, dien de electrische stroom noodig had , om den telegraafdraad te doorloopen , kan in geen geval merkbaar ge- weest zijn. Voor een ver verwijderd station wordt de bedoelde tijd- ruimte nog vergroot, als er een tusschenstation met zijn relais in den keten is. Dit was met Samarang het geval. De resultaten waren: Tijd , dien de seinen noodig hadden om over te gaan van Weltevre- den naar Batavia, vice versa, gemiddeld 0^01 van Weltevreden naar Cheribon, vice versa, gemiddeld. . . . 0,035 // // // Samarang, // « , " .... ,09 Zoo als reeds gezegd is , waren onze resultaten zoo goed als geheel vrij van den invloed dezer tijdruimte, daar de seinen steeds afwisse- lend van beide uiteinden gegeven werden. VAN DE GEOGRAPIIISCIIE DIENST IN N. I. 19 § 7. Ligging der observatieplaatsen te Cheribon en Samarang ten opzigte der triangidatiestations. liet verhaaste vertrek van den heer Jaeger van Samarans; en het slechte weder tijdens zijn verblijf aldaar, verhinderden hem eene breedte- bepaling te volbrengen. Nogtans was de door hem aangenomen breedte zyner observatieplaats , die hij van de breedtebepalingen , door den heer de Lange in 1857 volbragt, afleidde, voor de berekening der tijdsbepalingen naauwkeurig genoeg. Mogt namelijk deze breedte bij eene latere gelegenheid naauwkeuriger bepaald worden, dan konden de tij ds- en derhalve de lengtebepalingen door eene eenvoudige diffe- rentiaal-formule verbeterd worden (*). Te Cheribon daarentegen had de heer Jaeger den 3«" November ge- legenheid om eene breedtebepaling te doen. Zijne uitkomsten waren: uit 2 waarnemingen op <« Cassiopeiae in de nabijheid van den meridiaan. ( z = 62°,5 N) . . G°43,5",2 uit 8 circummeridiaanswaarnemingen op cc Eridani (z = 5r,3 Z) 5,9 Hierbij nog voegende de resultaten van 8 Juny 1859, namelijk: Uit 10 circummeridiaanswaarnemingen van « Lyrae (z = 45°,5 N) 3 ,4 Uit 4 waarnemingen op » Pavonis ... (z = 50° ,6 Z) 6,0 Komt gemiddeld , G°43'5',l Door middel van eene, van den Ingenieur van den waterstaat te Cheribon geleende , boussole en meetketting verbond de heer Jaeger zijne waarnemingsplaats aan die, welke het station der heeren de Lange bij de triangulaties had uitgemaakt. Daar het echter het volgende jaar bleek , dat deze meting foutief was , zal ik het resultaat achterwege houden en dadelijk de juiste, door mij den S^q October 1859 gevon- dene, uitkomst mededeelen. (*) Door de vertraging, die het drukken van dit verslag, wegens gebrek aan papier, euz. geleden heeft, ben ik in de gelegenheid geweest, alles naar de juistere bepalingen, iu 1859 volbragt, te verbeteren (24 January 1S60). 20 VERSLAG VAN DEN HOOFD-INGENIEUR Deze was, dat de waarnemingsplaats van den heer Jaeger lag ten opzigte van het triangulatiestation: 836,9 N. El ^ 27",25 ten zuiden , 536,0 N. El::^ 17",44- 1^16 ten oosten. Even zoo verbond ik in Junyl859te Samarang de observatieplaats van den heer Jaeger met het triangulatiestation. Het resultaat was, dat gene ten opzigte van het laatste gelegen was : 1101,7 N. El;^ 35",62 ten zuiden, 1239,5 N. El ^ 40",39 ^ 2^69 ten oosten. § 8. Vergelijking van de resultaten^ langs sterrekundigen en langs geodesischen lueg verkregen. Cheribon Samarang en Batavia, en Batavia. Gevonden lengteversehil : 7^33,37 14«i 27^, 94 Keductie op de triangulatiestations: . . — 1, 19 — 2, 50 7 2, 18 14 25, 44 Door de triangulaties was gevonden: . . 7 1, 23 14 23, 73 Verschil: O, 95 ' 1, 71 of 0,00223^-^4^ 0,00198 :i;^i^ Waarschijnlijkste correctie: + 0,00207^:^713 Hierdoor zou eene dergelijke correctie der, door de H.H. de Lange aangenomene, basis aangeduid worden. De breedtebepalingen echter schijnen eene nog sterkere vergrooting der geodesisch bepaalde breedte- verschillen, als noodzakelijk aan te duiden, welke zelfs een 220^ deel harer waarde bedraagt (zie 4^ bijlage) ; terwijl dan toch nog onregelmatig- heden blijven bestaan, die onmogelijk anders te verkaren zijn dan door lo- kale invloeden, bijv. door aantrekking, hetzij van bergen, hetzij van groo- te massaas eener zwaardere rotssoort aan de eene zijde van het punt, waar zich de onreo-elmatisheid vertoont. Ik houd het derhalve voor hoogst waarschijnlijk dat, indien de triangulaties nog veel verder in VAN DE GEOGRAPHISCHE DIENST IN N. I. 21 de rigting van oost en west worden voortgezet, alsdan ook dergelijke onregelmatigheden zich zullen voordoen bij de vergelijking der geode- sisch bepaalde met de door den electromagnetisehen telegraaf , sterre- kundig bepaalde lengteverschillen. Tevens volgt ook uit de bedoelde onregelmatigheden aan de eene zijde de strikte noodzakelijkheid van triangulaties, om tot basis der topo- graphie van Java te dienen, en aan de andere zijde de algeheele ongeschiktheid van het tex-rein tot het bewerkstelligen eener naauw- keurige graadmeting, om mede te doen stemmen bij de bepaling van de waarschijnlijkste gedaante van den aardbol. Om de tijdseinen aan de zeehavens voor de schepen dienstbaar te maken, moet daarentegen, ingeval de astronomisch bepaalde lengte van de geodesisch bepaalde verschilt, de eerste aangenomen worden. De zeeman namelijk, die met het sextant de hoogte der zon boven de kim meet, maakt daarbij even goed gebruik van de rigting der zwaartekracht als de sterrekundige aan den wal, die een' hoogtecir- kel, met paslood of niveaus voorzien, voor zijne waarnemingen aan- wendt. Wijkt dus het paslood ten gevolge van zijdelingsche aantrek- king door een gebergte af, dan zal de oppervlakte der zee ook overeenkomstig deze gewijzigde aantrekking gebogen zijn en dus afwij- ken van de middelbare ellipsoidische oppervlakte, § 9. Voortzetting van den signaaïbouiü in de residentie Samarang. Terwijl de heer Jaeger en ik aan de bepaling der lengteverschillen met den electromagnetisehen telegraaf arbeidden , Averd ook de signaal- bouw in de residentie Samarang voortgezet. Den 26*'° Juny was de heer Jaeger met het stoomschip Koningin der Nederlanden te Sama- rang aangekomen , en , na zijne opwachting bij den Resident gemaakt en de toezegging van diens medewerking verkregen te hebben , zorgde hij eerst voor de noodzakelijke vernieuwing der observatiehut aan het zeestrand te Samarang, en vertrok toen den 29^^ naar Ambarawa. Zijn eerste doel was te onderzoeken in welken toestand zich de signalen op 22 VERSLAG VAN DEN HOOFD-INGENIEUR de bergen Oengarang, Ngrandja en Merbaboe bevonden, die bij de vorige triangulatie gediend hadden. Het bleek dat op de Ngrandja het signaal hersteld moest worden , en dat aldaar hutten ontbraken. Op den Oengarang was het omgewaaid, op den Merbaboe waren de hutten afcrebrand. Na voor het herstellen van dit alles de noodio;e stappen bij de autoriteiten gedaan te hebben, vertrok de heer Jaeger naar den Kendalisodo. Het bleek dat Samarang, de Ngrandja en de vesting Willem I alleen dan van dezen bei'g te gelijkertijd zigtbaar zijn, wanneer men zich eenige voeten boven den grond verheft. Dit punt koos de heer Jaeger voor een signaal uit. Samarang en de Ngrandja kunnen van de gewone hoogte van het oog boven den grond gezien worden, doch Willem I niet. Het signaal zelf is nog- tans uit deze vesting zigtbaar. De berg Rong werd verder bezocht, doch voor het plaatsen van een signaal afgekeurd. Het weder werd hoe langer hoe ongunstiger, dagelijks regende het zoo hevig en aan- houdend, dat het jaargetijde meer op eenen west- dan op eenen oostniousson geleek; niet zonder veel tegenspoed ondervonden en on- gemakken doorgestaan te hebben, slaagde de heer Jaeger er in, op den Ngomplak, Matjanmati, Sadang, Ngebleng en Pajong signalen op te rigten, en was juist van plan den Nawangan te beklimmen, toen hij den 4«» Augustus te Nobo de opdragt van mij ontving, om het aangevangen werk te staken en zich naar Samarang te begeven, ten einde door den electromagnetischen telegraaf het lengteverschil dier plaats en Batavia met mij te bepalen. De signaalbouw moest nu stilstaan, doch kon weder spoedig her- vat worden. Bij de overhaaste terugkomst van den heer Jaeger van Samarang naar Batavia, waarvan boven melding is gemaakt, was de korporaal Rosenkranz medegekomen, die kort daarop tot sergeant werd bevorderd. De adjudant-onderofficier Alberts, die langen tijd pijnlijke aandoeningen aan de lever gevoeld had, Avas weder aan de beterende hand. Beiden besteedden de maand September hoofdza- kelijk aan het nazien en schoonmaken van den voorraad instrumenten en gereedschappen. Voornamelijk het door den heer Jaeger medege- nomen universaal-instrument van Pistor en Martins moest geheel en VAN DE GEOGRAPIIISCIÏE DIENST IN N. I. 23 al uit elkander genomen worden, in alle deelen nagezien, en in sommige opzigten gerepareerd worden. Hierbij kwam vooral de ken- nis van instruraentmaken te pas , die de sergeant Rosenkranz bezit. De adjudant-onderofficier Alberts en de sergeant Rosenkranz ver- trokken nu , den S^n October , met de stoomboot Samarang Packet naar Samarang , ten einde verder het bouwen der signalen voort te zetten. In weerwil van het vele oponthoud, onder anderen veroorzaakt door het kappen van vele en zware boomen, steeds op den heuvel waar een signaal staan moest, maar ook dikwijls op eenen anderen, hetzij tusschen twee stations, om het signaal van het eene uit het andere zigtbaar te maken, hetzij in het verlengde van twee stations, opdat het signaal op het eene station zich niet, uit het andere station ge- zien, op boomen zou projecteren; in weerwil van dit oponthoud, zeg ik, ging het bouwen der signalen vrij spoedig en geregeld voort, en na de signalen in de afdeeling Salatiga voltooid te hebben , waar de heer Jaeger begonnen was, hadden zij den Sl^'^ December reeds 14 goed uitgekozene punten in de afdeelingen Demak en Grobogan met signalen voorzien. Het heuvelachtige terrein in de residentie Sama- rang is voor het spreiden van een triangulatienet veel lastiger en moeijelijker dan dat in de met hooge bergen voorziene residentiën, waar vroeger de triangulaties plaats grepen, en waar men dadelijk, van den eenen bergtop uit, eene keuze uit de omringende bergtop- pen doen kon. Ik acht het niet van belang ontbloot hier een af- schrift te geven van een der rapporten van den adjudant-onderofficier Alberts, nl. van zijn tweede rapport, gedagteekend District Wirosari, dessa Bodjo, 12 November 1858. // Den 23en October vertrok ik van Samarang naar het district Seron- w dol, en bestemde den volgenden morgen den heuvel ïrangkil, gele- i> gen digt bij den grooten weg naar Oengarang , voor een signaal. // Ik zag van hier uit op den berg Boetak de overblijfselen van een II signaal , eenige der bamboe-petong staan , en verder , dat op den oos- // telijken kruin van dat gebergte nog veel moet gekapt worden , om het /' op te rigten signaal in oostelijke rigting zigtbaar te verkrijgen, of wel // dat op dien top nog een tweede signaal gebouwd zal moeten worden. 24 VERSLAG VAN DEN HOOFD-INGENIE ÜR " Denzelfden dag keerde ik naar Djomblang terug, en kwam den // 26eii over Broemboeng en Djeragan op den heuvel Panawangan aan. // Daar Rosenkranz na afloop van den signaalbouw op den Kendalisodo «nog twee punten, Dalan en Trangkil met signalen te bezetten had, '/ zoo wachtte ik op den Panawangan het werkvolk en materieel af, öm // hier zelf het signaal enz. te laten oprigten , en liet intusschen op den II heuvel en eenige zijner hellingen het wilde geboomte wegkappen. '/ De dessa op den heuvel , zoomede een omheind graf, met heiligen //eerbied door de bevolking der dessa vereerd, vielen in eene rigting, // die voor de metingen niet hinderlijk waren , maar wel waren dit // een twintigtal boomen, die op het hoogste punt om eene kleine aard- // verhooging stonden, Avelke laatste de beminde rustplaats van eenen // Goeroe zoude geweest zijn , die aldaar voor eenige eeuwen zoude // hebben geleefd, en in de nabijheid begraven liggen. Het gelukte mij // echter , het vrome dessa-hoofd te bewegen , dit getal tot op zes te- // rug te brengen , en daardoor alle signalen zigtbaar te verkrijgen. // Den 30'^'^ October vertrok ik over Goebook naar de dessa Sindang // op de zuidwestelijke grens van het district Manggar (een afstand van // 36 palen) en reisde den volgenden morgen naar den heuvel Ba- // njoepahit dien ik van Panawangan voor een signaal goedgekeurd had. // De lange rid op den 30^"^ had mijne lever sterk doen opzetten en // mij hevige pijnen in de zijde bezorgd. Rosenkranz arriveerde den 1^° '/ November ; door de koorts aangetast, bragt hij een' dikken uitslag om // neus , mond en kin , en een opgezwollen gezigt mede. In den voor II ons logies teregt gemaakten karbouwenstal herstelden wij ons zoo // goed mogelijk , door de chirurgische hulpmiddelen , die de plaats ople- // verde. Van af den Panawangan is de zuidelijke grens der residen- // tie met onafzienbare wilde djatibosschen bezet. De veelvuldige // kleine heuvels , die weinig onder elkander in hoogte verschillen , en // even als de hen omliggende dalen met hooge en zware djati zijn // begroeid (waarin men zich slechts met de boussole oriënteren kan) //maken het moeijelijk, een ruim en vrij gezigt te verkrijgen, en zijn //uiterst hinderlijk voor het opzoeken van verdere punten, en dikwijls // wordt men tot uitkappingen verleid , die later blijken van geen nut VAN DE GEOGRAPHISCHE DIENST IN N. I. 25 »/ te zijn, doordien het gezigt op een' daarachter gelegen' heuvel met tl zijne hooge boomen stuit. Hierdoor wordt het werk zeer vertraagd , II waarbij nog komt , dat het kappen van het harde hout der zware // djati- en sawoboomen veel tijd, menschen en gereedschappen ver- 1/ eischt. Op den Banjoepahit kwam hierbij nog de omstandigheid, // dat geen genoegzaam werkvolk kwam opdagen en de opgekomenen «een gering getal kapbijlen hadden medegebragt, zoomede dat het // inlandsch hoofd , hetwelk door den Wedono van Manggar ter " assistentie was achtergelaten , weinig geschiktheid bezat , om de ge- /' geven orders te doen uitvoeren. Al deze redenen vei'eenigd , waren // dan ook oorzaak , dat ik eerst den 6^" en Rozenkranz den 8^" Novem- // ber van daar kon vertrekken. II Laatstgenoemde werd nog zeer opgehouden , doordien de lange , w smalle heuvelrib uit veelvuldige lagen van zwaren zandsteen bestaat, '/ die in schuinsche rigting tegen den bodem op elkander gestapeld lig- «gen, en die zelfs de ijzeren koevoeten trotseerden. Na eenige da- // gen vruchteloos gepoogd te hebben , met koevoeten de noodige ga- // ten voor de pyramide in de steenen uit te breken , kwam een in- // landsch hoofd op het denkbeeld , de steenen te branden , hetgeen // beproefd werd. Den anderen morgen bleek dat de steenen , zoo ver // zij aan de hitte van het vuur bloot gesteld waren geweest, gedeel- '/ telijk gebarsten en gedeeltelijk met zware stukken hout aan kleine II brokken te stooten waren. Dit verbranden werd tot eene genoegzame /' diepte herhaald. // Den 6^1 reed ik langs de zuidgrens naar de heuvels Mongot in het // district Poerwodadie. Het bleek spoedig , dat deze heuvels zoo laag //waren, dat ik ze onmogelijk van den Banjoepahit kon gezien hebben II en dus het adsisterend hoofd, in weerwil mijner waarschuwing, mij // maar den eersten besten naam opgegeven had , die hem was inge- // vallen. Op een' der hoogste heuvels inde nabijheid, Djoworo, liet // ik kappen en zag eerst den anderen middag , dat ik van hier uit //onmogelijk een vrij gezigt om de west kon verkrijgen, daar de heu- // vels naar die zijde allen hooger waren. Ik kon dus weder weste- // lijk terugkeeren. Te Kolang Bantjar ontmoette ik Rosenkranz, die 26 VERSLAG VAN DEN HOOFD-INGENIEUR '/ gelukkig het assisterend hoofd van Banjoepahit tot hier had mede- f/gebragt, en welke laatste thans in last kreeg , werkvolk te verzamelen // voor het kappen op den heuvel Tjinkle. Van hier uit bestemde ik // nog den noordoostelijk gelegen' berg Prigi voor een signaal en Avilde //den 11^1 November naar het district Wirosari vertrekken, toen ik te // Kalangbandjar daarin verhinderd werd door den onwil van den '/ Loerah dier plaats , om mij transportmiddelen te vei-strekken. Ik //verzocht schriftelijk de hulp van den Ass.-Hesident te Poerwodadi, // en kreeg heden het verzochte en den Wedono tot geleider. De dja- // tibosschen der zuidgrens van Wirosarie allen vlak vindende , reed ik //meer noordelijk naar den heuvel Djondro, en zal hier morgen laten // kappen. De weêrgesteldheid blijft nog tamelijk gunstig." § 10. Bepaling van de lengte van Batavia uit de waarnemingen ^ door de H.H. de Lange in 1851 — 54 gedaan. a. Ifleridiaanwaarnemingen. Ook aan den arbeid bij art. 3 van het Gouvernements-Besluit van 14 Juny 1858 no. 29 opgedragen, werd, voor zoover de andere werk- zaamheden , het bureauwerk enz. toeliet , gearbeid , en ik mogt nog dit jaar het eerste gedeelte daarvan, namelijk de vernieuwde berekening der lengte van Batavia, uit de waarnemingen der H.H. de Lange in 1851 tot 54 gedaan, voleindigen. Deze waarnemingen waren ten eerste , die van den meridiaan-door- gang van een' der maansranden en van die der zoogenoemde maan- sterren, (d.i. van die sterren, die voor de vergelijking met de maan , in den // Nautical Almanac" en het Berlijner // Astronomisches Jahrbuch" vooruit worden opgegeven). Ten tweede: waarnemingen van gelijke hoogte der maan en van eene ster, eene methode, ter bepaling der Geographische lengte, door den hoogleeraar Kaiser in zijne //Ver- handeling over de sterrekundige plaatsbepaling in den Indischen Ar- chipel" aangeprezen, en waarvan ook a posteriori gebleken is, dat zij ten minste even goede resultaten geeft als de voorgaande. Ten der- de: sterrebedekkingen. Om uit al deze waarnemingen met de ge- VAN DE GEOGRAPHISCHE DIENST IN N. I. 27 wenschte naauwkeurigheid de lengte van Batavia af te leiden, Ava- ren noodig corresponderende waarnemingen of naauwkeurige maans- plaatsen uit de maanstafels van Hansen berekend. Corresponderende ■waarnemingen leverde hoofdzakelijk de sterrewacht te Greenwieh op : niet alleen worden van alle sterrewachten hier de meeste waarne- mingen op de maan , ook buiten den meridiaan gedaan , maar ook worden zij aldaar met even veel naauwgezetheid na als voor de volle maan waargenomen. Op de meeste andere sterrewachten wordt de doorgang dor maan in het geheel niet geregeld waargenomen of als eene bijzaak behandeld en daar hare culminatie bij volle maan te middernacht en na de volle maan steeds later dan middernacht plaats grijpt, zoo worden over het algemeen de culminaties na de volle maan ook dikwijls daar verwaarloosd, waar zij vóór de volle maan gere- geld worden Avaargenoraen , hetgeen des te meer te bejammeren is , daar de waargenomene culminaties vóór de volle maan, alle betrek- king hebbende op den eersten rand , ontoereikend zijn , om door ver- gelijking met culminaties op eene plaats waargenomen, waarvan de geographische lengte bekend is, eene juiste lengtebepaling eener an- dere plaats te leveren, onafhankelijk van de verschillende middellijn, waaronder zich de maan in verschillende kijkers voordoet. Ik heb niettemin de waarnemingen der HH. de Lange toch ook met al de maanswaarnemingen vergeleken, die ik, buiten de waarne- mingen te Greenwieh, heb gevonden, namelijk die te Oxford, Cam- bridge. Hamburg, Kremsmunster, Olmutz en Cracau gedaan waren, ten einde geen aanwezig materiaal ongebruikt te laten en na te gaan of de vergelijking met bijna uitsluitend op den eersten rand betrekking hebbende waarnemingfen der vier laatste plaatsen ook voor de lengte van Batavia een ander resultaat gaf dan de vergelijking met die waar- nemingen te Greenwieh, die insgelijks vóór de volle maan waren ge- daan. Daar zich hier geene in het oog loopende afwijking voordeed, werd er geene aanleiding tot verder onderzoek gegeven. De corres- ponderende waarnemingen te Cambridge ben ik aaji eene vriendelijke mededeeling van den heer Challis verschuldigd, den Directeur der sterrewacht aldaar. 28 VERSLAG VAN DEN HOOFD-INGENIEUR Ik heb nu de waarnemingen der maan in den meridiaan op twee wijzen voor de afleiding der lengte van Batavia aangewend. Ten eerste heb ik alleen de corresponderende meridiaanwaarnemingen daartoe gebruikt, namelijk alleen die, waarbij ook eene of meer der vier vergelijkingsterren waren waargenomen, die ook te Batavia gediend hadden. Hierbij heb ik dus zuiver de methode gevolgd, zooals zij door Nicolaï is voorgesteld en steeds door andere sterrekundigen is gevolgd. In de vijfde bijlage tot dit verslag worden de bijzonderheden der berekening nader toegelicht. Daar behalve Greenwich slechts Oxford en Cambridge eenige weinige vergelijkingen van waarnemingen, met behulp van beide maansranden volbragt opleverde , zijn bij de afleiding van het eindresultaat de gedeeltelijke resultaten buiten rekening gela- ten, verkregen door vergelijking met waarnemingen, op andere ster- rewachten nl. Kremsmunster, Hamburg, Olmutz en Cracau volbragt. Bij de berekening waren van deze sterrewachten de volgende lengten aangenomen : Oxford . . . . . S»" 2^ 6. W. van Greenwich Cambridge. • 22,75. 0. II Hamburg. . • f 39 54, 1. II II Kremsmunster. . • 56 32, 8. II II Olmutz. . . . 1 9 0, 1. II II Cracau. . . . 1 19 51, 1. II II In het jaar 1853 namen beide de heeren de Lange bijna altijd ge-» zamenlijk waar ; daar echter beider waarnemingen met dezelfde waarr nemingen te Greenwich volbragt , moesten vergeleken worden , mogen de resultaten uit beider waarnemimgen verkregen niet afzonderlijk op- genomen, maar moeten zij tot één resultaat vereenigd worden. Bij zulk eene vereeniging moet nogtans eerst een onderzoek voor- afgaan, of er ook een merkbaar standvastig verschil tusschen de resultaten der beide waarnemers bestaat. Reeds wijlen de heer S. H. de Lange heeft in zijn meergemeld verslag, blz. 267 (12) en 267 (13) dit onderzoek vermeld. Eenige misstellingen, een paar uitlatingenen eene onoplettendheid van den zetter maakt de aldaar opgegeven© VAN DE GEOGRAPHISCHE DIENST IN N. I, 29 tabellen niet zeer verstaanbaar. Ik zal ze daarom hier herhalen, tevens de resultaten, die op de twee maansranden betrekking hebben, van elkander afscheidende. Verschil tusschen de door heide ivaarnemers gevondene lengten (S. H. — G. A.). Eerste rand. 1853 Juny 16 + lis, 28. » 17 - 14, 16. .. 18 + 4,65. » 20 - 0,86. July 15 + 3,00. » 16 + 0,78. .. 17 - 2,23. Oct. 11 + 13,67. Dec. 14 + 7,1:6. Tweede rand. 1853 Mei 23 + 1', 68. Juny 21 - 6,76. .) 22 + 3,91. » 24 - 1 , 70. July 22 + 5 , 70. Sept. 18 -1,25. .1 19 + 8 , 86. .. 20 + 2 , 82. » 21 — 0,31. » 23 + 3 , 99. Oct. 22 - 1 , 87. Dec 15 - 3 , 60. Dec. 17 - , 69. Arithm. midden + . 83. in beide randen: + r,75 Arithm. midden + 2, 67. Gemiddeld verschil, afgeleid uit waarnemingen aan beide randen: Verschil tusschen de door beide ivaarnemers gevondene regte opklimmingen der maan (S. H. — G. A.) Eerste rand. 1853 July 16 - 0', 43. .) 17 + 0,56. » 18 - , 24. » 20 + 0,05. July 15 - 0,16. .. 16 - 0,05. » 17 + , 10. Oct. 11 - 0,55. Dec. 14 - 0,29. Arithm. midden: — 0% 11. Waarsch. fout : ± Os, 053. Gemiddeld verschil, afgeleid uit waarnemingen aan beide randen: — Os, 065 w. f. Twee de rand. 1853. Mei 23 -Os, 06. Juny 11 + 0,33. II 22 - 0,17. 1) 24 + , 06. July 22 - , 23. Sept. 18 + , 04. » 19 - , 29. II 20 - , 09. » 21 + 0,01. II 23 - 0,15. Oct. 22 + , 07. Dec. 15 + 0,13. 17 + 0,02. Arithm midden - 0« , 02. "Waarsch. foul . ± Os , 049. — Os, 065 w. f. ± 0' , 034 30 VERSLAG VAN DEN HOOFD-INGE MIE UR Ofschoon nu de arithmetische middens aangeven, dat wijlen de heer S. H. de Lange, de lengte iets meer oostelijk zoude gevonden hebben , dan de heer G- A. de Lange , acht ik het gevonden verschil te gering en de afwisseling der teekens te sterk uitgedrukt , de waarde van het resultaat derhalve te onzeker, om het bij de zamenvoeging der resultaten van beide waarnemers in rekening te nemen. Ik heb dus van de resultaten, afgeleid uit beider waarnemingen op denzelfden avond volbragt, eenvoudig het arithmetisch midden genomen , en bij de bepaling der gewigten van deze arithmetische middens de voorschriften der waarschijnlijkheidsrekening in acht genomen. Het eindresultaat was Batavia O. van Greenwich 7" 7™ 18% 5 met eene w. fout ± O», 8. Bij bovenstaande berekening moest de grootste helft der te Batavia waargenon^ene culminaties der maan ongebruikt blijven, daar die op dagen volbragt waren , waarop te Greenwich de maan niet in den meridiaan, of waarop wel de culminatie der maan, maar van geene der te Batavia waargenomene vergelijkingsterren was waargenomen. Daarom heb ik de berekening nog eens op eene andere wijze uitge- voerd, die zich tegenwoordig even goed laat aanwenden, als de zoo even bedoelde, en die het voordeel heeft, dat daardoor nagenoeg al de te Batavia waargenomene culminaties der maan gebruikt worden. Deze wijze bestaat daarin, dat eerst de fouten der maanstafels wor- den afgeleid uit al de waarnemingen, te Greenwich in dat tijdsverloop volbragt, waarin de waarnemingen te Batavia hebben plaats gehad, zoo wel uit al de waarnemingen, in den meridiaan met den meridiaan- cirkel als uit de nog veel talrijkere w^aarneraingen , buiten den meri- diaan met het zoogenoemde Altazimuth volbragt. Ook de waarne- mingen, op andere sterrewachten volbragt, kunnen voor het opmaken eener tafel van fouten der maanstafels worden aangewend, mits er waarnemingen aan beide randen aanwezig zijn. Vervolgens kunnen hieruit ook voor de tijdstippen, w^aarop de waarnemingen te Batavia hebben plaats gehad, de fouten der maanstafels ligtelijk door eene interpolatie worden afgeleid , en aldus al de waargenomene culminaties voor de lengtebepaling gebruikt worden. Alleen dezulke moeten VAN DE GEOGRAPHISCHE DIENST IN N. I. 31 namelijk ongebruikt blijven, die in eene periode vallen, dat de maan dagen achtereen niet in Europa is waargenomen. Ik zeide dat deze methode tegenwoordig even goed kan aangewend worden als de gebruikelijke. Toen namelijk een derde gedeelte eener eeuw geleden, de methodr; om de geographische lengte uit de cul- minatie van maan en maansterren af te leiden, werd aangeprezen en het eerst aangewend , was de kennis van naauwkeurige sterreplaatsen in vergelijking van thans zeer ten achteren, en het gebruik van de- zelfde vergelijkingsterren aan beide stations werd vereischt om de berekening van het lengteverschil onafhankelijk te maken van de regte opklimmingen, die voor de gebruikte sterren worden aange- nomen. Voor dertig jaren had men voor de plaatsen der kleinere sterren geene andere lijsten dan die van Piazzi, die hare plaatsen voor ?800 aangeeft en de door Bessel gegevene Fimdamenta astro- nomiae, waarin de voor het jaar 1755 geldende sterreplaatsen te vinden zijn, afgeleid uit Bradley's waarnemingen, omstreeks het midden der vorige eeuw volbragt. In 1825 was men dus meestal genoodzaakt, ter verkrijging der naauwk^eurige plaats eener ster, de lijsten van Bradley en Piazzi te raadplegen en aan de plaatsen , uit laatstgenoemde afgeleid , vijf-en-twintig-maal de jaarlijksche prfecessie , en wat meer zegt, vijf-en-twintig-maal de jaarlijksche eigene beweging toe te voegen, die toen nog van slechts weinige sterren tamelijk naauwkeurig bekend was. Op die wijze was de regte opklimming van kleine sterren uit de sterrelijsten meestal niet met die naauwkeurig- heid af te leiden, waarmede men eenen doorgang met een gewoon draagbaar klein passage-instrument kan waarnemen. TegenAvoordig is deze verhouding omgekeerd, en de menigvuldige naauwkeurige plaatsbepalingen van vaste sterren in het laatste derde deel eener eeuw volbragt, stellen ons in staat, de regte opklimmingen der meeste sterren, tot de vijfde grootte ingesloten, met eene hoogere naauw- keurigheid te kennen, dan waarmede de waarneming van eenen door- gang door een jiewoon passage-instrument geschieden kan. Al stem- men dus de vergelijkingsten-en wier doorgang door den meridiaan nevens dien der maan is waargenomen, op beide sterrewachten niet 32 VERSLAG VAN DEN HOOFD-INGENIEUR overeen, dan zal toch tegenwoordig eene vrij naauwkeurige waarde voor het lengteverschil uit deze waarnemingen kunnen berekend wor- den, vooral wanneer men in de gelegenheid is, de juiste plaatsen der beide sterren uit dezelfde sterrelijst te ontleenen. Om dus meer voordeel van de 53 maanculminaties te trekken , door een' der H. H. de Lange of beide in de jaren 1851, 53 en 54 te Batavia volbragt, heb ik de moeite niet ontzien, om van al de sterren door hen met de maan waargenomen , de plaats uit de drie laatste lijsten van Greenwich te ontleenen (*). Hierdoor werden de correcties der in den Nautical Almanac aan- gegevene plaatsen dezer sterren bekend. Ofschoon tijdroovend, was deze arbeid nog niet zoo lastig als die welke noodwendig volgen moest om het resultaat , dat gezocht werd , op die hoogte van naauwkeurigheid te brengen die de tegenwoordige kennis der reductie-elementen van sterrekundige waarnemingen ge- doogt. Ik moest namelijk de fouten der maanstafels kennen , zoo naauw- keurig als die zich uit de waarnemingen te Greenwich volbragt , lieten af- leiden. In de deelen der Greenwich Observations worden wel is waar de uit de waarnemingen afgeleide fouten der maanstafels opgegeven; maar er heeft eene omstandigheid plaats gegrepen, waardoor die re- sultaten niet die naauwkeurigheid hebben , die zij kunnen bezitten , en ik achtte mij verpligt, geene moeite te ontzien om dit te verbeteren. Ter herleiding namelijk der waarnemingen op de maan, zoowel in als buiten den meridiaan is de kennis noodig van de equatoriale horizontale parallaxis en van de halve middellijn der maan. De laatste wordt door eene eenvoudige formule uit de eerste afgeleid; de sinus namelijk der horizontale equatoriale parallaxis behoeft slechts met de verhouding tusschen den straal der maan tot den straal der (•) Twee dezer lijsten vindt men vereen igd in denzoogenoemden » 12 Years Catalogue ", waarvan de juiste titel is: « Catalogue of 2176 stars, formed from the observations made during twelve years from 1836 to 1847 at the Royal Observatory Greenwich. Appendix to Greenwich Observations 1847. London 1849." De derde is afzonderlijk uitgegeven, onder den titel » Catalogue of 1576 stars, formed from the observations made during six years from 1848 to 1853 at the Royal Observatory, Greenwich, and reduced to the epoch 1850 (Appendix II to Greenwich Observations 1854) London 1856.". VAN DE GEOGRAPHISCHE DIENST IN N. I. 33 aarde aan de evennachtslljn vermenigvuldigd te worden, om den sinus der halve middellijn der maan te vinden. Nu hadden de waarnemingen , te Greenwich en elders volbragt, reeds langen tijd bewezen, dat de waarden voor parallaxis en straal der maan , zoo als die , uit de tafels van Burek- hardt ontleend , in den Nautical Almanac werden opgegeven , niet altijd met de waarnemingen overeenstemden; en ofschoon Clausen reeds in 1840 door eene vergelijking der maanstafels van Burg, Burekhardt en Damoiseau op de waarschijnlijkheid van eenige fouten in de paral- laxis-tafelen van Burekhardt had gewezen, waardoor hoofdzakelijk het veranderlijke gedeelte der parallaxis in verdenking moest vallen (Astronomische Nachrichten, deel XVII blz. 337), werd het verschil alleen toegeschreven aan het standvastige deel dier parallaxis , benevens aan eene fout in de aangenomene verhouding tusschen de stralen der maan en der aarde; de middelbare correctie werd gezocht, en bij de herleiding der Greenwich- waarnemingen van 1851 de straal der maan uit den Nautical Almanac, ten gevolge van dit onderzoek, met 1/400 + 1/4000? dus met I/364 gedeelte , en de parallaxis met 1/1200 gedeelte ver- meerderd. De berekenaars van den Nautical Almanac volgden dit voorbeeld en reeds in den Nautical Almanac van 1853 kwamen de uit de maanstafelen van Burckhai-dt ontleende parallaxis en halve middellijn der maan, met deze factoren verbeterd, voor. Adams, de beroemde berekenaar der loopbaan van Neptunus uit de storingen van Uranus, ondernam een naauwgezet onderzoek over de naauwkeurigheid der door Burekhardt bij de berekening zijner tafels aangewende formules voor de parallaxis. Hansen had reeds in 1840 de formule bekend gemaakt (Astronomische Nachrichten, deel XVII blz. 295) die zijne theorie voor de maans parallaxis had gegeven , en Adams zette die formule om en bragt haar in den door Burekhardt gekozenen vorm. Daardoor kwamen eenige kleine fouten aan het licht , door den laatsten begaan , waardoor al de waarden voor de parallaxis der maan in de sterrekundige jaarboeken, sedert het verschijnen der maanstafels van Burekhardt uitgegeven , aangedaan waren ; fouten, die in de ongunstigste gevallen eenen invloed van bijna 7" op de pai-allaxis konden uitoefenen. Adams berekende nu nieuwe tafels voor de paral- 5 34 VERSLAG VAN DEN HOOFD-INGENIEUR laxis naar de door hem zelven gewijzigde formule van Hansen , en aan het bureau van den Nautical Ahnanac werden uit deze tafels de cor- recties berekend, die de in de jaargangen 1840 — 1855 van dit jaar- boek voorkomende parallaxes der maan moesten ondergaan, om over- een te stemmen met de getallen, door de formule van Hansen ver- kregen. De tafel, deze correcties bevattende , werd als aanhangsel aan den Nautical Almanac van 1856 toegevoegd. Ik zocht nu in de eerste plaats uit deze tafel , voor al de dagen , waarop waarnemingen te Batavia en Greenwich volbragt waren , de correcties voor de in den Nautical Almanac opgegevene parallaxis. Daarna, door middel van de in de Tahles de la Lune van Hansen voorkomende tafel, de overeenkomstige halve middellijn der maan. Deze , vergeleken met den in den Nautical Almanac voorkomenden straal der maan, gaf de cori'ectie dezer grootheid aan. In 1853 waren bij de herleiding der Greenwich Observations de pai'allaxis en halve mid- dellijn der maan onveranderd uit den Nautical Almanac overgenomen , die, zoo als gezegd is, de door Airy aangegevene correcties 1/1200 en 1/364 reeds hadden ondergaan. Voor deze jaren waren dus de fouten der maanstafels , zoo als zij in de Greenwich Observations worden op- gegeven, te verbeteren overeenkomstig de gevondene correcties van parallaxis en halve middellijn. Wat de Greenwich Observations van 1851 aangaat, hier moest in aanmerking genomen worden , dat , bij de herleiding der maan-waarne- mingen , reeds eene correctie van 1/1200 ^^n het bedrag der parallaxis en eene correctie van I/364 aan dat der halve middellijn was toege- voegd , en er dus door mij nog slechts van de overmaat der geheele cor- rectie boven deze rekenschap genomen moest worden. In de Greenwich Observations voor 1854 was weder eene andere correctie van de raaans halve raiddellijn gebruikt; ook hierop is op dezelfde wijze gelet. Ter verduidelijking zal ik een voorbeeld geven van deze berekening, terwijl ik herinner , dat ik voortaan door n bedoel de maans horizontale parallaxis , door R de maans halve middellijn, en door d. nend.R de verbeteringen van de getalwaarden dier grootheden. VAN DE GEOGRAPHISCHE DIENST IN N. I. 35 1851. Datum. O'-M.T. Nautical Almanac. n 22. d.n naar Adams n verbeterd. R naar Hauseu. derhalve d.R in de Gr.Obs. gebruikt d.n d.R nog aan te wenden. d.n d.R Oct.1 2 3 4 5()'36",5 55 48 ,7 55 9 ,6 54,39 ,4, 15'25",5 1512 ,5 15 1 ,9 14,53 ,G + 0,"5 + 0, 8 + 0,7 + 0, 6 56'37",0 55 49 ,5 55 10 ,3 54 40 ,0 15'27'',19 15 14 ,23 15 3 ,53 13 53 ,26 + 1",69 + 1 ,73 + 1 ,63 + 1 ,66 + r,vi + 2 ,79 + 2 ,76 + 2 ,73 + 2",55 + 2 ,5] + 2 ,47 + 2 ,46 1 ,99 2 ,06 2 ,13 -0,86 0,78 0,84 0,80 De uit de waarnemingen te Greenwich afgeleide Regte opklim- minfen en Noord-Pool-afstanden der maan moesten nu nog; de vol- gende correcties ondergaan (*). A. Voor waarnemingen in den Meridiaan. 28 Correct'e der R. Opkl. = ± ^ cZ. i?, II if N. P. A = - sin Z' d.n± d. R. voor eersten rand. — voor tweeden rand. + voor bovenrand. l - voor onderrand. B. Voor waarnemingen buiten den Meridiaan. \ + voor eersten rand. Correctie der R. Opkl. = cos N , 7, ±-^ — d.R sin n sin ^'^sin Z' f- d. n sin n sin N sin n d.R. ( — voor tweeden rand. — voor bovenrand. + voor onderrand. (*) Daar ik verzuimd had aan te teekenen, welke randen te Greenwich waren waargenomen, moest ik voor elke waarneming dit nog afzonderlijk berekenen. De lichte rand der maan is steeds naar de zon gekeerd; ik berekende dus voor elke culminatie der maan de waarde van den hoek: pool- maan- zon, waarvoor de formule: Cot V' ;^ '''" " "°^ P - cos n cot sin mij het geschiktst voorkwam, (zijnde p de poolsafstand der zonen := R. opkl. maan — R. opkl. zon) Uit het kwadrant, waarin deze hoek viel, kon natuurlijk dadelijk afgeleid worden, welke randen waren waargenomen. Het is zelfs niet eens zeker, dat vóór de volle maan de eerste en na de volle maan de tweede verlicht is. Voor de waarnemigen buiten den meridiaan moest ook de parallactiscbe hoek berekend worden en deze bij de voorgaande opgeteld worden ; het kwadrant , waarin deze som viel , wees weder uit , welke rand was waarsrenomen. 36 VERSLAG VAN DEN HOOFD - INGEN IE U R Correctie der N. P. A. = ± sin Nd. R ( + voor eersten rand. ^ - voor tweeden rand. j + voor bovenrand. 1^ _ voor onderrand. ± cos Nd. R — cos iV^sin Z' d. n in welke formules de gebruikelijke notatie is aangenomen , beteekenen- de namelijk: Z' den schijnbaren zenithsafstand, N den parallactischen hoek , n den noordpoolsafstand der maan. De correcties , op deze wijze gevonden , moesten nu nog , met een om- gekeerd teeken genomen , bij de Apparent Errors of tables der Greenwich Observations worden opgeteld; en aldus Avaren eindelijk verkregen, waar het ons om te doen was , namelijk de correcties van de plaatsen der maan in den Nautical Almanac (d. i. de correcties der maanstafels) zoo naauwkeurig als die uit de voorhanden zijnde gegevens waren af te leiden. Op de meeste dagen, waarop de maan te Greenwich in den meri- diaan was waargenomen , waren er ook met het altazimuth waarne- mingen buiten den meridiaan geschied. In zulke gevallen werd uit de fouten der maanstafels, door beide soorten van waarnemingen gevonden , het arithmetisch midden gezocht, en aangenomen, dat dit gold voor het midden uit de beide tijdstip- pen, waarop de afzonderlijke waarnemingen geschied waren, Ik zal hier nog tot verduidelijking de berekening van eene maans- culminatie afschrijven : Fouten der maanstafels. Uit de Greenwich Observations ontleend. Hieruit afgeleid. 1851 Midd. tijd Greenwich. Instrument. Correctie ier tafels. N. P. A, Midd. tijd. Greenwich. Correctie R. ü. der tafels. R. 0. N. P. A. Sept. 1 3 5 8 9 7" ,2 6 .8 10 ,2 8 ,7 10 ,9 8 ,7 11 ,6 Altaz. Mer. C. Altaz. Altaz. Mer. C. Altaz. Mer, C. — 20',08 — 8 ,66 — 6 ,57 —- 4 ,44 — 3 ,25 — 7 ,12 — 7 ,85 — 2'',46 — ,02 + 1 ,13 — ,46 — ,39 + 7 ,53 7" ,2 6 ,8 10 ,2 9 ,8 10 ,2 1 — 20', 08 — 8 ,66 — 6 ,57 — 3 ,85 — 7 ,i9 — 2,46 — 0,02 + 1,13 — 0,43 — 7,24 VAN DE GEOGRAPHISCHE DIENST IN N. I. 37 Waarneming der maan en der maansterren te Batavia den 7en September 1851. •j Capricorni ip Capricorni è Capricorni (t, Caprïcorni Schijnbare R. Opkl. uit de sterrelijsten : 20u31m36s05 37ml85,32 38m51s,09 45ml2s,45 Waarneming te Batavia: . . . 35,91 18. 21 51.02 12,59 Correctie der waarneming: ... + 0.14 + 0,11 +0.07 — 0,14 Gemiddeld: ^'^i '. + Qs^OÏö ""— ""^ ' Uit de •waarneming afgeleide R. Opkl. van het middelpunt der maan, tijdens den doorgang van den rand, (De Lange, ver- slag, bl. 295 (41): 21u0m3s,13 1/364 C Halve middellijn (correctie, ook door de berekenaars der Green wich observations gebruikt): +0,17 21u0in3»,345 R. Opkl. maans middelpunt als boven , berekend uit den Nau- tical Almanac: 21u0m3s,60 Correctie der maanstafels : . — 0. 33 21u0m3s,27 Maans R. O. waargenomen grooter dan berekend: +0, 075 7u 7m 30s Coëfficiënt: ^^„ y^^^Q = - 28. 28 Derhalve correctie der aangenomene oosterlengte: . . . ; . , . — 2s,l Aangenomene lengte: 7 7 30, O Herleiding tot den tijdklep: — 1, 1 Gevondene lengte van den tijdklep. 7u7in 268,8 Voor de berekening der gewigten moest eene hypothese gemaakt worden, betreffende de naauwkeurigheid der tijdsbepalingen te Green- wieh. Ik heb aangenomen dat deze zoo groot was, als zij door drie waarnemingen van culminerende sterren te Batavia kan gevonden worden. Is dus de waarsch. fout der waarneminfr eens doorfranjrs w, Zn 1 dan volgt hieruit het gewigt van elke lengtebepaling = ^ x -rrr zijnde n het aantal te Batavia waargenomene sterren en F de factor, waarmede een verschil in R. Opkl. der maan vermenigvuldigd moet worden om een verschil in lengte te verkrijgen. In het verslag van T— T wijlen den heer S. H. de Lange blz. 265(11) heet deze factor • Den T^"» September 1851 was het aantal waargenomene sterren n = 4, en F = 28,28, derhalve het gewigt van het resultaat: ^ X |-?r-Rl = 0,00048, 31 \2S,28/ ' ' 33 VERSLAG VAN DEN IIO OF D -IN GE NI E U R zooals in de tabel in de vijfde bijlage is opgegeven. Voor het waarschijnlijkste resultaat voor de lengte van Batavia beoosten Greenwich werd nu gevonden: 7"7'°17',5 met eene waarschijnlijke fout i 0',55, een resultaat , waaraan ik meer vertrouwen hecht dan aan het voorgaande. De waarschijnlijke fout is namelijk kleiner, en het blijkt uit de discussie der afzonderlijke resultaten, in verband met de arithmetische middens, dat beide rekenwijzen even naauwkeurige resultaten ople- veren. Ik vind nl. voor de waarschijnlijke fout van eene enkele lengte- bepaling, langs beide rekenwijzen: ± 4', 25. h. Waarnemingen van (jelijke hoogte der maan en eener ster. Behalve de waarnemingen in den meridiaan hebben de heeren S. H. en G. A. de Lange nog op 31 nachten in de jaren 1851 — 54 waarnemingen gedaan van gelijke hoogten der maan en eener ster, en deze zelf tot eene zekere hoogte zeer zorgvuldig herleid. Het vraagstuk om uit deze soort van waarnemingen de lengte af te leiden , heb ik behandeld in een opstel , dat opgenomen is in de // Ver- // slagen en mededeelingen der Kon. Akademie van Wetenschappen te «/ Amsterdam" deel VI blz. 25. De daar gegevene oplossing is in denzelfden geest geschied als waarin de H.H. de Lange de berekening begonnen hebben. Zij be- staat namelijk daarin, dat, voor eene onderstelde lengte der plaats , de zenithsafstand van ster en maan beide voor de oogenblikken van waar- neming berekend worden, bij welke berekening de gegevens vooron- dersteld worden uit een sterrekundig jaarboek ontleend te zijn. De waarneming heeft door de aflezing van het niveau des vertikalen cirkels , het kleine verschil doen kennen tusschen de bedoelde zeniths- afstanden, het onderscheid tusschen dit verschil en het berekende moet toegeschreven worden aan fouten in de aangenomene bereke- ningselementen , en ik heb in het bedoelde opstel de formule afgeleid , die het verband aanwijst tusschen zeer kleine veranderingen, aan te brengen aan deze berekeningselementen en de overeenkomstige ver- andering van het verschil der berekende zenithsafstanden. VAN DE GEOGRAPHISCHE DIENST IN N. I. 39 Deze formule op de berekeningen der heeren de Lange toepassen- de nemen wij aan , dat de poolshoogte der vvaarnemingsplaats , en de tijden der waarneming met toereikende naauwkeurigheid zijn bekend o-eweest, en dan gaat zij in de volgende over: ^ = (15 sin n sin N. a a — cos n. au) d. L + sin n sin n . x — y- sin t sin v . e — cos ^ . y + li cos y . ƒ — sin Zi. d. H ± d. R. zijnde de beteekenis der hier gebruikte letters als volgt: n Noordpoolsafstand der maan, AA verandering der R. Opkl. der maan, in tijd uitgedrukt, in eene sekonde sterretijd, A n verandering van den Noordpoolsafstand der maan , in eene se- konde sterretijd, N Parallactische hoek der maan, X Noordpoolsafstand der ster, y Parallactische hoek der ster, Zi Geocentrische zenithsafstand der maan, H Horizontale aequatoriale parallaxis der maan , ? Berekende schijnbare zenithsafstand der maan, minus de berekende zenithsafstand der ster , minus de waarde , die het niveau voor dit verschil heeft aangegeven. d. L Correctie der aangenomene O. Lengte , X II der Regte opklimming der maan, y II van den Noordpoolsafstand der maan, e 11 de Regte opklimming der ster, ƒ // van den Noordpoolsafstand der ster, d. H II der aangenomene aequatoriale horizontale parallaxis der maan , d. R II der aangenomene halve middellijn der maan en /^ =3 1 — H cos Zi sin 1". In de tabellen der heeren de Lange komen de declinaties der maan en der ster voor, zuidelijk positief, zoodat daarbij slechts 90° be- hoeft opgeteld te worden om de grootheden n en ^ te verkrijgen. 40 VERSLAG VAN DEN HOOFD-INGENIEUR Desgelijks de parallactische hoek der maan, doch, daar bij hen de zuid- pool in den parallactischen driehoek hoekpunt is, terwijl ik daarvoor de Noordpool neem, is onze n ini 180^ — v. De grootheid? is ver- der aldaar S genoemd, doch met omgekeerd teeken; voorts hebben de heeren de Lange berekend, hoeveel de grootheid S veranderde voor lOs meer O. Lengte, zoodat het differentiaal-quotiënt van S ten opzigte van d. L berekend is. Dit in acht nemende, wordt onze formule: — d. L = S + sin n sin n . « — cos n . y — jC4 sin r sin v . e + ,£4 cos v . ƒ — sin Zi d. H ± d. R. De correctie der regte opklimming en der declinatie der maan wer- den uit dezelfde tabel ontleend, die voor de tweede berekening der raeridiaanwaarnemingen gediend had , de correctie der maans parallaxis werd uit het tafeltje van Adams ontleend, en de correctie der maans halve middellijn door tusschenkomst der tabel uit Hansen's Tables de la Lune gevonden, zooals vroeger reeds is uitgelegd. Eindelijk werden de schijnbare plaatsen der sterren met de meeste zorgvuldig- heid uit de drie reeds bovengenoemde sterrelijsten afgeleid, en aldus de correcties der vroeger aangenomene sterreplaatsen gevonden. De coëfficiënten , sin n sin n, cos n, /t* sin tt sin v, ^c* cos v en sin Zi, heb ik voor elk stel waarnemingen berekend, steeds de waarnemingen der beide waarnemers afzonderlijk behandelende. Zoo had het stel waarnemingen van den 4en Augustus 1851 de volgende vergelijking gegeven : 0,536 d. L - 10", 58 + 0,977 x — 0,006 y — 0,980 e — 0,035 ƒ - 0,850 d. H— d. R. Daar ik nu voor deze waarneming vond: X = -12", 91, y =- 2, 50, e = + 0, 90, f = - 0, 03, d.H = + 1, 96, d.R= + 2 , 10, VAN DE GEOGEAPHISCHE DIENSTIN N. I. 41 ZOO volgde : 0,536 d.L^ + 10',58 — 12", 61 + 0",02 — 0",88 — 0",00 — 1',67 — 2'',10. = - 6 ,66. encZ. L = - 12^4. Daar de aangenomene O. Lengte was 7" 7"» 37s,0, zoo is de door deze Avaarneming gegevene 7u ym 24Sj6. Reductie op den tijdklep — 1 ,1 Lengte van den tijdklep 7 7 23 ,5 Eene inzage der tabellen in het verslag van wijlen den heer de Lange , blz. 278 (24) tot 291 (37), doet dadelijk , door de schoone over- eenkomst der verschillende resultaten , op denzelfden avond verkregen , de naauwkeurigheid der bedoelde waarnemingen in het oog loopen; juist deze naauwkeurigheid is reden dat het zaak is, om aan al de re- sultaten, uit elk stel waarnemingen voor de lengte van Batavia af- geleid, hetzelfde gewigt toe te kennen. Ik vind voor elk der in de tabel voorkomende getallen S de waarschijnlijke fout + l",o2, welke nog zamengesteld is uit de fouten, begaan, zoowel bij het w^aarnemen van den doorgang der ster als van den maansrand. Gemiddeld berustte elk stel op 21/2 waarnemingen, zoodat het arithmetisch midden der getallen S gemiddeld eene waarschijnlijke fout —^ = +0,96 had. Daar de factor , waarmede deze fout vermeniff- vuldigd moet worden om de overeenkomstige waarschijnlijke fout in de berekende lengte, in tijd uitgedrukt, te verkrijgen, gemiddeld 1,73 is, zoo volgt dus uit de waarnemingen te Batavia alleen eene waar- schijnlijke fout van ± 1',66 voor elke lengtebepaling. Het blijkt echter uit de vergelijking der afzonderlijke resultaten met het arithmetisch mid- den, dat deze waarschijnlijke fout bedraagt ± 5s,2, zoodat er aan andere bronnen van fouten nog moet toegeschreven worden: 1/(5,20^—1,66 0= ±4s,93. Voor een groot gedeelte kan deze waarschijnlijke fout nog te wij- ten zijn aan de niet naauwkeurig bekende, slechts uit de waarne- mingen te Greenwich afgeleide , fouten der maanstafels , doch ik geloof dat eene hoofdoorzaak van het verschil der resultaten , op verschillende avonden verkregen , ook is de verschillende wijze , waarop men telkens G 42 VERSLAG VAN DEN HOOFD-INGENIEUR den doorgang van den maansrand waarneemt. Eene personele fout begaat ieder bij het waarnemen van den doorgang eener ster, eene andere bij het waarnemen van den doorgang van den eersten, en weder eene andere bij het waarnemen van den doorgang van den tweeden rand; van daar dat verschillende waarnemers, ja dezelfde waarnemer, op verschillende tijden met hetzelfde instrument waarne- mende, de middellijn der zon of der maan anders vinden. Bekend is het feit, dat Maskelyne de middellijn der zon hoe langer hoe kleiner waarnam (1). Even zoo houd ik het voor ontwijfelbaar, dat de per- sonele fout, begaan bij eene bepaalde soort van waarneming, eenig- zins veranderlijk is en bij voorbeeld door meerdere of mindere ver- moeidheid van het ooo; aanoedaan kan worden. Hoe het zij, het blijkt uit dit onderzoek , dat de gewigten der resul- taten van elk stel waarnemingen nagenoeg gelijk zijn, het zij er te Batavia één of meer waarnemingen genomen zijn, en ik heb der- halve van de afzonderlijke resultaten in de tabel, eenvoudig het arithmetisch midden genomen, alleenlijk de uitkomsten , die het mid- den waren van de waarnemingen der beide waarnemers, een gewigt = 11/3 toekennende. Het eindresultaat was: 7" T"" 16^8 met eene waarsch. fout ± 0',87. C. Waarnemincjen van stcj^rebedckkincjen. Behalve de reeds behandelde waarnemingen hebben de heeren de Lange in de jaren 1851, 53 en 54 te Batavia nog elf sterrebedek- kingen waargenomen, die insgelijks eene niet onbelangrijke bouwstof voor de afleiding van de lengte dier plaats zijn. Ook hebben zij eene sterrebedekking (ingang en uitgang) vermeld, in 1851 waargenomen door wijlen den L'. ter Zee H. D. A. Smits, alsmede de waarneming van het einde eener zoneclips, den 15*'» April 1854 door de Luite- (1) Uit zijne waarnemingen volgde namelijk voor den gemiddelden straal der zon: van 1765 tot 177G 961',66. ., 1776 » 1787 960 ,22. >i 1787 » 1798 959 ,77. VAN DE GEOGRAPHISCHEDIENST IN N. I. 43 nants ter Zee J. Groll en H. D. A. Smits. De zoneclips heb ik buiten rekening gelaten , daar ik , bij gebrek aan de zonstafels van Hansen, de correctie der aangenomene R. üpkl. en Declinatie der zon niet kon afleiden. Wegens de belangrijkheid van sterrebedekkingen voor lengtebe- palingen zal ik deze waarnemingen meer in bijzonderheden behandelen. Hare herleiding is weder in het verslag zelf zoo ver volbragt , als tijdens het opstellen van dat verslag doenlijk was; volgens de me- thode van Challis namelijk te werk gaande, werd voor elke bedek- king; met aanfijenomene berekeninfrselementen de afstand berekend , dien de ster op het oogeblik der waarneming van den maansrand had. Deze afstand wordt door de waarneming = O gegeven , en de voor dien afstand berekende waardeis dus toe te schrijven aan de fout der waarneming, en aan de fouten der aangenomene berekeningselementen. De methode van Challis, bekend gemaakt in een aanhangsel tot den Nautical Almanac van 1854, leert voor elke bedekkins; eene ver- gelijking afleiden, die het verband uitdrukt tusschen kleine verande- ringen der berekeningselementen en de overeenkomstige verandering in den berekenden afstand. Kent men dus de correcties van al de gebruikte berekeningselementen op ééne na, (nl. die van de aan- genomene lengte) dan kan men de correctie van deze vinden , die in de bedoelde vergelijking moet gesubstitueerd worden om het eerste lid,' d. i. den afstand der ster tot den maansrand = O te maken. Ik moest dus voor elke dezer waarnemingen weder zoeken: 1° de correcties voor de aangenomene plaats der ster, 2^ // II II II 11 II der maan , 3° // ;/ II II n parallaxis en halve mid- dellijn der maan. 1". Acht van de elf bedekte sterren komen voor in de drie reeds genoemde Greemoich Catalogues\ de ster genaamd B. A. C. 5862 vond ik in Taylor's Madras General Catalogue; 13 Tauri in den General Ca- talog van den Dorpater Hoogleeraar Miidler, welke sterrelijst het 14<= deel uitmaakt, van de Beobaclitungen der Kaiserüchen IJniversitats- Stermcarte Dorjmt, en die als een resultaat aan te zien is van al de tot 44 VERSLAG VAN DEN HOOFD-INGENIEUR 1855 gedane plaatsbepalingen van vaste sterren. Op mijn verzoek heeft de heer Madler mij ook de afzonderlijke bepalingen dezer ster, be- nevens de daaraan toe te brengen specifieke correcties medegedeeld, vraardoor de waarde van het eindresultaat beter is te beoordeelen. Ik laat die opgave hier volgen: Plaats van 13 Tauri^ herleid tot 1850. Sterrelijst. R. Opkl. Correctie. Aantal waarn. Declinatie. Correctie. Aantal waarn. Bradley. 1755 53''25'5",5 — 0",4 5 ]9°12'5S",9 — 0,4 5 Piazzi. 1800 2.1 + 3 ,1 18 59 ,3 — 1,6 15 Wrottesley. 1830 3 ,8 + ,8 12 — — Rümker. 1836 2,7 - ,2 2 54 ,4 + 0,6 2 Taylor. 1832 4 ,1 - 1 ,3 4 57 ,2 -1- 0,2 4 Hcnderson. 1837 6,4 + ,3 3 58 ,4 - 0,1 3 De correcties aanbrengende, worden de afzonderlijke bepalingen R. Opkl. Aantal waarn. Declin. Aantal waarn. naar Bradley 53°25' ö'.l // Piazzi 5 ,2 , Wrottesley 4 ,6 // Rümker 2,3 II Taylor 2 ,6 II Hcnderson 6 ,7 5 18 12 3 4 3 19"'12'58',5 5 57 .6 15 53 ,8 j 2 57 .4 1 4 58 ,8 ! 3 Terwijl de waarschijnlijkste plaats voor 1850 in Madlers General- Catalog is aangegeven: R. O. 53^25' 4",60 (44 waarn.) N. Deel. 19°12' 57",37 (29 waarn.) eigene beweging in 100 jaren: in R. O. : — 0",6 ; in Deel. : — 0",7 Ik heb de plaatsen dezer sterren niet onveranderd overgenomen, maar ze met behulp der tabel, voorkomende in de voorrede van Mad- lers General-Catalog, tot de sterrelijst van Greenwich herleid. Wijlen de heer S. H. de Lange heeft nog den 4«" Mei 1854 te 8^ 21"^ 53% G Middelbaren Tijd zijner waarnemingsplaats de bedekking eener ster waargenomen (verslag blz. 302 (48)), wier plaats hij slechts benaderd aangeeft, nl. 8" 30'" R. Opk. en 24° 15' Noorder Declinatie. VAN EIE GEOGRAPHISCHE DIENST IN N. I. 45 Deze ster komt voor in de zonae- waarnemingen zoo wel van Lalande als van Bessel. De herleiding geeft voor het begin van 1854 de volgende middelbare plaatsen. Lalande 16964 R. O. 127°32'29",3 X.Decl. 24°12' 7" Bessel Z. 244 24,5 11 59,4. Voor het berekenen der lengte uit eene sterrebedekking is het ech- ter noodig dat de plaats der ster naauwkeui'iger bepaald worde dan door zonae- waarnemingen ; en ik heb deze bedekking dus voorloopig buiten rekening gelaten. Voor de overige sterren , alsmede voor de grootheden , de maan be- treffende , zal ik hieronder de door mij verkregene plaatsen en het ver- schil met de door wijlen den heer de Lange gebezigde opgeven. 2. Wat de correctie der gebezigde maanplaatsen aanging , de hooge naauwkeurigheid , waarmede de waarneming van sterrebedekkingen kan geschieden , maakte het wenschelijk , die correcties zoo naauwkeu- rig mogelijk te verkrijgen, en daar ik het voor uitgemaakt houd , dat de pas uitgegevene maanstafels van Hansen de plaatsen der maan naauwkeuriger aangeven dan eene enkele meridiaanswaarneming zulks vermag, zoo heb ik de moeite niet ontzien, de plaats der maan voor de oogenblikken der bedekkingen, met de meeste zorgvuldig- heid uit die tafels af te leiden, terwijl ik, ter vermijding van fouten, deze berekeningen alle tweemaal afzonderlijk heb uitgevoerd. Voordat ik de resultaten dezer berekening opgeef, acht ik het noo- dig te vermelden , dat ik de berekeningen der beide heeren de Lange , die in het archief der Geographische Dienst berusten , zorgvuldig heb nagezien, onderling en met de opgave in het verslag heb vergeleken; dat ik over het algemeen alles in de beste orde heb bevonden , op de volgende kleine fouten na, door welker verbetering onder ande- ren twee bedekkingen, die afwijkende resultaten gaven , teregt gebragt zijn. 21 April 1851. »• Sagittarii. De factor van ƒ voor deze bedekking moet zijn 0,0813, in plaats van 0,8183 , zoo als in het verslag, blz. 300 (46), staat. 12 Mei 1853. De tijdsbepaling berustte op 5 waarnemingen van ze- 46 VERSLAG VAN DEN HOOFD-INGENIEUR nithsafstanden van Procyon. In liet dagboek staan de waarnemingen en de correctie des chronometers , uit de verschillende waarnemingen afgeleid ; doch de berekening zelve niet. Deze zelf uitwerkende blijkt het mij dat er eene fout moet begaan zijn, ik verkrijg de correctie des chronometers + 6^,28 grooter dan in het journaal en den middelbaren tijd der bedek- kino; dus zooveel later. 20 Junvj 1853. In de eindvergelijking voor deze bedekking staat in het eerste lid + 0",49, hetgeen wezen moet — 1",14. 1 April 1854. De sten-ebedekking was waargenomen op den chro- nometer, die middelbaren tijd aanwees; bij de tijdsbepaling was daar- entegen een tijdbewaarder gebruikt, die naar sterretijd geregeld was; de vergelijking van beide uurwerken door coïncidentie der tikken is in het journaal opgegeven; in deze opgave heeft later eene doorha- ling en verandering van één' omgang des tijdbewaarders = 40' sterretijd plaats gehad; de oorspronkelijke lezing herstellende komt de lengte goed met de overigen overeen; die vroeger omtrent 30^ te groot uitviel. De opgave op blz. 300 (4G): // In onderstaande formulen is t de fout in den tijd der waarneming, enz." zou op het vermoeden kun- nen brengen dat wijlen de heer de Lange de algebraïsche teekens der grootheden i, t, ^, y, enz. anders opvatte als in het stuk van den heer Challis geschied is; doch zulks is het geval niet, en de be- doeling wordt dus juister uitgedrukt, door te zeggen: t is de correctie van den tijd der waarneming. T // it II der aanoenomene westerlengte , X II II II van de regte klimming der maan, y II II II II den noord p ooisafstand '/ '/ , e II II II II de regte klimming u ster, ƒ II II II II den noordpoolsafstand " " , V II II II II II II van het geocentrisch zenith der waarnemingsplaats. De correctie in der horizontale parallaxis is voor de plaats van waarneming is zamengesteld uit twee deelen m \ en m 2 ; bestaande het eerste uit de correctie der horizontale aeqiiotoriale parallaxis , het VAN DE GEOGRAPHISCHE DIENST IN N. I. 47 tweede uit de correctie der horizontale parallaxis , voor zoover die van eene foutief aangenomene ellipticiteit der aarde afhangt. Beide wor- den bij Challis verstaan, uitgedrukt in duizendste deelen der paral- axis zelve, even als de grootheid n bij Challis beteekent de correc- tie der maans halve middellijn, uitgedrukt in duizendste deelen dier halve middellijn. Door de H. H. de Lange werden ter berekening der geocentrische breedte der plaats , en van den voerstraal der aarde tot de plaats der waarneming een tafeltje van Rümker gebruikt, voorkomende in zijn werk: Langehestimmungen durch den Mond. Dit tafeltje geeft bijv. voor geographische breedte 6°10': ^' = (j^ 7'35' log / = 9 9999 836, zijnde daarbij de afplatting = ■ aangenomen. Verkiest men de tafels van Encke te gebruiken (Berliner Astro- nomisches Jahrbuch 1852,) die op de door Bessel bepaalde afplatting ,^„„ , , berusten, dan vindt men: 299, la 4>' :z: 6" 7'33" log / - 9,9999 834. Het verschil in log p' is dus , even als de grootheid m 2, onmerkbaar en dat in cp' is ook van geenen merkbaren invloed , wegens den klei- nen coëfficiënt, waarmede de grootheid vin de vergelijkingen is aan- gedaan. Daar overigens de poolshoogte der waarnemingsplaats zeer naauwkeurig bekend was, kan v geheel verwaarloosd worden. Ziehier nu de middelbare tijden der waarneming en de door mij gevondene berekeningselementen vereenigd : 48 VERSLAG VAN DEN HOOFD-INGENIEUR Datum. Naam der bedekte ster. Reiüle Opklimmiiig. Noord pools at'stuiid. Middelbare tijd te Batavia. Regte Opklim- miog der maan. Noordpoola- afstand der maan. Horizontale aequaloriale Parallaxis. Halve middel- lijn der maan. 1851 April 17 y Librae. 15u27ml3s,01 104^17'20",02 16a53in27s,89 232=16' 4',8d 104» 9'U",04 58'33",52 15'58",99 lulij 11 H Sagitlarii. 18 4 53 ,37 111 5 28 ,38 15 7 8 ,20 271 57 9 ,40 UI 14 27 ,46 55 59 ,65 15 17 ,00 Sept. 1 >! Librae. 15 35 42 ,82 105 1137 ,34 8 47 5 ,71 234 40 37 ,89 1045431 ,30 58 8 ,58 15 52,19 Ocl. 1 14 Sagittarii. 18 5 20 ,09 1114447 .33 9 22 5 ,29 271 55 44 ,31 UI 35 1 ,07 56 32 ,45 15 25 ,95 Dec. 28 t^' Aquarii. 23 8 C ,33 90 53 45 ,01 8 43 55 ,18 347 41 14 ,87 100 7 30 ,77 54 23 ,18 14 50 ,67 (C 28 ;l;*Aquarii. 23 10 10 ,99 99 59 33 ,50 9 50 17 ,52 348 12 38 ,57 99 56 9 ,36 54 22 ,54 14 50 ,49 1853 Mei 12 f Gemiiiorum. 6 34 52 ,18 64 43 38 ,99 6 27 7 ,73 99 1120 ,90 65 7 41 ,30 54 31 ,54 14 52 ,95 Junij 20 C * Ophiuchi. n 22 28 ,94 113 49 40 ,88 11 52 58,82 200 3148 ,83 113 20 2 ,25 61 2 ,99 16 39 ,79 Sept. 10 B. A. C. 5862 17 15 8 ,27 1 13 42 6 ,50 8 22 59 .59 259 7 44 ,78 113 32 41 ,34 59 13 ,85 16 10 ,00 1854 April 1 13 Tauri. 3 9 52 ,74 70 48 15 ,65 7 35 26 ,90 54 12 22 ,84 71 9 32 ,77 55 3 ,00 15 1 ,54 1851 April 21 5r Sagittarii (I) 19 54,29 111 15 14 ,96 H 34 10 ,30 283 58 57 ,29 111 1037 ,41 55 30 ,45 15 9 ,03 « (f idem (U) « « 12 39 47 ,26 en, deze opga,ven met de tabel in het verslag van wijlen den heer de Lange vergelijkende: Ko. Datum. Naam der bedekte ster. X. V- e. f- m. n. t. 1 1851 April 17 y Librae. - 9" ,25 + 2' ,91 + 0",45 — O' ,68 + 0",81 ^ 2" ,41 0>,00 o Julij' 11 U, Sagittarii. — 8 ,00 - 3 ,97 + ,90 — ,52 + 1 ,16 + 2 ,82 ,00 3 Sept. 1 if Librae. — 20 ,10 — 1 ,51 — 3 ,15 + 1 ,04 + ,17 + 1 ,04 ,00 4 Oclob. 1 14 Sagittarii. _ 14 ,64 — 1 ,79 - 2 ,85 -0 ,59 + ,21 + 1 ,89 ,00 5 Decbr 28 t^t Aquarii. — 4 ,18 + 1 ,36 - 3 ,45 - ,09 t ,16 + 1 ,84 ,00 6 « 28 ^8 Aquarii. - 4 ,18 + 1 ,36 — 4 ,20 - 1 ,60 -f ,16 + 1 ,84 ,00 7 1853 Mei 12 f Geminorum. — 10 ,15 + 5 ,20 -0 ,30 _ ,21 + ,02 — ,32 4 6 ,28 8 Junij 20 C 2 Ophiuchi. - 11 ,62 - 8 ,10 + 1 ,20 + ,88 — ,74 - 1 ,u ,00 9 Sept. 10 B.A.C. 5862. — U ,92 - 1 ,21 + 1 ,90 + 5 ,23 — ,54 - ,90 ,00 10 1854 April 1 13 Tauri. - 6 ,26 + 6 ,79 -/- ,66 + ,56 + ,045 — ,23 -39 ,90 11 1851 April 21 n Sagittarii. - 6 ,16 - 3 ,74 V 1 ,20 - ,94 + 1 ,35 + 3 ,02 ,00 De door de heeren de Lange volgens de methode van Challis ver- kregene vergelijkingen waren de volgende, waar ik den term, die > bevat, benevens de vierde decimaal der coëfficiënten heb weggelaten ; en het teeken van den coëfficiënt van "^ heb omgekeerd, omdat Latavia oosterlen^te heeft. VAN DE GEOGRAPHISCHE DIENST IN N. I. 49 No. 1 — 0,584 T = + 4",G3 — 0,943 i — 0,279» + 0,931 c + O, 278 ƒ + 2, 429 m — 0,968» — 0,403 t 2 — 0,292 T = + 2,14 — 0,568 x + 0,802 s + 0,568 e — O, 794 /■ -). 1,998 m — 0,921 n — 0,291 ( 3 — 0,333 T =+ 0,41 — 0,330 x _ 0,950 i/ + 0,323 e + O, 942 /■ + 0, 886 m — 0,959 n — 0,235 ( 4 — ,526 T = + O ,57 — 0, 897 « — 0, 293 y + O, 888 e + O, 294 ƒ + 2, 700 m — 0, 932 » — 0, 380 t 5 — 0,394 T = + 0,53 — 0,526 x + 0,855 y + 0,524 e — O, 847 /• — 1,402 nj — 0,896 n — 0,362 ( 6 — ,339 T =+ 9 ,10 — 0, 877 X — 0, 436 y + O, 873 e + O, 403 ƒ + 2, 907 m _ 0, 892 n — 0, 271 ( 7 —0,495 Tl =+3,12 — 0,895 x + 0,214 y + 0,883 e — O, 215 /• + 2,127 m — 0,901 n — 0,323 f 8 -0,508 Tl =+ 1,14 — 0,045 X — 0,735 y + 0,032 e -)- O, 722 /• — 0,509 m — 1,018 n — 0,315 ( 9 — 0,546 Tl =+ 8 ,76 — 0,901 X + 0,249 y + O, 888 e — O, 244 /■ + 2,275 m — 0,984 » — 0,359 i 10 —0,437 Tl = — 14,32 — 0,612 x + 0,769 y + 0,605 e — O, 768 ƒ + 1,445 m — 0,906 n — 0,327 ( ( — 0,514 T" = — 17,40 — 0,931 X — 0,089y + O, 929 e + O, 081 /• — 3,260 m — 0,909» — 0,489i 11 < \ 4. 0,501 Til = + 9 ,76 ^ 0,911 x + 0,240 y _ O, 900 e — O, 234 f + 3,001 m — 0,912 n ^ 0,424 ( Door substitutie der gevondene waarden voor x^ y, e,/, m, n en ^ verkrij- gen wij ter bepaling van t, d. i. der correctie der aangenomene leng- te (*), de onderstaande vergelijkingen: No. Reductie op tijdklep. 1 — O, 584 T - + 12', 41 T =.— 21s 2 — 1^1 2 — , 292 •'" = -1- 4 , 06 • — 13 , 9 — 1 ,1 a — , 333 T = + 7 , 0.5 — 21 , 2 — 1 ,1 4 — , 526 "^ = + 10 , 32 — 19 , 6 — 1 ,1 5 — O, 394 T = 4- 6, 28 —16,0 —1,1 6 — • , 339 T = + 6 , 61 — 19 , 5 — 1 ,1 7 — O, 495 'T' = + 11, 40 Tl = — 23,0 —2,0 8 — , 508 T' = + 17 , 51 — 34 , 5 — 2 ,0 9 — O, 546 T' = + 19 , 27 —35,3 —2,0 10 — , 437 T' = + 7 , 96 — 18 , 2 — 2 ,0- "? O, 524 T" = — 17, 40 t" = -t- 33,9 —7,05 + O, 501 T-' = + 3, 66 +7,3 — 7,05 Alvorens verder te gaan heb ik de gansche berekening, zoo wel der H. H. de Lange als van mij , getoetst , door den afstand tusschen ster en maansrand met de door elke bedekking gegevene lengte en met de nieuwe berekeningselementen af te leiden. Deze afstand moest natuurlijk = O gevonden worden. Bij allen kwam deze proef op een paar honderdste deelen eener sekonde uit, alleen bij de bedekkingen van 28 December 1851 en 12 Mei 1853 was het verschil ietsgrooter, zoodat de lengten nog eene kleine correctie moeten ondergaan, nl.: die, gevonden door -,^1 Aquarii — 1^,2 ;^2 Aquarii — 1 ,2 i Geminorum + 1 ,0 (*) Bij de berekeningen van de H. H. de Lange is de aangenomene Lengte der -waarnemingsplaats steeds geweest 7" 7in379, uitgezonderd bij de berekening van de bedekking, door wijlen den heer Smits waargenomen, waar 7" 7ml0s,5 gebruikt is. 7 50 VERSLAG VAN DEN HOOFD - INGENIE U R Hoe gering deze correctiën zijn , de overeenstemming wordt er weder beter door. Voor de Lengte van Batavia vinden wij nu: 1851 April 17 '/ Librae üchte rand : 7u 7in 14s,7 Gewi gt 0,342 Jult/ 11 TV Sagittarü donlcere rand 22,0 0,085 Sept. 1 f Librae 1) » H,7 0,111 Ocl. 1 14 Sagittarü 1) 1) 16 ,3 0,276 Dec. 28 ^y Aquarii )) 1) 18 ,7 0,155 11 1) V- Aquarii 1) )} 15 ,2 0,115 1853 iiy« 12 £ Geminorum. » 1) 13,0 0,245 Juny 20 C» Ophiuchi }i )) ,5 0,258 Sept. 10 B. A. C, 5862 » I) 1 7 6 59 ,7 0,297 1854 April 1 13 Tauri ing lichte rand 7 7 16 ,8 0,191 1851 .. 21 !r Sagittarü uitg donkere rand 37 ,35 «-264 ; Smits 0,251 ) 10 ,75 Zie verder het eind der volgende §. § 11. Sterrebedekidngen , door mij in 1858 lüaargenomen. In het afgeloopene jaar, dat ik steeds te Batavia heb doorgebragt, ben ik er voortdurend op bedacht geweest, nog zoo veel mogelijk sterrebedekkingen waar te nemen, ten einde nog meer materieel te leveren om de lengte van Batavia met de meest mogelijke naauw- keurigheid te bepalen. De uitgave der maanstafelen van Hansen heb- ben dit middel tot lengtebepaling zeer in waarde doen stijgen , en , mogten tot nos; toe de meridiaanswaarnemino-en der maan, en de waarnemingen van gelijke hoogten van maan en ster der heeren de Lange resultaten hebben opgeleverd, waarvan het gewigt door hun groot aantal in vergelijking kwam met dat van het resultaat , door een achttal sterrebedekkingen verkregen, de laatsten geven elke op zich zelve eene zooveel naauwkeuriger bepaling, dat, indien zij in toerei- kend aantal voorhanden zijn, de overige waarnemingen geheel hun stemregt verliezen. Het is namelijk eene bekende daadzaak , dat bij elke soort van waarneming elke waarnemer eene personele fout be- gaat. iiNay^ I have found," zegt Hansen in zijnen brief over de zamen- stelling z'jner maanstafels aan Airy, {MontJdy Notices of de R. A. S. VAN DE GEOGRAPIIISCHE DIENST IN N. I. 51 Vol XV p. 10,) lühlle engaged in determining the moons orbit, mdications that the personal equation betioeen tiuo observers may be different for the aun and moon from luhat it is for the sta?'s , and that it even betimea may be different for the preceding and folloiving limbs of the moon.'' Dit aannemende, is het niet geheel juist te beweren, dat de per- sonele fouten der waarnemers geheel worden geëlimineerd door de vereenio;ino; van resultaten , verkregen door de waarneming; van beide randen; en terwijl de personele fout, begaan bij het waarnemen van sterrebedekkingen, nog niet in zijne volle grootte op het resultaat voor de lengte (in tijd uitgedrukt) overgaat (*), zoo zal de overmaat van het midden der personele fouten , begaan bij het waarnemen van doorgangen van eersten en tweeden maanrand , boven de personele fout begaan bij het waarnemen van sterredoorgangen, omtrent 27 maal vergroot op de lengte overgaan. Ik heb de volgende bedekkingen kunnen waarnemen. Een nog veel grooter aantal werden vooruit berekend, doch mislukten door wolken. Ook had ik steeds, van nieuwe maan tot den S^n of 1 0"2a dag na nieuwe maan, den schijnbaren loop der maan op de Berlijner sterrekaarten of die van Harding of Hind afgeteekend, om mij op de waarneming van bedekkingen van kleine sterren voor te bereiden. Het is mij daarbij gebleken , dat door den kijker van Steinheil, (opening 42 par. lijn, lengte 5 voet,) tot den zesden dag na nieuwe maan, zelfs van sterren van de negende grootte de ingangen aan den donkeren rand kunnen waargenomen worden, doch dat na het eerste kwartier het maanlicht verhindert de bedekking waar te nemen van sterren, die zwak- ker zijn dan van de 7. 8^ grootte. (*) In de twaalf vergelijkingen op blz. 49 is de coëfliciënt van t steeds kleiner dan die van t; gemiddeld bedraagt gene slechts | van deze; eene fout in den waargenomenen tijd gaat dus gemid- deld slechts voor drie vierde gedeelte op de lengte, (in tijd uitgedrukt,) over. 52 VERSLAG VAN DEN HOOFD-INGENIEUR Sterrehedekkingen^ löaargenomen ml858, hij Batavia, op liet erf van het huis Gang Chaulan no. 13, op 6° 9' 56", 5 Z. Breedte en l^^S beoosten de tijdklep. Datum. Ster. a bo a d cl 3 tc £ 3 a Midd. tijd waamemingsplaats . Onzekerheid. Aanmerkingen. Mei 29. Jmiy IG. // // // 19. „ 23. July 16. * // /' 18. Sept. 19. , 27. » 2S. Dec. 27. B.A.C. 6127. ^Lal. 20232. ' iB.Z.71no. 58. , B.Z.71no. 59 Lal. 23819. B. A .C. 5347. Lal. 23368. Lal 23379. A.Z.299no.26 30 Capricorni f Tauri Tauri Q Tauri ^ Virginis. I u I I I I I u I I u L D D ü D D L D D D D L D L L D llu50n>19%7 13 28 23 ,3 8 40 56 ,6 9 3 57 ,8 7 52 8 ,8 14 4 9 ,4 15 12 56 ,9 6 57 53 ,6 7 15 5 ,4 6 48 28 ,2 9 2 2 ,4 11 20 41 ,9 12 25 23 ,2 17 8 24 ,3 18 34 31 ,8 17 17 47 ,1 ± 0%2 ± 0,1 ±0,1 ±0,1 ± 0,1 ± 0,05 — 0,5? ±0,1 ±0,1 ±0,1 ±0,1 ± 1,0 ±0,1 + 0,5 + 0,1 ±0,1 Waarneming zoo naauw- keurig mogelijk. Waarneming zoo naauw- keurig mogelijk. De heer Jaeger verschilt — Os,03 van mij. Misschien O', 5 te laat. Voor de kleinere der waargenomene sterren moet de plaats nog naauwkeuriger bepaald worden, eer hare bedekkingen tot de bepa- ling der lengte mede kunnen stemmen. De plaatsen der vijf laatste, alsmede van B. A. C. 6127 en B. A. C. 5347, heb ik uit de sterrelijsten, waarover ik beschikken kan, naauwkeurig genoeg kunnen ontleenen om de berekening te ondernemen, doch ik zal de bijzonderheden hiervan mededeelen, ten einde er over de gebruikte sterreplaatsen geen twijfel hoegenaamd besta. VAN DE GEOGRAPHISCHE DIENST IN N. I. 53 B. A. C. 6127. Deze ster komt voor bij Johnson, (Catalogue of 60G stars,) en bij Taylor (General Catalogue). Bij Johnson is het ver- schil met Pond aangegeven, bij Taylor komt eene eigene beweging voor, afgeleid uit eene vergelijking met Piazzi. Wij kunnen dus uit de genoemde sterrelijsten ook de plaats der ster in de aterrelijstea van Pond en Piazzi vinden. Om deze verschillende bepalingen derzelfde ster te verbinden , moet er de noodige acht geslagen worden op de constante verschillen der sterrelijsten onderling, en deze noodzakelijkheid wordt hier we- derom van het uiterste belang door de omstandigheid, dat elke fout in de R. Opklimming der ster ongeveer 27 maal vergroot op de geographische lengte overgaat. Gelukkig dat eene volledige tabel der onderlinge verschillen voor de voornaamste thans aanwezige sterrelijsten te vinden is in de in- leiding tot den General-Catalog van Madler, boven reeds eenmaal aangehaald. Deze tabel geeft van 2" tot 2° declinatie de correcties aan, die aan de sterreplaatsen uit de verschillende lijsten moeten aangebragt worden, om ze te herleiden tot eenen zekeren standaard- catalogus. Door de verschillen nu te nemen van de correctie voor zekere sterrelijst A met de correctie voor eene andere sterrelijst B heeft men natuurlijk de reductie van de sterrelijst A tot de sterre- lijst B. Daar nu de taaanstafelen van Hansen, waaruit ik de maans- plaatsen voor de oogenblikken der waargenomene sterrebedekkingen afleidde, steunen op zijne maanstheorie , die zich hoofdzakelijk aan- sluit op de vroegere en latere maanwaarnemingen , te Greenwich vol- bragt, zoo herleidde ik al de verschillende bepalingen op de sterre- lijsten der sterrewacht te Greenwich, die ook in de bedoelde tabel voorkomt. De herleiding + 1",6 van de N. Pool afstanden uit de zonae-waarnemingen van Argelander is ontleend aan een onderzoek van Argelander zelven, vermeld in de inleiding tot zijne zuidelijke zonae- waarnemingen (^Astronomische Beobochtungen auf der Siernwarte der k. Rheinischen Friedrich-Wilhelms-Universitat zu Bonn, zweiter Band. Bonn 1852). Zie hier de verschillende bepalingen, met behulp van de prae- cessie (naar Bessel) op 1858 gebragt: 8 54 VERSLAG VAN DEN HOOFD- INGENIEUR Gebruikte herleiding. R. 0. 1858, N. P. A. 1858, R. 0. N. P. A. Lacaille 1750 269°46'22",61 118028' (2',) Piazzi 1800 — 0',82 + 2",92 16 ,85 8,84 Johnson 1830 — 1 ,60 + 0.70 21 ,85 3,60 Pond 1830 — 2,07 + 2,97 18 ,83 2 ,07 Taylor 1835 — 1 ,74 + .75 16,37 4 ,33 Argelander (Zone 223) 1849 0.0 + 1,6 (22 . 4) (7,8) De bepalingen van Lacaille in 1750 en eene enkele zona-waarne- ming van Argelander aan een , draad kunnen niet op die naauwkeurig- heid aanspraak maken die de andere bepalingen bezitten , doch ik heb ze toch ook tot 1858 herleid, om eenig licht te verspreiden aan- gaande de noodzakelijkheid, om eene eigene beweging der sterren in rekening te brengen. Een oogopslag is voldoende om te zien dat dit hier het geval niet is, en ik heb dus alleen het arithmetisch midden der vier bepalingen genomen, nl: R. O. 269°46'18",48 K P. A. 118°28' 4",71. ■ Herleiding op 29 Mei_+ 49,22 + 7 ,79. schijub. plaats op 29 Mei: 269 47 7,70 118 28 12,50 B. A. C. 5346. Deze ster komt niet bij Johnson voor, maar daar- entegen in de beide sterrelijsten van Wrottesley (*), welke echter al- leen Regte Opklimmingen bevatten, en tweemaal in de zonae van Argelander, en wel beide keeren aan twee draden, zoodat ik gemeend heb , het midden der twee waarnemingen te kunnen laten medestem- men, uit aanmerking van de bekende voortreffelijkheid der zonae- waarnemingen van Argelander. De correctie voor de tweede sterrelijst van Wrottestey heb ik aangenomen even als die van de eerste. Mad- ler kon namelijk bij de zamenstelling zijner tabel de tweede lijst van Wrottesley nog niet raadplegen, die toen nog niet uitgegeven was; doch het is mij door een bijzonder onderzoek gebleken, dat er geen standvastig verschil bestaat tusschen de regte opkliramingen der ster- (•) Memoirs of tlie R. A. S. Vol X en XXIII. VAN DE GEOGRAPHISCHE DIENST IN N. I. 55 ren met 110° tot 120° N. Poolsafstand , uit de eerste en tweede lijst van Wrotteslej. Eindelijk is de correctie voor de K. Opklim- mingen uit Argelanders zonae = O genomen, daar zijne R. Opklim- mingen berustten op de bepalingen der fundamentaalsterren van Bessel, en Bessel niet in de tabel van Madler voorkomt, waaruit ik opmaak, dat de correctie zijner bepalingen = O werd aangenomen. Zie hier nu de verschillende bepalingen voor de plaats dezer ster: Gebruikte herleiding. R. 0. 1858. N. P. A. 1858. R. 0. Deel. Lacaille 1750 239° 52'(12",8) 115°56'(43',0) Piazzi 1800 — 0,8 + 2,8 51 59 ,8 33 ,4 Wrottesley 1830 0,0 > • > • 52 7 ,3 Taylor 1835 2,1 + 0,6 6 ,8 34,0 Argtlander 1850 0,0 + 1,6 10 ,0 33 ,4 Wrottesley 1852,4 0,0 • • • • 9,0 Hier schijnt eene eigene beweging in Regte Opklimming te moeten aangenomen worden. Voor de waarschijnlijkste waarde vind ik door de methode der kleinste kwadraten: 1858,0 R. O. 239°52'ir,n N. P. A. 115°56'33",60 Herleiding tot 23 Juny: + 48,92 + 17,40 Sch. plaats op 23 Juny: 239° 53' 0",03 115°56ol",00 De drie volgende sterren, 30 Capricorni, p en cp Tauri komen niet in de Greenwich Catalogues voor, maar daarentegen in Madler's Ge- neral-Catalog , en de plaatsen, daar vermeld, kunnen wij als een re- sultaat van al de bepalingen aanzien, die op die sterren gedaan zijn. Ik heb de aldaar gevondene plaatsen echter door toepassing van de in de meergenoemde tabel gegevene correctie van Airy, — doch met een omgekeerd teeken genomen, — weder tot de plaatsen herleid, die zij vermoedelijk in eene sterrelijst van Greenwich zouden gehad hebben, e Tauri eindelijk en (p Virginis zijn beide te Greenwich bepaald, en ik heb dus de plaatsen , uit de Tioelve Year Catalogue en de Cata- logue of 1576 stars afgeleid, onveranderd aangenomen. 56 VERSLAG VAN DEN HOOFD-INGENIEUR De plaatsen der maan op de tijdstippen der bedekkingen werden nu weder uit de raaanstafels van Hansen afgeleid, en de uitkomsten vereenigd met de gevondene schijnbare plaatsen der sterren volgen hieronder. Er was hierbij voor de waarnemingsplaats een lengte- verschil van 7" T'^lO'jO met Greenwich aangenomen. Datum. StCT. Schijnbare Rrgle Opklim- miiig. Schijnbare Noordfjüüls af- stand. Regte Opklim- ming der maan. Nüordpools af- stand der Horizontale aequatoriale paraUaxis. Halve mid- detlijn der maan. 1858 Mei 29 B. A. C. 6127 269''47' 7",70 118<^8'12",50 ' 269° 5'5r',05 270 43 ,55 108=I6'10",9 1510,1 53-58",35 58,51 U'43',90 43,93 Juny 23 B. A. C. 5347 239 53 ,03 115 50 51,00 < U 240 30 36 ,2 241 734 ,4 115 4017 ,25 53 17 ,75 54 5,07 4,01 14 45 ,7i 45,60 Sepl. 19 30 Capricorni. 317 30 47 ,45 108 34 26 ,43 317 2648 ,6 108 37 41 ,1 55 11,72 15 3,91 € 27 p Taurt. 60 33 48 ,01 63 53 20 ,25 1 ' 1 u 59 17 30 ,5 59 48 45 ,0 64 13 56 ,0 5 55 ,1 59 5,39 5,86 16 7,69 7,81 c 27

J Librae 1 D 14,7 0,111 — 1 ,0 - 0,5 c Oct. 1 14 Sagiturü l D 16,3 0,276 - 2,5 — 1 ,6 € Dec. 38 t|;i Aquarii l D 18,7 0,155 - 2 ,8 — 2 ,1 « « (t \p' Aquarii I D 15,2 0,115 - 1 ,2 — ,6_ C 1853^ Mei 12 £ Geminorum I D 13,0 0,245 - ,7 + 0,1 c Juny 20 c' Ophiuchi I D (0,5) 0,258 + 5 ,6 1 Sept. 10 B. A. C. 5862. I D (-0,3) 0,297 + 6 ,5 « 1854 April 1 13 Tauri I D 16,8 0,191 - 2 ,3 - 1 ,5 Oudemans. 1858 Mei 29 B. A. C. 6127. 1 L 12,0 0,209 - ,2 + 0,6 ( € « V D 10,1 0,179 - ,6 - 1 ,4 1 Juny 23 B. A. C. 5347. I D 11,8 0,343 - ,1 + 0,7 c * t u L 14,5 0,186 + 1 ,3 + 0,5 c Sept. 27 p Tauri l L 15 ;0 0,348 — 2 ,0 — 1 .0 t < « V D 9,S 0,269 - 1 ,0 - 1 ,9 t « tf

. terwijl dé waarschijrilljkste Avaarde dan wordt: bniJj':' liCn^tc van Batavia: ^ , in lijii: l'>7''^i2%5 met eene w. font ± 0^:^^, of in boog-: 106°4$ 5,5 >♦ \ >f »» ^ ±5,5. :? rjy 64 VERSLAG VAN DEN HOOFD-INGENIEUR §13. Mededeeliugen, betreffende de instrumenten ^behoorendetoi het materieel der Geographische Dienst. a. Het üntBersnal- Instrument van liepsold. . Dit instrument heb ik, toen het in 1850, na het vertrek van wijlen den heer 8. H. de Lano;e uit Nederhmd , te Leiden was achter2;eble- ven , op de sterrewacht aldaar leeren kennen. Ik heb er toen ver- schillende waarnemingen mede gedaan, en er eene beschrijving en af- beelding van gegeven, die in het Programma van het stedelijk Gym- nasium te Leiden van 1851 — 1852 is afgedrukt. Er had zich toen het voor den w'aarnemer onaangename verschijnsel opgedaan , dat de hoek tusschen dezelfde aardsche voorwerpen langs verschillende deelen van den horizontalen cirkel en met behulp van verschillende aflezingen van de mikrometers der mikroskopen gemeten, ook verschillend ge- vonden werd , en het verschil beliep soms tot 20". Een naauwkeurig onderzoek der mikroskopen verried, dat de mikrometerschroeven vrij sterke periodieke ongelijkheden hadden, en toen het werktuig later bij den maker ter herstelling gegeven was, verzocht ik dezen, de mi- krometers van nieuwe en zuivere schroeven te voorzien. Kort nadat het instrument was aangekomen, heb ik de mikrometer- schroeven der mikroskopen des vertikalen cirkels volgens eene eigen- aardige methode onderzocht, die op hetzelfde beginsel berust, als de wijze , waarop Bessel de verdeelingsfouten van verdeelde cirkels leerde bepalen. Ik vond toen reeds dat de ongelijkheden veel geringer waren dan vroeger, doch tevens dat zij toch nog niet geheel onmerkbaar waren. Ik heb daarom dadelijk eene observatiemethode aangenomen,' waar- door ik bij het waarnemen van zonithsafstanden van sterren voor eene tijdsbepaling vrij was vande periodieke onregelmatigheden der mikrometerschroeven van de mikroskopen. Ik stelde namelijk steeds vóór elke observatie, den kijker, met behulp van een der mikro- skopen op een vol tiental minuten , waardoor de aflezingen der mikro- VAN DE GEOGRAPHISCIIE DIENSTINN. I. 55 skopeu altijd nagenoeg hetzelfde bleef en de waarneming onafhanke- lijk was van de bedoelde periodieke ongelijkheden. Ik heb dezer dagen het onderzoek van de mikrometerschroeven der mikroskopen nog eens hervat, en het ook tot de mikroskopen des horizontalen cirkels uitgestrekt. De methode , die ik daarbij gebruikte , is eenvoudio; deze: de waarde van eene omwentelinii:; der mikrometerschroe- ven was op zeer weinig na gelijk aan de ruimte tusschon twee strepen der verdeeling , d. i. = 600'. Indien men nu eenen afstand , die zeer nabij gelijk is aan de helft dezer grootheid, kan meten, langs eenwillekeu- rig gedeelte van den omtrek der schroefomwenteling, dan kan meu de fout voor eene aflezing van 300" vinden. Voor de aflezing zijn in de mikroskopen van Repsold twee evenwijdige spinragdraden gespan- nen, en men brengt de streep der verdeeling tusschen deze twee evenwijdige draden, hetgeen met veel naauwkeurigheid geschieden kan, mits de afstand dier draden niet te groot zij. Stel nu , dat men het midden der draden achtereenvolgens op de uiteinden van den te meten afstand brengt, zoodanio; dat de aflezino- aan het eerste uiteinde = O en derhalve aan het andere uiteinde na- genoeg 300" is, stel dat men daarna de meting zoo inrigt, dat de af- lezing voor het eerste uiteinde = 600" of O is ; indien dan de beide resultaten dezer meting gelijk zijn, dan zal dit een bewijs zijn, dat de ruimte, door de afleesdraden doorloopen, als de schroef van nul tot 300" bewogen wordt, even groot is als de ruimte, door dezelfde aflees- draden doorloopen, als de schroef van 300 tot 600 of O bewogen wordt , en derhalve dat de correctie voor eene aflezing van 300' = O is. Zijn de beide resultaten der bedoelde metingen ongelijk , dan zal het halve verschil de correctie voor eene aflezing van 300 zijn. Stel nu dat men eenen afstand op die wijze langs verschillende deelen van den omtrek der schroefomwenteling mete , die zeer nabij aan een ander evenmatig deel van 600, b. v. aan 120" gelijk is, dan zal men de correcties van aflezingen van 120", 240", 360' en 480, vinden, steeds aannemende, dat de correctie voor O" aflezing = O, is. Ik zal dit met een voorbeeld ophelderen. Den e*^'^ February 1859 onderzocht ik mikroskoop II , een der mi- 11 Ie meting, 2e ïi > 3e Tl 9 4e »> » 5e 1» 5 66 VERSLAG VAN DEN HOOFD-INGENIEUR kroskopen van den horizontalen cirkel. De afstand , die telkens ge- meten werd, was nagenoeg = 120". Ik mat dezen afstand langs vijf verschillende deelen van den omtrek en vond , telkens vijfmaal instel- lende en aflezende: van — 1",2 tot 119",8, dus 121",0, 119 ,7 „ 2-ó7 ,2, „ 117,5, * 242 ,8 „ 361 ,0, „ 118,2, 360 ,2 „ 479 ,6, „ 119 ,4, 478 ,2 „ 597 ,2, „ 119 ,0. Het gemiddelde van deze vyf resultaten is vrij van de periodieke onregelmatigheden der schroeven. Het bedraagt 119",02; en door vergelijking van de gevondene getallen met dit getal en zijne veel- vouden vindt men de bedoelde correcties aldus: X = 119',0, gevonden: = 12r,0, dus correctie voor 120" = - 2",0, Z X = 238 ,0, „ 121",0 + 117',5 = 238 ,5, „ „ 240 = - O ,5, 3 « = 35? ,1, „ 238 ,5 t- 118 ,2 = 356 ,7, „ „ 360 = + O ,4, 4 X = 476 ,1, „ 356 ,7 + 119 ,4 = 476 ,1, „ „ 480 = O ,0. Op die wijze te werk gaande , heb ik voor elk der vier mikroskopen de correctie gezocht van eene aflezing van 300" door de meting van eenen afstand van omtrent 300", 200" en 400" // n „ „ 200", 150",300"en450' ;/ // // „ 150", 120",240",360" // // // // 120". Ik moet nog vermelden , hoe ik telkens dien afstand van willekeurige grootte verkreeg. Aan den rand van het veld van het mikroskoop is een klein koperen plaatje aangebragt met een klein gaatje er in. Vlak achter dit plaatje worden de draden bewogen, en de middellijn van het gaatje is in al de mikroskopen grooter dan de afstand der draden, zoodat de draden er beide achter zigtbaar kunnen worden en men het midden der draden vrij naauwkeurig op het middelpunt van het gaatje kan instellen. Er bestaat nu natuurlijk volstrekt geene zwa- righeid om eene streep der verdeeling op een' willekeurigen afstand van dit gaatje te brengen. Het tweede postulatum voor onze handel- wijze is , dat men bij het meten van dezen afstand een willekeurig ge- deelte der schroefomwenteling kunne gebruiken. Hiertoe leent zich toevallig de inrigting der mikroskopen van Eepsold bijzonder. Tegen- VAN DE GEOGRAPHISCHE DIENST IN N. I. Q'( over den kop der mikrometerscliroef is namelijk een klein schroe^e, teo:en welks uiteinde het uiteinde der mikrometerschroef door eene veer aangedrukt wordt. Door het dus te verdraai] en wordt de mi- krometerschroef in de rigting harer as bewogen , met zich medenemende de moer, waaraan het plaatje bevestigd is, dat de draden draagt. De draden kunnen dus verplaatst worden , zonder dat de aflezing aan den verdeelden rand der mikrometerschroef verandert. Deze inrig- ting , door Repsold aan de mikrometers der mikroskopen gegeven , waar- schijnlijk slechts ter vernietiging van de indexfout, geeft dus bovendien het middel aan de hand, om de mikrometerschroeven der mikro- skopen te onderzoeken. Ik heb elk mikroskoop tweemaal op verschillende dagen onder- zocht. Het onderzoek moet met de meest mogelijke inspanning geschie- den, willen de resultaten vertrouwen verdienen, en is wegens het aanhoudend verwisselen der accommodatie buitengemeen vermoeijend voor de oogen. Het is geraden, dergelijke onderzoekingen met noo- onvermoeide oogen te beginnen en niet te lang voort te zetten. Voor elk der mikroskopen vond ik dus de correcties voor eene aflezing van 120", 150", 200", 240', 300", 360", 400", 450", en 480", terwijl die van eene aflezing = O', als zijnde het punt van uitgang ,= O moest zijn. Het bleek bij elk der mikroskopen , dat de grootste en de kleinste correctie voor punten van den rand plaats hadden , die diametraal te- gen elkander overstonden , zoo dat eene eenvoudige sinus-formule van den vorm a + b sin (c + ö) of wel a -h d sin S + e cos S de gevondene correcties zeer goed voorstelde. S stelt hierbij de af- lezing voor , herleid tot graden van den omtrek der mikrometerschroef Door de voorwaarde , dat deze correctie , voor eene aflezing = O, zelve = 0, zijn moet, vervalt ééne onbekende, en wordt a = — c- ik koos dus den vorm: correctie = x sin ê + y (^l — cos ó ), en bepaalde nu de waarden van x en ij uit al de gevondene correcties door de methode der kleinste kwadraten. Ik merk hierbij nog op, 68 VERSLAG VAN DEN HOOFD-ING E NIEUE dat de gevondene correcties lang niet hetzelfde vertrouwen verdienen en de op te lossen vergelijkingen dus zeer ongelijke gewigten hadden. De waarschijnlijkheidstheorie gaf aan, dat deze gewigten waren als volgt: van de correctie van 300" 2, » 200 ly» „ 400 1 I „ 150 1 1 ^7' „ 300 ■^ » „ 450 1 1 „ 120 1 1 ■'T' „ 240 5 » 360 h „ 480 H. waarbij het gewigt van eiken gemeten' afstand, die zelf het arithme- tisch midden was van vijf metingen, als eenheid is aangenomen. Door de bijzondere ligging der verschillende 6 aan beide zijden van het nulpunt wordt de oplossing der vergelijkingen , zelfs met inacht- neming der gewigten, zeer gemakkelijk. De beide waarden, voor de correctie van 300" verkregen , door me- ting van eenen afstand van 300", en door meting van eenen van 150" werden vereenigd, aan gene een dubbel gewigt toekennende. Het re- sultaat had dus een gewigt = 3. Doordien de correcties , op twee dagen gevonden, werden vereenigd, werden de gewigten nog verdub- beld. Het resultaat der algemeene oplossing was: 15,52 a: = 2,28 ( corr. 120" - corr. 480' + 2,67 ( corr. 150" - corr. 450" + 2,50 ( corr. 200" - corr. 400" + 0,98 ( corr. 240 ' - corr. 360" 56,12 y = 1,73 ( corr. 120" + corr. 480" + 2,67 ( corr. 150" + corr. 450" -»- 4,50 ( corr. 200" + corr. 400" + 3,01 ( corr. 240" -i- corr. 360" + 12,00 ( corr. 300" terwijl de getallen 15,52 en 56,12 tegelijk ook de gewigten uitdruk- ken der bepalingen van x en y. De formules voor de correcties der aflezingen in de verschillende mikroskopen gevonden , waren nu als volgt: VAN DE GEOGRAPHISCHE DIENST IN N I. 69 voor Mikroskoop I n III IV — 2",40 sin ó — 1",13 ( 1 — cos « )' — O ,60 sin « — O ,48 ( I — cos ê ), — 3 ,58 sin « + O ,96 ( 1 — cos 6 }. — O ,24 sin tf + 1 ,08 { 1 — cos ê ), waaruit men afleidt, dat de ongelijkheid der schroeven eene ampli- tudo heeft: in Mikroskoop I van 5',3, ( waarsch. fout ± 0",3, ) II „ 1 ,5, ( ±0 ,3, ) III „ 7 ,4, f +0 ,5, ) IV „ 2 ,2, { ±0 ,3. ) Men ziet hieruit, dat de vervaardiger het instrument niet met ge- heel zuivere schroeven heeft toegerust, en het blijft dus, bij de me- tingen, met hetzelve te volvoeren, noodzakelijk om de onregelma- tigheden der schroeven te ontgaan, zoo als ik bij de tijdsbepalingen door zenithsafstanden gedaan heb , of ze in rekening te brengen , of eindelijk ze door stelselmatig ingerigte vereeniging van verschillende waarnemingen, op de wijze door Struve en Bessel ingevoerd, te elimineren. Behalve de vernieuwing der mikrometerschroeven had ik nog aan de H.H. Repsold verzocht, de rectificatieschroeven van het niveau anders in te rigten dan tot nog toe het geval was. Aan weerszijden bevonden zich namelijk vroeger drie schroefjes, door de koperen buis heen, tusschen welker uiteinden de niveaubuis wordt vastgehouden. Een dezer schroefjes was van boven, de twee anderen op zijde 120" van de eerste af. Thans zijn aan het eene uiteinde van het niveau de schroefjes voor de vertikale, en aan het andere uiteinde voor de horizontale beweging aangebragt. Bij de vroegere inrigting liep men gevaar, de buis bij het rectificeren te breken (hetgeen ook vroeger eens gebeurd is) en de rectificatie ging zeer ligt verloren. Thans laat de inrigting van het niveau, die men trouwens bij bij- na alle instrumenten van den tegenwoordigen tijd aantreft, niets te wenschen over. Nog twee andere veranderingen verzocht ik de H. H. Kepsold aan het instrument aan te brengen, doch zij hebben hier- in zwarigheid gezien. Het eerste was, de mikroskopen eene grootere vergrooting te geven, het andere, de as uit klokmetaal te maken. Zij 70 VERSLAG- VAN DEN HOOFD-INGENIEUR meenden aan dit verlaagen niet te kunnen voldoen, wijl de geheele vernieuwing dezer deelen bij die verandering noodzakelijk, en de prijs der reparatie van het instrument daardoor buiten evenredigheid zou verhoogd worden ; gaven mij overigens toe , dat bij een nieuw te ver- vaardigen instrument, dat voor het gebruik in Oost-Indië bestemd was, het gebruik van klokmetalen assen te verkiezen zou zijn. Toen het instrument ontpakt werd, waren dan ook de tappen der horizon- tale as , hoezeer met vet ingesmeerd , eenigzins aangegrepen. Op iedere tap waren eenige kleine zwarte vlekjes zigtbaar. Door eene loupe ziet men duidelijk dat deze zwarte vlekjes niet anders zijn dan een groot aantal mikroskopische kuiltjes in het staal. Desniettegenstaande heeft het werktuig nog niets van zijne bruikbaarheid verloren , hetgeen daaruit blijkt, dat , wanneer men het niveau op de horizontale as plaatst, en de bel in het midden brengt, deze zich volstrekt niet verplaatst, als de as wordt omgedraaid. Ik heb sedert de tappen in denzelfden toestand gehouden , door in het geheel geene olie of geen vet meer te gebruiken , maar de tappen eens of tweemaal in de week met een droog lapje te reinigen. Deze handelwijze had de heer de Lange reeds jaren lang, met goed gevolg, ook bij het universaal-instrument van Pistor en Martins aangewend, en is in dit klimaat voor alle ijzeren en stalen voorwerpen onge- twijfeld de beste. De kijker van dit werktuig was steeds zeer lichtsterk, doch het is te bejammeren, dat het objectief niet uiteengenomen kan worden. In dit klimaat verspreidt zich over alle glazen een getakt voorwerp , dat op mij steeds den indruk maakt eene plant te zijn. Laat men den groei hiervan vrij , dan wordt het glas daardoor langzaam aangedaan en het verweert. Ook tusschen de beide glazen , die het objectief van den kijker van het universaal-instrument van Repsold zamenstellen , is zulk eene vegetatie ontstaan , die echter niet weggenomen kan wor- den, daar de rand der vatting is omgebogen, zoodat de binnenzijde der zamenstellende glazen van het objectief niet schoongemaakt kan worden. Ik acht het daarom een noodzakelijk vereischte, dat ver- rekijkers, die, het zij als zoodanig, het zij als onderdeel van instru- VAN DE GEOGRAPHISCHE DIENST IN N. I. 71 menten voor Indië bestemd zijn, steeds even als de grootere kijkers van goede fabrikanten en zelfs de kleinste soort der bekende Molteni- kijkers, zoodanig zijn ingerigt, dat het objectief uiteengenomen en irereinio-d kunne worden. De waarde der niveaudeelen van het universaal-instrument van Repsold heb ik met zorgvuldigheid bepaald, en gevonden: van het niveau voor de horizontale as ... . 2",215 II II vaste niveau 5 ,894 Ik eindig met de mededeeling, dat dit instrument gediend heeft om eenige zeer naauwkeurige waarnemingen van de schoone komeet van 1858 te leveren, waarvan de bijzonderheden bekend gemaakt zijn in het V Deel der Acta van de Natuurkundige Vereeniging in Nederlandsch Indië. b. De kijker van Steinheil. Onder de instrumenten , die ik , na mijne aanstelling in Nederland , en daartoe bekomene magtiging van Z. Exc. den Minister van Koloniën bestelde , behoorde ook een kijker van 42 p. lijn opening en 60 p. duim brandpuntsafstand. Er is een stel van 6 sterrekundige oogbuizen bij , benevens eene aardsche oogbuis en ééne met zoo zwakke vergrooting , dat de kijker als kometenzoeker gebruikt kan worden. Ook heb ik er een prisma bij besteld , waardoor het waarnemen van hemel- ligchamen nabij het zenith gemakkelijk gemaakt wordt. Dit prisma wordt tusschen het objectief en het oculair aangebragt; ik acht het vooral bij eenen kijker die in Indië gebruikt wordt, onmisbaar, daar men aldaar zoo dikwijls de maan of planeten nabij het zenith moet observeren, hetgeen op de breedte van Nederland zelden het geval is. Toen deze kijker in de maand Mei 1858 te Batavia aankwam, was het objectief sterk verweerd. Dit moet ongetwijfeld toegeschreven worden aan het langdurige verblijf in eene vochtige ruimte , tijdens het vervoer op zee. Ik zou daarom ieder, die kijkers uit Europa naar Indië laat vervoeren, den raad geven, het objectief met eenige stukjes 72 VERSLAG V^AN DEN HOOFD-INGENIEUR bijtende kalk , in eene blikken doos te sluiten, die toegesoldeerd wordt. De vochtigheid, waarmede het glas tijdens het inpakken bedekt is, wordt dan in weinig tijds door de bijtende kalk geabsorbeerd en het objectief blijft nu in eene absoluut drooge lucht. Ik houd mij over- tuigd, dat er op die wijze zelfs na jaren tijds geen spoor van verwe- ring aan het glas zou bemerkt worden. c. Het nieuwe (jroote Universaal-instrument van Pistor en Martins. Dit instrument , dat met een kleiner universaal-instrument, een re- flexieeirkel en twee reis-barometers van dezelfde makers in het vo- rio-e jaar uit Europa is aangekomen, wijkt in constructie merkbaar van de vroeger door hen geleverde uuiversaal-instrumenten af. De gebrokene kijker, waarmede Ertel, Repsold, en zij zei ven vroeger de universaal-instrumenten toerustten , hebben zij door eenen kijker aan het eene uiteinde der horizontale as vervangen, waardooreenige voor- deelen opgeofferd, doch andere nog grootere bereikt worden. Het voornaamste voordeel, dat opgeofferd werd , is, dat de waarnemer, bij het gebruik van een universaal-instrument met gebroken' kijker, steeds in eene horizontale rigting kijkt, door eene oogbuis die altijd even hoog is, onverschillig hoe de kijker ten opzigte van den horizon helt, terwijl bij het nieuwe instrument het horizontale kijken , als de kijker in eene hellende rigting geplaatst is , geschiedt door het plaatsen van een prisma vóór het oculair , hetgeen , zooals ieder , die daarmede be- kend is, weet, altijd het onaangename heeft, dat men het oog vlak bij het oogglas brengen moet. Daarentegen werd blijkens eenen brief van de makers aan mij, dd. 18 July 1857, met deze verandering het voordeel beoogd: 1^ van een' grooteren en lichtsterkeren kijker te kun- nen gebruiken, 2*^ van zekerder te zijn, dat de zenithsafstanden niet door buiging des kijkers te klein gemeten worden , 3' van geen prisma in den kijker te behoeven te gebruiken. Ook werd door de nieuwe inrig- ting mogelijk , 4° het niveau steeds op de horizontale as te laten staan , zelfs al is de kijker naar het zenith gerigt. Het eerste voordeel is zonder twijfel van veel belang. Terwijl het objectief van den kijker van het oude universaal-instrument van Pistor VAN DE GEOGRAPHISCHE DIENST IN N. I. 73 en Martins eene opening heeft van 13 p. lijnen en de werking van de- zen kijker door het tusschengeplaatste prisma zonder twijfel vermin- derd wordt, zoo heeft de kijker van het nieuwe instrument eene opening van 18 p. lijnen; en daar de lichtkrachten van twee kijkers, bij dezelfde doorschijnendheid van de glazen van het objectief, in reden staan als de oppervlaktender objectieven, derhalve als de twee- de magten hunner openingen, zoo geeft de laatst bedoelde kijker omtrent tweemaal zooveel licht dan de eerstgemelde. Wat het tweede voordeel aangaat, het is zonder twijfel theoretisch waar, dat eene buis, die aan haar eene uiteinde vast is, (zoo als het voorste eind van een' gebroken' kijker) , en in eene horizontale of hellen- de rigting gehouden wordt, zal doorbuigen; en dat bij eenen kijker, die in zijn midden ondersteund is, zoo als bij de meridiaankijkers en bij den kijker van het nieuwe universaal-instrument, alleen het verschil in buiging tusschen de twee helften in aanmerking komt , welk verschil de kunstenaar, zoo veel in zijn vermogen is, gering maakt, door de beide helften volkomen den zelfden vorm en hetzelfde gewigt te geven en bij de meridiaankijkers zelfs, door het oculair-toestel even zwaar te maken als het objectief. — Maar aan den anderen kant hebben de tijds- bepalingen door sterren in het oosten en in het westen , alsook de breedtebepalingen door sterren in het noorden en zuiden, bewezen dat, zoo wel bij het universaal-intsrument van Repsold als bij het oude van Pistor en Martins , die beide van gebrokene kijkers voor- zien zijn , de buiging des kijkers geheel onmerkbaar is, (zie VIII^ Bijlage), terwijl, al is er bij de inrigting van het nieuwe instrument nog minder vrees voor buigen, het toch altijd geraden blijft, bij het nemen van tijdsbepalingen door zenithsafstanden , sterren in het oosten en wes- ten , en bij het bepalen van poolshoogte door zenithsafstanden , sterren in het noorden en zuiden te nemen. Het derde voordeel is naar mijn inzien wezenlijker. Het prisma be- neemt licht en vermindert dus de optische kracht des kijkers; wan- neer het daarenboven niet uit eene volkomen heldere glassoort bestaat, benadeelt het ook de werking des kijkers. Daarenboven is het zeer lastig schoon te maken, en indien het door de vochtigheid 12 74 VERSLAG VAN DEN HOOFD-INGENIEUR des dampkrings beslaat, hetgeen de lieeren de Lange menigwerf on- dervonden hebben, vooral bij het voorbijtrekken eener wolk, dan heeft men altijd een onaangenaam oponthoud. Ook het vierde voordeel is van veel belang, als het voetstuk , waarop het instrument staat, niet zeer vast is, en geeft in alle geval tijdwinst. Het nieuwe instrument heeft boven het oude nog dit voor, dat elke omgang der mikrometerschroeven juist gelijk is aan den afstand tusschen twee strepen der verdeeling. In het oude instrument was even als in het nieuwe, de fijne verdeeling van vijf tot vijf minu- ten, doch eene omwenteling der mikrometerschroeven was slechts vier minuten. Hoewel deze waarde klaarblijkelijk gekozen was, om iets te winnen in zekerheid van aflezing, zoo zou ik toch de nieuwe inri^tino; verkiezen. Nog eene bijzonderheid heeft het nieuwe instrument, die door de plaatsing des kijkers aan het eene einde der horizontale as noodzake- lijk is geworden. De mikroskopen namelijk van den horizontalen cii-kel zijn door twee armen aan de bus bevestigd , die de horizontale as met den kijker draagt. Zij bewegen dus mede, terwijl de cirkel vast is. Bij bijna alle andere nieuwere inrigtingen , uitgezonderd misschien bij eenige engelsche instrumenten, zijn de mikroskopen vast en de cirkel beweegt zich met het bovendeel , onder de mikroskopen door. Bij avondwaarnemingen is het misschien onverschillig, maar bij waar- nemingen bij dag zou ik de inrigting met vaste mikroskopen ver- kiezen. Het is namelijk een reeds lang door de ervaring erkend feit, dat de wijze van verlichting van een mikroskoop invloed heeft op de aflezing. Bij avond nu houdt het volstrekt geene zwarig- heid in , om bij het aflezen der mikroskopen , de verlichting van de illuminatoren steeds op dezelfde Avijze te doen plaats hebben. Men houdt b. V. hij het aflezen een lampje altijd in dezelfde hand. Maar bij waarnemingen bij daglicht, zoo als de hoekmetingen van horizon- tale hoeken tusschen vei: verwijderde voorwerpen bijna altijd zijn, die steeds onder een afdak of in eene observatiehut plaats hebben, moet de verlichting bij het aflezen door het daglicht geschieden, dat door de vensters of luiken invalt, en het zal niet altijd mogelijk zijn te VAN DE GEOGRAPHISCHE DIENST IN N. I. 75 zoro-en, dat de aflezinfr vrij is van den invloed der verlichtin»;. Dit zij a priori gezegd; het is Avel mogelijk, dat het a pos/enm blijkt, dat bij de mikroskopen van het nieuwe univevsaal-instrument de invloed zeer gering of onmerkbaar is. De inrigting der mikrometers van de mikroskopen is bij de in- strumenten van Pistoren Martins anders dan bij die van liepsold, zoo- dat bij gene het onderzoek naar de periodieke ongelijkheden der mikrometersehroeven niet op dezelfde wijze kan plaats hebben als bij deze, en het in alle geval zeer veel moeijelijkheid zou inhebben, correctietafeltjes voor de verschillende mikroskopen zamen te stellen, zoo als ik voor die van het universaal-instrument van Repsold ge- daan heb. De verlichting van het veld des kijkers geschiedt bij het nieuwe instrument, zoo als vroeger veelal bij meridiaankijkers gebruikelijk was. In het midden der kijkerbuis is namelijk een schuins geplaatste elliptisch-ringvormige, wit verlakte reflector aangebragt, die den stralenkegel van het objectief ongehinderd doorlaat, doch het licht van op zijde ontvangende , eene genoegzame hoeveelheid onregelmatig terug- gekaatst licht naar het oculair zendt, om de draden als donkere strepen op een licht veld te doen verschijnen. Ik vind het bij deze inrigting minder doelmatig, dat de verlichting van de zijde moet komen waar zich de waarnemer bevindt, die wel steeds door het lampje gehin- derd zal worden. Voor een universaal-instrument is dunkt mij geene verlichting zoo praktisch als die, welke door Repsold aan zijne uni- versaal-instruraenten wordt aangebragt, en die van Brauer , den instru- mentmaker op de Pulkowa afkomstig is. Die instrumenten zijn na- melijk met gebrokene kijkers toegerust, en Brauer heeft eene inrig- ting bedacht, waardoor de verlichting steeds door de hoi-izontale as geschiedt; (zie Sawitsch, practische Astronomie, Deel I blz. 81), die derhalve seheel doorboord en aan het uiteinde tesenover het oculair met een plaatje mat glas gedekt is. De helper, die het lampje houdt, weet dus altijd, waar hij het houden moet, en de waarnemingen gaan met het universaal instrument van Repsold ook steeds ongestoord haren gang. Vooral is de zoo gewone wijze van het veld te verlichten door 76 VERSLAG VAN DEN HOOFD-INGENIEUR het licht van voren in te laten vallen, met behulp van een voor het objectief scheef geplaatst spiegeltje allerlastigst, daar het voor eenen helper, (waarvoor hier te lande natuurlijk een inlander genomen moet worden,) zeer moeijelijk is, voor elke waarneming de plaats te zoeken, Avaar hij het licht moet houden , zoodanig dat de waarnemer een ver- licht veld ziet (*). Daar ik nog geene waarnemingen met dat nieuwe instrument ge- daan heb , moet ik mij bij deze opmerkingen bepalen , en hoop in een volgend verslag iets meer omtrent de meerdere of mindere voortref- felijkheid van zijne inrigting mede te deelen. d. De Chronometers. Tot het materieel der Geographische Dienst behooren thans zeven chronometers , als : twee van de firma Dent te London , genum- merd No. 2230 en 2231, bij de oprigting der Geographische Dienst in het jaar 1850 aangekocht, vier van den heer A. Hohwü te Am- terdam , namelijk No. 391, 393, 394 en 395, door mij , krachtens magti- ging des Ministers van Koloniën in 1857 besteld, en één van Mac Lachlan No. 134, voor mijne komst alhier van eenen particulier over- genomen. De twee eerstgenoemde chronometers waren bij hunnen aankoop ongemeen voortreffelijk; en de hoogleeraar Kaiser heeft in zijn verslag over zijne bemoeijingen, betreffende de geographische zending, eenige bladzijden aan den loop der chronometers gewijd. Zij zijn echter door het negenjarig gebruik zeer achteruitgegaan, en zouden voor eene lengtebepaling door chronometers waarschijnlijk resultaten leveren , die zeer zeker weinig stemregt zouden bezitten in vergelijking tot de resultaten, die de chronometers van Hohwü zou- den verschaffen. Dagelijks vergeleek ik de chronometers onderling, een' geruimen tijd zelfs in alle combinatiën twee aan twee, zoodat (•) Wordt het universaal- instrument als passage-instrument gebruikt, dan vervalt deze aanmer- king, dewijl het lampje dan op eenigen afstand in het verlengde der horizontale as eens voor goed ge- plaatst en het spiegeltje zoodanig gebogen kan worden, dat de lichtstralen van het lampje langs de as des kijkers worden teruggekaatst. VAN DE GEOGRAPHISCHE DIENSTIN N. I. 77 als ik er zes bij mij aan huis had, (een was er altijd bij den heer Jaeger) ik de eerste met de vijf overigen , de tweede met de vier overigen enz. vergeleek, gevende dus in het geheel 15 vergelijkingen. Reeds aanboord van het schip, dat mij naar Indië overbragt , vergeleek ik de chronometers van Hohwü, die ik in mijne hut eene zeer vei- lige plaats gegeven had, dagelijks met elkander. Daar zij allen naar middelbaren tijd liepen , was het vergelijken niet zeer gemakkelijk , maar ik geloof toch, dat een geoefend Avaarnemer met een weinigje geduld en oplettendheid al zeer ligt de vergelijkingen binnen een veertigste seconde naauwkeurig zal doen , zoodat dezelfde naauwkeurig- heid bereikt kan worden, als wanneer men een' chronometer te hulp neemt, die 13 tikken in 6 sekonden slaat, of eenen, die naar sterretijd geregeld is. Daar ik meermalen personen , die met de behandeling van chronometers belast waren, heb hooren klagen , dat het vergelijken van twee chronometers, die beide halve sekonden middelbaren tijd slaan, binnen eene sekonde, of binnen een' tik , d. i. eene halve sekon- de, hun zeer moeijelijk viel, zoo zal het misschien niet ondienstig zijn de methode eenigzins nader te beschrijven, waarnaar ik te werk ging. Ik bezigde natuurlijk geen tusschen-uurwerk , geen waarnemings- horologie, en ook geen' helper, maar vergeleek de chronometers zelf onmiddellijk met elkander, het verschil in tiende deelen van tikken of twintigste deelen van sekonden schattende. Hoe vreemd het nu klin- ken moge , als ik beweer daarin spoedig eene vastheid te hebben ver- kregen dat ik geen tiende gedeelte van eenen tik onzeker was , zoo zal zulks niettemin bij eene nadere opheldering duidelijk worden. Noemen wij de chronometers AenB, die wij met elkander willen vergelijken. Vallen de tikken volkomen te gelijker tijd of volgt de tweede tik binnen de anderhalf-honderdste deelen eener sekonde op de eerste , dan hoor ik slechts één geluid. Ik zie dan eerst op één' der chronometers, blijf doortellen en zie daarna op den tweeden, zoodat ik dadelijk twee zamenvallende tikken waarneem. Vallen de tikken niet tegelijk, dan komt nog het bijzondere geval voor, dat de tikken van A juist vallen midden tusschen de tikken van B in. Dit laat zich duidelijk erkennen, doordien alsdan het interval van een' 78 VERSLAG VAN DEN HOOFD-INGENIEUR tik van A tot een' tik van B even groot is, als van een' tik van B tot een' tik van A. Ik zie dan eerst op den eenen chronometer, daarna op den tweeden, maar tel onderwijl de geheele sekonden des eersten door, terwijl ik nogtans de telwoorden niet uitspreek bij de tikken van den eersten chronometer zelven , maar bij de, een vierde sekonde daarop volgende, tikken van den tweeden chronometer. Ik schrijf daarna de zamenvallende tikken op , doch voeg bij de sekonde van den eersten chronometer de breuk 0%25. Stel nu dat de tikken van den eenen chronometer niet volkomen midden tusschen de tikken van den anderen vallen , dan zal het ver- loop tusschen twee op elkander volgende tikken van den eenen chro- nometer door eenen tik van den anderen chronometer in twee on- gelijke deelen verdeeld worden, en het zal nu niet veel moeite in- houden, om door vergelijking dezer twee deelen onderling, de waar- de van het kleinste der intervallen te schatten. Bepaalt men zich bij tiende deelen van tikken , of twintigste deelen van sekoaden, dan heeft men nu slechts van vier verschillende inter- vallen de grootte te leeren schatten, namelijk van 0^,05, 0^,1, 0^,15, en 0%2, en het is waarlijk niet moeijelijk, deze verschillende interval- len van elkander te onderscheiden. Ja zelfs menigwerf schatte ik nog naauwkeuriger, en onderscheidde 0^025, 0s075, 0^125, 0^,175 of 0',225, terwijl de proef, die het overcompleet aantal vergelijkingen aanbood, dikwijls aantoonde dat het oordeel over de intervallen juist geweest was. Hij, die voor het eerst beproeft, twee chronometers met elkan- der te vergelijken, zal wel inden regel langen tijd, bijv. vijf of meer minaten noodig hebben, eer zijn oordeel omtrent het te schatten in- terval gevestigd is , maar den tweeden dag gaat het reeds gemakke- lijker en ik geloof dat men dikwijls binnen twee of drie weken reeds de noodige oefening hebben kan , om op staande voet zijn oordeel uit te spreken en op die wijze binnen weinige minuten tij ds eenige chro- nometers met elkander te vergelijken. Nadat ik de eerste oefening te boven was, deed ik gewoonlijk twee of drie vergelijkingen in de minuut, en de 15 vergelijkingen voor zes chronometers liepen dus gewoonlijk in 5 tot 7 minuten af De waarschijnlijke fout van elke VAN ]) E G E O G R A P II I S C II E Dl E N S T IN N. I. 7c) vergelijking van twee chronometers is mij gebleken te bedragen 0^,020 tot 0%025 en bereikt omtrent het dubbele van de limiet, die ik ge- vonden heb , dat voor mijn gehoor bestaat voor het afzonderlijk hooren van twee tikken. Men kan deze limiet gemakkelijk vinden, wanneer men de coincidentie der tikken van twee chronometers waarneemt, Avaarvan de eene naar middelbaren , de andere naar sterretijd is gere- geld. Onmiddellijk voor en na dat die tikken wezenlijk zamenvallen, kan het oor de twee tikken niet afzonderlijk hooren, zoodat men al- tijd eene reeks van zamenvallende tikken waarneemt. Het midden tusschen de eerste en laatste der schijnbaar zamenvallende tikken Avordt aangeteekend , en het halve aantal tikken bepaalt de limiet van het gehoor. Wanneer ik bij voorbeeld den chronometer Dent 2231, die later naar sterretijd geregeld Avas , met een' der andei'en vergeleek , die allen naar middelbaren tijd liepen , dan duurde de schijnbare coincidentie geAvoonlijk tien , doch met gespannene oplettendheid v^^aar- nemende, toch minstens acht sekonden, zoodat voor mijn oor hoor- baar bleek. te zijn het verschil tusschen 51/2 of 41/2 sekonden sterre- tijd en middelbaren tijd d. i. 0^,015 of 0^,012. Men kan het overcompleet aantal der vergelijkingen, des verkie- zende, doen dienen om de onderlinge verschillen der chronometers naauwkeuriger te bepalen. Stel bijv. dat men een aantal van vier chro- nometers met elkander vergeleken heeft, nl. de eerste met de drie overigen, de tAveede met de derde en vierde, en eindelijk de derde met de vierde, dan schrijve men de uitkomsten aldus: a b d c e f zijnde dus a ^ stand chron. no. 2 b ^ „ „ d = „ „ .' — » » dan merke men op, dat er voor elk Avillekeurig verschil der chrono- no. 2 — stand cliron. no. 1, no. 3 — 3) no. 1, no. 4 — )> no. 1, TIO. 3 — ï) no. 9 no. 4 — >ï no. 2, no. 4 — n no. 3. 80 VERSLAG VAN DEN HOOFD-INGENIEUR meters behalve de onmiddellijk bepaalde waarde, nog twee middel- lijk gevondene zijn. Voor a heeft men bijv. drie waarden, nl. : a, h — d, c — e; waren de waarnemingen volstrekt naauwkeurig, dan zouden deze drie getallen ook volmaakt hetzelfde moeten geven en is dit zoo niet, dan neme men het arithmetisch midden, doch geve aan a het dubbele gewigt, d. i. neme a zelf tweemaal, aangezien a gevonden is door onmiddellijke verge- lijking en dus alleen behebt is met de fout van ééne waarneming, en b-d en c-e daarentegen met de fouten van twee waarnemingen. Dezelfde regel blijft van toepassing, wanneer men meer dan vier chronometers onderling vergelijkt. Ik zal het gezegde door een voorbeeld ophelderen. Den l?^"* Juny 1858 vergeleek ik vijf chronometers met elkander; ik vond: Hohwü 391 Ou 4m34',5 = Hohwü 393 0" 1"'33»,02 t> » 5 ,05 r= II 394 4 46 ,5 >t » 5 18 ,2 = II 395 2 11 ,5 >» II 5 37 ,5 = Dent 2203 4 10 ,2 Hohwü 393 2 52 ,05 ^ Hohwü 394. 5 40 ,0 tl J7 3 17 ,2 = »? 395 3 12,0 if »l 3 36 ,0 = Dent 2230 5 10 ,22 Hohwü 394 6 51 ,1 ^ Hohwü 395 3 58 ,0 » » 7 18 ,0 = Dent 2230 6 4,22 Hohwü 395 5 5 ,15 =z Dent 2230 6 44,5 De verschillen zijn dus: — Sm ls,48 — O 13 ,55 + •ó'n 47s,95 — 3 6 ,70 - 5 ,20 — 2°' 53»,10 — 1 27 ,30 + 1 34,22 — 1 13,78 + 1°» 39»,35 De afleiding van de waarschijnlijkste waarden van de verschillen met Hohwü no. 391 staat aldus: — 3™ Sm 18,48 — 138,55 — 3" 6»,70 — l" 27>30 48 55 70 30 50 53 68 24 50 60 65 33 52 52 — 13»,56 — 3» 65 6»,66 35 I»,50 — l"» 27»,30. VAN DE GEOGRAPHISCHE DIENST IN N. I; ^1 De vergelijking dezer middentallen en hunner onderlinge verschil- len met de oorspronkelijke getallen geeft de volgende waarnemings- fouten : 0»,02, 0,01, 0»,01, O ,04, ,04, O'.OO, 0,00, 0,02, 0,04, 0»,01. Van 500 dergelijke fouten , betreffende vergelijkingen van chronome- ters in de maanden Junj, July en Augustus 1858, waren er 81 gelijk som der kwadraten ,0000 160 i> 0»,01 11 i> » 0,0160, 113 ») 0,02 ï» )i >i ,0452, 63 » 0,03 )i 11 tl 0,0567, 53 ji 0,04 11 11 11 ,0848, 15 » 0,05 » » 1» ,0375, 8 tl 0,06 ïi tl )i ,0288, 3 tl 0,07 »i 11 11 ,0147. 4 tl 0,08 » tl )i 0,0256, Totaal: 0,3093, terwijl er, door de 500 waarnemingen, 210 van elkander onaf hankelijke verschillen bepaald waren. De middelbare fout van elke vergelijking O 3093 wordt hieruit = i/ , ' = 0^033, en de waarschijnlijke = 0^022 OUU-^IU gevonden. Ofschoon in het afgeloopene jaar de chronometers niet voor het bepalen van lengteverschillen door chronometer-expedities gediend hebben, heb ik ze toch gedurende een groot gedeelte van het jaar da- gelijks met elkander vergeleken; later alleen de twee beste met al de overigen. De gang van de chronometers van Hohwü is steeds zeer voldoende gebleven , doch een derzelve is onlangs plotseling gaan versnellen; hetgeen bij onderzoek , door den heer W. J. Olland, bleek te wijten te zijn aan eenig roest, dat aan een' der tappen der assen ontstaan was. Die chronometer wordt thans gerepareerd. De chro- nometer van McLachlan heeft altijd zeer slecht geloopen, zoodat ik hem zelfs niet voor observatiechronometer durfde gebruiken, doch 13 ^ VERSLAG VAN DEN HOOF D - IN GE N I EU R het is gebleken, dat hij noodwendig schoongemaakt moest worden, en het is te hopen, dat de gang dan beter zijn zal. e. De thermometers. Tot het materieel der Geographische Dienst behooren vijf losse thermometers, die alle afkomstig zijn van den heer W. Geissler te Amsterdam. Vier hunner zijn gewone thermometers uit den winkel van dezen instrumentmaker, den vijfden heeft hij met veel zorg naar eene door mij gegevene opgaaf gemaakt. Deze laatste is zoodanig ingerigt, dat hij volledig onderzocht kan worden en daarom noem ik hem den standaard-thermometer, en duid hem aan door den letter S. Ik verzocht den heer Geissler eenen thermometer zamen te stellen, die de volgende eigenschappen bezat: 1°. De vei'deeling moest op de thermometerbuis zelve gegraveerd zijn. 2°. Zij moest loopen van —15° tot + 150° C. 3°. Bij den overgang van de buis in den bol moest er eene vernaau- wino- der buis gemaakt zijn, ten einde door eenen schok, in de rifftine- van de lengte der buis, eene kwikkolom te kunnen af- scheiden van willekeurige lengte. De heer Geissler voldeed aan mijn verlangen met groote naauw- keurigheid. De thermometer was in halve graden verdeeld, de ver- deeling was zuiver, en om de streepjes zigtbaar te doen zijn, waren zij donker geel geverwd. Den 27^'* Mei 1858 onderzocht ik dezen thermometer en bepaalde ik zijn kookpunt, en onmiddellijk daarna het nulpunt van al de thermo- meters. Door een' ligten schok werd er eene kwikkolom losgemaakt van omtrent 68° lengte. Door haar te verschuiven vond ik voor de aflezing der beide uiteinden: Links Regts Lengte der kwikkolom 0°,0 67°,7 67°,7 32 ,3 100 ,0 67,7 67 ,75 lb5,8 68,05 82 ,0 150,0 68,0 VAN DE GEOGRAPHISCHE DIENST IN N. I. §8 Ofschoon deze proef reeds vrij voldoende mag heeten, is eene ge- rin"-e verkleining der graden boven de 100°, toch duidelijk aange- wezen. Tot een naauwkeurig onderzoek bragt ik den thermometer in ijswater van 8°, waardoor de kwikkolom tot de lengte van nagenoeg 50° gebragt Averd, en dus het voordeel bereikt werd, de fout der verdeeling voor 50°, ten opzigte der beide vaste punten 0° en 100°, op zich zelve te kunnen bepalen. Deze kwikkolom zich weder latende verplaatsen, vond ik voor de beide uiteinden: Links Kegts Lengte der kwikkolom 15°,0 + 34^0 49' ,0 > ,0 49 ,2 49 ,2 10 ,0 59 ,1 49 ,1 1 20 ,0 69 ,0 49 ,0 [ 30 ,0 40 ,0 79 ,1 89 ,15 49 ,1 { 49 ,15 49,11 50 ,0 99 ,15 59 ,15 60 ,0 109 ,15 49 ,15 70 ,0 119 ,1 49 ,1 80 ,0 129 ,2 49 ,2 ' 90 ,0 139 ,5 49 ,5 100 ,0 149 ,6 49 ,6 *■ Het blijkt uit dit onderzoek, dat de buis van — 15° tot + 130° zoo na cylindrisch en de verdeeling zoo na gelijkvormig is, dat de afwij- . kingen verwaarloosd kunnen worden. Van 130° tot 150° daarentegen blijken de graden merkbaar te klein te zijn. Om het kookpunt te bepalen gebruikte ik eenen toestel, die daar- voor bij uitnemendheid geschikt is. Ik kan niet met zekerheid aan- geven, van wien zijne constructie afkomstig is, maar hij is in Utrecht door den heer H. Olland vervaardigd naar aanwijzing van Dr. Krecke. De toestel is zoodanig ingerigt , dat de cylindrische ketel a, (zie de bijge- voegde de plaat , fig. 1,) waarin het water gekookt wordt, om het kookpunt der thermometers te bepalen , boven het water geheel besloten is binnen eenen anderen cylinder b, en dat de stoom, die in den binnensten cylinder ontwikkeld wordt, geen' anderen uitweg heeft dan, door eenige openingen van boven , c, in de tusschenruimte tusschen de beide cylinders , waar hij zich condenseert en na condensatie beneden uit een pijpje d uitdruppelt. ,* 84 VERSLAG VAN DEN HOOFD-INGENIEUR Op die wijze is de geheele wand des ketels, waarin zich de ther- mometer bevindt, zelf op eene temperatuur van kokend water, en daar de bol des thermometers niet in het water, maar er juist boven gehouden wordt, zoo zou men, indien de zooeven beschrevene inrig- ting niet gevolgd werd, gevaar loopen, dat de bol des thermometers meer warmte naar den wand uitstraalde, dan hij daarvan ontving , en het kookpunt aldus te laag gevonden werd. De thermometer wordt door een gat, dat in het midden der beide bovenvlakken der twee cylin- ders gelaten is , door middel eener doorboorde kurk in den binnensten gestoken, zoo ver, dat het kookpunt des thermometers er juist boven uitsteekt, terwijl men zorg draagt, den toestel slechts zoover met wa- ter te vullen, dat de oppervlakte juist onder den bol des thermome- ters komt. Door eene spirituslamp wordt het water aan de kook ge- brast, en kort daarna begint de geconsendeerde stoom uit het buisje te druppelen, en zeer spoedig bereikt het kwik zijn' hoogsten stand en blijft daarop staan, hoe lang men het koken voortzet. Alvorens het kookpunt te bepalen , vergeleek ik den stand des stan- daard-thermometers met die van twee andere thermometers, die ik G en P noem , zijnde : G een thermometer met glazen schaal, waarvan de verdeeling gaat van -49° tot + 120° C. P een thermometer met papieren schaal , verdeeld van — 33° tot + 130° C. Ik vond: S 27°,1 = G 27°,3 - P 27^25. Daarna het kookpunt van S bepalende, vond ik . . 99'',97. De gereduceerde barometerstand was 760,57'" >", waarmede overeenstemt een kookpunt van . . . . 100 ,02 Derhalve correctie voor 100° • . + 0°,05 Hierop ging ik over tot het bepalen der nulpunten. Vroegere on- dervinding had mij doen zien, dat deze bepaling zonder moeijelijk- heden geschiedt, mits men daartoe hagel of gestooten ijs gebruike, en tevens zorge, dat het gesmoltene water steeds kan wegvloeijen, VAN DE GEOGRAPHISCHE DIENST IN N. I. §5 lietgeen ligt geschieden kan, door een mandje te gebruiken (*). Een bamboezen mandje met gestooten ijs gevuld, ontving de bollen der thermometers , en weldra bleef de hoogte van het kwik in allen constant. Het teeken der gevondene nulpunten omkeerende , vond ik : Thermometer Correctie voor 0°. S. + 0°,2 G. — O ,2 P. — O ,15 I. — O ,4 B. — 1 ,0 Om nu de vier laatste thermometers allen voor de temperaturen tusschen het vriespunt en de gewone luchttemperatuur te Batavia, met den standaard-thermometer te vergelijken , deed ik een handvol stukjes ijs in eene karaf water , waardoor de temperatuur van dit water aldra tot bij het vriespunt daalde. De thermometers werden er alle vijf inge- stoken, en beurtelings afgelezen, met aanteekening van den tijd der aflezingen op een sekonde-horologie. Na elke aflezing roerde ik het water met de thermometers, die ik in een' bundel vereenigd hield, om. In het begin waren er nog eenige stukjes ijs in de karaf, waarom de eerste bepalingen iets minder zeker zijn dan de latere. Ik zocht door interpolatie tusschen de aflezingen van den standaard-thermome- ter zijnen stand voor de tijdstippen, waarop de andere thermometers waren afgelezen, — de rijzing van de temperatuur des waters ging na- melijk aanvankelijk zeer schielijk, — - en op die wijze verkreeg ik in on- geveer twee uren tijds , voor de temperaturen tusschen 0° en 22°, voor eiken thermometer een 32tal vergelijkingen met den standaard. Daar het rijzen der thermometers nu zeer langzaam ging, hield ik eenigen tijd op en vergeleek de thermometers later Aveder voor 24° en na we- der eenigen tijd op 26° C. Daarna nam ik ze allen uit het water en hing ze naast elkander op , waardoor ik denzelfden en den volgenden (*) Te Utrecht de nulpunten van de thermometers der sterrewacht in eenen emmer smeltende sneeuw willende bepalen, vond ik telkens andere aflezingen, als ik de thermometers slechts even verplaatste, hetgeen naturlijk kwam, doordat het onstane water niet wegliep, en op sommige plaatsen warmer dan 0° werd, zoodat het nulpunt der thermometers dan meer, dan minder te hoog gevonden werd. Het schijnt dat Tralies , in het jaar 1822, deze opmerking het eerst gemaakt heeft. 8C VERSLAG VAN DEN HOOF D -IN GE N I E U R dag nog vergelijkingen erlangde voor omstreeks 30'. Daar nu de correctie van den standaard-thermometer voor alle standen uit de gevondene correctie voor nul- en kookpunt bekend was, volgden de correcties der andere thermometers onmiddellijk. Te Utrecht had ik , den IT^"^ July 1857, den thermometer G op zich zelv' onderzocht , waarover straks nader. De correcties toen gevonden , golden voor het toenmalige vriespunt — 0°,17, dat door de bepaling van het kookpunt verlaagd was, zoo als altijd het geval is, waarop bij het bepalen der vaste punten wel gelet mag worden. Het nulpunt , thans te Batavia natiën maanden gevonden, was + 0°,2, dus 0°,37 hooger dan het vorige jaar. De correcties van het vorige jaar moeten dus door toevoeging van — 0°,37 tot den stand van het nulpunt op 27 Mei 1858 herleid worden. Na deze toevoeging verschilden de correcties zeer na constant — 0°,12 van de thans bepaalde , hetgeen hoogst waar- schijnlijk toe te schrijven is aan fouten in de bepalingen der nulpun- ten van G in July 1857 en in Mei 1858 en van S in Mei 1858, alsmede in de bepalingen der kookpunten van G en S. De bepaling van een nulpunt of kookpunt geschiedt slechts door ééne aflezing , ter- wijl men de vergelijking der thermometers door een willekeurig aantal af- lezingen kan bewerkstelligen. Men kan het verschil van 0',12 alleen op de drie genoemde bepalingen van nulpunten verdeden, en daar- door komt er op elk nulpunt eene correctie van ± 0°,04; hetgeen eene fout is , die ligt begaan kan worden , als de thermometers slechts in heele graden verdeeld zijn. Voor den thermometer G neem ik nu het gemiddelde van de cor- recties aan , bij beide gelegenheden bepaald , en ik vind dus op die wijze : Correctie der thermometers. Aflezing. s. G. P. I. B. + 0°.20 — 0°,20 — 0°,15 ? — 1°,00 5 ,19 — .18 — 0,09 — 0°06 — .87 10 ,18 — ,28 — ,16 — ,14 — ,89 15 ,18 — ,35 — ,19 — ,15 — ,85 20 ,17 — ,46 — ,17 — ,25 — ,74 25 ,16 — ,50 — ,33 — ,04 — ,59 30 ,16 — ,50 — ,33 + ,03 — ,50 VAN DE GEOGRAPHISCHE DIENST IN N. I. 87 Men ziet hieruit dat de verschillen van G en P met S voor 27° nu waren S — G = — 0°,66 S — P = — 0°,49. Vóór het bepalen van het kookpunt was gevonden : S — G = — 0;2 S — P = — 0^15. Zoodat de blootstelling aan den stoom van 100° het nulpunt had doen dalen: volgens vergelijking met G 0°,46 C. met P 0,34 C. Gemiddeld 0,40 C. Het feit is reeds lang bekend , dat deze daling van het nulpunt bij de blootstelling der thermometers aan eene temperatuur van kokend wa- ter plaats heeft. Een gevolg er van is dat, indien men de vaste punten van eenen thermometer bepalen wil , men na de bepaling van het kookpunt die van het nulpunt herhalen moet. Men verkrijgt op die wijze ten minste eene juiste controle van de ruimte tusschen het vriespunt en het kookpunt, maar men is natuurlijk verpligt, de bepa- ling van het nulpunt van tijd tot tijd te herhalen, tot dat het blijkt stationnair geworden te zijn. De rijzing van het nulpunt heeft slechts langzamerhand plaats, doch is dikwijls na 14 dagen reeds merkbaar. Volgens de proeven van Legrand komt het binnen de vier maanden tot stilstand (*). f. De barometers. Tot het materieel der Geographische dienst behooren tegenwoordig 2 hevelbarometers van E. Wenckebach, 4 reisbarometers van Pistor en Martins, zijnde van de laatsten twee bakbarometers en twee hevelbarometers naar eene eio-ene constructie der H. H. Pistor en Martins. Toen ik het materieel van den eervol ontslagenen Geographischen Ingenieur G. A. de Lange overnam , was er slechts één bakbarometer (*) L'Institut Sme Année n"^. 195; Anti. de Chimie et de Physique T. LXIII p. 368, aangehaald ia Gehler's Physikalisches Lexicon, Art, ïhermoreeter, IX Band p. 927. S8 VERSLAG VAN DEN HOOFD-INGENIEUR bruikbaar, en van beide hevelbarometers waren de buizen, van den anderen bakbarometer ook de glazen bak gebroken. Ook de andere bakbarometer is in den loop van dit jaar defect geworden, en bevindt zich, even als de hevelbarometers, sedert ongeveer een jaar in de werkplaats van de Genie alhier. Verschillende omstandigheden zijn oorzaak geweest, dat de mij door den instrumentmaker toegezegde reparaties nog niet zijn uitgevoerd, zoodat de Geographische Dienst thans alleen in het bezit is van de reisbarometers van Pistor en Martins N°. 1001 en N°. 1012, beide door mij nog in Nederland besteld. Deze zijn naar de nieuwste constructie vervaardigd , die , als ik mij niet vergis, door de firma zelve aan de reisbarometers gegeven is. Daar ik zelf mondeling met de constructie en het gebruik van deze barometers door den heer Martins te Berlijn ben bekend gemaakt, zoo acht ik het niet onbelangrijk, hier van een en ander eene mede- deeling te doen , te meer , daar de barometers van Pistor en Martins ook hier in Indië veel gebruikt worden , en onbekendheid van den waarnemer met de inwendige constructie dikwijls nadeelige gevolgen voor het instrument hebben kan. De barometer bestaat uit twee buizen, a en b (zie de bijgevoegde plaat , fig. 2) zijnde a van boven toe , b open , doch hebbende de opening toch met een kurkje afgesloten, dat door een haarbuisje is door- boord, zoodat de lucht vrijen toegang tot het kwik in dat been heeft, doch stofdeeltjes geweerd worden. Beide buizen eindigen van onderen in eenen ijzeren cylinder, die met kwik gevuld is. De lange buis a eindigt van onderen met eene zeer fijne opening, waardoor het indringen van lucht in deze buis belet wordt , al komt er lucht in den cylinder c. De korte buis b daarentegen komt niet geheel tot bin- nen den ijzeren cylinder, maar slechts in den bo venbodem, terwijl de kraan d den toesrano; van het kwik tot deze buis kan afsluiten. De bodem wordt ingenomen door een schijfje leder, dat van onderen door de spiraalveêr ƒ ondersteund wordt die in de daarvoor open ge- latene ruimte in den schroefbodem g plaats vindt. Wil men den barometer inpakken , om hem op reis te gebruiken , dan late men hem eenigzins hellen, tot dat het kwik de lange buis VAN DE GEOGRAniISCHE DIENST IN N. I. gg geheel tot boven toe vult, dan zal de oppervlakte van het kwik in de korte buis zich even boven de kraan cl bevinden. Men draait nu deze kraan af, waartoe de sleutel h dient , en het kwik in de buis a en den cylinder is dan besloten, doch de veerende bodera van den cylinder laat nu nog eenige uitzetting van het kwik toe, zoodat er geen gevaar bestaat dat de glazen buis, bij rijzing der temperatuur, door de uitzettiniT van het kwik barst. De sleutel h wordt nu onder aan de buis geschroefd , zoo als in de figuur is geteekend , en daarna worden de drie pooten van den drievoet gesloten, waardoor de barometer ge- heel besloten is ; het geheel wordt nu omgekeerd en in het lederen fou- draal gestoken. Moet nu de barometer gebruikt worden, dan wordt hij eerst we- der in den drievoet opgehangen, en de kraan d met den sleutel h geopend, als wanneer het kwik weder in de korte buis komt. De glazen buizen zijn besloten in twee koperen buizen i en k, waar" van de binnenste slechts even boven de kortere glazen buis reikt, en de buitenste over de binnenste heen schuift en wel door middel van een' getanden stang en een rondsel, waarvan de eerste in de figuur gedeeltelijk zigtbaar is , het tweede weder door den sleutel h bewogen wordt, zijnde in het midden van het rondsel een vierkant gaatje ? waar het prismatisch uiteinde des sleutels h juist in past. Door dit rondsel nu brengt men de buis k juist zoo hoog, dat haar onderrand den kwik-meniscus in de korte buis aanraakt. De buis k draagt zelve eene verdeeling in millimeters en boven bevindt zich een nonius , waarvan de ondervlakte door middel eener schroef met den kwik-meniscus in in de lange buis in aanraking gebragt wordt, als wanneer de nonius den barometerstand onmiddellijk aangeeft. De heer Jaeger heeft op zijne reizen naar Cheribon enz. den ba- rometer W. 1012 medegehad, doch toen hij terugkwam , bleek het dat de lederen bodem niet goed sloot, zoodat het kwik door de opening tusschen ƒ en g er uitliep , als de barometer slechts gedragen werd. Ik heb dit ongemak verholpen door tusschen f en g een' lederen kraag aan te brengen , die in alle geval verhindert dat er kwik wegloopt. Mogt nu door het niet volkomen digt zijn des bodems e eenig kwik 14 90 vï:rslag van den hoofd-ingenieür zich in de ruimte ƒ begeven en daarentegen eenige lucht hieruit in den cylinder c sluipen , deze heeft natuurlijk geen' invloed op het verschil in niveau tusschen de twee menisei , waarvan hierboven sprake geweest is. Eenige lucht, die bij N°. 1012 ook in de lange buis was ingeslopen, heb ik gemakkelijk door omkeering en kleine tikjes verdreven, zoo- dat de beide barometers (N°. 1001 is nog niet op reis gebruikt) thans weder nagenoeg gelijken stand hebben. Daar de heer A. C. J. Edeling alhier een' barometer van het Me- teorologisch Instituut bij zich heeft, die hij dagelijks, des raoro'ens te 8", des namiddags te 2'^, en des avonds te 8» Avaarneemt, en bij dien barometer tevens de opgave ontvangen heeft van zijne cor- rectie, bepaald door vergelijking met den standaard van het Meteoro- logisch Instituut te Utrecht, zoo nam ik de maand Junij 1858 op eenige dagen ook op dezelfde uren N°. 1001 waar, zijnde N°. 1012 eerst later ontvangen, en verzocht toen aan den heer Edeling zijne aanteekenin- gen ter vergelijking. Onze woningen waren slechts een paar minuten gaans van elkander, en de barometers hangen nagenoeg even hoog, dus mogen de luchtdrukkingen op beide plaatsen als identiek wor- den aangenomen. Het midden van 14 vergelijkingen gaf, dat Pistor en Martins N°. 1001 1,78 millimeter hooger stond dan de barometer des heeren Edeling. Nu is de correctie van laatstgenoemden barome- ter , volgens opgave des heeren Edeling, = + 1,36 millimeter, doch hier is alles onder begrepen , en dus ook , daar de barometer 3,5 meters bo- ven de oppervlakte der zee hangt, en de thermometer 0°,2 te hoog aanwijst: r correctie tot de oppervlakte der zee + O""", 105, 2° correctie wegens fout des thermometers . . . , + O ,024, Te zamen +0 ,13. Derhalve schiet er voor de zuivere correctie des barometers over + 1,23 millimeter. Vergelijkt men dit met het verschil tusschen de- zen barometer en P. en M. W. 1001, dan zoude P. en M. N°. 1001 0,55 millimeter te hoog staan. Deze uitkomst komt mij wel wat groot voor; mogt echter de bedoelde barometer werkelijk eene negatieve correctie noodig hebben, dan kan deze eenige verklaring vinden inde VAN DE GEOGKAPII ISCHE DIENST IN N. I. 91 onvolkomene zuiverheid van hetlcwilc, blijkbaar uit den vuilen rand, die zich in de korte buis op de hoogte der kwik-oppervlakte heeft afgezet. Het specifiek gewigt van het kwikzilver wordt namelijk door inmenging van lood, tin, enz. geringer , en eene vermindering van één honderste eenheid in het specifiek gewigt is toereikende om eene ver- hooging van den barometerstand, gelijk aan een' halven millimeter, te veroorzaken. B IJ L A G E N. VERSLAG VAN DEN HOOFD - I N G EN IE U R e.vz. EERSTE BIJLAGE. 9( BEPALIAG VAN HET LENGTEYKRSCIIIL TLSSCHE)! WELTEVREDEN (TELEGRAAF- KANTOOR) EN BATAVIA (TIJDKLEP). A. Tijdsbepalingen (*). Standplaats : BATAVIJ i' WELTEVREDEN. Waarnemer : OUDEMANS. JAEGER. Chronometer: Hohwü No. 394. Hohwü No. 395. Universaal-Instr : (f) Repsald. ■ Pistor en Martins. 1858 Tijd op chro- liometer. i E c -1 -3 o 5 Correctie ciironora. 1 p a. 2 o S o •o = :=> H 3 to 2 '3 u a> s a Correctie chronoiu. April 16 7'>32™,6 Sirius. 4 37° W — 4«'29«,90 7u54m 8 Sirius. l 2 44° W + 1™30»,41 » 24 7 59 ,6' ( Sirius. Spioii. Procyon, 4 4 4 43 W 44 O 44 W - 4 51,16 51,83 51,51 7 31 Gi Sirius. Spica. 4 2 41 W 49 O + 2 6,98 7,04 Mei 1 8 18 ,5 Procyon. Spica. 5 i 47 \V 33 O ^ 5 11,90 11,69 8 25 4 Sirius. 6 68 W + 2 38,31 Sirius. 2 53 W — 5 17,90 \ Sirius. 4 54 AV + 2 47,67 .1 3 7 55 ,3',lSpicii. 5 42 O 17,66 8 20 5 ^Spica. 4 30 46,85 \ Procyon. 5 52 W 17,60 1 Procyon. 2 65 AV 46,94 Waarnemer : Chronometer : JAEGER. Hohwü No. 395. OUDEMANS. Hohwü No. 394. ei 7 » 8 » 10 a 14 13 21 Mt^^f- ^Arcturus, I ! Procyon. (3 Librae. Jf Scorpii. I 8 29 ,3 P'?':^"- IJ Librae. 7 44 ,1^;^'''"''' ' ^Proc; ocyon. 6 2 61 46 O 4 2 3 65 AV 28 O 36 4 2 50 AV 36 ü 4 4 39 O 66 AV + 3 + 3 0,73 0,11 4,70 5,36 5,25 + 3 14,15 13.16 + 3 29,64 29,78 10 34 ,8 Vj Librae. ^7 Virginis Sirius. 7 27 ,6(Spica. Piocyon. iSirius. 8 26 ,8,8 7 31 ,6 + l">30^4l + 2 7,01 + 0M91 n- 0,185 + 0,185 Mei 1 )i 3 8 18 ,.5 7 55 ,3 -5 11,80 -5 17,68 8 25 ,4 8 20 ,5 + 2 38,31 + 2 47,15 .. 7 8 >. 10 n 14 13 21 ,6 9 56 ,1 8 29 ,3 7 44 ,1 + 3 0.42 + 3 5,]0 + 3 13,66 + 3 29,78 + 0,227 + 0,184 + 0,169 10 34 ,8 7 27 ,6 8 26 ,8 7 47 ,9 - 13 ,00 -0 15,45 - 2 1 ,45 -0 33,45 — 0,118 — 0,122 — 0,126 C. Yergelijking der Clironomelers door seinen niet den e. ni. telegraaf (*). Hohwü 394. Seinen van Hohwü 394 — Hohwü 395. 1858 Middens van > Algemeen > Aanmerkingen. elke reeks. 3 c -4 Midden. Aanta Weltevreden. + 5-»lll',47 10 j De verschillen der chro-' April 16 G"44n',9 < 'Batavia. [Weltevreden. ,48 ,39 ^l J+5">111',40 38 noraeter - aanwijzingen zijn hier uitgedrukt in ( Batavia. ,27 8) minuten en tikken, d. i. halve seconden. Weltevreden. + 6 105,90 10 ') 6 38 ,5 < ( Batavia. Weltevreden. Batavia. ,98 106,06 105 ,96 j5 [ +6 105,97' 10 ) 41 . « 24 ^ \ Weltevreden. + 6 107 ,34 1 11) 8 59 ,0 < Batavia. Weltevreden. ,06 ,26 ^5+6 107,12 41 1 Batavia. 106,82 11 ' (*) Tot beter overzigt worden hier opgegeven de verschillen in aanwijzing der twee chronometers , voor hun-' nen betrekkelijken gang herleid tot hetzelfde tijdstip, waarvoor steeds geaomea is het arithmetisch midden van de tijdstippen der afzonderlijke vergelijkingen. VAN DE GEOGRAPHISCHE DIENST IN N. I. 97 HohwU 39i. Seinen van Holiwü 394 — Uohwü 395. 1858 Midden van i" S Algemeen > Aanmerkingen. elke reeks. 3 Midden. 3 < es < l .3 Weltevreden. + 7" ' 89',00 11 ) * 7«12« Batavia. Weltevreden. ,10 88,98 12 [ + 7" 89',09 40 Batavia. 89,29 9 ) Mei 1 \ Weltevreden. + 7 90,39 «1 }J J +7 90,18 1 9 31 .3 Batavia. Weltevreden. ,10 ,16 42 Batavia. ,06 10 i 1 . .5' Weltevredtn. + 7 118,18 s J»H. 7 118,29 , 6 59 Batavia. Weltevreden. ,20 ,33 38 , 3{ 1 Batavia. .46 10 ( Weltevreden. + 7 119,36 1 11 i 9 48 .9 ' Batavia. Weltevreden. ,46 ,20 }J > +7 119,35 41 Batavia. ,39 9 1 6"i4« ,7 Batavia. Batavia. + S» 35S78 ,59 I2 + 3'°35',685 22 Den 7en en 8eo Mei werd door den beer Jae- Mei 7 i ger, toen te Batavia, 1147 ,8 Batavia. Batavia. + 3 36,79 ,71 ^5+3 36,75 19 bij het waarnemen dei- seinen van Weltevreden, in plaats van het sluiten 8 9 29 ,G Batavia. Batavia. + 3 52,00 ,06 ^\ + 3 52 ,03 20 des sleutels, steeds het openen waargenomen. Daar ik, overeenkom- Weltevreden. + 3 80,20 10 stig de afspraak, het 10 < 6 43 .7 IJatavia. Weltevreden. Batavia. ,43 ,12 ,44 }J [ + 3 80,30 10 41 sluiten waarnam, zijn dus voor deze avonden de eerste en derde reeks van elk stel vergelijking- Weltevreden, + 4 16,23 10 en der chronometers on- G IC ,3 Batavia. ,28 10 f bruikbaar. Weltevreden. ,36 12 ) ,7 i + 4 16,31 43 Batavia. ,38 111 *. » V» f V •. r, 14 / Weltevreden. + 3 17,81 11 l 8 59 .1 liatavia. Weltevreden. 18,01 17,66 JJ (+ 4 17,87 45 Batavia. ,99 12 1 15 98 VERSLAG VAN DEN HOOFD-INGENIEUR D. Afleiding van het lengteYerschil tussclien Batavia en Weltevreden. OUDEMANS te Batavia, JAEGER te Weltevreden. April 16 April 24 Mei 1 Mei 3 Tijdstip op Hohwü 394 Midd. tijd "Weltevr. -Hohwü 394 = Hohwü 395— M. tijd Batiivi.a = Hohwü 394 -Hohwü 395 = 7» + lm + 4 - 5 46™,7 30S37 29 ,93 56 ,01 7" 49>",0 + 2™ 7>,04 + 4 51 ,48 - 6 53 ,28 8" 25",9 + 2"'38S29 + 5 11 ,81 — 7 44 ,83 8" 11'",9 + 2™ 47-M3 + 5 17,71 - 7 59 ,38 Lengteverschil Weltev. — Bat. = Waarschijnlijke fout = + 4,29 0,32 + 5 ,24 ± ,22 + 5,27 ± 0,30 + 5 ,43 ± 0,17 OUDEMANS, te Weltevreden, JAEGER te Batavia. Mei 7 Mei 8 Mei 10 Mei 14 Tijdstip op Hohwü 394. Midd. tijd Weltev.— Hohwü 394 ■ Hohwü 395 — M. tijd Batavia : Hohwü 394— Hohwü 395 Lengteverschil Weltev. — Bat. Waarschijnlijke fout 11" óg^.g — 0n'13M7 — 3 O ,13 + 3 18 ,43 8" 43">,6 O" 15' ,60 3 4 ,84 3 25 .81 8" 29", 9 — 0"'21%46 — 3 13 ,65 — 3 40 ,80 5 ,13 O ,23 ± 5 ,37 O ,19 + 5 ,69 ±. O ,22 7" 48">,1 - 0">33\43 - 3 29 ,78 + 4 8 .61 -I- 5 ,38 ± O ,23 E. Tijd, dien de seinen noodig hadden om over te gaan. 16 April — OS 035 24 .. + 0, 005 n )» — 0, 135 1 Mei - 0, 095 ï) » + 0, 100 3 >. — 0, 030 » 1) — 0, 075 10 .. + 0, 135 14 » + 0, 020 ï> » + 0, 132 Aanmerktiirj. Do negatieve teekens zijn alleen aan de lonten der waarnemingen toe te schrijven. Gemiddeld ^- O', 022 =-1- Os OU VAN DE GEOGRAPHISCHE DIENST IN N. I. 99 F. Waarschijnlijke fouten. Uit (Ie in de bijlagen opgegevene tijdsbepalingen en vergelijkingen der chronometers volgt: Waarscli. fout eener tijdsbepaling van mij, met het universaal-instrument van Repsold, daarvoor slechts ééae ster gebruikende ± 0',15 AVaarsch. fout eeuer tijdsbepaling van den heer Jaeger, met het universaal-instrument van Pistor en Martins, daarvoor slechts éóne ster gebruikende +^ 0,28 AVaarsch. fout eener vergelijking der chronometers, door 10 seinen met den e. m. telegraaf. + 0,02 Is dus het aantal der door mij gebruikte sterren n , )i 11 . 1) » )i » den hr. Jaeger » » n' , Is verder voor het gekozene tijdstip het verschil der chronometer-aanwijzingen bepaald met eene naauwkeurigheid, alsof bet onmiddelijk door n" seinen bepaald was, (zie de noot op blad?. 7), dan is de waarschijnlijke fout van het lengteverschil; ( 0.15 0,28 , 0,02 > ^ {-^ ^ ^^ ^ Tl? i De boven aangegevene waarschijnlijke fouten zijn volgens deze formule berekend. De zamen- stelling der resultaten, met in achtneming der waarsch. fouten, ia op bladz. 14 der tekst gegeven. 100 VERSLAG VAN DEN HOOF D - IN G E N I E U K TWEEDE BIJLAGE. BEPALING VAN HET LENGTEYERSCIIIL TISSCHE.\ BATAVIA (TIJDKIEP) A. Tijdsbepalingen. Waarnemer .- Chronometer .• WELTEVREDEN. OUDEMANS. Dent 2231. SAH&RADS. JAEGER. Dent 2230. 1858 Tijd op Dent 2231 a u o Aug 16 » 17 » 18 » 19 » 20 16»46"',0 18 3 ,0 I Spica 'Altair /3 Librae '/3 Aquarii I Spica 'Altair «Opliiuclii (/3 Aquarii 17 43 ,0/3 Librae c Correctie chronom. Tijd op Dent 2230. Dent 2231. C5 é «'S c % T3 c5 s.= c si o a ^ « < 42° W 48 O 29 W 57 O 57 W 33 O 26 AV 34 40 AV + 6™ 4^29 ,33 ,26 ,34 + 6 14,98 ,85 .87 + 6 24,66 Betrokken weder. 16 34 .ol Spica j 2 50 W f 6 46,36 g-SO" 8 21 6 57 iQuOmf/S Aquarii ^t Ophiuchi 17 43 ^Spica \Q Aquarii 50° O 65 W 65 W 44 O .J3 u o ü + 12»,79 ,79 + 21,02 20,89 Betrokken weder. 17 27 Ultair |Spica 2 136 O I + 38 ,80 2|71W| ,12 Betrokken weder. B. Geniiddelde uitkomsten der Tijdsbepalingen. 1858 Tijd op Dent 2231. Correctie chronometer. Gang per uur. Tijd op Dent 2231. Correctie Dent 2230. Gang per uur. Aug. 16 17 18 19 16"46"",0 18 3 .0 17 43 ,0 + 6"> 4».305 14 ,88 24,66 •!■ 0, 418 + 0, 412 19" 8"',0 17 43 ,0 17 27 ,0 + rA79 20,96 *38 ,46 + 0,362 + 0,367 VAN DE GEOGRAPHISCHE DIENST IN N. I. ;|01 G. Vergelijking der Chronometers door seinen met den e- m- telegraar Dent 2231. Seinen van Dent 2231. — Dent 2230. 1858 IMiddens van elke reeks. Aantal verg. Algemeen Midden. Aantal verg. 1 Weltevreden. gu 170.1041,79 11 \ 15" 18" 0» Samarang. j Weltevreden. 105,19 104 ,83 ^g ( 9M7™105',04 42 ' Samarans;. 105 ,34 11 ) Aug. 16 ( '! Weltevreden. 9 18 51 ,21 9 ^ 18 41 43 Samarang. 1 Weltevreden. 51,76 51 ,17 J[ ^ 9 18 51,44 43 1 Samarang. 51,63 12 ) 1 1 L Weltevreden. 9 21 102,76 l j° \ 9 21 102 ,99 15 43 56 < Samarang. 1 Weltevreden. 103 ,07 102,89 37 Samarang. 103,21 10 ) » 17 ( 1 , Weltevreden. 9 22 60,23 11 ) 19 39 15 < Samarang. Weltevreden. 60 ,65 60,29 \q ^ 9 22 60,45 42 i Samarang. 60.64 10 ' ) D. Afleiding van het lengleverschil lusschen Weltevreden en Samarang. Aug. 16 Aug. 17 Tijd op Dent 2231 (a) . . . . Correctie Dent 2231 (i) ten opz. van st. tijd Welt. Correctie Dent 2230 (c) » » » M. » Dent 2231 — Dent 2230 (d) . . . Aanwijzing Dent 2230 = (a) — [d) . Jliddelbare tijd Samarang = (a) — (d) + (c) Reductie tot sten'elijd. .... Sterretijd, niiddelb. middag te Samarang, . Sterretijd te Samarang. .... Sterretijd te Weltevreden = (a) + (b) Lengteverschil Samarang — Weltevreden . Waursch. fout . , Gemiddeld; 2ie verder de tekst, bladz. 17. 17''57'" 0«,00 + 6 4 ,80 + O 12.36 9 18 18,43 8 38 41,57 8 38 53 ,93 1 25,24 9 37 8 ,62 18 17 27,79 18 3 4,80 14 22.99 + 0,083 17"53"' Ö*,00 + 6 14,81 + O 21 ,02 9 22 12,74 8 30 47,26 8 31 8 ,28 1 23,97 9 41 5.17 18 13 37,42 17 59 14.81 14 22,61 ±00 ,083 14 22, 80 + 0s,06 102 VERSLAG VAN DEN HOOFD-INGENIEUR D- Tijd, dien de seinen noodig hadden om over te gaan- IG Aug. 0',23 )) 0,25 17 0,17 » 0,19 19 0,07 20 0,20 Gemiddeld . . 0,185 = 0s09 Deze tijd is eeuigzius onzeker, waarschijnlijk te groot, doordien de heer Jaeger, tegen onze afspraak, de seinen te Samarang zelf gaf, zie tekst bladz. 4. Door de seinen heen en weder te geven verkrijgen wij dus toch nog niet een zoo onafhankelijk resultaat als anders het geval zou zijn. Het lengteverschil kan, door deze omstandigheid, misschien 0*,02 of 0',03 te klein gevonden zijn. VAN DE GEOGRAPHISCIIE DIENST IN N. I. ^03 DERDE BIJLAGE. BEPALING \AN HET LEPiGTEVERSCHIL TISSCHE^ BATAVIA (TIJDKIEP) m üiumm (Hayenliciit). A. Tijdsbepalingen. Waarnemer ; Chronometer WELTEVREDEN. OUDEMANS. Dent 2231. 1858 1858 GHERIBOR. JAEGER. Dent 2230. Tijd op Dent 2231. üct. 28 » 29 » 30 Nov. 1 » 3 '3 u a 3 3 e O) Correctie chronom, Tijd op Dent 2230. Dent 2231. '3 -O O) O 'J3 Aqnarii 21"26'",0(a;Ophiuclii (y Pegasi ^^q."''!"' lp Orioms (r Pegasi 22 52 ,3|^/^f' I ' ^ Altair B. Geniiddciile uilkonislcu der tijdsbepalingen. •~-« CS CU ,ti 2 •4 6 4 69' 73 W G4 60 W 5 . 5 64 W 56 5 3 55 W 65 5 5 7 3 48 W 49 W 35 57 W 4 3 65 58 W Correctie chrono- meter. + 1"'58',66 ,67 ,60 ,16 +2 0,83 ,95 +2 3,99 ,97 +2 16,39 ,30 ,39 ,25 + 2 27,34 ,'2« Tijd op Dent 2231. Correctie chronom. Gang por uur. Oct. Nov. 28 29 30 1 21"20™,0 21 27 ,0 21 36 ,0 22 25 ,0 _0™12^99 -O 1 ,90 + 09 ,.58 + 32 ,28 + 0^460 + 0,475 + 0,465 1858 Tijd op Dent 2231. Correctie Dent 2230. Oct. 28 29 ,) 30 Nov. 1 « 2 O" 40">, l O 33 ,9 38 ,1 1 22 ,6 22 52 ,3 + 1"»58' ,52 + 2 ,89 + 2 3 ,98 + 2 16 ,.33 + 2 27 ,31 G mg per uur. + OM 00 + 0,128 ^• 0,253 + ,24 1 104 VERSLAG VAN DEN HOOF D-I N G EN I E U K C. Vergelijking der Chronometers door seinen met den e. ra. Iclcgraaf. Dent 2231. Seinen van Dent 2231 — Dent 2230. 1858 Jliddens van Aantal Algemeen Aantal elke reeks. verg. Midden. verg. , Weltevreden. 14"21°' 21',05 10 20''1.>13» < 1 Cheribon. Weltevreden. Cheiibon. 21 ,21 20,96 21,18 11 IS 14" 21-» 21M0 41 Oct. 28 ( 1 t Weltevreden. Cheribon. 14 21 73,80 73,90 .; 23 3 11 < ( 1 Weltevreden. Cheribon. \ Weltevreden. 73,77 73,71 14 24 118,89 10 11 12 73 ,80 41 20 27 41 < ( Cheribon. Weltevreden. Cheribon. 118,89 118,78 119,02 11 9 11 • 14 24 118,90 43 « 29 { Weltevreden. 14 25 46,66 9 22 58 50 ' Cheribon. 1 Weltevreden. V Cheribon. 46,79 46,65 46,72 9 11 10 > 25 46,70 39 ^ Weltevreden. 14 28 90,27 10 1 22 22 12 1 1 Cheribon. [ Weltevreden. Cheribon. 90,32 90,10 90,24 11 11 11 > 14 28 90,23 43 r, 30 < Weltevreden. 14 29 27,33 10 23 19 52 Cheribon. Weltevreden. 27,61 27.37 11 9 > 29 27 ,48 41 Cheribon. Weltevreden, 27,61 14 36 60,40 U 10 1 20 41 8 Cheribon. , Weltevreden. 1 Cheribon. 66,49 G0,32 CO ,24 U 10 9 ) 14 36 60,37 40 Nov. 1 ' Weltevreden. 14 S6 117.30 12 1 23 38 4 1 Cheribon. 1 AVeltevreden. Cheribon. , Weltevreden. 117,49 117,49 117,61 14 40 47,51 11 10 9 11 "> 117,48 43 » 2 21 3 54 1 Cheribon. 1 Weltevreden. Cheribon. 47,80 47,49 47,74 11 10 n . 14 40 47,64 43 VAN DE G E O G R A P II I S C II E DIENST IN N. I. 10; D. Adeiding van liel leiiglcYcrscliil lusschcu Weltevreden en Clieribon, October 28 October 29 October 30 November 1 Tijdstip op Dent 2231 (a) CoiT. 2231 ten opz. van st. t. Welt. [b) Oirr 2230 ten opz. van M. t. Clier. (c) Dent 2231— Dent 2230 (c/) . . . Aanwijzing Dent 2230 = (a)—[d] . ]\Iidd. tijd Clieribon = (a) — (rf) + (c ]{ed. tot sterretijd iSterretijd middelb. middag Cheribon. Sterretijd te Clieribon ..... Sterretijd te Weltevreden (a) -f- (b) Lengteverschil Cheribon-Weltevreden. Waarsch. fout . . . 22".59"'30» — O 12,17 -1- 1 58.35 14 21 3G,32 8 37 53 ,G8 8 39 52,03 1 25,40 14 24 58,30 23 6 15,73 22 59 17,83 25" O'" Os — O 1,17 + 2 0,72 14 25 23,53 8 34 3G,47 8 36 37,19 1 24,86 14 28 54,85 23 6 56,90 22 59 58,83 G 57,90 + ,064 6 58,07 + ,085 25" 38'» 0^ + O 11,48 + 23 ,98 14 29 35,99 11 8 24,01 11 10 27,99 1 50,14 14 32 51,41 25 45 9,54 25 38 11,48 23''53"'30* + O 32,98 + 2 15, 9G 14 37 1 ,23 9 16 28,77 9 18 44.73 1 31,79 14 40 44,52 24 1 1,04 23 54 2,98 6 58,0G + ,085 Gemiddeld: C'"58',01 ± 0»,04 Zie verder de tekst bladz, 18. E- Tijd, dien de seinen noodig liaddcu om over te gaan- 27 October Ot,10 28 0,07 )ï )) 0,01 29 0,06 n » 0,05 30 0.05 » » 0,13 1 November 0,08 ?i » 0,00 2 0,14 C 58.06 + ,064 Gemiddeld 0,07 = 0*,035 16 106 VERSLAG VAN DEN II 00 F Ü-I N G E N I E U R F. Waarschijnlijke foiilcn. Uit de in de 2' en 3e bijlage opgogevene tijdsbepalingen en vergelijliingen der clironometers volgt: Waarscli. fout eoner tijdsbepaling van mij, met het Universaal-instiument van Repsold, daarvoor slechts ééne ster gebruikende + ()%0.')3, Waarsch. fout eener tijdsbepaling van den heer Jaeger, met liet Universaal-instrument van Pistor en Martins, daarvoor slechts éëae ster gebruikende i 0,11, Waarsch. fout eener vergelijking der chronometers, door 40 seinen met den e. m. telegraaf. ±0,01. Is dus het aantal der door mij gebruikte sterren n , 1) 1) I) » )i 1) den heer Jaeger " » 7j' , Is verder voor het gekozene tijdstip het verschil der chronometer-aanwijzingen bepaald met eene naauwkeurigheid, alsof het onmiddellijk door n" seinen bepaald was, (zie de noot op bladz. 7). dan is de waarschijnlijke font van het lengte verschil: 2 2 2 < O'.Oó.T OMl O'.Ol > De boven aangegevene waarschijnlijke fouten zijn volgens deze formule berekend. VAN DE GEOGKAPIIISCHE DIENST IN N. I. 107 VIERDE BIJLAGE. VERGËLIJKl^CI DER GËODESISCH GEVO^DEXE UËT DE STëRRëKUNDIG DEPAALDË BREEDTEN. üe heeien De Lange zijn bij de berekeningen hunner triangulaties uitgegaan van eene basis, met de ketting over een sawali-veld gemeten, (Verslag van de verrigtingen der geographische ingenieurs inde residentie Cheribon, biz. 7, in Let Natuurkundig tijdschrift, uitgegeven door de Natuurkundige Vereeiiiging, deel X). lieeds aanvankelijk werd de bepaling der poolshoogte van twee ver uit elkander liggende punten door den verslaggever, den heer G. A. de Lange, aangewezen als een middel om da naauwkeurigheid der basisraeting te beoordeelen, (t. a. p.) «en, zoo als blijkt uit de breedtebepaling )i van Indramayoe, vergeleken met die van Cheribon, is de gewensehte naauwkeurigheid bereikt." Alhoewel onder de toenmaals bepaalde poolshoogten die van Madjalingka eene afwijking van 9'',3 vertoonde met de door de driehoeken gevondene, eene afwijking, die den heer de Lange toen onver- klaarbaar voorkwam, steraden de twee overigen vrij goed overeen, eu de bepaling van het breedte- verschil tusschen het noordelijkste en zuidelijkste puut, waarvan de breedte sterrekundig bepaald was, Indrainayoe en Koeningan, verschilde slechts eene halve seconde van het geodesisch gevondene, terwijl dat breedteverscliil zelf 40 minuten bedroeg. In het jaar 1856 werden de triangulaties in de i'esidentie Banjoemaas voortgezet. Van vijf stations werd de breedte ook sterrekundig bepaald, nl. van Selok, Pliken, Midangan, Endrokilo en Patjar- loewong, en van de vier eersten was de sterrekundig bepaalde zuiderbreedte, derhalve het breedte- verschil met Cheribon, grooter , dan de door de triangulaties bepaalde. Hetzelfde verschijnsel deed zich het volgende jaar bij de triangulaties in de Residenties Baglen en Kadoe voor. De drie ex- pedities vormden een geheel, want bij de triangulatie in de residentie Banjoemaas werden de zijden Tjiaraies-yawal, Tjiaraies-Gegerbehas, en Tjiamies-Sitoegedeh uit de triangulatie van Cheribon ontleend, en evenzoo verschafte de triangulatie in Banjoemaas de zijde Langit-Bismo als basis, om bij de berekening van het driehoeknet in Baglen en Kadoe van uit te gaan. Ofschoon dus de toetsing der eerste di'iehoeken , (in de residentie Cheribon) door sterrekundige breedtebepalingen, de gemetene basis schenen te bevestigen, werd het hoe langer hoe waarschijnlijker, dat zij te klein was aangenomen, daar de breedteverschillen over het algemeen, sterrekundig bepaald, grooter uitvielen dan de geodesisch bepaalde. Eene fout in de oriëntering van het net, d. i. eene fout in het azimulh waarvan bij de berekening werd uitgegaan, kan natuurlijk ook invloed op de berekende breedten der stations hebben, doch de veelvuldige azimuthbepalingen, door den heer G. A. de Lan sH II 16 48 58,10 295 (41) II 9 Sept. 3e II II ^ II II II 10 II 3» II ff ({> Aquarii 296 (42) n 22 Juny 4e If II V Capricorui II II II 23 II 4e II II V Capricorui 297 (43) If 22 July 4e II u i Aquarii II II II 17 Aug. 7e II II 55,03 If H If 23 II 5 ea 7^ ff 2 10 7,06 298 (44) n 14 dec. 4e kolom ff B. A. C. 1381 II II II 17 II // II ff i t 299 (45) II 20 Juny 6e II ff 53,74 It II II II II 7e II If 6,57 II II II II 8e If ff 8,03 H II II II If 9e II ff 10,35 300 (46) H 18 V. b. ff V Librae K II H 5 V. 0. n 0,8183 Sec ^ lees t = / X Sin Z' 3600 Sin 'L ' 3600- A 7,342 15,80 45,80 beweaten 5113 20,4 + 6,23 -I- 6,25 + 6,27 + 6,28 56 24,40,6 - 4° 12' 0",7 4565 = m Virgiuis + 5,48 + 5,58 9"1°'57»,18 — O 4 35,79 16 48 58,13 Aquarii y Capricorni ^ Capricorui ' Aquarii. 50,08 15616,18 tfS Tauri / // 58,82 11,66 8,26 10,85 7 Librae 0,0813 Sec 5 VAN DE G E O G R A P II I S C II E DIENST IN N. I. ] J 1 de 1111. de Lange was -waargenomen. Ik schreef de, voorde fouten van nnrwerk en meridiaancirkel herleide tijden van waarneming af, uit de kolom die tot hoofd heeft : Apparent Jl. A.from the Observation, doch teekende tevens de gebruikte » Correctlon for semidiameler" aan. De heer de Lange heeft in zijn verslag opgegeven de ©* 11. O. hij den doorgang des rands, terwijl in de Greenwich Ohservations opgegeven wordt de C"* ü. O. hij den doorgang van het middelpunt. De laatste is gemakkelijk tot de eerste te herleiden, door middel van de Correctlon for semidiameter , d. i. de bij de herleiding gebruikte Avaarde voor den tijd, dien de straal der maan noodig heeft, om door den meridiaan te gaan. Deze aftrekkende of bijtellende , (Rand I en II), verkrijgt men de R. O. des rands, tijdens den doorgang van dien rand, en deze kan door bijvoeging of vermindering met herleid worden tot de R. Opkl. van het middelpunt op hetzelfde tijdstip. Of ook, van cos §■ de in de Greenwich Ohservations opgegevene Apparent Ji. A. of Center from the Observation trekt men af, — of telt er bij op — de verandering der maans R. Opkl. in den tijd, genaamd: tt Correction for semidiameter, naar gelang het eene waarneming van den eersten of tweeden rand is. Alsdan is er nog eene onregelmatigheid overgebleven, doordien in 1851 en 1852 te Greenwich de maans halve middellijn uit den Nautical Almanac gebruikt is, vermeerderd met Vioo + 'Aoüo van hare waarde, in 1853 zonder correctie, en in 1854 weder met eene andere correctie aangedaan. Daar de HH. de Lange steeds de waarde der maans halve middellyn uit den Nautical Almanac ontleenden, heb ik nu de door hen opgegevene Regte Opklimmingen eene overeenkomstige correctie doen ondergaan . en de op^ gaven uit de Greenwich Ohservations tot het tijdpunt van den doorgang des rands herleid. De afleiding van het lengteverschil kon nu plaats hebben, volgens dezelfde rekenmethode als in liet verslag van den heer S. H. de Lange gevolgd was. Ik heb de berekening van de tweede en zesde kolom (Middelbare tijd te Greenwich bij ^ I of 1 1 doorgang te Batavia, en R. O.C lij den rands doorgang te Batavia, berekend uit den Almanak] van de tabel op blad«. 292-294, (38-40) herhaald, waardoor ik in staat gesteld was eenige kleine onnaauwkeurigheden te verbeteren. Vooreerst zijn al de getallen in de tweede kolom 0'',03 te groot, hetgeen mij bleek ontstaan te zijn, doordien de sterretijd op middelbaren middag te Eatavia berekend was door de Sidereal time at mean noon te Greenwich, van den Nautical Almanac, te verminderen met l'"10^26 in plaats van met 1"'10«,23, zoo als behoort, aangezien de aangenomene lenjjte van Batavia 7"7"'30' was, en de herleiding van 7"7'"30* middelbaren tijd tot sterretijd 1™10',23 bedraagt. Deze kleine onnaauwkeuriglieid heeft geenen merkbaren invloed op de uilkomst. Overigens vond ik geen verschil in de 2" kolom, als op blz. 292 (38), waarvoor den .S''»" October 1851, in plaats van 0"4>"35^79 staan moet -0"4'»35',79 of wel 2 Oct. 2-3"55'"24%21. In de zesde kolom bleken eenige kleine fouten bij het interpoleren begaan te zijn, nl.: blz. 292 (38) 1853 Mei 23 staat 11 11 11 II 11 2G II 11 293 (39) » Juny 19 » 11 294 (40) » Sept. 23 » 11 II 11 » Oct. 11 II De achtste en tiende kolom betiooren natuurlijk overeenkomstige verbeteringen te ondergaan. Ook de berekeningen der tijdsbepalingen in de dagboeken der H. II. de Lange heb ik nagezien en bevonden, dat die over het algemeen met zorgvuldigheid geschied waren. Ik vond echter eene kleine fout in de tijdsbepaling van 11 September 1851, waardoor in de onderdeden der seconden, l€"4S"'58MO lees 58M3 20 9 57,95 11 58 ,02 16 14 32,31 11 32,21 4 50 40,84 11 40,74 40,85 II 40,75 21 3 40.08 II 40,28 40,10 II 40,30 112 VERSLAG VAN DEN HOOFD-INGENIEUR 11 Sept. 33 Piscium 23"57'"44^8t © II 11 17,38 20 Ceti 45 25,91 e Piscium 1 43,89 voor de opgave betrekkelijk Je sterren, eenige verandering kwam. Deze opgave, op blz. 295 (41) voorkomende, moet zijn: Ik ziil nu de waarden opgeven, die ik voor de lengte van Batavia gevonden lieb. Bij de bere- kening der gewigten zijn wel het aantal vergelijkingsterren in aanmerking genomen, wier culmina- ties op beide plaatsen waargenomen zijn, maar niet het aantal draden, waaraan iedere doorgang is waargenomen. De uitdrukking voor deze gewigten is : 1 n 1 T ?! + i ^ "r^' als n het aantal vergelijkingsterren en F de factor beteekent, (bij de Lange blz. 265 (11 R'-R / waarmede de verschillen in regte opklimming vermenigvuldigd moeten worden , om het verschil in lengte te verkrijgen. Als eenheid van gewrgt is daarbij aangenomen het gewigt van de waarnemino' van deu doorgang eener ster of der maan door den meridiaan. Ik moet eindelijk nog mededeelen dat de door mij hieronder op te gevene lengte geldt voor den tijdklep in de stad, de waarnemingplaatsen van de H.H. de Lange in 1851 en 1853 — 1854 waren beiden in den zoogenaamden Gang Chaulan gelegen, gene op het erf van no. 22, deze op het erf van no. 8. Beiden lagen oostelijker dan de tijdklep, en wel gene P,l, deze 2^0. liKKGTE VJiNT BATAVIA nGOOSTKM «RKEWWICH, APOKIjKID VIT CORHKSPOlVDKRUWnw: fVAAniVKniIWOKIir UEK mAAW KX TAW niAAMSXKRREIV. I. Bepalingen, verkregen door den eersten ülaansrand. a. Door vergelijking met Greenwich, S. H. G. A. y-i (S. H. + G. A) Lengte. Gewigt. Lengte Gewigt. Lengte Gewigt. 1851 Sept. 9 11 Oct. 4 11 11 8 1853 Juny 16 I. 11 17 1) July 17 » Aug. 17 Il II 18 1854 April 6 11 11 10 7"7'»35',0 21,1 31 ,7 30,9 10,3 20,9 0,00040 43 38 35 52 75 7u7ml7s_0 27,1 23,4 24,2 28,3 29.1 31,8 0,00035 52 55 46 40 35 40 7" 7"'35^0 24,1 31,7 24.0 18,6 22,2 24,2 28,3 29,1 31 ,8 0,00040 43 88 47 69 89 " 46 40 35 40 7 7 25,8 0,00487 VAN DE GEOGRAPHISCHE DIENST IN N. I. b. door vcrgeJijkimj met Oxford. 113 S. H. G. A. Va (S. H. + G. A.) Lengte Gewigt. Lengte Gewigt. Lengte Gewigt. 1853 Mei 20 11 Juny 16 -1 Aug. 18 7 7 31,5 0,00035 7 7 5,8 23,5 - 4,5 0,00052 35 53 7 7 5,8 27,5 — 4.5 0,00052 47 50 7 7 8,9 0,00152 c. door veryelijkintj met Camhridcje. 1851 Sept. 9 1. Oct. 7 7 7 36,1 32.5 35,0 0,00036 41 38 .... .... 7 7 36,1 32,5 35,0 0,00036 41 38 7 7 34,5 ■0,00115 d. door vercjelijking met Kremsmunster. 1853 Mei 20 11 Juny 16 1853 April 6 1. 1. 10 7 7 23 ,4 0,00060 7 8,5 0,00052 20,0 60 23,2 35 18,8 45 7 7 8,5 21,7 29,2 18.8 0,00052 80 35 45 7 7 19,1 0,00212 e. door vergelijkimj met Hamburg. 1853 ]\Iei 20 1) Juny 17 .1 )i 19 8,4 0,00052 59 7"7'"22^4 32,3 0,00059 82 15,4 32,3 7 7 19,9 f. door vergelijking met Olmutz. 1854 April 6 11 11 10 7 7 19.0 17,9 0,00036 49 0,00052 79 82 0,00213 7 7 19 .0 17,9 0,00036 49 7 7 18,4 9.00085 17 114 VERSLAG VAN DEN H OOFD -INGENIEUR (j. door vergelijkincj met Cracau. S H. G. A. Va S. H. + G. A. Lengte Gewigt. Lengte Gewigt. Lengte Gewigt. 1853 Mei 20 » Juny 17 .. July 16 1854 April 6 >. .) 10 7 7 11,8 25,5 36,5 0,00052 39 46 7 7 41 ,4 32,9 18,4 10,6 0,00039 46 35 dó 7 7 11 .8 33 ,5 34,7 18,4 10.6 7 7 22 ,8 0,00052 52 61 35 45 0,00245 II. Cepalingcn, verkregen door den Tweeden Ulaansraiid. a. Door vergelijkincj met Greenwich. 1851 Sept. 10 » n 11 » )> 13 18.53 Mei 23 !) Juny 21 )ï ï) 23 Aufj. 23 » 24 Sept. 18 » 20 )ï 21 » » 23 7"7'"19^5 0,00039 38,7 25 16,0 40 12,6 73 7,1 76 15,1 61 * 19,6 27 16,4 40 17,6 27 13,7 29 15,3 33 7"7™lls,4 13,5 29,1 17,6 12,2 17,9 12,8 0,00073 76 35 40 27 29 33 7''7"'19^5 0,00039 38,7 25 16,0 40 12,0 97 10,3 101 15,1 61 29,1 35 19,6 27 17,0 53 14,9 36 15,8 39 14,1 44 7 7 16,2 0,00597 b. door verfjelijking met Oxford. 1853 Juny 21 7 7 3, 9 0,00085 7 7 11,2 0,00085 7 7 7,6 0,00113 7 7 7,6 0,00113 c. door vergelijking niet Cambridge. 51 Sept. 10 II » 11 » » 12 7 7 17,5 17,6 9,1 0,00026 25 34 7 7 17,5 17,6 9,1 0,00026 25 34 7 7 14,2 0,00085 VAN DE GEOGRAPHISCHE DIENST IN N. I. 115 \\\. Zanienvoeging der bepalingen, \erkregen door beide Maansranden. o. door vcrf/elij kinfj met Greenioich. Eerste rand. Tweede rand. Gemiddeld. 7"7"'25%8 16,2 Gewigt Eerste rand. Tweede rand. Gemiddeld. 7 7 21,0 b. door vergelij kinij met Oxford. Gewigt 0,00487 0,00597 0,01073 7 7 8 ,9 7 .6 7 7 8 ,3 0,001.02 0,00113 0,00259 c. door vergelijking m,ct Cnmhridge. JCerste rand. Tweede rand. Gemiddeld. AIjremeen midden Waarschijnlijke fout Gewigt 0,00115 >i 0,00085 .) 0,00196 7u7ral9^3 Gewigt 0,01528 ± 0,73 . 116 VERSLAG VAN DE N HOOFD-INGE NIE UR KiKürCSTK VAUT BATAVIA BEOOSTEW ORERIV^VICH , AE'r'EIiKIU VIT IVAAItOKAOMKIVE IHAANSCVI^mKATIES, MET iJS ACHT IVKMim'C} TAIV DK inuVTKM UKR 91 AAWSTAr UEiS , ZOU AliS XIJ UIT »E OnKKIKIVICH UBSERVATIOWS AFOEIiKI» KJIV. I Bepalingen, verkregen door den eersten Naansrand. 1851 Sept. Oct. 8 9 3 !) 1) 4 n Ji 7 )» » 8 ,> „ y 1853 Mei 20 !> Juuy IG » >. 17 ï) M 18 » » 19 ,, ,, 20 i> July 15 » II 16 » » 17 I) Aiig. 15^ .. » 17* )> i> 18 .) Oct. 1 1 » II 13 .. Uec. 14 1854 April 6 ,. 1. 10 )i II 12 S. H. Lengte 7"7'"26',8 24,6 36,5 22 ,5' 22,2 32,9 27,0 18,2 26,4 7,8 30,9 21 ,5 30,0 26,5 15,6 24,9 14,4 Gewigt. 0,00048 41 40 50 48 40 38 38 50 59 77 79 56 70 72 61 46 G. A. Lengte 7" 7'" 7»,2 15,7 21,5 24,6 25^ 14,0 25.9 25,6 19.6 14,9 23,2 25,2 11,6 18,6 7,1 24,4 9,9 19,9 Gewiüft. 0,00055 50 59 77 79 87 56 70 61 74 65 60 61 49 50 50 V45 48 Va (S. H. + G. A.) Leiii'te 7"7">2G»,8 24,6 36,5 22,5 2^,2 32,9 27.0 18,2 7,2 21,1 14,6 27,8 25,8 17,8 28,0 26.0 17,6 14,9 23 ,2 25,2 18,3 18,6 10,8 24,4 9,9 19,9 7 7 21,5 Gewist. 0,00048 41 40 50 48 40 38 38 55 67 79 103 79 113 75 93 92 74 65 60 81 49 65 50 45 48 0,01636 VAN DE GEOGUAPHISCHE DIENST IN N. I. 11. Bepalingen, verkregen door den tweeden Maansraud. 117 S. H. G. A, % (S. H. + G. A.) Lengte Gewigt. Lengte Gewigt. Lengte Gewigt. 1851 Sept. 10 7u7m20M 0,00038 . . . . ' 7u7m20s,l 0,00038 " » 11 18.1 37 18,1 37 .. 12 13,3 39 13,3 39 " 13 30,1 40 30,1 40 1. Oct. 11 13,1 42 13,1 42 12 17,3 45 17,3 45 '. .. 13 20,7 49 20,7 49 1853 Mei 23 12,9 77 7">11S7 0,00077 12,3 103 )) .. 26 • • * • ■ • > > 10, ï . 75 10,5 75 " Juny 21 9,5 80 . 17,1 85 13,3 112 >i 22 19,8 75 15, è i 80 17,8 105 )i 11 23 12,9 65 , , , • i • • 12,9 65 21 15,1 59 16 ,ï 59 16,0 79 » July 22 13,4 57 8,6 ! 55 11,1 75 >' Aug. 21 . .... n,i > 43 11,5 43 „ ., 22 16,3 41 16,3 41 II 1. 23 . . • • • • • ■ 26,5 ! 41 26,2 41 I. » 24 17,5 38 « » • • ■ > • 17,5 38 ). Sept. 18 14,9 40 14 ,ï ) 40 14,9 53 ). » 19 17,0 40 7:> I 40 12,4 53 11 » 20 17,7 41 15, E ) 41 16,6 55 ') " 21 8.7 42 6,' r 42 ^,4 56 I. .1 23 3,8 49 1,{ 5 49 2,8 65 V Oct. 22 7,0 55 9,. 3 53 6,3 73 " Dec. 15 5,0 52 7,( ; 54 6,3 71 1854 April 16 • • • « 9.' r 72 9,7 72 7 7 13,6 0,01565 III. Resultaat, verkregen door beide Maansranden. Eerste rand . 7"7™21«,5 Gewigt 0,01636 Tweede rand ......... 13,6 // 0,01565 Gemiddeld 7 7 17 ,5 » 0,03199 Waarschijnlijke fout ±0 ,55 18 118 VERSLAG VAN DEN HOOFD-INGENIEUR liEWOTR VAW BATAVIA REOOSTEK GREEVUrfCH, AFCEV^Ein VIT WAAR- m'KSIIWOKN VAM CEL.IJK.K HOOGTEN UER IHAAIV KW KKMKR STER. I. Bepalingen, verkregen door den eersten Dlaansrand- S. H. G. A. Va (S. H. + G. A.) Gewigt. 1851 Ans. Sept. Oct. !I II Aug. » II Oct. II )i II 1854 Jan. 4 30 31 6 30 1853 Juny 16 II II 17 18 19 9 10 16 I) 17 18 II 9 11- II 13 4 7"7'"23s5 35,6 39,6 36,1 34,4 26,4 34,0 28,4 30,3 25,6 '22*,8 15,6 15,0 5,4 *17',2' 18,0 23,3 23,3 20,9 24,5 19,2 23,0 14,2 27,7 21,2 7u7m23s,7 26,7 35,7 10,1 11,6 6,6 14 .4 17,8 19,5 18,7 81,4 25,9 7u7r '23S5 35,1 39,6 36,1 34,4 26,4 34,0 28,4 30,3 24,7 26,7 29,3 12,9 13,3 6,0 14,4 17,2 18,0 23,3 23,3 20,9 24,5 18,5 21,3 16,5 29,6 23,5 7 7 23,6 Vs Vs V3 Va Vï Vs Vs 30 Vs VAN DE GEOGRAPHISCHE DIENST IN N. I. 11. Bepalingen, verkregen door den tweeden Haansrand. 119 S. H. G. A. V2(S.H. + G.A.) Gewigt. 1851 Ausr. 13 1853 Juny 23 .. " 24 » Aug. » Sep. 21 17 11 Oct. » Dec. 18 19 17 26 19 » 7"7'"16S6 18,1 10 4 8,7 3,3 12,4 11,6 16,3 6,3 3,6 0,6 7''7'"10s9 9,6 7''7'»16S6 18,1 10,9 9,6 10,4 8,7 3,3 12,4 11,6 16,3 6,3 3,6 0,6 7 7 9,9 13 III. Resultaat, verkregen door beide Haansranden. Eerste rand . 7''7«»23^6 Gewigt SOi Tweede rand 9,9 // 13 Gemiddeld ........... 7 7 16 ,8 » 36,4 Waarschijnlijke fout ......... ±0 ,87 120 VERSLAG VAN DEN HOOFD-INGENIE U K liRWRTE VAX nJkTAVtA DKOOSTKV «RGKXVVICII, ArCKIiElU UIT »K ^VAAniVKmWC,} t A:ii SVKnKI<:BKUKH.H.IIVf.il<:!V. tb 1 = Verschil Afstand van de Waarnemer. Datum. Naam der bedekte ster.. .1 3 'S 1 1 0. Lengte ïijdklep. Gewigt. van het waarschijn- lijkste midden. ster tot den maausrand, bere- kend met de gevondene lengte. de liauge. 1851 April 17 5' Librae. I L 7>'7°>12«,6 0,342 + 0s3 — O^l Smits. // II 21 ^ Sagittarü. U D 13,2 0,251 + 0,9 + 0,4 de Lange. II July 11 P" Sagittarü. I ü 18,3 0,085 -^ 6.0 — 1 .f. // II Sept. 1 f Ijibrae. I ü 11,0 0,111 - 1,3 -»- ,4 // n Oot. 1 14 Sagittarü. I ü 14,0 0,276 + 1,7 — 0,9 if // l)ec. 28 ^i/' Aquarii. I ü 15,8 0,155 + 3,5 — 1,4. II II II II V^' Aquarii. I ü 11,8 0,115 — 0,5 -t- ü,a u 1853 Mei 12 f Geminorum. 1 D 10,7 0,245 - 1,6 -f 0,8 It 1854 April 1 13 Tauri. I D 14,1 0,191 + 1,8 — 0,8 Üiulemaus. 1858 Mei 29 B.A. C. 6127. I L 9,5 0,209 — 2,8 -1-1,2 // // II II II II II II u 1) 12,8 0,179 4- 0,5 + 0.2 // II Juny 23 B. A. C. 5347. I B 2 '5 0,243 - 2.8 + 1,4 ft // II II // // // * u L 17,2 0,186 -t- *,9 + 1,7 II II Sept. 19 30 Capricorni. I D + 2,6 II » II 27 f Tauri. I L "l2",9 b,348' +' 'ó,V — 0,4 II II II II // V D 12,9 0,260 — 0,3 — 0.1 // II II II Cp Tauri. I L 11,4 0,354 — 0,9 + 0,5 II II II 28 ' ^ Tauri. ^ Virginis. I L > > • — 2,5 II II Deo. 27 u B ■ " ■ 9'.2 0,298 -'ï',7 - 1,7 Resultaat. 7u7mi2s,3 Gewigt 3,28 Waarschijnlijke fout ± 0,39 ZAMENVOECING DER RESULTATEN. Lengte van Batavia beoosten Green wich Waarsch. fout Door maansculminaties 7"7'°17s,5 ± 0^5,55 Door waarnemingen van gelijke hoogten der maan en eener ster 16 ,8 ± O ,87 Door sterrebedekkingen 12,3 ±0,39 Eindresultaat (zie § Vi), ï"»'"13%5 ± O ,38 VAN DE GEOGRAPHISCHE DIENST IN N. I. 121 ZESDE BIJLAGE. BEPALING VAN DE HALVE NIDDELLIJN DER MAAN IIT VROEGERE WAARNEfUmGEN, m EUROPA GEDAAN. Tot controle der uitkomst, welke dein den tekst behandelde sterrebedekkingen hebben opweleverd voor de correctie van de getalwaarde der maans halve middellijn , zoo als de maanstafels van Hansen die gaven , heb ik alles bij elkander gezocht , wat ik , betreffende bepalingen der maans halve middel- lijn uit sterrebedekkingen, totale en ringvormige zoneclipsen, en heliometermetingen , in de mij ten dienste staande bronnen heb kunnen vinden. De bijzonderheden van dit vrij langwijlig onderzoek.dat zijne eigenaardige bezwaren heeft gehad, r.al ik bij eene andere gelegenheid bekend maken (a) , hier zouden zij te veel ruimte innemen en minder op hare plaats zijn. Ik zal nogtans hier kortelijk de resultaten van dat onderzoek mededeelen, waaruit blijken zal, dat de vermindering van de waarde van den maansstraal door de vroegere M'aarnemingen , in Europa gedaan, bevestigd wordt. coHRKCrie UER TnAAmH nAiiVK mit»er.iiijiw waah hamsem, afgeceiu VIT VROECKUe ^VAARMKinlMCiUnr IM KUHOPA OKOAAIV. A. Eit sterrebedekkingen. 1. 15edekking der Pleiaden door de maan, 29 Augustus 1820, ingangen van 4 en uit- gangen van 6 sterren, waargenomen te Königsberg en berekend door Rosenberger (è). — 0',86 2. Bedekking van ö' Tauri, 28 Maart 1830, in- en uitgang, waargenomen te Leiden, Dorpat en Mannheim, berekend door den heer Kaiser (c) ; . ; . . — O ,49 3. Bedekking van x Tauri, 10 February 1832, in en uitgang , waargenomen te Mann- heim, Cambridge, Aberdeen en Greenwich, berekend door den heer Kaiser (c) . . . — 1 ,11 4. Bedekking der Pleiaden, 10 Augustus 1841; twee en vijftig in- en uitgangen , berekend door den heer Le Jeune, {d) — 1 ,11 Gemiddeld uit Sterrebedekkingen . . . . ; — O ,89 B. Uit totale zoneclipsen. 1. Van 7 July 1842. Uit waarnemingen op 12 verschillende plaatsen, op \ f van welke de eclips totaal was, bereker" "" ^' " < > ^.r ,.^ Dezelfde eclips, berekend door Carlini (/) vijf van welke de eclips totaal was, berekend door Olufsen ie) — 3'',50/ — 2',80 '" ■" " ............ 2,09^ (a) Hetgeen bij het afdrukken dezer, (Augustus 1860,) reeds geschied is in het 1« Stuk van het X Deel der Verslagen en Mededeelingen der K, Akademie van Wetenschappen te Amsterdam, Afdeeling Natuurkunde. (é) Königsberger Beobaehtungen , IX Abtheilung, p. V. (c) Memoirs of the Royal Astronomical Society, vol X. (rf) Dissertatio astronomica inauguralis , Lugd. Bat. MDCCCXLV. (e) Astronomische Nachrichten XXII, blz. 217- (/) Carlinis verhandeling is te vinden in het Giornale dell' Instituto Lombardo, vol IV, dat mij niet ten dienste staat. Zijn resultaat is aangehaald in het berigt van Santini over de eclips van S8 July 1831. 19 132 VEIiSLAG, VAN DEN H O OFD-I NGENIE UB 2. Van 28 July 1851. Uit waarnemingen op een tiental plaatsen, waarvan \ alleen te Königsberg de eclips totaal was, naar de berekening van Santini (a). — 2",2ai Uit de door Santini aangehaalde verKelijkinn;eQ , die de waarneminsron te Danzi" ! opleverden . . . , . . '. . ... . . . . . . . ....'.'.— 2 ,30/ — ^ '''^ Uit het onderzoek van Wichraann, die bij zijne- berekening ook de metingen 1 van de afstanden der spitsen opnam — 2 ,34/ Gemiddeld uit totale zoneclipsen . — 2 ,55 C, Uit ringvormige zoneclipsen. 1. Van 7 September 1820. Het volledigste onderzoek, mij omtrent deze eclips bekeiid, is van Wurm, die 172 waarnemingen, op 79 verschillende plaatsen verkregen, behandel- de (b). Uit zijn resultaat leid ik af . . . ; — 2",fi3 2. Van 15 Mei 1836. Uit Kümkers voorloopige berekeningen (c) betreffende d?.ze eclips . vind ik. — 1 ,6t Gemiddeld uit ringvormige zoneclipsen: — 2 ,14: D. l'it heliometermelingen. 1. Van BeSsel, kort voor de totale maaneclips van 2 September 1830 (6 middellijnen) {3). — 1',42 2. Van Bessel, kort voor de totale maaneclips van 26 December 1833 (6 middellijnen) (rf). — 1 ,05 3. Van Wichmann bij volle maan 8 July 1846 (36 middellijnen) (e) — 1 ,40 Gemiddeld uit heliometermetingen : . — 1 ,29 Dat de zoneclipsen in het algemeen eene kleinere waarde voor den straal der maan zullen aan- geven dan de sterrebedekkingen en heliometermetingen, hiervoor bestaan gegronde redenen. Het zfil na het meeste geraden zijn, de gevondene vier correcties te splitsen, en als resultaat aan te nemen : Correctie der maans Iialve middeiiijn uit llansen's Tables de Ia Lune: Ter berekening van sterrebedekkingen (uit A en D) -g» OO » I) zoneclipsen .... (uit B en C) . . ; ~ 2 «iS En hieruit verder: Middelbare straal der maan ; = 0,27264 straal des Aard-equators Kleinste straal der maan, overeenstemmende met de dalen op hare oppervlakte . . ♦ = 0,27227 » » » (o) Astronomische Nachrichten XXXIV, biz. 109. (i) Berliner Astronomisches Jahrbuch 1825 blz. 89. (o) Astronomische Nachrichten XIV biz. 97. (rf) » ' XI . 411. (r) . ' XXIX » 1. VAN DE GEOGRAPHISCHE DIENST IN N. I. X23 ZEVENDE BIJLAGE. BEPALING \AK DE PERIODIEKE 0¥.EIJKIIEI)EN DER IIIKROMETERSCIIROEYEN \AN DE MIKROSKOPEN, AAN IIET lNI\ERSAALIi\STRllIEi\T lAN REl'SOLD. De wijze, -waarop het onderzoek werd Jngerigt, is reeds in den tekst beschreven. Onderstaande tabellen bevatten de resultaten van het onderzoek. . ' Correcties Yoor de aflezingen der inikroskopen , wegens de periodieke ongelijkheden der mikronieterscliroeven. Graden op den schroef- kop. 6 Gcwigi. S ; Alikroskoop I. Mikroakoofx il. Mikroskoop III. Mikroskoop IV. Afleiing. Fe)). 7 Feb. Gemid- deld. . n 6 Feb. 7 Feb. Gemid- deld. . » 5 FeK 8. Feb. 9 Feb. Gemitl- dcld. n 6 Feb. 8 Feb. Gemid- deld, n 0" 120 150 200 240 300 360 400 450 480 72 90 120 144 180 216 249 270 288 2,5 2,67 3 1,67 C 1,67 3 2,67 2,5 0",0 -4,8 - 3 ,6 - 3 ,8 - 3 ,8 -2 ,0 ■f ,8 -1^ + ,4 0",0- -4,5 — 2 ,1 — 3 ,3 — 4,8 — 2,0 — ,6 + 1.7 + 1.5 + 0.1 0",0 -4 ,7 -2,8 - 3 .0 -4 ,3 - 2- ,o' + 0,1 + 0.2 + 1.0 •»- ,9 0",0 - 2,0 -i .T -3 ,6 -0,5 -0,3 + ,4 - 3 ,4 + 0,1 -0,0 0".0 + 0,2 .-.0 ,9, - 1 ,0 - ,8 ,"o' - 1 ,0 - ,8 ^1,3 -1- ,8 o",o : — ,9 -1,3 -2 ,3 — « ,7 — 0,1 — ,3 — 2 ,1 + o' ,7 + 0,4 e",o +0 ,9 -2,9 + ifi + 2,8 + 5 ,7 + 4,9 + 6,7 0",0 -5 ,5 -4 ,9 -0 .7 —2 .6 + 1 ,5 -rï.O +3,3 + 4,1 + 4,3 0",0 -2 ,0 —2 ,7 + 1 ,0 + 2.7 + 3: .7 + 3 ,9 + 3 .6 0",0 - 2,2 - 3 ,9 - i ,7 + ,8 + 2,1 + 3 ,8 + 3,6 + 4,5 + 4.9 0",0 +3 ,5 + ,5 + 1 -1 +4,6 -t-1 .1 +3 ,8 + 2 ,9 -0 ,S + 1,5 0",0 -1 ,0 + 0.7 -f-0,7 + 1,5 +2,8 -0 ,5 + 0,3 +2.7 + ,8 0".0 + 1 ,3 + ,6 + 8 ,9 + 3,1 + 2 ,2 +1-7 + 1,6 + 1 ,0 +1 .1 Op te lossen vergelijkingen. ' ein) ,' x + (1- cos 6). y := n (gewigt = jr) De methode der kleinste kwadraten geeft tot eindvergelijkingen : 2 (g sin ^ i]. x + 'S. (g sin 6 (1— cos ^ ) ). y = S (^ sin Q. n], 2 [g sin Q jl— cos (3) ).x + 2 (g ^l— cos ())' ). y = "L (g (1- cos 6) n), door 2 ( ) het gewone summatieteeken verstaande, (zie G. J. Verdam, Verhandeling over de Me- thode der kleinste quadraten , Groningen 1850). Door de symmetrieke verdeeling der ^s aan beide zijden van het nulpunt is .2 (^ sin O (\— cosö) j = O ■waardoor de vergelijkingen eenvoudig worden: 2 (g sin ^ é). X = 2 (j sin (j. n), . 2 (ó'(l— cos 0)2 ). ?/ = £ (^(1— cos i5)n),' zijnde 2 [g sin 2 ^) = 15,52 en 2 [g (1— cos 6f ) = 56,12. De verschillende gewigten heb ik op de volgende wijze bepaald. Tot eenheid werd aangenomen het gewigt van de bepaling van ëe'nen afstand door vijf waarnemingen ; stel nu dat voor zekeren afstand, nagenoeg gelijk aan een n« gedeelte van 600', volgens de methode, in den tekst beschreven, achter eenvolgena gevonden is; 124 VP]RSLAG VAN DEN H OOF D - I N G E N 1 E U R a", fc", c', enz. »", y", 2", dan is de waarschijnlijke waarde van dezen afstand, vrij van de periodieke fouten der mikrometerscliroef, X = — (a+b + c + ...+x + y^z). 600' De correctie voor de aflezing wordt nu n n-l 1,1 1 1 X — a =z — ■ a ■] b 4 c 4- . . . •{ w-4 z, n n n n u ■, n . „ 600' de correctie voor de aflezing 2 x : ?j w-2 «-2 2 2 2 2 x — (a + o) = o 0+ — CJ-....J. — y jL — 2, n n n n n de corrctie voor de aflezing 3 x : n - , , . n-3 n-3 a-3 3 3 3a; — (a+ü + c = a — ■ o c + . . . + — y i- — z-, H n n nu enz. enz. en eindelijk: w-1 de correctie voor de aflezing — x 600': n , ,s , 1, . 1 1 ^ 1 1 «-1 (n-l) X — [a + b + C+ ... + y) = — — a b c— ... y -i z. n n n n n Is dus de waarschijnlijke fout van elk der grootheden a, b, c, d, . . . . y, z z=. tv, Dan is waarschijnlijke fout van de correctie voor de aflezing; 600" ... wJ/, n evenzoo voor de aflezing: <,/'J-2\2 / \/2\2) 2 «-4 i(^)^(i)%(i)'--(^)'h -r=ï'^H (D'H» - ^ 600" Ki'^-A^ / „\/2\2) 2/. -^ X - - ^ Hir) -^ H(t) i="' ^ - o 600" Lln-S\^ / „\/3\2? 3»J ( ,^ 600" W ,\/i\^ / "-M^^ . "-' 9 -1 600" / \ 600" en [n-l] n \ I n t \ 60C Derhalve, daar de gewigten omgekeerd evenredig zijn aan de tweede magten der waarschijnlijke fouten, het gewigt van de bepaling der correctie voor de aflezing n «^ 600 / \ 600" « 2 x en ln-2] . • - — - n \ / 71 2 ra-4: 600 / \ 600' n 3 X — en in-3] — ;..;... n \ I n 3 «-9 enz. enz. Door deze formules, die voor al dergelijke gevallen gelden, vindt men, n achtereenvolgen.^ = 2, :-: eu 5 stellende, de gewigten, zoo als zij in den tekst en in de 3"^ kolom der tabel op de vorige biz. . zijn opgegeven, VAN DE GEOGRAPHISCHE DIENST IN N. I. 125 Om de waarschijnlijke fouten van do te vindene waarden a; en ?/ te bepalen, heb ik eerst uit de oorspronkelijke aanteekeningen de waarschijnlijke fout afgeleid van de instellingen op het gaatje en op de verdeelingstreep. Zie hier de resultaten. WAAESCHIJNLIJKE FOUTES. Mikroskoop. eener instelling op van de bepaling van den afstand tusschen het gaatje en de streep het gaatje. de streep. door ééne aflezing. door vijf aflezingen. Horizontale Cirkel \ jj Vertikale Cirkel. Jjy ± 1",18 ± 1 ,35 ± 1 ,85 ± 1 ,50 ± 0",88 ± 0,99 ± 1 ,05 ± 1 ,28 ± 1',47 ± 1 ,67 ± 2 ,10 ± 1 ,97 i o^ef. + ,75 + ,9-1 + 0,90 De oplossing der vergelijkingen voor a; en ?/ gaf de volgende resultaten: Mikroskoop I x = - 2",40 (w. fout± 0'',17 ) 1» II » - ,60 ( » Il » ,19 ) n 111 » -3,58 (» !. 1) 0,24) l> IV » - ,24 ( » 1) !> ,23 ) y = - 1",13 { w. fout ± 0",09 » - ,48 { » .. » O ,10 » +0 ,26 ( » » » O ,13 1) +1 ,08 ( 1) » » O ,12 De halve amplitudo is = 1/ (x " + »/ ^) , en derhalve: bij Jlikroskoop I .... . 2",G5 met eene w, fout ± O^IG, n 11 . . .■ ; . O ,77 " >• » » » O ,16, u Hl 3,71 ). » » 1) » 0,23, I) IV 1 ,11 » » » » » O ,13. Daar de meting van eiken hoek, zoowel vertikaal als horizontaal, steeds geschiedt door twee instellingen, en het aftrekken der overeenkomstige aflezingen, zoo is het blijkbaar onverschillig ot men bij alle aflezingen een constant getal optelt. Bij het hieronder volgende tafeltje heb ik dus den constanten term in de halve amplitudo veranderd, waardoor de correctie steeds positief wordt. Het bevat dus de waarden, voor Mikroskoop I van 2",65 — 2'',40 sin $ + 1",13 cos $ , .. II » O ,77 — O ,60 sin ö + O ,48 cos ö , i> 111 !, 3 ,71 — 3 ,58 sin ö - O ,96 cos O , » IV » 1 ,11 — O ,24 sin (? - 1 ,08 cos 6 . 126 VERSLAG VAN DEN HOOF D-IN G EN IE UK Correctie van de aflezingen der miliroskopen wegens de periodieke ongelijkheden der mikronielerscliroeven. Aflezing. Mikroskoop I. " Mikroskoop II. Mikroskoop III. Mikroskoop IV. 0'' 30 60 + S".8 3 ,0 .2,2 ,, + 1",2 1 ,ö ,8 + 2",8 1 ,7 ,8 + c.o ,0 0,1 90 120 130 , . 1,4 0,7 ,3 ,6 0,4 0,2 0,3 0,0 0,1 0,3 .6 - -0,9 180 ■ 210 240 ,0 . ' ;i . . . ,3 O.t' 0,0. .0 ,0 . 0,5 . 1 ,4 , 2,4 1,2 1 ,6 1,8 270 300 330 ,8 ■ 1 ,5 2,3 ,. ,1 ,3 ,5 . 3,5 4,7 5,7 2,1 2,2 2,2 360 390 420 3,2 3,9 4,6 0,7 1,0 1 ,2 6,6 7,2- , 7,4 2 .1 I ,9 1 .7 450 480 510 5,1 5,3 5,3 1 ,4 1,5 .1,5 7,3 6,8 6,0 1,4 1,0 0,7 540 570 600 5,0 < 4,5 ,3,8 1,5 1 .4 1 r2 5,0 3,9. , . . 2,8 . 0.4 0,2 0,0 VAN DE GEOGRAPHISCHE DIENST IN N. I. 127 ACHTSTE BIJLAGE. Onderzoek naar de buiging der kijkers van de gebruikte universaal-instrumenlen. —7-^ I è= 15 (xo — Xw), sin ao/ Vindt men door eene ster in het Oosten de correctie des chronometers: x <,> en II 1) !i » Westen n » » n x^ Heeft de eerste ster een azimuth a„ en eenen zenlthsafstand z 01 I) tweede » n » a » » » » » z w, Noemt men de poolshoogte cp , Schrijft men verder het verschil van x„ en x „ aan buiging toe, Stelt men de buiging des kijkers in horizontalen stand b , en voor eenen zenlthsafstand z i sin ï, dan is: sin z „ sm ^ cos cp sin Uw cos Cp waarvoor bij onze waarnemingen met voldoende naauwkeurigheid gesteld kan worden: (sin «o + sin «„) h = \ó [x „ — x „] Is er meer dan eene ster waargenomen, dan beteekenen a; „ en a; w de arlthmetische middens der gevondene correcties en sin 2 o en sin « » de arlthmetische middens van de sinussen der zeniths- afstanden. Vindt men verder door eene ster in het Zuiden de zuiderbreedte ,.,.., ^ j, en n 1) 1) )i >i Noorden » » n. Is de gemiddelde zenlthsafstand in het Zuiden * . z ». 1) » » n Noorden z ,„ Schrijft men verder het verschil in

i breedtegraad, niet te overschrijden. Ook in Europa strekken zij zich niet noordelijker uit en zijn daar tot Spanje en Italië beperkt. In Azië is het niet anders gesteld en zelfs schijnt het, dat zij daar den 40" graad breedte niet bereiken vermits de noordelijkst be- kende vindplaats tot heden toe is Jedo, de hoofdplaats van Japan, in welker zoete wateren nog eene Aplocheilos leeft. In het zuidelijk halfrond is deze verhouding eenigzins anders. In Afrika schij- nen de Cyprinodontoïden weinig minder zuidelijk te gaan dan de Cyprinoïden , ver- mits eene -Hydrarg^ra van Quellimane in Mossambique vermeld is. In den In- dischen Archipel hebben de Cyprinodontoïden hare zuidelijke en oostelijke grens, evenzeer als de Cyprinoïden , in Borneo en Suraatra. Maar in de nieuwe wereld zijn de grenzen geheel anders getrokken. Terwijl de Cyprinoïden zuidelijk Mexiko niet overschrijden en de Antillen niet bereiken , en alzoo ver noordelijk van de evennachtslijn verwijderd blijven, gaande Cyprinodon- toïden door Centraal-Amerika en de Antillen naar Zuid-Amerika, om eerst hare beo;renzinor te vinden in Uraaruav en La Plata. Alhoewel van Noord-Amerika meer soorten bekend geworden zijn dan van Zuid-Amerika, laat zich verwachten, dat de zuidelijke helft der nieuwe wereld niet minder vormen voedt dan de noor- delijke. In allen gevalle bezit zij de merkwaardigste vormen, de Orestiasinen en Anablepinen. De oude wereld is , in verhouding tot de nieuwe , arm aan Cyprinodontoïden , vermits van Amerika thans reeds 3 maal meer soorten bekend zijn dan van ge- heel het oostelijk halfrond. Zoo lang men nog slechts eenige weinige soorten van Cyprinen kende, kon men zich vergenoegen met ze tot zeer enkele geslachten te brengen. Artedi nam slechts 3 geslachten van Cyprinen aan, Cyprinus, Cobitis en Ana- bleps, geslachten, welke aan de subfamiliën Cypriniformes en aan de familie der Cyprinodontoïden beantwoorden. Voortreffelijk werd zijn geslacht Cyprinus, naar de hem bekende soorten, gekenmerkt: door 3 kieuwstralen, in het midden zamen- gesnoerde zwemblaas, tandeloozen bek en // ossa duo in faucibus inferioribus ser- rata et dura pro dentibus, quibus superne unicum os ovale seu moUius respon- det." Cobitis is door Artedi naast Cyprinus gesteld, maar de verwantschap van Anableps met beide werd door hem niet opgemerkt. Linneus loste het geslacht Anableps in Cobitis op en bedierf het geslacht verder, door er ook in op te nemen eene Poecilia, alsmede Houttuyn's Cobitis japonica. Overigens plaatst Linneus Cobitis en Cyprinus in zijne afdeeling Abdominales zoo ver mogelijk van elkander, en wijzigde de diagnose van Cyprinus van Artedi zonder haar te verbeteren. In zijne // Historiae piscium naturalis promovendae missus quintus" (1749), on- derscheidde J. Th. Klein de geslachten Cyprinus , Brama , Mystus e« Leuciscus. Het eerste beperkte hij tot echte Cyprininen, waarbij hij echter ook eenige Poma- centroïden opnam. Brauia bevat er Abramis Cuv., Carassius Nilss., Tinca Cuv. en Scardinius Bp. Mjstus is er gelijkbeteekenend met Barbus Cuv., en Leuciscus omvat er de overige soorten van Leuciscus Cuv., doch tevens ook Alausa Cuv. Hij gaf al- zoo de gronddenkbeelden aan voor de splitsing van het Artedische geslacht Cjprinus, waarop eerst door Cuvier verder werd voortgebouwd. De hem bekende Gobitiformes bragt Klein onder zijn uiterst zamengesteld geslacht Enchelyopus. L. T. Gronovius, in zijn Museum ichthyologicum, uitgegeven in het jaar 1754, nam de door Artedi voorgestelde geslachten aan , Anableps evenwel van Cobitis en Cyprinus verwijderd plaatsende. Hij verdeelde de soorten van Cyprinus in die met, en in die zonder voeldraden. Later, in zijn Zoöphylacium (uitgegeven in 1763) plaatste hij Cobitis in zijne orde Branchiostegi en Cyprinus en Anableps, verwijderd van elkander, in zijne orde Branchiales. In het Systema ichthyologicum van Bloch en Schneider (1801) werden de Cvprinen met üet geslacht Poecilia verrijkt. Anableps staat er door de genera Notacanthus, Esox, Salmo, Clupea en nog andere, van Cobitis en Cyprinus verwijderden Amia neemt er rang tusschen Cyprinus en Poecilia. Lacepède ging in het vijfde deel (an XI) van zijne Histoire des Poissons reeds een weinig verderen beschreef 7 geslachten, Cobitis, Misgurnus, Anableps, Pundulus, Hydrargyra, Cyprinodon en Cyprinus. Met uitzondering van Misgurnus, welk ge- slacht geheel foutief bepaald was en later in Acanthopsis is opgelost, zijn deze ge- slachtsnamen , gedeeltelijk echter onder eene gewijzigde beteekenis , behouden gebleven. Lacepède kwam echter, evenmin als zijne voorgangers, op het denkbeeld, ze tot eene natuurlijke groep bijeen te brengen en plaatste ze zeer verspreid in zijn stelsel. De heer C. Duméril bragt de hem bekende Cvprinen, in het jaar 1806, het eerst onder bepaalde familiën ; — Cobitis, Misgurnus, Anableps en Fundulus, met nog an- dere zeer heterogene geslachten onder zijne familie Cylindrosomen ; — Hydrargyra en Cyprinus, insgelijks vermengd met hoogst uiteenloopende genera, in zijne familie Gymnopomen. Geen dezer beide familiën is als eenigzins natuurlijk te beschouwen en de kennis der Cvprinen won er niet bij. Rafinesque was de eerste, die, in zijne Indice d'Ittiologia Siciliana (IBlO) den fa- milie-naam Ciprinidi voorstelde, doch hij plaatste daarin Mugil naast Cyprinus, ■waardoor het natuurlijke der familie geheel verloren ging. In zijn in 1815 te Pa- lermo verschenen werk over de Natuur, stelde hij de Cypriuia, als familie, op nog minder natuurlijke wijze zamen en splitste ze in drie subfamiliën, een van welke hij Gymnopomia noemde, en welke, even als zijne familie Cylindrosomia , overeen- komen met de gelijknamige familiën van den heer Duméril. De natuurlijke verwantschappen der Cyprinen werden het eerst begrepen door Georges Ciwier. Hij vatte de Cyprinoïden en Cyprinodontoïden te zamen in eene enkele familie, zijne Cyprinoides (welke volgens mijne wijze van beschouwing even- wel eene hoogere waarde heeft) en splitste in 1817 het geslacht Cyprinus Art. in verschillende geslachten, in Cyprinus, Barbus, Gobio, Tinca, Cirrhina, Abra- mis, Labeo en Leuciscus. Ten onregte evenwel bragt hij ook het geslacht Go- norhynchus Gron. tot dezelfde familie. Het door hem in de eerste uitgave van zijn Règne animal voorgestelde geslacht Lebias , is sedert tot Cyprinodon Lac. terug- gebragt. Nadat door Cuvier , meer bepaald dan door Klein , de baan gebroken was in de ontleding van het geslacht Cyprinus Art., en nadat talrijke nieuwe vormen van Cy- prinen aan het licht gekomen waren , begreep men , in die splitsing nog verder te moeten gaan. Lesueur grondde in 1818 het geslacht Catostomus, en in 1S21 nog het geslacht Mollienisia. Rafinesque , na zich in Noord-Amerika verplaatst te hebben , onderkende met scherpen blik een aantal nieuwe generische vormen , deels onvoldoende gekenmerkt en aanvankelijk niet in de stelsels opgenomen, doch in de jongste tijden, door de nasporingen , vooral van den heer Agassiz, als natuurlijke geslachten gewaar- deerd. Die geslachten schijnen alle beschi'even te zijn in zijn' Prodromus van 70 nieuwe geslachten (1818) en in zijne Ichthyologia Ohiensis (1820), welke werken niet ter mijner beschikking zijn , doch zij zijn in de nieuwere ichthyologische schrif- ten over Noord-Amerika nader aangeduid onder de namen Exoglossum , Pimephales , Moxostoma, Carpiodes, Cycleptus, Luxilus en Ichthyobus, welke het burgerregt ver- kregen hebben, en onder denamen Decactylus, Eurystomus, Hypentelium, Rutilus en Teretulus, welke door de nieuwere ichthyologen niet aangenomen zijn. Terwijl Lesueur en Rafinesque nieuwe generische vormen in Noord-Amerika be- schreven, ontdekten Buchanan Hamilton in Britsch-Indie, en Kuhl en Van Hasselt op Java, nog andere nieuwe genera. Buchanan was evenwel in de bepaling dier geslachten niet gelukkig. In zijn: Account of Fishes found in the river Ganges and its branches, te Edinburg in 1822 uitgegeven, heeft hij de Cypriniformes onder 9 groepen gebragt, welke hij noemde Chela, Barilius, Bangana, Cyprinus, Puntius, Danio, Morulius, Cabdio en Garra, maar hij kenmerkte ze zoo onvolledig en gebrekkig, dat geen derzelve als generische vorm is behouden gebleven, behalve Chela. Kuhl en Van Hasselt onderscheidden met scherperen blik de Cyprinen-wereld, die zich op Java voor hen ontrolde, maar zij hadden den tijd niet, hunne waar- nemingen in voldoenden vorm te publiceren. Gezamenlijk ontdekten zij de ge- slachten Hampala, Crossocheilos en Lobocheilos, terwijl Van Hasselt bovendien nog onder zijn' eigen' naam opstelde de geslachten Labiobarbus (Rohita en Dangila Val.), Diplocheilus (subgenus van Labeo Val.), Acanthophthalmus, Acanthopsis, Ho- nialoptera en Odontopsis of Homalopsis (Panchax Val.). Het geslacht Chela onder- 8 scheidde Van Hasselt ook, zouderden arbeid van Buchanan te kennen, en noemde het Oxvoraster. In de tweede uitgave van het Règne animal (1829) heeft Cuvier in de geslachts- verdeeHng der Cyprinen w^einig verandering gebragt, niettegenstaande de arbeid van Buchanan hem volkomen bekend was , en ook de onderzoekingen van Rafinesque en Kuhl en Van Hasselt hem niet vreemd konden gebleven zijn. Hij heeft in die tweede uitgave de geslachten der Cyprinen slechts vermeerderd met de beide door Lesueur voorgestelde, t. w. Catostomus en Mollienisia. De heer J. Van der Hoeven gaf in 1833, in eerste uitgave van zijn voortreffelijk //Handboek der dierkunde//, eene nadere omschrijving van het geslacht Homaloptera V. Hass., hetwelk intusschen door Gray Balitora was genoemd, alsmede van Chela Buch., hetwelk hij daar als een ondergeslacht beschouwt. De heer Van der Hoeven brengt er de Cyprinen tot vijf typen terug, tot Cobitis, Homaloptera, Anableps, Cyprinodon en Cj^prinus, welke hij als geslachten beschouwt. De toen reeds bekende geslachten van Cyprinodontoïden brengt hij , met uitzondering van Anableps, als subgenera onder Cyprinodon, en de geslachten der Cypriniformes , met uitzondering van Homaloptera , als subgenera , onder Cyprinus. Gonorhynchus neemt daar zelfs plaats als een subgenus van Cyprinus. — De typen van den heer Van der Hoeven zijn zeer goed gekozen , doch hebben eene hoogere waarde dan die van geslachten. Slechts Gonorhynchus, welks kenmerken buiten de typen niet alleen maar zelfs buiten de familie vallen, behoort er uit te worden verwijderd. Terwijl de strekking van den heer Van der Hoeven blijkbaar was, eene vereen- voudiging in de splitsing der Cyprinen en eene terugbrenging der genera tot de waarde , door Artedi er aan gegeven , achtten andere zoölogen het noodig , de toen aangeno- mene geslachten nog verder te splitsen. Inderdaad moest de noodzakelijkheid daarvan wel blijken, bij de toenemende op- hooping van bouwstoffen , en het kon niet bevreemden , dat men bij eene groep van visschen, bij welke de natuur slechts van betrekkelijk weinige kenmerken had gebruik gemaakt om honderdvoudige verscheidenheden te voorschijn te roepen , aan die kenmerken eene hoogere waarde hechtte, dan men er aan toegeschreven zou hebben bij familiën, weinig rijk aan soorten, maar uitstekende door veelvuldigheid van in het oog springende kenteekenen. Na 1834 namen de nasporingen betreffende de Cyprinen op meer uitgebreide schaal toe en gaven een' rijken buit aan nieuwe generische vormen. In 1835 stelde de heer Rüppell (Neuer Nachtrag von Beschreibungen iind Abbildungen neuer Fische, im Nil entdeckt) twee nieuwe geslachten voor, onder de namen Labeobarbus en Varicorhinus. De heer Agassiz stelde het eerst voor, de Cyprinen in twee familiën te splitsen , en in navolging daarvan nemen de meeste ichthyologen thans aan de familiën der Cyprinoïden en der Cyprinodontoïden. In de familie der Cyprinoïden zelve stelde hij reeds in 1836, in het eerste deel der Mémoires de la Société des sciences naturelles de Neuchatel , eenige nieuwe genera op t. vv. Rhodeus , Phoxinus , Chondrostoma en AspJMs. De toen tevens door hem van Cobitis en Leuciscus afgezonderde geslachten Acanthopsis en Pelecus hebben dezelfde waarde als Acanthopsis van Van Hasselt en Chela van Buchanan. De heer Agassiz maakte ook het eerst het Artedische ken- merk der keelgatbeenstanden vruchtbaar voor de herkenning der geslachten. Nilsson zonderde (in 1837?) het geslacht Carassius van Cyprinus af. J. Heckel verrijkte in het jaar 1838 de familie der Cyprinoïden met het geslacht Schizothorax, hetwelk echter nog twee andere natuurlijke geslachten inhield, welke eerst later als zoodanig werden bepaald. Aan den kolonel W. H. Sykes had men te danken het geslacht Rohtee , van het- welk hij eenige soorten in het jaar 1838 bekend maakte in zijn artikel * On the Fishes of the Dukhun." In hetzelfde jaar 1838 verscheen een derde belangrijke arbeid over de zuid- aziatische Cyprinen, van den heerJ. MacClelland, getiteld // Indian Cyprinidae." Hij vatte de Cyprinen op als familie, geheel in den geest van Cuvier en splitste haar in drie subfamiliën , welke hij noemde : Paeonominae , Sarcoborinae en Apalop- terinae. Deze splitsing was minder gelukkig dan de door den heer Agassiz voorge- stelde. Zijne Paeonominae omvatten Labeoninen, Catastominen, Cyprininen en Bar- binen en maken alzoo een deel uit van mijne onderfamilie Cypriniformes. De Sarco- borinae omvatten slechts een deel der Barbinen. In de Apalopterinen daarentegen vindt men de Cyprinodontoïden vereenigd, niet alleen met de Cobitiformes en Ho- malopteraeformes , maar zelfs met Labeoninen. Nog minder slaagde de heer MacClelland in eene juiste bepaling der geslachten en hij begreep de Cuviersche genera verkeerd, waardoor hij b. v. een aantal in- dische soorten geheel ten onregte bragt tot Gonorhynchus Gron., Cirrhinus Cuv. en zelfs tot Catostomus Les. Niettemin heeft zijn arbeid talrijke nieuwe generische vormen aan het licht ge- bragt , en hoezeer hij ook de door hem voorgestelde nieuwe geslachten in den regel zeer gebrekkig heeft bepaald, kunnen ze bijkans alle, naauwkeuriger omschreven, hunne plaats in het stelsel behouden. Die geslachten zijn, wat de Cyprinoïden aan- gaat, Cymenophysa, Psilorhynchus, Platycara, Oreinus (Schizothorax Heek.), Systo- mus, Perilampus en Opsarius, en, wat de Cyprinodontoïden betreft, Aplocheilos. Zijn geslacht Schistura valt geheel met Cobitis Art. zamen. De eerste proeven van natuurlijke stelsels van visschen van Charles Lucien Bonapar- te, prins van Canino, dagteekenen ingelijks van het vierde'decennium dezer eeuw. Hij nam de familiën van den heer Agassiz aan , slechts den naam van Cyprinodontes iii dien van Poecilidae veranderende. De Cyprinoïden zelve splitste bij eerst in drie 10 subfamiliën , Anableptini, Cyprinini en Leuciscini, doch in 1839 bragt hij teregt de Anablepini tot de Cyprinodontoïden terug, zoodat hij elke familie in twee onder- familiën verdeelde, de Poecilidae n. 1. in Anableptini en Poecilini. Later nog zon- derde hij , even als Swainson , ook de Cobitiformes van zijne Cyprinidae als eigene fa- milie af onder den naam Cobitidae. William Swainson stelde in 1889 in zijne //Natura! Historyof Fishes, Amphibians and Reptiles or Monocardian animals", eene andere verdeeling der Cyprinen voor, doch hij was daarin even weinig gelukkig, als in vele andere deelen van zijn stelsel. Niet alleen scheidde hij de Cobitiformes en Homalopteraeformes (Balitorinae) uit de Cyprinoïden , maar bragt de overige Cy'prinoïden tot de waarde van nog minder dan eene subfamilie terug, vermits zijne Cyprinae er als eene subfamilie der Salmonidae voorkomen en Erythrinus en Arapaima J. MüU. er als twee van zijne vijf geslachten van Cyprinae figureren. Overigens verheft hij de Cobitidae tot eene eigene familie en brengt daartoe vier subfamiliën, zijne Cobitinae, Anablepinae, Poecilinae en Ba- litorinae, zoodat zijne Cobitidae een zamenstel zijn van Cypriniformes , Cobitiformes en Cyprinodontoïden. Ten opzigte zijner geslachten volgde Swainson evenzeer eene van die zijner voor- gangers verschillende zienswijze. Zijne Cyprinae zonder tanden beantwoorden bijkans geheel aan de eigenlijke Cy- prinoïden en hij neemt daarin slechts aan de geslachten Cyprinus, Catostomus en Leuciscus. Onder Cyprinus brengt hij dan als subgenera Cyprinus, Barbus, Labeo- barbus en Salmostoma of Salmophasia (Chela Buch.) ; onder Catostomus als subgenera Labeo, Catostomus en Chedrus; en onder Leuciscus als subgenera nogmaals Chela en voorts Esomus, Leuciscus, Tinca, Abramis en Gonorhynchus Gron. De Cobitinae bevatten bij Swainson verder 2 geslachten: Cobitis,met de subgenera Cobitis en Acourus; en Canthophrys (Acanthopsis V. Hass.) met de subgenera Can- tophrys, Diacanthus en Somileptus, ondergeslachten, welke gedeeltelijk op de onjuiste meening gegrond zijn, dat er de schubben zouden ontbreken. In de overige sub- familiën der Cobitidae zijn geene nieuwe geslachtsverdeelingen voorgesteld. Alhoewel Swainson's indeelingen op niet houdbare gronden rusten, zijn toch twee zijner subgeneraals natuurlijke geslachten te behouden t. w. Esomus, hetwelk weinige jaren later door den heer Valenciennes nader werd beschreven onder den naam van Nuria, en Chedrus, hetwelk mij evenzeer voorkomt een natuurlijk geslacht te zijn. A. Smith deed (1839 — 1845 ?) in zijne y lUustrations of the Zoölogy of South Africa ee- nige nieuwe typen kennen, welke hij Abrostomus, Cheilobarbusen Pseudobarbus noemde. De prins van Canino voegde daarbij in 1841 de geslachten Scardinius, Squalius en Telestes, welke hij in de Fauna Italica beschreef. J. E. De Kay stelde in 1842, in zijne Zoölogy of New- York, het geslacht Stilbe op, hetwelk echter niet van Luxilus Raf. verschilt. 11 De belangrijkste werken van den nieuwen tijd over de Cyprinen zijn zeker die van den heer Valenciennes en van J. Heckel. De drie deelen der groote Histoire naturelle des Poissons , welke over de Cyprinen handelen, dagteekenen van 1842 tot 1846, en Heckel's Fische Syriens en zijne //Nachtrage" daarop, van de jaren 1843 tot 1847. De heer Valenciennes nam de familiën van den heer Agassiz niet aan, evenmin als vele der reeds in de wetenschap gevoerde genera. Hij bleef, even als Cuvier, de Cyprinen als eene enkele familie beschouwen, maar hij bragt eene aanmerke- lijke hervorming in de diagnosen der geslachten en voegde aan de Cyprinoïden toe de geslachten Dangtla, Rohita, Capoëta, Catla en Sclerognathus , en aan de Cypri- nodontoïden het merkwaardige geslacht Orestias, alsmede het door hem buiten de Cyprinoïden geplaatste geslacht Panchax, hetwelk Van Hasselt reeds Homalopsis had genoemd, doch niet beschreven. Heckel's arbeid, in zijne Fische Syriens, voor zooverre die de Cyprinen in het algemeen behandelt, is van een' meer zuiver systematischen aard en bepaalt zich tot de onderfamilie der Cypriniformes. De heeren Agassiz en MacClelland waren Heckel voorgegaan in de waardering van de bijzonderheden van het tandenstelsel en van de betrekkelijke lengte van het darmkanaal, ter bepaling van de geslachten en van hunne onderlinge verwantschap- pen. Maar Heckel ging veel verder, wat het tandenstelsel betreft, en beproefde zelfs naar den bij zonderen bouw en rangschikking der keelgatstanden de talrijke door hem aangenomene geslachten te bepalen. In het overzigt, in 1843 door Heckel gegeven, splitst hij de Cypriniformes eerst in twee hoofdgroepen, de Macroentri en Brachyentri. De Macroentri verdeelt hij dan in twee groepen, in die met u dentes excavati" en in die met // dentes masticatorii." Evenzoo verdeelt hij de Brachyentri in die met //dentes uncinato-subraolares" en die met //dentes uncinato-subconici." Elk dezer ondergroepen splitst hij dan nog in kleinere groepen , voornamelijk naar de bijzondere gedaante der tanden, zoodat het geheel verdeeld is in 13 zoodanige kleinere groepen. Hoezeer nu de keelgatstanden der Cyprinoïden een voortreffelijk hulpmiddel aan- bieden bij de bepaling van vele geslachten en zelfs van hunne onderlinge verwant- schappen, ging Heckel toch te ver, door meerdere nieuwe geslachten bijkans uit- sluitend op geringe bijzonderheden van het tandenstelsel te gronden en hij heeft dat later zelf increzien. Het aantal der door Heckel in 1843 voorgestelde nieuwe geslachten is aanmerke- lijk. Zelfs na aftrekking van Osteobrama, Cyrene, Scaphiodon , Leucosomus en Glos- sodou , van welke de vier eerstgenoemde rt^ds ouder de namen llohtee , Dangila , Orei- nus en Luxilus door andere ichthyologen in de wetenschap waren gevoerd , terwijl het laatste geheel buiten de orde valt, blijven nog de genera Cyprinion , Luciobarbus, ïso- 12 cephalus, Tylognathus, Discognathus, Carpio, Gibelion , Aulopyge, Rhytidostomus , Chondrochylus , Chondrorhynchus , Phoxinellus, Leucos, Acantliobrama , Devario, Bliccopsis, Blicca, Argyreus, Pachystoraus en Idus over, welke hij aan de bestaande toevoegde, geslachten, welke niet alle behouden zijn kiiuuen blijven en gedeeltelijk later ook door Heckel zelven zijn teruggetrokken. Overigens gaf Heckel zijne op het tandenstelsel gegronde groepen geenszins voor natuurlijke groepen uit, en hij heeft achter zijne overzigtstafel zelfs laten volgen eene rangschikking der 54 door hem toen aangenomene geslachten , zoo als zij naar zijne meening in natuurlijke orde op elkander volgden , eene rangschikking evenwel, welke sedert belangrijke wijzigingen heeft ondergaan. Nog eene derde rangschikking gaf Heckel in hetzelfde jaar en in hetzelfde werk , waarbij hij ook de monddeelen en den vinbouw tot grondslag nam. Volgens deze rangschikking zijn de Cypriniformes verdeeld in tien Tribus, welke niet met voldoende scherpte zijn begrensd en ook ongenoemd gebleven. Hij plaatste de ge- slachten in deze Tribus als volgt. Tribus I. Cyprinus Cuv., Carpio Heek., Carassius Nilss., Gibelion Heek., Cy- prinion Heek., Cyclurus Ag. :=; Amia L?. // H. Devario Heek., Rhodeus Ag, // Hl. Systomus McCl., Barbus Cuv., Labeobarbus Rüpp., Luciobarbus Heek., Schizothorax Heek., Scaphiodon Heek., Aulopyge Heek., Abrostomus Smith. // IV. Catostomus Les., Rhytidostomus Heek.?;, Exoglossum Raf. // V. Labeo Cuv., Cyrene Heek., Rohita Val., Tylognathus Heek., Disco- gnathus Heek. // VI. Gobio Cuv., Tinca Cuv., Isocephalus Heek. II Vil. Gymnostomus Heek., Chondrostoma Ag., Chondrochylus Heek., Chon- drorhynchus Heek. II VIII. Abramis Cuv., Blicca Heek., Bliccopsis Heek., Acanthobrama Heek., Osteobrama Heek., Glossodon Heek., Ballerus Heek, // IX. Chela Buch., Esomus Swns., Pelecus Ag., Perilampus McCl., Alburnus Rond., Aspius Ag. II X. Scardinius Bp., Idus Heek., Leucos Heek., Pachystomus Heek., Leuciscus Klein, Phoxinellus Heek., Phoxinus Ag., Argyreus Heek., Squalius Bp., Leucosomus Heek., Opsarius McCl. In het jaar 1847 kwam Heckel op zijne rangschikkingen terug, en nam een' anderen grondslag aan voor de hoofdverdeeling der Cypriniformes. Hij vond dien in de vorming der monddeelen, deelen welke evenzeer in verband staan tot de le- venswijze der betrokkene vormen als de keelgatstanden en de lengte- verhoudingen van het darrakamaal , maar dit vóór hebben , dat zij die levenswijze in een uitwendig en gemakkelijk herkenbaar teeken terugkaatsen. 13 Hiermede was eene derde groote schrede gedaan in natuurlijke rangschikking der Cypriniformes. Heckel bragt alle soorten , bij welke de onderkaak in een' dunnen kraakbeenigen rand overgaat, tot zijne Temnochilae, en alle overige tot zijne Pachychilae. Deze laatste liet hij verder onaangeroerd , doch zijne Temnochilae splitste hij in twee onderafdee- lingen, gegrond op het al of niet aanwezig zijn van lippen. Tot de groep, bij welke de lippen aanwezig zijn, bragt hij de geslachten Labeo Cuv., Rohita Val., Tylogna- thus Heek., Discognathus Heek. en Cyrene Heek. — tot de groep zonder lip (onderlip) , de geslachten C3^prinion Heek., Dillonia Heek., Schizopyge Heek., Scaphiodon Heek., Gymnostomus Heek., Aspidoparia Heek. en Chondrostoraa Ag, geslachten, welke hij nog onderrangschikte naar het al of niet aanwezig zijn van een' beenigen straal in de rugvin en naar de gedaante en formule der keelgatstanden. Behalve de geslachten Dillonia , Schizopyge en Aspidoparia stelde Heckel in 1847 nog een nieuw geslacht der Pachychilae op, hetwelk hij in de Addenda en Corri- genda op zijn Fische Syriens met den naam van Mola bestempelde. De betere kennis der Cypriniformes is aan de studiën van Heckel grootelijks verpligt en zonder twijfel zou zijn stelsel in de bijzonderheden vollediger uitge- werkt zijn geworden , indien hij had kunnen beschikken over zoovele zuid-aziatische, indisch-archipélagische en noord-amerikaansche vormen met merkwaardigen kaak- ea lipbouw, welke eerst na zijnen arbeid voor het eerst of beter zijn bekend geworden. Tusschen de jaren 1842 en 1846 stelde de Prins Charles Lucien Bonaparte nog op het geslacht Gardonus met de subgenera Pigus, Gardonus en Cephalus, en voorts in het genus Leucos het ondergeslacht Cenisophius, in het geslacht Scardinius het subgenus Hegerius en in het genus Leuciscus het ondergeslacht Microlepis. Geen dier namen echter is door de nieuwere ichthyologen aangenomen. De Cyprinodontoïden werden door Heckel in het jaar 1848 nog verrijkt met het geslacht Xiphophorus , en in hetzelfde jaar ook stelde de heer Agassiz, in de Cypri- noïden, zijn geslacht Rhinichthys voor. In het tegenwoordig decennium werden weder groote voortschreden gemaakt in de kennis der Cyprinen. Zeer talrijke vormen, vooral noord-amerikaansche en indisch-archipelagische , kwamen het aantal der bekende verdubbelen en talrijke nieuwe geslachten ook werden weder voorgesteld. De opvattingen omtrent de waarde dier geslachten liep zeer uiteen, en terwijl men aan den eenen kant geneigd was bijkans alle de talrijke nieuwere genera te verwerpen en ze hoogstens met den rang van ondergeslachten in de spaarzame oude geslachten op te lossen, ging men aan den anderen kant tot een ander uiterste over, door geslachtskenmerken te vinden in zoo weinig beteekenende bijzonderheden der bewerktuiging, dat het inderdaad dreigde moeijelijk te worden aan het aantal der op te stellen genera andere grenzen te stellen dan die der soorten. 14 De heer Van der Hoeven bleef in de tweede uitgave (1850) van zijn Handboek der dierkunde, een voorstander van het behouden der Artedische genera. Slechts aan twee opmerkelijke nieuwere typen , aan Artedi ongekend gebleven , Aulopyge Heek. en Homaloptera V. Hass. kende hij generische waarde toe. Alle Cobitiformes behooren volgens hem tot Cobitis Art. als genus, en alle Cypriniformes , met uitzondering slechts van Homaloptera en Aulopyge, tot Cyprinus Art., als genus. Even zoo neemt hij in de Cyprinodontoïden slechts 3 geslachten aan, Anableps, Cyprinodon en Orestias, terwijl hij alle overige typen deze familie slechts als subgenera van Cyprinodon erkent. De meeste specialiteiten echter in de kennis der Cyprinen, Heckel en de heeren Agassiz, Baird, en Girard, gingen voort, aan vele nieuwe door hen waargenomen typen nieuwe geslachtsnamen te verbinden en ook de heeren Gervais, Ayres, Poey en Basilewski stelden nog bovendien nieuwe genera voor. Het aantal geslach- ten der Cyprinen werd daardoor bijkans verdubbeld. De Cyprinodontoïden ontvingen in dit decennium van den heer Poey (IS51) de geslachten Gambusia , Limia en Girardinus ; van de heeren Baird en Girard het ge- nus Heterandria; van den heer Agassiz het geslacht Zygonectes en van den heer Gervais (1853) het geslacht Tellia. De Cyprinoïden erlangden nog veel rijkere toevoegingen. * De Catostominen waren reeds door Rafinesque als een kompleks van verschillende geslachten beschouwd geworden. De heer Agassiz voegde daar nog bij de geslachten Bubalichthys , Hylomyzou en Ptychostomus, en de heer Girard de genera Minomus en Acomus. Wat de overige Cypriniformes betreft, waren de nieuw voorgestelde geslachten veel talrijker. Het was, even als voor de Cyprinodontoïden en Catostominen, bijkans uitsluitend de nieuwe wereld, welke alle die typen opleverde. Slechts Tellia maakt daarop eene uitzondering voor de Cyprinodontoïden, even als Leucaspius Heek. Kner en Culter Bas. voor de Cyprinoïden. De typen der nieuwe wereld, en in het bijzonder van Noord-Araerika , gaven den heer Baird aanleiding tot de opstelling van Ceratichthys , Cheilonemus en Hypso- lepis; den heeren Baird en Girard tot die van Cochlognathus, Gila en Pogonichthys; den heer Agassiz tot die van Acrocheilus, Campostoma, Hybognathus, Hybopsis, Hyborhynchus, Mylocheilus en Ptychocheilus ; den heer Ayres tot die van Mylopha- rodon, en eindelijk den heer Girard nog tot die van niet minder den 23 geslachten , welke hij noemde Agosia, Alburnops, Alburnoides, Algoma, Algansea, Cheonda, Chrosomus, Clinostomus, Cliola, Codoma, Cyprinella, Dionda, Iludsonius, La- vinia, Meda, Moniana, Nocomis, Orthodon, Richardsonius, Semotilus, Siboma, Tigoma en Tiaroga. 15 Te oordeeleu naar de trouwens weinig voldoende beschrijvingen, welke van de meeste dezer geslachten gegeven zijn, laat zich vermoeden , dat meerdere met vroeger reeds bekend gemaakte zamenvallen en dat aan vele andere het burgerregt zal ge- weigerd worden. Over de geslachten, welke ik zelf heb gemeend te moeten voorstellen, zal hier- onder nader worden gehandeld. Niettegenstaande de verdubbeling van het aantal genera in het jongste decennium , heeft de natuurlijke rangschikking der Cyprinen in denzelfden tijd niet die vorde- ringen gemaakt, welke men van het bekend worden van zoo talrijke nieuwe vor- men, het regt had te verwachten. Intusschen zijn vele gegevens daarvoor neder- gelegd, vooral in de uitkomsten der jongere nasporingen van den heer Agassiz op- zigtelijk de Catostominen en noord-amerikaansche Labeoninen. De heer C. Girard splitste in 1856 de Cypriniformes in Cyprini , Catostomi, Chon- drostomi en in nog twee andere groepen, welke hij met de nummers IV en V aanduidde. Zijne opvatting der door hem benoemde groepen Cyprini en Chondrostomi ver- schilt echter aanmerkelijk van de gewone, zonder dat zij beter is. De natuurlijke rangschikking der Cypriniformes heeft er niets door gewonnen , evenmin als door zijne groepen IV en V, welke haren grond hebben in het aanwezen van dentes raptatorii en het al of niet aanwezig zijn van voeldraden. De heer C. Duméril kwam, een halve eeuw na de uitgave van zijne Zoölogie ana- lytique, op zijne oude rangschikking der Cyprinen terug ^ en gaf in zijn nieuw werk eene nieuwe indeeling der door hem aangenomen typen , eene indeeling , welke meer op oorspronkelijkheid dan natuurlijkheid kan bogen. De Cyprinen zijn er gebragt onder zijne familiën Gyranopomes-Cyprinoïdes^ Po- gonophores en Lépidopomes. Van deze familiën heeft die der Gymnopomes-Cypri- noïdes, in zoo verre de beteekenis der geheele orde, als zij de geslachten Cyprinus, Tinca, Abramis, Pelecus, Leuciscus, Choudrostoraa , Catostoma, Cyprinodon, Poe- cilia, Fundulus en liydrargyra omvat. Opmerkelijk genoeg echter zijnde geslachten Barbus, Gobio, Anableps en Ores- tias van die familie uitgesloten , om verder in het stelsel , nadat eerst de Clupeoïdea (Gymnopomes-Clupéides Dum.) onmiddellijk op de Gymnopomes-Cyprinoïdes gevolgd zijn, plaats te nemen, de vier eerstgenoemde geslachten in de familie Pogonophores, in welke ook Tricliomycterus^ Eremophilus, Vandellia (alle Siluroïden) en Gonorhyn- chus geplaatst zijn, het laatstgenoemde, nogmaals met Fundulus en Hydrargyra, achter de familie Opisthoptères, in de familie Lépidopomes, welke een vreemdsoor» tig zamenstel is van Cyprinodontoïden , Mugiloïden, Polynemoïden , Tetragonurifor- mes, Scombresocioïden en Notopteroïden. 16 Er behoeft niets meer van deze rangschikking van den heer Duraéril gezegd te worden, om in het oog te doen vallen, hoe weinig zij aan eene natuurlijke beantwoordt. De laatste mij bekende, inde rangschikking der Cyprinen voorgestelde, wijziging is die van Heckel en den heer R. Kner in hun werk // Die Süswasserfische der östreichischen Monarchie", in 1858 te Weenen uitgegeven en mij eerst kortelings on- der de oogen gekomen. Zij betreft echter uitsluitend de afzondering der Cobitinen uit de Cyprinoïden en hare verheffing gelijktijdig met eenige echte Siluroïden , zooals Cetopsis, Pareiodon en Trichomycterus , tot eene eigene, met den naam van Acanthopsides bestempelde, familie, eene familie, welke mij , op nader te ontwikkelen gronden, voorkomt niet aannemelijk te zijn. Voor mij bestaan de Cyprinen uit twee familiën , de door den heer Agassiz reeds voorgestelde Cyprinoïden en Cyprinodontoïden. Die familiën zijn, mijns inziens, natuurlijk en bovendien scherp van elkander ge- scheiden, behalve door het tandenstelsel, ook door het kieuwstelsel. Den arbeid mijner voorgangers mij ten nutte makende, vooral dien van Heckel en van den heer Agassiz, heb ik getracht, verbeteringen in de onderverdeelingen der familiën, voornamelijk der Cyprinoïden, aan te brengen. Ik splits de Cyprinoïden in drie onderfamiliën , de Cobitiformes , Homalopterae- formes en Cypriniformes. In de Cobitiformes neem ik aan verschillende goed gekenmerkte geslachten , twee van welke, Lepidocephalus en Cobitichthys , het eerst door mij zijn voorgesteld. De Homalopteraeformes omvatten de geslachten Homaloptera, Platycara en Lisso- rhynchos, het laatste door mij voorgesteld. De Cypriniformes bevatten twee hoofdgroepen , de Phalakrognathinen en Cheilogna- thinen, reeds door Heckel aangeduid met de namen Temnochilae en Pachychiiae. De Phalakrognathinen sluiten twee kleinere groepen in, de Labeoninen en de Chondrostominen. In de groep der Phalakrognathinen was het noodig meerdere nieuwe genera op te stellen. Ik heb die genoemd Epalzeorhynchos, Discognathichthys , Schismato- rhynchos, Morulius (Chrysophekadion ol.) , llohitichthys, Barbichthys, Morara,Opi- stocheilos, Pseudogobio, Acheilognathus en Mrigala. De hoofdgroep der Cheilognathinen bevat drie scherp gekenmerkte groepen inde Catostominen , Cyprininen en Barbinen. Slechts in de Barbinen, de groep welke de talrijkste vormen bezit, meende ik nieuwe geslachtstypen te moeten voorstellen. Ik heb die genoemd Cylocheilichthys, Balantiocheilos , Amblyrhynchichthys, Albulichthys, Hypselobarbus, Heraibarbus, Chanodichthys, Pseudoculter, Ilemiculter, Elopichthys, Leptobarbus, Sarcocheilich- 17 thys, Pseudoplioxinus, Tliynnichthys , Hypophthalmichthys , Gnathopogon , Rasbora , Pseudorasbora , Rasboricbthys , Luciosoma, Laubuca en Macrochirichthys. De familie der Cyprinodoutoïden bezit op verre na niet de verscbeidenbeid van typen der Cyprinoïden. Men kan ze gevoegelijk brengen onder de vier groepen Cyprinodontinen , Aplo- cheilinen, Anablepinen en Orestiasinen. In de Cyprinodontinen slechts heb ik gemeend nieuwe generische typen te vinden in Fundulichthys en Pscudoxiphophoras. Over alle deze onderfamiliün , hoofdgroepen, groepen en geslachten, wordt hier- onder uitvoeriger gehandeld. Ik heb ook, voor zooverre mijne hulpmiddelen zulks hebben toegelaten, alle de talrijke, door de nieuwere schrijvers voorgestelde, geslachten aan een kritisch onder- zoek onderworpen. Dikwerf stuitte ik daarbij op het onvolledige, ja meermalen volstrekt onvoldoende , der gegevens, in- de bestaande beschrijvingen en afbeeldingen nedergelegd , en lang heb ik mij daardoor laten terughouden , de uitkomsten van dat onderzoek te formuleren. Ik heb het intusschen gewaagd, die talrijke geslachten te schiften, sommige met elkander te vereenigen, andere zelfs nog te splitsen, en in het algemeen vaste ken- merken ter hunner juiste onderscheiding aan te wijzen. Ik geloof voor talrijke geslachten daarin voldoende geslaagd te zijn, evenzeer als ik overtuigd ben, dat nadere en meer zorgvuldige waarnemingen der natuur zul- len leeren , dat voor andere genera de gegevens onvoldoende en deels onjuist door de ichthyologen zijn te boek gesteld. Maar deze herziening heeft dikwerf geleid tot zoo groote wijzigingen of beper- kingen van de bestaande diagnosen der geslachten , dat het misschien beter ge- weest ware, geen der namen van die geslachten, ter vermijding van toeneming der thans reeds bestaande verwarring, te bezigen en eene rei van geheel nieuwe namen te ontwerpen. Ik heb dat niet gedaan, voornamelijk uit eerbied voor mijne voorgangers en ook , omdat er geen einde zou komen aan dé naamsveranderingen , wanneer het be- ginsel aangenomen werd, dat een eens gegeven naam veranderd behoort te worden, zoodra blijkt, dat de aan hem gehechte diagnose onvoldoende of onjuist is. Ieder naturalist staat bloot aan het onj uist formuleren van een geslacht , zoo lang hij niet alle soorten kent, welke tot dat geslacht behooren. En het is juist deze kennis, welke eerst van eene verre toekomst is te verwachten. De Indische archipel bevat slechts Cyprinen in zijne westelijke helft. Zij gaan er, zooals boven reeds is aangestipt, niet verder oostelijk dan Borneo en Bali. Re- 3 18 kent men echter ook de Philippijnsche eilanden tot den Indisclien archipel, dan is hare grens nog iets oostelijker te stellen. Lu^on heeft nog zijne Cyprinen , terwijl Celebes, hetwelk op dezelfde lengte is gelegen, er volstrekt van schijnt verstoken te zijn. De Cyprinen zijn in den Soenda-archipel talrijk aan soorten en merkwaardige typen. Maar zulks is slechts van toepassing op de Cyprinoïden, niet op de Cy- prinodontoïden. Van de Cyprinoïden ken ik thans 141 archipelagische soorten; van de Cypri- nodontoïden slechts 2. De armoede aan Cyprinodontoïden komt alzoo sterk uit tegenover den rijkdom aan Cyprinoïden, en deze laatste vooral zullen blijken nog veel talrijker aan soorten te zijn, wanneer de hoogere gedeelten der groote stroomgebieden van Java, en vooral van Sumatra en Borneo, beter zullen zijn onderzocht. Intusschen is de reeds verkregene kennis niet als onbelangrijk te achten, vooral wanneer in aanmerking genomen wordt de tijdruimte, binnen welke zij is verkregen. ïe vergeefs zoekt men bij de oudere schrijvers naar bepaalde soorten van archi- pelagische Cyprinen. Slechts oppervlakkige aanduidingen van karpers vindt men bij Bont en Nieuhof. Onder karpers verstonden deze schrijvers echter ook sommige zeevisschen. Bont noemde de door hem afgebeelde Notopterus zelfs Tinca marina. Zelfs in de beide eerste tientallen jaren dezer eeuw treft men nog geen spoor van kennis ten dezen aan. Men moet tot het jaar 1S23 opklimmen, den tijd waarin H. Kuhl en J. C. Van Hasselt hunne scherpzinnige waarnemingen aan de natuur van Java wijdden, om tot de eerste kennis omtrent de Archipelagische Cyprinen te geraken. Getroffen door den onverwachten rijkdom aan Cyprinen der Javasche rivieren , onverwacht omdat meer dan twee eeuwen van europesche vestiging in deze gewes- ten gecne enkele soort daarvan hadden aan het licht gebragt, wierpen Kuhl en Van Hasselt, doch vooral Van Hasselt, zich met blijkbare voorliefde op de waarne- ming der merkwaardige vormen , welke de Javasche Cyprinen hun aanboden. Het ontging niet aan hunnen kritischen blik, dat die vormen in zoo vele opzigten van die der europesche Cyprinen verschillen en zonder twijfel zou een groot gedeelte van den arbeid der latere ichthj'ologen overbodig geweest zijn, wanneer zij, die thans nog in de wetenschap hadden kunnen bloeijen, niet in de jongelingsjaren aan haar waren ontrukt 2;cwordcn. In een' brief van het laatst van December 1823, gerigt aan C. J. Temrainck en bij uittreksel opgenomen in het eerste deel van Jaargang 1S23 van de //Algemeens 19 Konst- en Letterbode", zijn de eerste uitkomsten der waarnemingen van Kulil en Van Hasselt betreffende de javasche Cyprinen nedergelegd. Zij hadden ook reeds opgemerkt , dat de stroomgebieden in hunne verschillende gedeelten, naarmate van de helderheid der wateren en van de loodregte uitbreiding, verschillende soorten voeden. Zij duidden een aantal soorten aan , gedeeltelijk door den heer Valenciennes nader bekend gemaakt, en welke bijkans zonder uitzondering door mij zijn teruggevonden. Deze soorten zijn. Cobitis fasciata Val. z:^ Nemacheilos fasciatus K. v- H. Acanthopsis dialyzona V. Hass. =s Cobitis macrorhynchos Blkr. Acanthophthalmus fausiatus V. Hass. — Cobitis Kuhlii Val. // javanicus V. Hass. ::5 Cobitis oblonga Val. Lepidocephalus Ilasseltii Blkr ::^ Cobitis octocirrhus V. Hass. =: Cobitis Has- seltii Val. Homaloptera fasciata V. Hass. ^ Homaloptera Wassinkii Blkr. // javanica V. Hass. =3 Homaloptera ZoUingeri Blkr. Crossocheilos oblongus K. v. H. p^ Labeo oblongus Val. Labeo (üiplocheilos) erythropterus Blkr =3 Diplocheilos erythropterus V. Hass. Lobocheilos. falcifer K. v. H. =: Labeo falcifer Val. Dangila leptocheila Val. =3 Labiobarbus leptocheilos V. Hass. // lipocheila Val. =: Labiobarbus lipocheilos V. Hass. Cyprinus flavipinnis K. v. H. :::: Cyprinus floripenna (err. typogr.) V. Plass, Labeobarbus tambra Blkr — Barbus tambra K. v. H. Systomus (Barbodes) hypselonotus Blkr=; Barbus hypselonotus V. Hass. //(//) maculatus Blkr =:^ Barbus maculatus V. Hass. =3 Barbus binotatus Kuhl. //(//) obtusirostris Blkr =: Barbus obtusirostris V. Hass. //(//) rubripinnis Blkr:=3 Barbus rubripinnis V. Hass. Barbus striatus V. Hass. (species plane incognita, an forte Rohita Hasseltü Val. ?). Hampala macrolepidota K. v. H. Rasbora lateristriata Blkr :=: Leuciscus lateristriatus K. v. H. Chela anomalurus Blkr =: Clupea anomaluraV. Hass. =: Oxygaster anomalura V. Hass. Pancha.x Buchauani Val. =: Homalopsis javanica K. v. H. =: Odontopsis arma- ta V. Hass.? Behalve de genoemde soorten kenden Kuhl en Van Hassslt nog een aantal andere, zooals Homaloptera erythrorhina V. Hass., Homaloptera ocellata V. Hass., Rohita vittata Val. (Labiobarbus vittatus K. v. H.;, Cirrhina breviceps Val. (La- biobarbus breviceps K. v. H.), Barbichthys laevis Blkr (Barbus nudicephalus K. V. H.), Cyclocheilichthys apogon Blkr (Barbus apogon Kuhl) en Luciosoma setige- rum Blkr, doch de namen dier soorten zijn niet door hen openbaar gemaakt. 20 De rijke verzamelingen , doorKuhlen Van Hasselt en de hun opgevolgd hebbende leden der voormalige natuurkundige kommissie naar het Museum van natuurlijke historie te Leiden gezonden , hebben veel bijgedragen tot eene nadere kennis der Ja- vasche Cyprinen. De heer Valenciennes heeft de daar vergaderde bouwstoffen kun- hen raadplegen en de uitkomsten er van nedergelegd in de groote Histoire naturelle des Poissons. Ik zie in de deelen van het groote vischvverk , welke over de Cyprinen handelen, 46 Javasche soorten der orde beschreven, doch het aantal dier soorten is geringer, omdat meerdere onder verschillende namen twee tot driemaal als verschillende soorten zijn opgebragt. Na terugbrenging dier soorten tot hare ware beteekenis, zijn de overblijvende de hier ondergenoemde 38. Cobitis fasciata Val. =3 Cobitis chrysolaimos K. v. H., Val. ;:s Nemacheilos fasciatus K. V. H. :=i Cobitis suborbitalis Val. Acanthopthalmus fasciatus V. Hass. :=i Cobitis oblonga Val. i> javanicus V. Hass. =3 Cobitis oblonga Val. Lepidocephalus Hasseltii Blkr :=: Cobitis Hasseltii Val. Homaloptera erythrorhina V. Hass. =■ Balitora erythrorhina Val. * pavonina Blkr =:^ Balitora pavonina Val. 1/ Valenciennesi Blkr =ï Balitora ocellata Val. Crossocheilos (Crossocheilos) oblongus V. Hass. — Labeo oblongus Val, Labeo (Diplocheilos) erythropterus Blkr ^ Labeo erythropterus Val. // ? ( V ?) hispidus Blkr — Labeo hispidus Val. Lobocheilos (Lobocheilos) falcifer V. Hass. :=: Labeo falcifer Val. 1/ (Gobionichthys) lipocheilos Blkr=! Chondrostoma lipocheilos Val. // ? vel Rohita?? =J Cirrhina breviceps Val =3 Labiobarbus breviceps K. v. H. Rohita (Rohita) Hasseltii Val. // ( * ) microcephalus Val. '/ ( " ) vittata Val. — Labeobarbus vittatus K. v. H.=! Rohita erythrura Val. Dangila leptocheila Val. =; Labiobarbus leptocheilus K. v. H. ^ Dangila Cu- vieri Val. r/ Kuhlii Val. // lipocheila Val. =- Labiobarbus lipocheilus K. v. H. Barbichthys laevis Blkr :=i Barbus laevis Val. =; Barbus nudicephalus K. v. H. Cyprinus flavipinnis K. v. H., Val. =: Cyprinus vittatus Val. Labeobarbus douronensis Blkr — Barbus douronensis Val. // soro Blkr ^^ Barbus soro Val. // tambra Blkr :=: Barbus tambra Val. Cyclocheilichthys (Cyclocheilichthys) armatus Blkr ;=: Barbus armatus Val. // (Anematichthys) apogon Blkr s Barbus apogon Kuhl =3 Systomus apo- gon Val. ( II ) ( II ) ( II ) ( II ) ( II ) ( II ) 21 Systomus (Barbedes) bramoides Blkr =3 Barbus bramoides Val. hypselonotus Blkr ;=3 Barbus hypselonotus V. Hass., Val. lateristriga Blkr =; Barbus lateristriga Val. maculatus Blkr =3 Barbus maculatus V. Hass. ;=: Barbus bi- notatus Kuhl, Val. marginatus Blkr Barbus marginatus Val. obtusirostris Blkr s3 Barbus obtusirostris V. Hass. rubripinnis Blkr =5 Barbus rubripinnis V. Hass. Val- =3 Bar- bus orphoides Val. ;=! Barbus gardonides Val. specim. javanic. Harapala macrolepidota K. v. H. =3 Capoëta macrolepidota Val. Luciosoma (Luciosoma) setigerum Blkr =! Barbus setigerus Val. Chela anoraalurus Blkr ;=! Oxygaster anomalurus V. Hass. -^ Leuciscus oxy- gaster Val. Macrochirichthys ? macrochir Blkr =3 Clupea macrochira K. v. H. =: Leuciscus macrochirus Val. Panchax Buchanani Val. :=3 Homalopsis javanica K. v. H. ^ Odontopsis armata V. Hass. De kennis der Javasche Cyprinen werd hierdoor vermeerderd met die van 20 soorten, zoodat daardoor in het geheel, Barbus striatus V. Hass. als geheel onze- kere soort alleen uitgezonderd^ 42 Cyprinen in de registers van Java bleven in te schrijven. Nagenoeg gelijktijdig met den heer Valenciennes maakte ook Heckel, in zijne Msche Syriens, eenige archipelagische Cyprinen bekend. Alle soorten van Kuhl en Van Hasselt en van den heer Valenciennes waren uitslui- tend van het westelijke gedeelte van Java, terwijl die van Heckel alle buiten Java, op Borneo en de Philippijnen waren gevonden. Met uitzondering van een dier soor- ten, van welke mij geene beschrijving is onderde oogen gekomen, zijn zij kor- telijk in gezegd werk beschreven. Zij zijn: Sj'stomus? (Barbodes) carassiodes Blkr =3 Barbus carassiodes Heek., van Borneo. Dangila festiva Blkr :=; Cyrene festiva Heek., van Borneo. // ocellata Blkr =3 Cyrene ocellata Heek., van Borneo. // cyanopareja Blkr :=! Cyrene cyanopareja Heek., van de Philippijnen. // philippinia Blkr ::3 Cyrene philippinia Heek., van de Philippijnen. Met deze soorten werd voor het eerst het voorkomen van Cyprinen ook op an- dere eilanden van den Indischen archipel bewezen. In 1849 bewees de heer Th. Cantor het voorkomen van Cyprinen op het eigen- lijk meer tot het geographisch gebied van Malakka behoorend eiland Pinang, waar hij de volgende soorten aantrof. Hampala macrolepidota V. Hass, ;=; Capoëta macrolepidota Val. 22 Rasbora rasbora BlkrPr:; Leuciscus rasbora Cuv., Cant. Panchax Buchanani Yal. Zoover was de kennis der Cyprinen gevorderd, toen ik mijne uasporingen be- trekkelijk dezelfde orde begon. Alen had in het geheel slechts 48 soorten van den geheelen archipel leeren ken- nen en de van ze gegevene beschrijvingen waren, wat de groote meerderheid be- treft, als onvoldoende te beschouwen, wat ook gedeeltelijk niet anders kon , omdat ze genomen moesten worden naar lang in wijngeest bewaarde of opgezette of opgelegde voorwerpen. Was , hetgeen men ten deze van het grootste eiland van den Archipel wist , niet noemenswaardig, van de overige Soenda-eilanden buiten Java wist men volstrek- telijk niets. Alij is het voorregt te beurt mogen vallen, veel in de ontbrekende kennis van de archipelagische Cyprinen aan te vullen, en het eerst eenig licht te versprei- den over de Cyprinen van Sumatra, Eali, Biliton, Banka en Singapoera. Talrijke soorten voorts heb ik het eerst in de wetenschap kunnen voeren, en al- hoewel meerdere vroeger door mij als nieuwe opgestelde soorten mij later, bij dieper doordringen in dezen tak van studie en na bekoming van rijkeren voorraad aan bouwstoffen , gebleken zijn tot vroeger reeds bekende doch gebrekkig beschrevene te behooren, blijven, na aftrekkking dier soorten, toch nog 84 soorten over, van 1850 tot 1858 door mij beschreven, van welke de wetenschap vroeger geen kennis droe»-. De beschrijvingen dier soorten zijn in talrijke bijdragen verspreid. Ik laat hare namen hier volgen in de orde, waarin hare beschrijvingen van 1849 af tot heden zijn openbaar gemaakt en met bijvoeging der nieuwere namen, welke veranderde inzigten in hare generische verwantschappen hebben noodig gemaakt. 1349. Systomus (Barbodes) gonionotus Blkr — Barbus gonionotus Blkr. // i " ) erythropterus Blkr =3 Barbus erythropterus Blkr. Cyclocheilichthys (Cyi-locheilirhthys) enoplos Blkr ^ Barbus enoplos Blkr. Morulius chrysophekadiou Blkr =: Rohita chrysophekadion Blkr — Rohita polyporos Blkr =ï Rohita koilogeneion Blkr =i Rohita cyanomela» Blkr =2 Chrysophekadion polyporos Blkr. Systomus (Capoëta) brevis Blkr =: Capoëta brevis Blkr. Rasbora argyrotaenia Blkr =; Leuciscus argyrotaenia Blkr =: Leuciscus cya- notaenia Blkr — Leuciscus Schwenkii Blkr. 1S50. Balantiocheilos melanopterus Blkr =3 Barbus melanoptcrus Blkr = Systo- mus melanopterus Blkr. Rohteichthys niicrolepis Blkr — Barbus microlepis Blkr — Systomus micro- lepis Blkr =: Rohtee microlepis Blkr. 23 Amblyrhyncliichtliys truncatus Blkr — Barbas truncatus Blkr — Systoraus tnincatus Elkr. Epalzeorhvnchos kallopterus Blkr :=; Barbas kalopterus Blkr. Macrochirichthys uranoscopus Blkr =3 Leuiisciis uranoscopus Blkr. llasbora dusonensis Blkr^s Leuciscus dusoncnsis Blkr. Dangila spiliirus Blkr. Rasbora kallochroma Blkr =2 Leuciscus kallochroma Blkr. 1851. Cyclocheilichthys (Siaja) microlepis Blkr =3 Capoëta microlepis Blkr. Systomus ('Systomus) bulu Blkr. Leptobarbus lloevenü Blkrzr; Barbus Ploevenü Blkr. Cyclocheilichthys (Siaja) siaja Blkrs Capoëta enoplos Blkrri Capoëta siaja Blkr. Rohita (Rohita) Schlegeli Blkr. Rasbora Einthoveni Blkr =: Leuciscus Eintliovenü Blkr. Cobitichthys barbatuloides Blkr =: Cobitis barbatuloides Blkr. Rasbora cephalotaenia Blkr =5 Leuciscus cephalotaenia Blkr. 1S52. Rohita (Rohita) melanopleura Blkr. Chela oxygastroides Blkr =: Leuciscus oxygastroides Blkr. Systomus (Capoëta) padangensis Blkr z^ Capoëta padangensis Blkr. Hampala ampalong Blkr — Capoëta ampalong Blkr. Dangila sumatrana Blkr. Rohita (Rohita) enneaporos Blkr. //(//) triporos Blkr. Thynnichthys thyniioides Blkrzï Leuciscus thynnoides Blkr. Luciosoma (Trinematiihthys) trinema Blkr=: Leuciscus trinema Blkr. Rasbora sumatrana Blkr ^ Leuciscus sumatranus Blkr. Hymeiiophysa MacClellandi Blkr=ï Cobitis hymenophysa Blkr. '/ macracanthus Blkr— Cobitis macracanthus Blkr Cobitis Jaklesi Blkr. Rohita (Rohita) Waandersi Blkr. llomaloptera ophiolepis Blkr. 1/ salusur Blkr. v gymnogaster Blkr. ]853. Systomus (Barbodes) Huguenini Blkr =3 Barbus Iluguenini Blkr. Cyclocheilichthys (Cyclocheilichthys) repasson Blkr^ Barbus repasson Blkr. Systomus (Capoëta) oligolepis Blkr — Capoëta oligolepis Blkr. Dangila fasciata Blkr. Systomus (Barbodes) fasciatus Blkr =; Barbus fasciatus Blkr. Rohita (Rohita) oligolepis Blkr. Rasbora bankanensis Blkr — Leuciscns bankanensis Blkr. 24 Cyclocheilichthys (Siaja) heteronema Blkr ^ Barbus heteronema Blkr. // (Anematichthys) janthochir Blkr :=i Systomus janthochir Blkr. '/ (Cyclocheilichthys) raacracanthus Blkr =: Barbus raacracanthus Blkr. Systomus (Barbodes) Schwanefeldi Blkr— Barbus Schwanefeldü Blkr, ex parte. Crossocheilos (Crossocheilichthys) cobitis Blkr:::^ Lobocheilos cobitis Blkr. Lobocheilos (Lobocheilos) Schwanefeldi Blkr. Schismatorhynchos heterorhynchos Blkr =s Lobocheilos heterorchynhos Blkr :=; Schismatorhynchos lobocheilioides Blkr. 1854. Labeobarbus tambroides Blkr ^ Barbus tambroides Blkr. Rasbora lateristriata Blkr :z3 Leuciscus lateristriatus V. Hass. ie. mss. Acanthopsis choirorhynchos Blkr ^ Cobitis choirorhynchos Blkr. Lepidocephalus macrochir Blkr ;=; Cobitis macrochir Blkr. Aplocheilus javanicus Blkr. Systomus (Barbodes) amblycephalus Blkr =i Barbus amblycephalus Blkr. // (Capoëta) sumatranus Blkr — Capoeta tetrazona Blkr. 1855. Luciosoma (Luciosoma) spilopleura Blkr. Rohita (Rohita) brachynotopterus Blkr. Diplocheilichthys pleurotaenia Blkr :=; Lobocheilos pleurotaenia Blkr. Rasbora leptosoma Blkr ^ Leuciscus leptosoma Blkr. Systomus (Barbodes) javanicus Blkr :=! Barbus javanicus Blkr. // ( " ) macrophthalmus Blkr :=! Barbus macrophthalmus Blkr. // { I' ) platysoma Blkr ■^ Barbus platysoma Blkr. // (Systomus) lawak Blkr. Cyclocheilichthys (Anematichthys) apogonoides Blkr ^ Systomus apogonoi- des Blkr. // ( Siaja ) Deventeri Blkr ^ Capoëta Deventeri Blkr. Systomus (Capoëta) leiacanthus Blkr ;=; Capoëta javanica Blkr. Albulichthys albuloides Blkr :=; Systomus albuloides Blkr. 1356. Systomus (Barbodes) tetrazona Blkr ;:5 Barbus tetrazona Blkr. Rasborichthys Helfrichi Blkr z^ Leuciscus Helfrichü Blkr. Rohita (Rohita) borneënsis Blkr. // ( // ) kahajanensis Blkr. u { " ) Kappenii Blkr. 1856. Systomus (Barbodes) koilometopon Blkr. 1857. // ( '/ ) bunter Blkr — . Barbus bunter Blkr. Lobocheilos? (Lobocheilos?) Hasseltii Blkr ^ Barbus Ilasseltii Blkr. u (Gobionichthys) microcephalus Blkr ;=! Gobio microcephalus Blkr. Labeo (Diplocheilos) liicas Blkr :^ Lobocheilos lucas Blkr. // ( // ) rohitoides Blkr ;=! Lobocheilos rohitoides Blkr. 25 1S5S. Systorans (Sj-stoiuus) Waandcrsi Blkr. Behalve dczo S-l soorten bevat mijn kabinet nog eenigc andere, vroeger niet beschrevene. Ik heb die genoemd: Crossocheilos (Crossocheilichthys) Langei. Lobocheilos (Lobocheilos) lehat. Rohita (Rohita) Kuhli. Cyclocheilichthys (Siaja) macropus. Systoraus (Earbodes) belinka. // { // ) goniosoma. Thynnichthys polylepis. Rasbora borneënsis. Chela hypophthalmus. De laatstgenoemde soorten worden in dezen arbeid voor het eerst bekend gemaakt en brengen het aantal der door mij ontdekte archipelagische soorten van Cyprinen op 93, en dat der in het geheel vvaargenomene op 141. Van die soorten behooren slechts 2 tot de familie der Cyprinodontoïden en daarin tot de groep der Aplocheilinen , welke groep tot de oude wereld beperkt is en daarin tot Zuid- en Oost-Azië en de Japansche en Indische eilanden. Van de overblijvende 189 Cyprinoïden behooren 11 soorten tot de subfamilie der Cobitiformes, welke subfamilie insgelijks tot de oude wereld is beperkt, doch. zich uitstrekt over de geheele breedte van Azië en Europa, terwijl zij ia Afrika geene vertegenwoordigers telt. De llomalopteraeformes tellen op de Soenda-eilanden 9 soorten. Andere soorten dezer subfamilie zijn slechts bekend van Zuid-Azië. De Cypriniforraes, 119 in getal, behooren, op 2 soorten na, alle tot de groepen der Labeoninen en 1'arbinen. De Catostominen vindt men evenmin in den Indischen Archipel als in Europa, Afrika en bijkans geheel Azië, van welk werelddeel tot nog toe slechts oostelijk Si- berië het bestaan van Catostominen, en dan nog slechts van eene enkele soort, heeft aano-ewezen. Ook de Cyprininen mogen gezegd worden in den Indischen archipel niet natuur- lijk voor te komen, want Carassius auratus is er slechts een kultuurvisch en Cyprinus' flavipinnis is dat even zoo en heeft zich vrijwillig ook nog niet verder verspreid dan in de bovenlanden van het westelijke gedeelte van Java. liet eigenlijke vader- land der Cyprininen is ook beperkt tot de gematigde en koudere streken van Azië en Europa, van waar enkele soorten over de meest verschillende deelen der aarde zijn verbreid. De archipelagische Labeoninen zijn, volgens den tegenwoordigen stand der weten- schap, 42 of 43 in getal. Deze groep vindt men in alle werelddeelen terug, waar 4 26 Cyprinoïden leven, doch hare soorten zijn zoo talrijk in Zuid- en Zuidwestelijk Azië en in Noord-Ainerika , als zij spaarzaam zijn in Europa, Zuid-Afrika en Oostelijk Azië, terwijl ze in Noord-Europa en Noord-Azie geheel ontbreken. De Barbinen zijn in den Soenda-archipel in de talrijkste soorten vertegenwoordigd. Die soorten zijn 74 in getal en maken alzoo de grootste heU't uit van de gezamen- hjke archipelagische Cyprinoïden. Trouwens zijn de Barbinen in het algemeen de rijkst bedeelde groep der geheele familie, bedragende het aantal harer soorten, over de geheele aarde en de thans levende schepping genomen , ruim 64% van alle thans bekende der geheele familie. Betrekkelijk het talrijkst zijn zij in Zuid-Azië en Europa, het spaarzaamste in Noord Azië en Afrika. De kennis, door mijne waarnemingen verkregen, heeft reeds eenig licht doen op- gaan over de geographische verbreiding der archipelagische Cyprinen. Toen ik mijne nasporingen begon, was op de kaart van den Indischen archipel slechts een gedeelte van westelijk Java en eene enkele plek op Borneo en Lucon met Cyprinen te beteekenen, en wel, zooals hierboven reeds is aangeduid Lu^on en Borneo elk met 2 , Java met 42 soorten en Pinang , zoo men dit eiland tot den Archipel wil rekenen, met 3 soorten. Die verhoudingen zijn thans reeds aanmerkelijk gewijzigd. Van Java ken ik 73 , van Bali 2, van Sumatra 84, van Nias 1 , van Singapoera 3, van Banka 10, van Biliton 4, en van Borneo 52 Cyprinen ; cijfers, welke zeker wel in de verte niet uitdrukken de juiste verhoudingen der op die eilanden voor- komende soorten, maar toch reeds opmerkelijk zijn, omdat zij aantoonen, eensdeels den vroeger niet vermoeden rijkdom van alle grootere Soenda-eilanden aan ver- tegenwoordigers der orde en ten andere, dat Sumatra vooral zeer rijk is aan Cyprinen, rijker zeker dan Java, vermits het, alhoewel minder onderzocht dan Java, thans reeds 11 soorten meer heeft aan te wijzen. Ook het cijfer van Borneo zou hoogst- waarschijnlijk veel hooger zijn, zoo niet de mij tot dusverre van daar gewordene karpers alle van slechts uit de lage gedeelten der gebieden van zijne groote stroomen waren toegezonden. Eene geheel andere wereld van Cyprinen beweegt zich gewis in het hart van dit grootste eiland der wereld, dan nabij zijne stroommondingeii, evenzeer als zulks reeds voor Java en Sumatra bewezen is. Nog kort geleden bestond er veel grond aan te nemen , dat de archipelagische Cyprinen, eene geheel afgezonderde fauna uitmaken. Geen enkele archipelagische soort der Cyprinoïden was van buiten den archipel be- kend , want Barbus gardonides Val. van Bengalen , door den heer Valenciennes ook 27 opo-eo-even als Java te bewonen, komt hier niet voor, — en al wilde men Pinang binnen de grenzen van den Archipel trekken , dan is het nog twijfelachtig , of de soort, door den heer Cantor van daar als Leuciscus rasbora beschreven, inder- daad dezelfde is als C)'prinus rasbora van l^uchanan. Slechts van Panchax, dus een Cyprinodont, wist men, dat zij zoowel op de Soenda-eilanden als in Bengalen leeft. Maar ook hieromtrent heeft de jongste tijd een nieuvir licht doen opgaan. Men is dit verpligt aan de nasporingen van den graaf Francis De Castelnau. Met groote getrouwheid heeft de heer De Castelnau, tijdens zijn verblijf in Siam , te Banu-kok, de physiognomie der visschen , welke hij aldaar heeft waargenomen, in een album teruggegeven. Dit album, mij ter inzage welwillend toegezonden, heeft met zekerheid een groot aantal archipelagische vischsoorten en daaronder ook meerdere Cyprinoïden laten herkennen. Daardoor is bewezen, dat ook in Siam 's stroomen leven Morulius chrysophekadion , Rohita (Rohita) melanopleura , Rohita (Rohita) borneënsis, Systomus (Systomus) bulu, Systomus (Barbodes) rubripinnis, Amblvrhvnchichthys truncatus, Balantiocheilos melanopterus, Rasbora dusonensis en Macrochirichthys uranoscopus. En aangezien datzelfde album ook heeft geleerd , dat meerdere Labyrinthvisschen, Rhynchobdelloïden en Siluroïden , welke vroeger ook alleenlijk van .de rivieren van den Indischen archipel bekend waren, insgelijks in de zoete wateren van Siam voorkomen , laat zich de groote verwantschap tusschen de zoetwater -vischfauna van Siam en die der Soenda-eilanden niet miskennen. Die verwantschap is zelfs zoodanig, dat ik, zoo als ik mij reeds elders heb uitge- drukt, indien ik niet bekend geweest was met den oorsprong der afbeeldingen van den heer De Castelnau, ze, wat de zoetwatervisschen betreft, geliouden zou hebben als voor te stellen de zoetwatervischfauna van Borneo of Sumatra. Het lijdt geen' twijfel, dat een voortgezet onderzoek der zoetwater-faunen van de genoemde, door eene vrij breede zee van elkander gescheidene, gewesten, ten opzigte van de geographisclie verbreiding der Cyprinen nog menig merkwaardig punt zal aan het licht brengen en dat menig geoloog daarin aanleiding zal vinden tot the- oriën over den genetischen zamenhang dier gewesten en de geboorte van de tus- schen ze liggende Chinesche en Maleische zeeën. Een ander merkwaardig punt is de verdeeling der verschillende soorten van Cyprinen over de verschillende Soenda-eilanden. Gelijk voor de plantenwereld, voor meerdere klassen van het dierenrijk, en in de klasse der visschen in het bijzonder voor de Siluren, reeds was aangetoond, dat Sumatra en Borneo meer met elkander overeenkomen dan een van beide met Java, is zulks thans ook ten op- zigte der Cyprinen te bewijzen. Talrijke soorten worden gelijkelijk op Borneo en Sumatra aangctroften , welke op Java worden geaiist , en talrijke soorten ook vindt men op Java, welke op Borneo en Sumatra ontbreken. Yoor zooveel men van 28 de eilanden Banka en Biliton weet, zijn zij in een cyprinologiscli opzigt evenzeer nader verwant aan Borneo en Sumatra dan aan Java. Volgens den tegenwoordigen stand der kennis zijn volgende verhoudingen aan te teekenen. 1°. Soorten, op alle drie groote Soenda-eilanden (Java, Sumatra, Borneo) voor- komende zijn: Hymenopliysa MacCIellandi, llohita Hasseltii, Rohita vittata , Dan- gila Cuvieri, Barbichthys laevis , Cycloch ilichthys (Anematichthys) apogon (ook op Banka), Systomus (Barbodes) lateristriga (ook op Singapoera, Banka en Biliton), Systomus (Barbodes) maculatus (ook op Bali, Nias, Singapoera, Banka en Bili- ton), Hampala macrolepidota (ook op Pinang), Chela anomalurus, Cliela oxygas- troides en Panchax Buchanani (ook op Pinang). 2°. Java heeft gemeen met Sumatra, maar niet met Borneo ; Cobitis fasciata, Acanthophthalmus javanicus, Acanthophthalmus fasciatus, Homaloptera fasciata, Homaloptera ocellata Homaloptera ophiolepis, Homaloptera salusur, Crossocheilos (Crossocheilos) oblongus , Crossocheilos (Crossocheilichthys) cobitis , Lobocheilos( Lo- bocheilos) falcifer, Lobocheilos (Lobocheilos) Schwanefeldi , Morulius chrysopheka- dion, Rohita microcephalus, Labeobarbus douronensis, Labeobarbus soro, Labeo- barbus tambra Labeobarbus tambroides , Cyclocheilichthys (Cyclocheilichthys) arma- tus , Systomus (Barbodes) javanicus, Systomus (Barbodes) marginatus, Luciosoma (Luciosoma) setigerum, Rasbora argyrotaenia en Rasbora lateristriata. 3°. Borneo heeft gemeen met Java maar niet met Sumatra : Acanthopsis dialyzoua en Systomus (Barbus) erythropterus. 4°. Borneo heeft gemeen met Sumatra maar niet met Java: Hymenophysa ma- cracaiithus, Epalzeorhynchos kallopterus, Rohita melanopleura, Rohita Schlegeli, Ro- hita triporos, Dangila fasciata, Dangila ocellata, Cyclocheilichthys (Cyclocheilich- thys) siaja, Cyclocheilichthys (Cyclocheilichthys) microlepis, Balantiocheilos mela- nopterus , Systomus (Barbodes) fasciatus (ook op Banka) , Systomus (Barbodes) Schwanefeldi, Systomus (Sj'^stomus) bulu, Hampala ampalong, Albulichthys albu- loides, Amblyrhynchichthys truncatus, Rohteichthys microlepis, Leptobarbus Hoe- venii, Luciosoma (Trinematichthys) trinema, Thynnichthys polylepis, Rasbora du- sonensis en Macrochirichthys uranoscopus. Wanneer de hoogere gedeelten der stroomgebieden op Cyprinen zullen onderzocht zijn, zal het ook blijken, dat menige soort, sub 2° aangevoerd, ook de heldere rivierwateren van Borneo bevolkt, maar ik geloof niet, dat toekomstige nasporingeu vele der soorten op Java zal doen vinden in deze ^ vermeld. 5°. Aan Java zijn eigen: Lepidocephalus Hasseltii, Homaloptera erythrorhina , Homaloptera pavonina, Homaloptera Valenciennesi, Labeo (Diplocheilos) erythro- pterus, Labeo (Diplocheilos) lucas, Labeo (Diplocheilos) rohitoides, Labeo? (Diplo- cheilos) hispidus, Lobocheilos (Lobocheilos) lehat, Lobocheilos (Gobionichthys) ia- é9 vanicus, Lobocheilos (Gobionichthjs) microcephalas, Lobocheilos ? ? Hasseltii, Dan- gila Kulili, Dangila lipoclieila, Cirrhina breviceps Val., Cycloclieilichthys (Cyclochei- lichthys) enoplos , Cyclocheilichtliys (Siaja) Deventeri, Cycloclieilichthys (Anematichthys) apogonides, Systomus (Barbodes) bramoides , Systoaius (Barbedes) bunter, Systomus (Barbodes) gonionotus, Systomus (Barbodes) hypselouotus , Systomus (Barbodes) koi- lometopon, Systomus (Barbodes) macrophthalmus , Systomus (Barbodes) obtusirostris , Systomus (Barbodes) platysoma, Systomus (Capoëta) brevis, Systomus (Capoëta) leiacanthus, Systomus (Systomus) lawak, Systomus (Systomus) Waandersi, Macro- chirichthvs?? macrochirus en Aplocheilos javanicus. 6% Aan Sumatra zijn eigen : Cobitis Jaklesi, Acanthopsis choirorhynchos , Lepido- cephalus niacrochir, Homaloptera gymnogaster, Crossocheilos (Crossocheilichthys) Langei , Schismatorhynchos heterorhynchos , Diplocheilichthys pleurotaenia , Rohita brachynotopterus , Rohita eneaporos, Rohita Kuhli, Dangila sumatrana, Cyclo- cheilichthys (Cyclocheilichthys) macracanthus , Cyclocheilichthys (Gyclocheilichthys) repasson, Systomus (Barbodes) belinka, Systomus (Barbodes) goniosoma, Systo- mus (Barbodes) Huguenini, Systomus (Capoëta) oligolepis, Systomus (Capoëta) pa- dangensis, Systomus (Capoëta) sumatranus, Thynnichthys thynnoides , Rasbora lep- tosoma, Rasbora sumatrana en Chela hypophthalmus. 7°. Aan Borneo zijn eigen: Cobitichthys barbatuloides, Rohita Kappenii, Dangila festiva, Dangila spilurus, Cyclocheilichthys (Siaja) heteronema, Cyclocheilichtys (Siaja) macropus, Cyclocheilichthys (Anematichthys) janthochir, Systomus (Barbodes) am- blycephalus, Systomus (Barbodes) tetrazona en Rasbora borneënsis. 8°. Aan Banka zijn eigen: Rohita oligolepis, Rohita Waandersi en Rasbora bankanensis. 9°. Biliton heeft tot nog toe geene eigene soorten aan te wijzen , evenmin als Bali, Nias en Singapoera, terwijl van de overige Soenda-eilanden nog geene en- kele soort der orde is bekend geworden. J0°. Aan de Philippijnen zijn eigen: Dangila cyanopareja en Dangila philippinia, de twee eenige soorten van C\prinen , tot dusverre van die eilandengroep vermeld. Ten opzigte van de verdeeling der generische typen over de Soenda-eilanden blijkt uit het bovenstaande: 1°. Dat' de drie groote Soenda-eilanden met elkander gemeen hebben de ge- slachten Hymenophysa, Acanthopsis, Rohita, Dangila, Barbichthys, Cyclochei- lichthys, Systomus, Hampala, Luciosoma, Rasbora, Chela, Macrochirichthys ? en Panchax. C°. Dat Java gemeen heeft met Sumatra, maar niet met Borneo : Cobitis, Acan- thophthalmus , Lepidocephalus , Homaloptera, Crossocheilos, Lobocheilos , Morulius , Labeobarbus, en het subgenus Luciosoma. 3°. Dat Borneo met Java geen enkel geslacht gemeen heeft, wat niet tevefls OD Sumatra voorkomt. 30 4°. Dat Borneo daarentegen met Suraatra gemeen heeft, maarniet tevens ook met Java, de geslachten Epalzeorhynchos, Balantiocheilos, Albulich thys, Amblyrhyn- chichthys, Rohteichthys, Leptobarbus, Thynnichthys en het sub genus Trinematichthys. 5°. Dat in den archipel uitsluitend op Java zijn gevonden de subgenera Diplo- cheilos en Gobionichthys en het geslacht Cyprinus, van welke echter slechts Go- bionichthys aan Java eigen is. 6\ Dat aan Sumatra eigen is het geslacht Diplocheilichthys , terwijl het ge- slacht Schismatorhynchos wel ook in Zuid-Azie vertegenwoordigd wordt, doch in den Archipel op Sumatra alleen staat. 7°. Dat aan Borneo geheel eigen is het geslacht Rasborichthys. 8^ Dat de van Bali, Nias, Biliton, Banka, Singapoera en de Philippijuen be- kend gewordene soorten alle behooren tot geslachten, welke ook op andere eilan- den voorkomen. De boven omschrevene verhoudingen zijn in de hieronder volgende opgave tabel- larisch aangeduid. Wil men eenig denkbeeld van den soortenrijkdom, hierboven ont\'ouwd, dan is het slechts noodig Java of Sumatra te vergelijken met eenig ander groot eiland, gelegen nabij een vastland dat rijk is aan Cyprinen. •> Groot-Brittanje staat ten dezen in ongeveer dezelfde verhouding tot Europa, als Sumatra of Java tot Azië. Engeland en Schotland te zamen, in grootte weinig verschillende van Java, voeden slechts , volgens de // List of the specimens of British animals in the CoUection of the British Museum" van den heer J. E. Gray, 21 soorten van Cyprinen, t. w. 2 Co- bitiformes, 3 Cyprininen en 16 Barbinen, en van die soorten zijn eenige nog van het vastland overgebragt. Van Java daarentegen kent men thans reeds 73 en van Sumatra 84 Cyprinen en die cijfers drukken stellig nog op vele soorten na niet uit het wezenlijk op ze voorkomende, terwijl zich niet laat verwachten, dat het cijfer van Groot-Brittanje door nieuwe waarnemingen eenigzins van belang zal gewijzigd worden. Maakt men de vergelijking op eene eenigzins grootere schaal, b. v. van Java en Sumatra te zamen, met eenig groot gewest, rijk aan Cyprinen en naauwkeurig door naturalisten onderzocht, bij voorbeeld den Oostenrijkschen Staat, zooals die nog in begin dezes jaars omschreven was, met zijne groote stroomgebieden van den Do- iiau en den Po, dan blijkt het, dat Sumatra alleen thans reeds meer Cyprinen heeft aan te wijzen dan gelieel Oostenrijk, vermits in den jongsten arbeid van Heckel en den heer R. Kner over de oostenrijksche visschen , in het geheel 81 Cyprinen zijn opgegeven. En voegt men Java en Suraatra bijeen, om eeue uit- 31 gestrektheid lands te erlangen, die van Oostenrijk raeernabij komende, dan blijkt het, dat men thans reeds van beide eilanden 40 soorten meer kent, dan van de ge- heele Oostenrijksche monarchie. Geheel Europa bezit^ volgens den tegenwoordigen stand onzer kennis, juist zooveel soorten van Cyprinen, als thans reeds van de Soenda-eilanden zijn ontdekt geworden. De Cyprinen zijn over den Tndischen Archipel verbreid als volgt. 32 CYPRINORÜM ARCHIPELA.GICORUJI DISTRIBUTIO GEOGRAPPIICA. NOMINA. es t- 's n 2 a s CS s o, fcO a ö c u o 6. ^ 1 m 'S FaMILIA CrPRINOIDEI. Subfamilia Cobitiformes. 1 Hymenophysa MacClellandi Blkr. 1 » ji )ï )j 1» » 1 11 » 2 11 macracanthus Blkr. . . )I 1» }) !) 'ï lï 1) 1 11 3 Cobitis fasciata Val 1 )l ? )l )T » 1) lï 1) 4 '1 Jaklesi Blkr » 1) » » )) 1) lï 1» 1) 5 Cobitichthys barbatuloides Blkr. . » )» » )) 1) » 11 1 » 6 Acanthopsis choirorhynclios Blkr. 7 » dialyzona V. Hass. . . 1» 1 1) 1) » )ï 11 1 11 lï 8 Acanthophthalmus fasciatns V. Hass. 1 )) )) 11 lï » tt lï 11 9 11 javanicus V. Hass. 1 )ï » lï » )} 11 lï 11 10 Lepidocephalus Hasseltii Blkr. . . 11 j) macrochir Blkr. . . . 1 )1 1 n J» 1» lï 1» 11 1) 11 1 Tot. : ! . . G » 8 p )> » )ï )) 4 » ï Subfamilia Ilomalopleraeformes. 12 Homaloptera fasciata V. Hass. » 1) 1) 11 n 1) lï 11 1 13 » gyranogaster Blkr. . . . n j> » )ï 1» 1» 1) 11 1 14 » javanica V. Hass. . . . " )) 1) )) » 1) 1» W 1 15 n ocellata V. Hass. . : . » )) \) lï » 11 11 lï » IG » ophiolepis Blkr. . . . 17 11 salusur Blkr 1» » 1) )) jï 1) lï 11 11 lï ï ï 18 11 erythrorhina Blkr. . . . n » lï » j» lï )ï 11 ) 19 11 pavonina Blkr » ï) » It )» )» 1) 11 11 ï 20 11 Valeuciennesi Blkr. . . 8 11 )» 1» It » lï 1) 11 11 lï 11 I Totaal. ; . 6 j) )» )ï 1 Subfamilia Cypriniformes. 21 Crossocheilos (Crossocheilos) oblongus V. Hass. 1 )i I )» 1) J) lï j< 1» 11 1 22 11 { 11 ) cobitis Blkr. 1 II 1 j) IT lï 11 1) 11 11 1 23 11 ( 11 ) Langei Blkr. )) ti 1 )i )> » lï 11 1» 11 t 24 Epalzeorhynchos kallopteriis Blkr. 2.5 Scbismatorhynchos heterorhyncbos Blkr ir 1 l 11 J) 11 1» 11 lï lï 1 >ï 11 1 1 2S Diplocbtilichthys pleurotaeniaBlkr. » )» I 1) )» 1} 1) tl •■} 11 1 Transp. . . 2 n G »ï n I) 51 1» l 'ï 1 33 o. ^ é ö .2" •—4 NOMINA. ^3 s CC a Pm CS to Q CO o a o a Per transp. 2 » G » » )> )ï }t 1 11 Jï 27 Labeo (Diplocheilos) erytliropterus Blkr. . . . ï) )ï » » » 1) ïï lï 11 Jï 28 » ( » ) lucas Blkr. . . )ï }} » )ï » ï) Jï Jï 11 IJ 29 1) ( M ) i-ohitoides Blkr. . )ï n I) )) )ï ïï ïï 1) 11 ïï 30 »?(.)) hispidus Blkr. . . » » » » » ïï ï) Jï II lï 31 Lobocheilos (Lobocheilos) falcifer V. Ha.» 1) » )) ïï ïï )ï » Jï 33 » ( " ) SchwanefUdi Blkr. » 1 )} » )ï » ï) Jï 11 II 34 n (Gobionichthys) javanicus Blkr. . . }) )) )> » 1) ïï 1) ïï » » 35 » ( » ) inicroceplialusBlkr. H }j )) 1) » ïï ïï ïï » lï 36 » ? (Lobocheilos ?) Hasseltii Blkr. . . . )ï )) » ï) » )ï » lï ïï n 37 Morulius chrysophekadion Blkr. . n 1 )) » )} ïï J) lï )) 1 38 Eohita (Rohita) borneënsis Blkr. . » » )ï )) » » )ï J) 1 Jï 1 39 » ( » ) brachynotopterusBlkr. » » 1 )) » }} )ï Jï 11 Jï j) 40 » ( II ) enneaporos Blkr. . n » 1 )) » » )i Jï 11 ï» II 41 1) ( 11 ) Hasseltii Val. . . 1 )i 1 » » » ï) Jï 1 Jï lï 42 n ( )i .) kahajanensisBlkr. . » » 1 H )ï » )ï Jï 1 Jï it 43 » ( » ) Kappenii Blkr. . . )) » II » ït » ï) » 1 ÏJ lï 44 ,. ( ,) ) Kulüi Blkr. . . . » » 1 )ï )) )ï » Jï » ïï ïï 45 » ( )) ) melanopleura Blkr. . » ï> 1 ». ï) )I ïï ïf 1 Jï 1 46 » ( 1) ) microcephalus Blkr. 1 Jï 1 » }) )) ïï J> )i ïJ ïï 47 )) ( » ) oligolepis Blkr. , . » » II )) » » 1 n 11 )J n 48 1) ( 11 ) Schlegeli Blkr. . . )ï )> 1 H )) » }) )) 1 ïJ 1 49 11 ( i> ) triporos Blkr. . . H » 1 )) H )} ïï Jï 1 Jï Jï 50 » ( » ) vittata Val. . . . 1 )) 1 )ï » )ï )ï )) 1 JJ M 51 11 ( >i ) Waandersi Blkr. 11 }} )> » » » 1 1) 11 Jl Jï 52 Dangila Cuvieri Val 1 » 1 )ï )) Jï Jï IJ 1 ïï lï 53 11 fasciata Blkr. . , . , » » 1 I) n » Jï » 1 IJ II 54 1) festiva Blkr )ï )) 11 }) )) ïï )ï Jï 1 ïï Jï 55 1. Kulilii Val 1 » 11 » » n )) Jï Jï Jï » 56 n ocellata Blkr 11 » 1 » )i » ïï ïï 1 11 ï» 57 II spilurus Blkr 11 » 1) )) » )) ïï JJ 1 ïï lï 58 11 sumatrana Blkr. , . . . 11 >i 1 » » )) ïï JJ Jï I) ïï 59 11 lipocheilos Val 1 H f) )) }) ïï ïï Jï I) ïï lï 60 11 cyanopareja Blkr. . . . ï) J) )) » )) n ï) ïï » 1 ïl 61 11 philippinia Blkr. . . . » H » ï) ï) )ï ïï )j )j 1 II 62 Barbichthys laevis Blkr. . . . 1 » 1 }) }) ïï Jï )j 1 IJ J) 63 Cirrhina breviceps Val. (s^en.??). . 1 )) )) )ï )j )} Jï ïï ïj JJ ïl 64 Cyprinus flavipinnis V. Hass. 1 )) » )l » )) jj j) Jï Jï 1 65 Carassius auratus Nilss. . . . 1 )) )> » » ï) 1 » Jï Jï 1 6S Labeobarbus douronensis Blkr. . 1 » 1 ï) )) )ï )ï ïj ïï JJ ïï 67 )i soro Blkr 1 » 1 )> » )) ]j Jï II IJ H 68 11 tambra Blkr 1 » 1 » }) ïï ïï IJ Jï IJ lï 69 1) tarnbroides Blkr. . . . 1 n 1 » » )) Jï ï) )j J» ïï 70 Cyclocbeilichthys ( Cyclocbeilich- thys) armatus Blkr. . . . 1 )) 1 J) )} » JJ Ji JJ n n Transp. . . , 28 f) ~2i ir » }} '3 Jï 15 2 6 34 NOMINA. C5 ê a 3 cc n a CS a S "o CO o s ó 0) a u o W 1— i Extra. Archipel. Per transp. 28 29 3 15 2 6 71 Cyclocbeilichthys (Cjxlocheilich- thys) enoplos Blkr. . . . 1 » 11 n }) )} » )i 11 11 11 72 » ( » ) macracanthusBlkr » )j 1 II )) »ï 1) 1) 11 lï lï 73 » ( » ) repasson Blkr » )» 1 11 n 11 lï 11 II lï 11 74 11 (Siaja) Deventeri Blkr. 1 » J) 11 n )) )ï )i 11 » ïï 75 i> ( » ) heteronema Blkr. 11 n » II }) )ï lï » 1 lï 11 76 » ( » ) siaja Blkr, . . 11 » 1 11 » » 11 n 1 )> )ï 77 11 ( 1) ) macropus Blkr. 11 » » 11 » n lï » 1 » 11 78 11 { 11 ) microlepis Blkr. 11 » 1 )i » » lï » 1 11 II 79 11 (Anematichthys) apogon Blkr 1 ïï 1 11 » » 1 11 1 lï ï) 80 11 ( 11 ) apogonides Blkr. 1 » 11 11 )} )> Jl ïl lï 11 II 81 » ( 11 ) janthocliir Blkr. . . » )t 11 11 )) )ï lï » 1 11 lï 82 Balantiocheilos melanopterus Blkr » )) 1 11 » )) lï 11 1 11 1 83 Systomus (Barbodes) amblycepha- lus Blkr. . )» 1) 11 11 » )} 1» » 1 }i 11 84 11 ( 11 belinka Blkr. . . » » 1 n » n » 11 11 11 II 85 11 ( 11 bramoides Blkr. , 1 )) » i> n » ïï lï 11 )i 11 86 11 { 11 bun ter Blkr. . . . 1 )) » 11 )> )ï Jl lï 11 1» lï 87 11 ( 11 erythropterusBlkr.. . 1 1) }l 11 » }i 1) lï 1 lï II 88 11 { 11 fasciatus Blkr. J> ï) 1 11 » )» 1 11 1 11 IJ 89 11 ( 11 gonionotus Blkr. . 1 » » 11 )) » lï lï II 11 1) 90 » { 11 goniosoraa Blkr. . . )) » 1 II II )) 11 lï 11 lï 11 91 11 ( 11 Huguenini Bik. . H » 1 11 }) » lï » 11 11 11 92 11 ( 11 ) hypselonotus Blkr. . . 1 n 11 11 » » )> 11 lï 11 )t 93 11 ( 11 javanicus Blkr. . 1 n 1 11 n » ï» lï lï 11 ï» 94 11 ( 11 lateristriga Blkr. . 1 » 1 II )ï 1 1 1 1 lï H 95 11 ( 11 ) koilometopon Blkr. 1 ïj 11 11 » 11 II 11 H lï II 96 11 ( 11 macrophthalmus Bltcr 1 )i 11 11 » 11 11 )1 11 lï 11 97 11 ( 11 raaculatus Blkr. . 1 1 1 1 }} 1 1 1 1 » II 98 11 ( 11 marginatus Blkr. . 1 )) 1 )} ]> }) 11 II 11 11 >ï 99 11 ( 11 obtusirostris Blkr. . 1 t> » » 1) » 11 11 11 lï Jl 100 11 ( 11 platysoma Blkr. . 1 » ]) » )i n )} n ïï lï 11 101 11 ( 11 rubripinnis Blkr . 1 » n }> M )ï 11 » )1 lï 1 102 a ( 11 Schwanefeldi Blkr. ÏJ )) 1 » }l » >ï lï 1 )i 11 103 11 ( 11 tetrazona Blkr. )} » 1) n » )» lï 11 1 11 ïl 104 1» (Capoëta ) brevis Blkr. . . 1 » » n lï » 11 )ï II 11 11 105 11 ( , 11 ) leiacanthus Blkr. . 1 n » » )l )) 11 11 11 » ï> 106 11 ( 11 ) oligolepis Blkr. . , 11 » 1 »ï )l ï) H lï K ïl 11 107 11 ( 11 ) padangensis Blkr. . 11 )ï 1 )) lï ïï tl ï» 11 11 lï 108 11 ( 11 ) sumatranus Blkr. . II )) 1 » » » »» )i 11 ïl II 109 11 (Systomus) bulu Blkr. . . 11 » 1 )) )l » ïï lï 1 11 1 110 11 ( II ) lawak Blkr. . . . 1 » 11 » H lï Jï » 11 II 11 111 11 ( 11 ) Waandersi Blkr. . 1 » 11 )) » » 1) w 11 lï ïl 112 Harapala ampalong Blkr. . . 11 ÏJ 1 )i )) lï lï » n lï 113 » macrolepidota K. v. H 1 » 1 I) 1 ]> » )] 11 lï 114 Albuliehthys albuloides Blkr. . I» )i 1 )) 11 » lï )ï ïï 11 115 Amblyrhyuchichthys truncatus BI .Ir 11 n 1 n 11 >i 11 n ïl 1 116 Rohteichthys microlepis Blkr. 11 11 1 n 11 » lï 11 ïi ïï 117 Leptobarbus Hoevenii Blkr. Transp. ; 11 » 1 54 1 11 1 IJ 2 7 1) ~2~ 36 )i lï 51 1 2 10 35 NOMINA. es > 'i 2 a a co i fcO a a 2 c2 a et c o m c u o Cl, .5* 'Ja m a 1-1 g ^ 11 Per transp. 118 Luciosoma (Luciosoma) setigerum Blkr. . 119 II ( 1) ) spilopleura Blkr. 120 1) (Trinematichthys) trinema Blkr. 121 Thynnichthys thynnoides Blkr. . 122 II polylepis Blkr. , . • . 123 Rasbora argyrotaenia Blkr. . . 124 11 bankaneusis Blkr. . . . 125 II borneënsis Blkr 12C II cephalotaenia Blkr. . . . 127 » dusonensis Blkr 128 11 Einthoveni Blkr 129 » kallochroma Blkr. . . . 130 11 lateristriata Blkr 131 11 leptosoraa Blkr 132 11 sumatrana Blkr 133 11 rasbora Blkr 134 Rasborichthys Helfrichi Blkr. 135 Chela anomalura Blkr 136 11 hypophthalmus Blkr. . . . 137 II oxygastroides Blkr. . . . 138 Macrochirichthys uranoscopus Blkr. 139 11 ?? macrochirus Blkr. , . . 51 1 » n 1 11 11 11 11 11 11 1 » » 1 » 1 )) 1 1 1) 11 11 11 11 1 » n n )) ïï it }} » » n » » » 54 1 1 1 1 1 1 11 11 11 1 11 11 1 1 1 1) » 1 1 1 1 » » )) n » » » » » 1 1) 11 1» » 11 11 II » 11 11 11 11 11 11 11 1 » » » 2 11 » 11 II 11 11 II 11 » n 1 11 11 11 11 11 11 11 11 11 11 11 7 11 11 u 11 11 11 1 I) 1 11 1 1 11 11 11 11 11 11 11 11 . II 11 2 11 11 » 11 11 11 11 » 1 1 11 11 11 11 11 11 11 11 11 » 11 3G )) )» 1 n 1 11 11 1 1 1 1 1 II 11 11 11 1 1 11 1 1 2 » » » » » n )} » » )) n » )) » j) 2 10 n 1 )/ » )ï )» » )) )) 1 )) )} }) ïï » 1 » » 1 11 Tot. . : 57 2 » 11 2 68 1 2 3 11 II II 10 10 4 47 14 Tot. Cobitiformes. .'..'.., 11 Homalopterae/ormes. . . . » Cyprinijormes 6 8 57 8 6 68 1) 11 1 11 » 2 11 II 3 11 II 4 4 4 47 }) 2 11 11 14 Tot. . . 71 2 82 1 2 3 51 2 14 Familia Cyprinodontoidei 140 Aplocheilos javanicus Blkr. . . 141 Panchax Buchanani Val. . , : 1 1 2 11 11 1 1 1 2 1 » » n II 11 1 1 Tot. . . 1 1 1 1 Ordo Cyprini. Familia CrPRiNOioEi II CïPRINODONTOIDEI. . . 71 2 2 82 1 3 3 10 4 51 1 2 14 1 Tot. . . 73 2 83 1 3 10 4 52 2 15 36 Hierbij zijn waarschijnlijk nog te voegen Barbus balleroides Val. en Barbas caras- sioides Heek. Eene optelling , met de mij beschikbare hulpmiddelen , van de Cyprinen der thans levende schepping, heeft mij doen vinden een cijfer van 1144 soorten. In dit cijfer zijn de archipelagische soorten begrepen. Deze soorten maken alzoo ongeveer l/S of ruim 0,12 uit van het geheel. Gaat men deze verhouding meer in bijzonderheden na, met betrekking tot de familiën, subfatniliën en groepen, dan erlangt men de volgende uitkomsten. Van de Cyprinodontoïden zijn 97 soorten beschreven, waaronder slechts 2 archi- pelagische. De evenredigheid is dus ^ 1:48,5. De beschrevene Cyprinoïden zijn 1047 in getal, met inbegrip der 142 archipe- lagische. De verhouding is alzoo z^ 1:7,37. De subfamilie der Cypriniformes telt, met inbegrip van 122 archipelagische, 959 soorten. Men vindt daaruit de proportie =3 1:7,86. In de wetenschap zijn thans 72 soorten van Cobitinen vermeld, waaronder 11 archipelagische. Men erlangt daaruit de evenredigheid :=; 1:6,54. Van de 16 bekende Homalopteraeformes , zijn 9 archipelagische :=i 1:1,77. Deze verhoudingen zijn voorts voor de groepen der Cypriniformes ais volgt. :=! 1: 5,67. =! 1: 9,05. =3 1: 4,18. ;=: 0:64. =5 0:54. ^ 0:33, of de beide ingevoerde soorten in reke- = 1:16,5. Voor de Phalakrognathinen. // Cheilognathinen. // Labeoninen. . . // Chondrostominen. 1/ Catostominen. u H Cyprinen. . . ning brengende. v u Barbinen. . . . =3 1: 8,15. De fossiele Cyprinen zijn in deze verhoudigen buiten berekening gelaten. Alhoewel de Cyprinen in den archipel een zoo merkwaardig groot gedeelte van het geheel uitmaken, is het toch opmerkelijk, niet alleen dat de Cyprinodontoïden er naauwelijks en de Chondrostominen, Catostominen en Cyprininen er in het ge- heel niet vertegenwoordigd worden, maar dat ook, met uitzondering slechts van de Cobitiformes , zoo talrijke geslachten van de overige Cyprinoïden niet worden aangetroffen. Men vindt er geen enkele amerikaansch genus terug en van de in Afrika en Europa levende geslachten hoogstens Labeobarbus, Systomus, Chela, Labeo en Crossocheilos. 37 Ik heb hieronder laten volgen een tabellarisch overzigt van de geographische ver- verbreiding van alle de door mij aangenomene geslachten der Cyprinen , en men zal daaruit kunnen ontwaren , dat van de 35 geslachten der Labeoninen niet minder dan 26 , en van de 69 genera van Barbinen niet minder dan 53 in den archipel ontbreken. Uiterst grensgewest der Cyprinen in het zuidoosten, heeft de archipel evenwel de merkwaardigste en meest zamengestelde vormen in het leven geroepen en voedt hij vertegenwoordigers van de geslachten Epalzeorhynchos , Diplocheilichthys ^ Lo- bocheilos, Barbichthys, Cyclocheilichthys , Albulichthys , Rohteichthys , Leptobarbus, Rasborichthys en Macrochirichthys , van welke de groote vastlanden der oude en nieuwe wereld tot nog toe geene soorten hebben aangewezen. CYPRINORUM DISTRIBÜTIO GEOGRAPHICA. FAMILIA I. CYPINROIDEI. SPECIES. c5 Asiaticae. Americanae. GENERA 'ïb 'i o3 a *c o 1 o u 3 H CS c O .'S 'S o O tn -4-S C 0) 5 a o CU O) CO 4 1B a < -4J H SüBFAMILIA 1 COBITIFOKMES. Hymenophysa McCl. Acanthopsis V. Hass. , 2 2 1 1 3 8 3 11 1 1 3 12 3 II II 11 11 » » II II 6 15 Lepidocephalus Blkr. Acanthophthalmus V. Hass. : Cobitis Art 2 2 2 n 1 2 20 9 1 11 II 1 1 2 30 )) 2 11 II » 11 II II 11 II II » » II 11 II 3 4 33 Cobitichthys Blkr. 1 5 11 34 11 12- 5 7 2 5 53 II }9 11 » II II » II 11 11 Tot. , . 11 7 5 n 72 SüBFAM. 2 HOMALOPTEKAEFOKMES Horaaloptera V. Hass. , 9 1) 4 11 II II 4 » » 11 11 n II 13 Psilorhynchus McCl. )) )i 2 11 II II 2 H » 11 » » 11 2 Lissorhynclius Blkr. i) H 1 it II II 11 1 }| J) 1) 11 II — II 11 1 Tot. . . 9 n 7 1) 7 » » II II 16 SüBFAMILIA 3 CtPRISIFOEMES. Cohors A. Fhalacrognathini. Stirps 1 Labeonini. Epalzeorhynchos Blkr. Discognathus Heek, 1 » II 3 11 3 11 II 11 II II 6 11 11 II II 11 n 11 II 1 6 Crossocheilos V. Hass. 3 » 5 1 11 II 6 )) 2 11 II 11 )i 11 Discognathichtliys Blkr. Platvcara McCl. )) H » 4 1 1 » II 11 11 11 5 1 n II II 11 11 II 11 11 )i II II 5 1 Schismatorhynclios Blkr. Labeo Cuv. 1 4 11 3 9 1 11 II 11 II 3 10 ir 11 8 11 II 11 11 11 II 11 11 4 22 Tvlognathus Heek. » » 3 » H 11 3 ») 11 II 11 11 11 3 Diplocheilichthys Blkr. Lobocheilos V. Hass. 1 7 i> 11 11 11 » 6 11 11 11 i> II 11 34 11 11 11 11 V 11 II 11 11 II 11 II II 1 7 Transp. ; 17 11 28 00 10 » 61 39 SPECIES. o C3 'tb "«3 1 < o ca Asiatieae. o u 3 d a a =3 Amerieanae. GENERA. 13 < '3 O CD a O "S s o. ï 11 Jï 11 Abrostomus Smith. » 1) 1, 11 11 II )) II 2 ï) ïï 11 ïï 2 Baibiclithys Blkr. Morara Blkr. 1 1) 1» 1) 2 II 11 11 11 II 11 2 II 11 11 11 )ï ïï 11 » Jï Jï 1 2 Semiplotua Blkr. )) » 1 11 11 11 1 n 11 >ï ïï II J) 1 Opistocheilos Blkr. Cochlognatlius B. Gir. 1» i> 2 II 3 11 11 11 11 II 4 II 11 11 )ï 1 11 II ïl 1 4 1 Piraephales Raf. ïï i> jï 11 11 II }) II 11 3 n II 3 3 Pseudogobio Blkr. I) 1 1) 11 11 11 )i II II II )ï 11 11 1 Mylocheiliis Ag. Mylopharodon Ayr. Exoglossum Raf. J) )» )) II 11 11 11 » II II 11 II II II 11 11 11 11 II II 3 2 2 » Jï II 11 11 3 2 2 3 2 2 Campostoma Ag. Siboma Gir. » 11 11 11 II 11 11 11 11 II II II n 1) 4 2 ïï II 11 4 2 4= 2 Lavinia Gir. » 1} 11 11 11 II " II 11 4 )ï 11 4 4 Dionda Gir- >l )) II >i 11 II 11 11 11 10 )ï 11 10 10 Algoma Gir, » » II 11 II 11 11 II II 2 )ï 11 2 2 Hyborhynchus Ag. Hybognathus Ag. . II II 11 11 11 11 11 11 11 11 11 II 11 7 >ï ïi 11 II 5 7 5 7 Orthodon Gir. » II II II 11 11 11 » 1 ï) 11 1 1 Cliola Gir. . . » » 11 11 11 11 II 11 11 3 )) 11 3 3 Algansea Gir. )} )) 11 II 11 11 11 II 11 4 ïï 11 4 4 Tot. . . 43 1 65 9 11 II 73 11 13 53 ïï 11 53 180 Stirps 2 Chondrostomini. Chondrostoma Ag. )} 1) 5 11 2 11 11 2 5 » 1} ïï II Jï 7 5 Acheilognathus Blkr ï) II II II 11 II lï )ï Aspidoparia Heek. Gymnostoraus Heek » n 1) 1 14 11 1 II II 11 II 1 15 n 1 lï H n Jï II II Jï Jï 1 16 Mrigala Blkr. . » lï 6 11 II 11 6 )) n )ï ïï II JJ 6 Dillonia Heek. 1) 11 11 11 II 11 II )ï 1 )) )j II Jï 1 Cyprinion Heek. Oreinus McCl. 1) 11 11 3 6 13 II 11 11 11 6 16 Jï jï 11 II Jï ïï 6 16 Schizopyge Heek. 11 4 28 2 24 11 11 11 11 6 52 5 5) 2 »ï » 1) ïï 11 II ÏJ Jï 6 Tot. . . 5 64 (1) Spec. 1 incert. liabit. 40 SPECIES. o3 CS o 'S o Asiaticae. i Oh 2 3 6 C3 a 1 Americanae. GENERA. en < ?3 "3 a O oi < a 'è < CU (O < o o. a < 'S < 1 s < O H o H Eecapitulatio Stirpium. Labeonini. .... 43 1 65 9 » 11 73 11 13 53 » 11 25 180 Choiidrostomini. ~, 11 5 28 24 11 11 52 5 2 )) ii 11 )} 64 Tot. PhalacrognatUni. 43 6 93 33 11 11 125 5 15 53 ï) 11 1t 244 Cohors B. Cheilognathini. Stirps 1 Catostomini. Acomus Gir }} )) » 11 11 1 1 » 11 7 » 11 7 8 Minomus Gir. .... » )) 1) 11 1» 1) 11 }1 11 3 }} 11 3 3 Catostomus Les. . . . )J » » 11 11 11 ji » II 10 )) 11 10 10 Ptychostomus Ag. . ; » I) » 11 11 11 11 )ï 11 7 n II 7 7 Hyloinyzon Ag » » » 11 11 11 11 » 11 1 }> 11 1 1 Carpiodes Eaf. .... )> n 11 11 11 11 11 )) 11 5 n » 5 5 Cycleptus Eaf. .... )ï n 11 11 11 11 » » II 2 H » 2 2 Ichthvobus Raf. ... » n 11 11 11 » 11 )) 11 4 IJ 11 4 4 Bubalichthys Ag. .... H )f 1) 11 11 11 11 il II 6 ïï II 6 6 Moxostoma Raf. .... 1) » 11 11 11 » 1 11 1 )) 11 8 53 ï) » 11 11 8 53 8 Tot. . . » 11 54 Stirps 2 Cyprinini. ('yprinus Art. . : . : . 10 2 11 1 4 II 5 8 II 1 }) 11 1. 13 Carassius Nilss. , . . . 10 6 K') » 9 » 9 7 2 1 )ï 1 1 20 Tot. 2 8 1 1 13 II 14 15 2 2 « 1 2 33 Stirps 3 Barbini. Racoraa McCl. .... 1) )) )) 4 I) 11 4 11 )) » » )» 4 Schizothorax Heek. )f J) 4 4 » 11 7 11 )ï )ï » » 7 Balantiocheilos Blkr. 1 )) 1 11 » 11 1 1! » )) n » 1 Amblyrhynchichthys Blkr. 1 » 1 11 )l 11 1 11 )ï J) H » 1 Albulichthys Blkr. 1 » » 11 n 11 11 11 !) )) » »» 1 Hampala V. Hass. 2 5 1 7 11 8 )) 11 1 14 11 H J) 2 Transp. 16 (1) Introduct. (2) Mauritius. 41 SPECIES. g '-3 J '5 o =3 Asiaticae. 1 i a g < Americanae. GENERA. 12 < '3 o o < a .2 O < É. g cc ■^ ^ a < < 12 1 < o 60 Per transp. 5 7 8 14 16 Hypselobarbus Blkr. » » 4 II 1) II 4 II )) )} II II II 4 Systomus McCl. 31 1) 48 11 1) II 59 11 10 )} » II 11 98 Cyclocheilichthys Blkr. 12 » 10 II » II 1 II 11 >i 11 11 11 12 Barbus Cuv. I) )) )f 7 11 11 7 5 5 » 11 11 11 17 Labeobarbus Eüpp. 4 )) 9 4 2 11 14 5 7 » 11 11 11 30 Opsaridium Pet. (gen. ? ? ) * )) » » » 11 II 11 II 1 » 11 11 11 1 Hfinibarbus Blkr. . Yt 1 II II 11 11 II II II f) 11 11 11 1 Pseudophoxinus Blkr. )ï » » 1 11 l> 1 11 11 » 11 11 11 1 Rohteichthys Blkr. 1 )) 1) II 11 11 » II II )i 11 II 11 1 Eohtee Syk. . : » » 6 II 3 n 9 II 11 )) 11 11 11 9 Acanthobrama Heek. )> » » 4 2 II 6 11 11 » 11 11 II 6 Rhodeus Ag. » )) » 1 11 11 1 1 11 » 11 11 11 1 Chanodichthys Blkr. » » )i II 3 11 3 )) • 11 }) 11 II 11 3 Pseudoculter Blkr. » n n II 2 II 2 ï) » H 11 II II 2 Hemiculter Blkr. , ï) )i 1) 11 1 11 1 )) 11 » 11 11 11 1 Aulopyge Heek. }} )) II 11 11 II 11 1 11 )) 11 11 11 1 Meda Gir. ]> » 1) 11 11 11 II 11 11 1 II 11 1 1 Chedrus Swns. ») }} 4 11 II 11 4 » II 11 11 II 11 4 Plargyrns Raf. I) n II 11 11 11 11 II 11 7 11 II 7 7 Catla Val. . . . » )> 1 II II 11 1 11 II 11 11 11 II 1 Hypophthalmichthys Bik r. 1) » II 11 6 II 6- 11 II 11 11 11 II C TLynniehthys Blkr. 2 )} 1 11 3 » 4 11 11 II 11 11 II 6 Amblypharyngodon Blkr « 1) » 3 11 11 11 3 11 II II II 11 11 3 Devario Heek. " » 4 II 11 11 4 II II II 11 11 II 4 Luciosoma Blkr. 3 » 1 11 11 11 1 » 11 » 11 11 11 3 Perilarapus McCl. „ n 3 » 11 11 3 H 11 11 11 II II 3 Esomus Swns. H » 3 II II II 3 » 11 11 11 11 11 3 Tiuca Cuv. 1 » » 1 n 1 2 n II 11 11 11 II 2 Argyreus Heek. n » II H II 11 >ï rt II 11 II 11 11 11 Chrosomus Raf. » )> II » 11 11 » )) 11 1 11 11 1 1 ïiaroga Gir. )) » II n 11 II » )) 11 1 '1 11 1 1 Phoxinus Ag. n )i 11 ïï 11 II •>} 1 11 )} II II » 1 Phoxinellus Heek. . ' » » » » 11 11 ï) 1 II )) 11 II J) 1 Cirrhina Cuv. . )f }) 1 )i 11 11 1 11 11 )) 11 II » 1 Gobio Cuv. . » » » 1 1 11 2 4 » 4 11 11 4 10 Sarcocheilichthys Blkr. )) 1 n II 11 11 1) )! 1} » 11 11 11 1 Leptobarbus Blkr. . 1 )) » 11 11 II » » n » 11 11 II 1 Gnathopogon Blkr. » 2 W 11 11 11 » ïl 11 » 11 II II 2 Pseudorasbora Blkr. 11 2 » 11 11 1) ïï » II » II 11 11 2 Rasbora Blkr. '. 11 )) 11 II 4 11 l.'i » II J) 11 II 11 24 Rasborichthys Blkr. 1 J) II 11 » 11 11 » 11 M 11 11 11 1 Elopichthys Blkr. . )ï » II 11 2 11 2 » 11 » 11 II II 2 Aspius Ag. » » II 6 » 11 6 6 11 )) 11 11 II 12 Gila Baird Gir. » )) II » )> 11 !ï 11 n 21 II II 21 21 Transp 72 6 107 41 29 1 179 24 23 46 II 11 46 339 (1) lucert. 42 . SPECIES. ^ Asiaticae. Americanae. GENERA 1" (O a o ■« 13 *i 13 o 01 •3 O 'u o o CO o H Oh O U a o O < 00 < 03 < < fa' Per transp. 72 6 107 44 29 1 179 24 23 46 11 11 46 339 Ptychocheilus Ag. » II 11 )) II 11 )) » » 9 11 11 9 9 Opsarius McCJ. . » 6 18 1 1 11 20 )) 2(') )) n 11 11 28 Abramis Cuv. » » » 4 )) » 4 16 11 )) 11 11 11 20 Luxilus Raf. » II 11 )ï » 11 » )) II 10 11 11 10 10 Alburnus Heek. . )) 1) II 14 H 11 14 14 2 7 n II 7 37 Hybopsis Ag. » II 11 11 )) 11 11 11 11 6 II n 6 6 Leueosomus H«ck. » » 11 11 ij 11 » II II 15 II 11 15 15 Ceratichthys Baird II 11 II 11 )) 11 11 II 11 3 II 11 3 3 Semotilus Raf. . » 1) 11 11 » 11 11 11 11 7 11 II 7 7 Leuciscus Klein ('). . » 1 1 4 6 1 11 48 3 6 II 11 6 J67 Scardinius Bp. , )i 11 11 » 11 J) 11 13 » n 11 11 » 13 Alburnops Gir. , » » 11 11 11 u II II 11 4 11 11 4 4 Cyprinella Gir. » II 11 11 11 » 11 II n 31 11 11 31 31 Codoma Gir. » 11 11 II II » 11 11 11 2 11 11 2 2 Smiliogaster Blkr. » » 1 II 11 » 1 11 » 11 11 11 11 1 Culter Bas. )i II » » 6 )} 6 M 11 11 II » 11 6 Laubuca Blkr. , II 11 2 II II » 2 II 11 11 11 11 11 2 Chela Buch. 3 11 22 II 11 )} 22 1 u 11 11 11 11 26 Jlacrochirichthys Blkr, . , 2 77 13 1 152 11 67 11 42 » 2 1 260 ;i 11 11 146 11 11 » II 11 146 2 Tot. , , 116 30 628 Recapitülatio Stirpidm. Gatostomini. , . . : M II 11 11 11 1 1 II II 53 11 11 53 54 Cyprinini • 2 8 1 1 13 11 14 15 2 2 11 1 2 33 Barbini. . . , : , 77 79 13 21 152 153 67 68 42 55 2 3 260 275 116 30 146 201 11 11 11 146 201 628 Tot. Cheilognathini. , ; 131 32 715 Recapitülatio Cohoktum. PhalacrognathinL : 43 6 93 33 i) 11 125 5 15 53 II 11 53 244 Cheilognathini. , . . . 79 21 153 68 101 55 55 3 3 275 400 131 32 201 254 11 11 1 1 201 254 715 Tot. 122 27 246 136 47 959 Ekcapitolatio Sdbfamiliar. Cobltiformes 11 7 34 12 7 2 53 5 » 11 11 11 )) 72 Homalopteraefbrmes. ; : 9 11 7 11 )) 11 7 )) II 11 11 11 » 16 Cyprinilbrmes 122 27 24C 101 55 3 400 136 47 254 11 1 254 959 Tot. . UZ 34 287 113 62 "^ 460 141 47 254 11 1 254 1047 (1) 1 Spec. Maurit. (2) ,Cum specieb. dubiae affinitatis. 43 G E N E K A. FaMILIA II CrPEIXODONTOIDEI. Coliors A. Cyprinodontini. ïellia Gerv. . . . : . Cyprinodon Lac Girardinus Poey. . ; . . Heterandria Baird Gir. Zygonectes Ag, . ; . . . Fundulichlhys Blkr. . , Mollienisia Les Pseudoxiphophorus Blkr. Xiphophorus Heek Grundulus Val. . . ; . Gambusia Poey Hydrargyra Lac. > . . , Poecilia BI. Schn Fundulus Lac. . . ; . Tot. , : Cohors B, Aplocheilini. Panchax "Val. . ; : ; . Aplocheilus McCl. .... Tot. ; ; Cohors C. Orestiasini. Orestias Val. : . . ; : Cohors D. Anablepini. Anableps Art. . . . • ; Kecapitulatio Cohoktüm. Cyprinodontini, . ; . . ; Aplocheilini Orestiasini. ; . • , . Anablepini. . . : . . Tot. . . Recafitulatio Familiabdm. Cyprinoidei. . ; : . Cyprinodontoidei. Tot. SPECIES. ca 142 2 144 <0 'a o Asiaticae. < 34 2 3G M C3 P-, O u 3 e3 a C3 287 6 293 113 8 121 62 62 i 14 Americanae. 4 8 )) 2 1 1 » 3 7 1 10 43 43 n 43 5 460 14 51474 141 2 143 47 6 53 254 43 297 11 10 11 10 3 24 62 10 o H 10 3 75 1 254 24 75 9 25 329 1 19 1 4 8 1 3 1 1 1 7 8 9 12 76 3 5 10 62 76 8 10 3 97 1047 97 1144 FAMILIA CYPRINOIDEL KARPERACHTIGEN. Cyprini maxillis edentulis ; ossibus pbaryngealibus inferioribus tan- tum dentatis , dentibus uni- ad triseriatis , ossibus intermaxillaribus non coalitis; radiis membrana branchiostega 3. Aanm. De Cyprinoïden verschillen standvastig van de Cyprinodontoïden door gladde tandelooze kaken , aanvk'ezigheid van een- tot driereijige tanden op slechts de onderste keelgatsbeenderen en de aanwezigheid van slechts drie kieuwstralen. Het beschubt zijn des ligchaams is evenmin standvastig (Aulopyge), als het onbeschubt zijn van den kop (Lepidocephalus) , en de schubben zelve zijn zelfs ook niet altijd gladrandig of cykloïde (Homaloptera). Ook andere kenmerken, door verschillende schrijvers als den Cyprinoïden eigen opgegeven, worden, zooals hierboven reeds is aangetoond, niet standvastig bij alle soorten teruggevonden en kunnen alzoo niet dienen tot eene volstrekte bepaling der familie. Alhoewel rijker aan soorten dan eenige andere familie van visschen , bieden de Cyprinoïden geenszins aan eene aan dien rijkdom beantwoordende veelvuldigheid van belangrijke en in het oog vallende kenmerken. Zij steken ten dezen opzigte hoo- gelijk af bij de Siluroïden , welke toch nog op verre na niet half zooveel soorten omvatten. De natuur heeft zich bij de Cyprinoïden bediend ,van het eenvoudigste alphabet om de veelvoudigste soorten van elkander te doen onderkennen en die kenmerken zijn veelal nog zoo weinig in het oogvallend uitgedrukt, dat het eene wanhopige onderneming zou kunnen schijnen, wanneer men de meer dan 1000 bekende soorten voor zich had uitgespreid, die soorten eeaigzins voldoende te rangschikken. Ruim een eeuw geleden, toen men nog geen dertig soorten kende, bestond die moeijelijkheid niet, omdat het voldoende kon schijnen ze onder slechts een paar geslachten te brengen. Maar de talrijke, elkander met rassche schreden opge- volgd hebbende ontdekkingen van de laatste tientallen jaren, hebben eene verdere 45 splitsing onvermijdelijk gemaakt, en indien er thans nog schrijvers zijn, welke oor- deelen, dat aan de Artedische geslachten Cobitis en Cyprinus hoogstens slechts enkele andere kunnen worden toegevoegd , laat zich zoodanig oordeel slechts verklaren door een weinig doordringend onderzoek of eene beperkte kennis der soorten. De Artedische geslachten Cobitis en Cyprinus hebben in den tegenvvoordigen tijd eene hoogere beteekenis en behooren gewaardeerd te worden als subfamiliën. Als subfamilie kan daarbij gevoegd worden die der Homalopteraefornies. In zoover de rangschikking der Cyprinoïden slechts deze subfamiliën betreft , biedt zij geene zwarigheden aan. De Cobitiformes zijn van de gewone Cypriniformes altijd gemakkelijk te onder- kennen aan hare onderkaaksvoeldraden en enge vertikale kieuwspleet, uiterst kleine in de huid gezonkene schubjes en de volstrekte afwezigheid van pseudobranchiën en zoo het al moeijelijk wordt, ze naar die kenmerken van sommige Homalopte- raeformes te onderscheiden , beslist het niet neergedrukt zijn van kop en ligchaam en bet niet vlak breede van den buik, dat zij geene Homalopteraeformes zijn. Ook nog de splitsing der Cobitiformes in geslachten is op vaste grondslagen te bewerkstelligen, zooals in het hoofdstuk over deze subfamilie nader zal blijken. De Homalopteraeformes zijn gemakkelijk te herkennen aan den zeer platten kop en buik, de aan de buiklijn ingeplante horizontale min of meer schijfvormige en meerdere onverdeelde stralen bezittende borstvinnen, de kleine vertikale kieuwspleet en de kleine onderstaande centrale mondopening. De moeijelijkheid in de onderverdeeling der Cypriniformes begint ook eerst nadat men eenige hoofdgroepen uit ze gevormd heeft. Heckel heeft een gewigtig kenmerk gevonden in den bouw der kaken en lippen en met eene geringe wijziging in de definitie is zijne verdeeling der Cypriniformes in Temnochilae en Pachychilae eene zeer gelukkige te noemen. Die afdeelingen vallen bijkans geheel zaraen met die, welke ik heb voorgesteld onder den namen Phalakrognathinen en Cheilosrnathinen. Ik heb met die namen willen uitdrukken, dat bij de eene afdeeling de onder- kaak, welke evenwel soms zeer dik is en niet altijd, zoo als Heckel zich uitdrukt, //in aciem attenuata" , vrij of naakt uitpuilt, onverschillig of er eene onderlip aan- wezig is of niet, terwijl bij de andere afdeeling de onderkaak steeds met de lip is bekleed, welke, indien zij al eene groote ontwikkeling bereikt, zooals bij sommige soorten van Labeobarbus en bij Balantiocheilos , steeds de onderkaak inhult en vóór haar afhanojt. De geslachten Labeo Cuv. en Chondrostoma Ag. hebben de typen geleverd voor twee groote groepen der Phalakrognathinen. Inderdaad kan men de talrijke vormen brengen tot twee groepen, gegrond op de aanwezigheid of niet aanwezigheid der onderlip , groepen reeds door Heckel on- 46 derscheiden maar niet benoemd. Men kan ze naar de geslachten , die het eersfc in ze zijn opgesteld, bestempelen met de namen Labeoninen en Chondrostominen. Ieder dezer groepen bevat talrijke geslachten, tot welker groeperingen bepaling de karakters moeten gezocht worden, voornamelijk in het tandenstelsel en in de bijzonderheden van den bouw van kaken, lippen en snuit, terwijl ook in de za- menstelling en plaatsing der vinnen en de beschubbing zijn te vinden goede keu- merken, welke hieronder nader uiteengezet zullen worden. De Cheilognathinen , tot welke de groote meerderheid der Cyprinoïden behoort, laten zich in drie natuurlijke groepen splitsen. Ik noem die naar hare voorname typen Catostomini, Cyprinini en Barbini. De Catostominen herkent men aan den vleezigen kop, dikke lippen en vooral aan de zeer talrijke keelgatstanden , welke in eene enkele rei, ten getale van 40 tot meer den 60 , op elk onderkeelgatsbeen zijn ingeplant en het de gedaante eener kam geven. De Cyprininen hebben , afgescheiden van hare overige natuurlijke karakters , tot voornaam en gemakkelijk herkenbaar onderscheidingsteeken een' getanden aarsvin- doorn , welken men bij geene andere groep der familie terug vindt. De Barbinen missen die aarsvindoorntanden en hebben , ter stellige onderscheiding van de Catostominen, nimmer meer dan 12 (4 — 12) tanden op elk onderste keel- gatsbeen. Deze tanden zijn op één tot dri« reijen geplaatst. De grootste moeijelijkheid in het vaststellen van natuurlijke geslachten en in het bepalen van hunne verwantschappen, ontmoet men bij de Barbinen. Want hoe scherp de uiterste vormen der groep ook aan elkander schijnen tegenovergesteld te zijn, zooals de geslachten Barbus en Macrochirichthys , bieden de honderden tusschenvormen zoo talrijke en weinig merkbare overgangen aan, dat men bij eene poging tot ondergroepering der geslachten telkens stuit op het niet volstrekt gel- dige of standvastige van de gebezigde kenmerken, en daaruit laat zich dan ook verklaren, waarom meerdere uitstekende ichthyologen zich verklaard hebben tegen de opstelling van zoovele geslachten, welke men aan de Barbinen heeft ontleend. Het is hier echter hoofdzakelijk de moeijelijkheid, de juiste kenmerken te vin- den en zich bij de vorming van genera niet op een enkel maar op een kompleks van kenmerken te verlaten. Op die wijze de natuur met naauwgezetheid raad- plegende, zal men de meeste geslachten met voldoende juistheid kunnen bepalen en zich ook met beter gevolg, dan tot dus verre geschied is, aan de natuurlijke groepering dier geslachten kunnen wagen. Ik heb in dezen . arbeid die groepering beproefd , even als de onderrangschik- king der Phalakrognathinen , maar ik heb mij daarbij dikwerf moeten bepalen tot het gebruik maken van de gegevens, in de verschillende ichthyologische werken voorhanden, en ik moest daardoor noodzakelijk blootstaan aan de dwalingen, welke uit de onvolledigheid of onjuistheid dier gegevens kunnen voortvloeijen. 47 ïntusschen heb ik, mijne Bengaalsche en Japaasche medegerekend, 170 soorten naar de natuur kunnen onderzoeken en daaronder vele, welke tot de meest merkwaar- dige geslachten behooren. Zooals boven is ontvouwd, laten zich de Cyprinoïden verdeelen in drie onderfa- miliën, de Cobitiformes , Homalopteraeformes en Cypriniformes , terwijl de laatste zich verder laten splitsen in twee hoofdgroepen , Phalakrognathinen en Cheiloghathinen , elke van welke nog twee tot drie goed gekenmerkte grootere groepen omvat. Men kan deze hoofdverdeelingen gemakkelijk kenschetsen als volgt. Pamilia Cïpeinoïdei. Subfamilia I. Colitiformes. Squamae minimae in cute muco tegente laevi quasi immersae. Cirri 6 ad 10. Apertura branchialis verticalis angusta. Ca- put corpusque non depressa. Pinnae anacanthae, pectorales radio sim- plice unico tantum. Pseudobranchiae nuUae. Dentes pharyngeales conici uniseriati. Subfamilia II. Homalopteraeformes. Caput corpusque depressa interne plana. Pin- nae anacanthae, pectorales et ventrales linea ventrali insertae, horizontales , subdisciformes, pectorales radiis simplicibus pluribus. Dentes pharyngeales conici ■ uniseriati. Os inferum, parvum, centrale. Subfamilia III. Cypriniformes. Cirri nunquam plus quam 4, frequenter nulli.' Caput corpusque compressa. Apertura branchialis lata. Pinnae pectorales radio simplice unico tantum. Dentes pharyngeales uni-ad triseriati, varias formes referentes. Cohors 1. ThalacrognatUni, Maxilla inferior margine libero nuda, cum labio inferiore non vestita. Stirps a. Labeonini. Labium inferius vario modo constructum , post api- cem maxillae reflexum. Stirps b. Chondrostomini. Labium inferius deficiens. Cohors 2. CheilognatUni. Maxilla inferior apice cum labio inferiore vestita. Stirps a. Catostomini. Caput labiaque carnosa. Dentes utroque osse pharyngeali inferiore 40 ad plus quam 60, pecten elficientes. Stirps b. Cyprinini. Corpus oblongum. Pinnae dorsalis multiradiata et anaUs pauciradiata singulae spina dentata armatae. Stirps c. Barbini. Pinna analis radio dentato nullo. Dentes pharyngeales uni- ad triseriati parci utroque latere nunquam plus quam 12. Omtrent alle deze hoofdverdeelingen wordt hieronder in nadere bijzonderheden getreden. 48 De archipelagische Cyprinoïden van mijn kabinet heb ik alle op nieuw beschreven. Naarmate de studie dier soorten , welke eerst opvolgend mijne verzameling kwa- men verrijken, mij tot nieuwe inzigten bragt betrekkelijk de kenmerken, op welke bij de beschrijvingen voornamelijk behoort gelet te worden, heb ik de overtuiging erlangd, dat mijne beschrijvingen van vroegere jaren eene algeheele herziening be- hoefden om ze te kunnen doen dienen tot de voldoende herkennins: der geslachten en soorten , en te eerder ben ik tot die herziening overgegaan , omdat die diagnosen veelal waren genomen naar een enkel of naar zeer enkele voorwerpen, welke boven- dien niet alle in een' gewenschten toestand van bewaring verkeerden of slechts een' bepaalden leeftijdstoestand voorstelden. Van vele dier soorten zijn mij later groo- tere reijen van voorwerpen in uitmuntenden toestand van bewaring geworden, en ik werd daardoor in staat gesteld veel in mijne vroegere beschrijvingen te verbeteren en aan te vullen. Bovendien was die herziening noodig, omdat ik vroeger een' minder goeden weg volgde in de bepaling van de betrekkelijke grootte der oogen , de dikte des ligchaams en van de formulen der schubben. De afmetingen der oogen, zoo ze niet, zoo als bij vele Cobitiformes , met de huid van den kop overtogen zijn, laten zich be- ter bepalen, wanneer men die der oogkas zelve neemt, dan wanneer ze genomen worden, wat ik vroeger veelal deed, tusschen den vrijen rand van het de iris min of meer bedekkend oogvlies. De dikte des ligchaams laat zich het zekerste opgeven, wanneer men haar neemt over het operkel of de schouderbeenderen en niet achter de oksels, waar die dikte soms wel aanmerkelijker is, doch ook afhankelijk van den toestand der weeke deelen, van vet of kuit. Het aantal schubben op eene over- langsche rei wordt voorts in den regel naauwkeuriger bepaald door te tellen de schubben op welke zich een zijlijnbuisje bevindt (namelijk daar waar de zijlijn aan- wezig is) dan door ze te volgen, zooals ik vroeger veelal deed, in eene regte lijn van de kieuwopening tot het midden van den staartvingrond. Ook in het beschrij- ven van het tandenstelsel ben ik vroeger, deels door mindere geoefendheid, veelal minder naauwkeurig te werk gegaan dan mij later gebleken is voor eene goede waardering van de dentitie noodig te zijn. Voorts valt nog, met het oog op de verschillen tusschen mijne vroegere en tegenvk'oordige beschrijvingen, opte merk en, dat de grootere reijen voorwerpen, over welke ik thans heb kunnen beschikken , van zelve hebben medegebragt wijzigingen in de vroeger gegevene hoogte- en lengte-evenredigheden van ligchaam en kop en oogen, want, alhoewel die evenredigheden binnen zekere grenzen zijn besloten en daardoor niet ophouden bij de bepaling der soorten van waarde te zijn, ver- schillen ze toch soms aanmerkelijk binnen die grenzen , naarmate de voorwerpen tot een' verschillenden leeftijdstoestand behooren. Ten dezen opzigte geldt in het algemeen als regel, dat de kop in verhouding 49 Latitudo capitis, Oculi velati, . . tot de lengte des ligchaams en de oogen in verhouding tot de lengte van den kop , kleiner worden, naarmate het dier in lengte toeneemt , terwijl daarentegen de hoogte des ligchaams in verhouding tot zijne lengte toeneemt , naarmate het dier den vol- wassenen toestand nadert. Ten opzigte der door mij gebezigde termen, zijn slechts eenige weinige toelich- tingen noodig. In dezen arbeid wordt verstaan onder : . Longitudo capitis, . . De volstrekte lengte van den kop, gemeten van eene lood- lijn, welke men voor de snuitspits laat vallen, tot aan den achterrand des operkels. De breedte van den kop, gemeten over de operkels. Oogen zonder oogvlies en geheel met de boven de oogen doorschijnende kophuid overtrokken. Membrana palpebralis, Ooglidvlies, verlengsel der kophuid binnen den oogkasrand en , na een grooter of kleiner gedeelte der iris ringvormig be- dekt te hebben , zich weder naar den oogkasrand terugslaande. Snuitdraden, dezelfde, welke oneigenaardig door andere schrij- vers // cirri maxillares" genoemd worden. Bovenkaaksdraden , dezelfde , welke door andere ichthyologen minder eigenaardig met den naam //cirri labiales" bestempeld worden. De kaauw vlakte van verschillende gedaante, welke men -bij vele keelgatstan den waarneemt. , Eene vin met meer dan 15 verdeelde stralen. Eene vin met meer dan 10 doch minder dan 15 verdeelde stralen. Eene vin met minder dan 10 verdeelde stralen. De bekspleet in het midden der ondervlakte van den kop, van de zij vlakte van den kop verwijderd. De groef, welke men bij vele Cyprinoïden vindt aan de on- dervlakte der onderkaak, in de kinhuid, en welke soms enkel is en dwars geplaatst, soms dubbel, aan elke zijde der kin één (soms zelfs twee) en overlangs geplaatst. Cirri rostrales. Cirri supramaxillares , Facies masticatoria, Pinna multiradiata , Pinna pluriradiata , . Pinna pauciradiata , Rictus centralis, . . Sulcus postlabialis, . SUBFAMILIA I. C O B I T IF O RME S. MEERSLANGACHTIGEN. Cyprinoidei corpore elongato vel oblongo compresso vel cylindraceo , non depresso, squamis minimis cycloideis in cute mueo tegente laevi quasi immersis v^stito. Caput cute ubique tectum; rostro carnoso; ore parvo infero cirris 6 ad 12 cincto; labiis carnosis; maxilla infe- riore plana ante labium inferius prominente. Dentes pharyngeales conici uniseriati. Pseudobranchiae nullae. Apertura branchialis angus- ta, verticalis. Pinnae anacanthae, dorsalis et analis pauci- ad plu- riradiatae, nunquam multiradiatae , pectorales radio sinplice unico tantum. Aanm. Toen Artedi het geslacht Cobitis opstelde , kende hij slechts de drie gewone europesche soorten daarvan. Zijne diagnose bepaalde zich tot de volgende vy^oorden: // Caput et corpus cathetoplatea. Pinnae dorsi et ventrales eadem a rostro distan- tia sitae. Cirri ad os. Corpus maculosum". Sedert 1738, het jaar waarin Artedi's diagnose werd openbaar gemaakt, zijn nog ongeveer 70 andere soorten bekend geworden, welke tot Cobitis te brengen zijn, doch op verscheidene van die soorten zou van de door Artedi genoemde ken- merken slechts dat der voeldraden kunnen toegepast worden , want er zijn soorten met cilindervormig ligchaam, soorten bij welke de rugvin ver achter de buik- vinnen is ingeplant en soorten bij welke het ligchaam niet de geringste vlekteeke- ning vertoont. Linnens ontnam aan het geslacht Cobitis zijne oorspronkelijke en natuurlijke be- teekenis, door er Cyprinodontoïden in te plaatsen uit de geslachten Anableps en Fundulus. Guvier, het geslacht opvattende in den zin van Artedi, gaf er in 1817 eene nieuwe omschrijving van, doch ook deze past op verre na niet op alle soorten. Want er zijn er, zooals mijne Cobitis macracanthus, bij welke de kop niet klein en het ligchaam niet lang te noemen is; andere, zooals Cobitis oblonga Val., bij welke de rugvin ver achter de buikvinnen is geplaatst ; en nog andere , zooals Cobitis dario Buch. , bij welke een gedeelte der zwemblaas zich buiten het gewone beenige wer- 51 velomhulsel bevindt en zich als een ruime zak tot ver achter in de buikholte uitstrekt. De heer Valenciennes heeft de Cuviersche diagnose verbeterd, waartoe hij in staat gesteld was door de ongeveer 46 soorten van Cobitiformes , welke tijdens de uitgave van het 18^ deel der groote Histoire naturelle des Poissons bekend waren. Met de waarde van sub familie aangenomen , past het geslacht Cobitis Val. ook op alle sedert nog ontdekte soorten. Toen men talrijke buiten-europesche soorten van Cobitis had leeren kennen, heeft men getracht, het groote Artedische geslacht in meerdere genera te splitsen. Proeven daarvan zijn geleverd door Kuhl en Van Hasselt, door de heeren Gray, Agassiz en AlacClelland en door William Swainson , maar de grondslagen, op welke die splitsingen berustten , waren deels onvoldoende , deels onvoldoende uiteengezet , en zoo werden alle bekende soorten door den heer Valenciennes ten onregte weder tot een enkel geslacht teruggebragt. Lacepède vormde uit Cobitis fossilis L. een eigen geslacht , hetwelk hij Misgurnus noemde, doch geheel ten onregte tanden in de kaken toekende. Kuhl en Van Hasselt stelden in 1822 voor het geslacht Nemacheilus, aan het- welk de oude beteekenis van Cobitis werd gegeven. Na den dood van Kuhl ontdekte Van Hasselt nog de soorten, op welke hij de ge- slachten Acan-thophthalmus en Acanthopsis grondde. Hij was de eerste, die de soorten van Cobitis met bewegelijke onderoogkuilbeensdoornen van de overige soor- ten van Cobitis afzonderde , en gaf den geslachtsnaam Acanthophthalmus aan de soorten met stompen snuit, bij welke de doorn zich onder het oog, en den geslachtsnaam Acanthopsis aan de soorten met spitsen, verlengden snuit, bij welke de doorn zich vóór het 002; bevindt. Het geslacht Botia Gray, ingelijks op den bewegelijken onderoogkuilsdoorn gegrond, omvat als zoodanig de geslachten Acanthophthalmus en Acanthopsis van Van Hasselt, maar de soort, in de Illustrations of Indian Zoology onder den naam van Botia grandis afgebeeld, is eene Hymenophysa, Avaarover nader. De heer Agassiz nam twee geslachten van Cobitiformes aan. Onder Cobitis begreep hij de soorten zonder wangdoornen , onder Acanthopsis die met wangdoornen. Zijn geslacht Acanthopsis heeft alzoo dezelfde beteekenis als Botia Gr. Ducrotay de Blainville schijnt de eerste geweest te zijn, die het geslacht Cobitis tot eene hoogere groep verhief, althans plaatste hij in eene soort van stelsel, in 1816 in het 83'= deel van het Journal de Physique openbaar gemaakt, zijne // Cobites " in eene groep zijner afdeeling Tétrapodes abdominaux, met den naam Subenchéliosomes". Swainson stelde met de Cobibiformes eene familie te zamen , onder den naam Co- bitidae, doch hij begreep daaronder de Homalopteraeformes en de Cyprinodontoïden. Zijne Cobitinae echter, welke hij als onderfamilie der Cobitidae opstelde , hebben de- 52 zelfde waarde als Cobitis Art. of mijne Cobitiformes. In de splitsing dezer sub- familie ging Swainson verder dan zijne voorgangers. Wèl nam hij in het wezen dezelfde geslachten aan als de heer Agassiz, het geslacht Acanthopsis slechts be- stempelende met den naam Canthophrys, maar hij vond voor de beide geslachten subgenera uit, voor Cobitis de ondergeslachten Cobitis en Acoura, voor Cantho- phrys de subgenera Canthophrys , Diacanthus en Somileptes. Het subgenus Acoura zou van Cobitis slechts verschillen door eene in het al- gemeen tweekvvabbige staartvin en schublooos ligchaam en daartoe zouden behoo- ren Cobitis savona Buch. (Acoura obscura Swns.), Cobitis turio Buch. (Acoura ar- gentata Swns.) en Cobitis corica Buch. (Acoura cinerea Swns.). Het ondergeslacht Canthophrys zou gekenmerkt zijn door afgeronde staartvin en ongeschubd ligchaam. Swainson bragt daartoe Cobitis cucura Buch., Cobitis pan- gia Buch., Cobitis balgara Buch. en Cobitis guntea Buch., soorten, welke Swainson zich de vrijheid gaf te herdoopen met de namen Canthophrys albescens , Canthophrys rubiginosus, Canthophrys olivaceus en Canthophrys vittatus. Het subgenus Diacantha zou verder kenbaar zijn aan ovaal, onbeschubd lig- chaam en gevorkte staartvin. Cobitis geta Buch. en Cobitis dario Buch., welker na- men Swainson evenzeer veranderde in die van Diacantha zebra en Diacantha flavicauda, zouden daartoe behooren. Het ondergeslacht Somileptes eindelijk zou tot kenmerken hebben een lancetvormig, zeer zamengedrukt , beschubd ligchaam ; groote , nabij de snuitspits geplaatste oogen en afgeronde staartvin. Swainson bragt daartoe Cobitis gongota Buch. en Cobitis botia Buch., of, wat hetzelfde is , zijne Somileptes bispinosa en Somileptes unispina. De heer MacClelland nam, in zijne Indian Cyprinidae, aanvankelijk slechts twee geslachten van Cobitiformes aan. Hij grondde die geslachten op het al of niet tweedeelige van de staartvin, onder Cobitis latende de soorten met afgeronde of afgeknotte staartvin en de soorten met tweekwabbige staartvin brengende tot zijn geslacht Schistura. Verder in hetzelfde werk stelde hij nog voor drie bengaalsche soorten, Cobitis dario Buch., Cobitis geta Buch. en Botia grandis Gr. den geslachts- naam Hymenphysa voor , wegens de aanwezigheid bij die soorten van eene vrij in de buikholte hangende, door een middenschot in kwabben (into lobes) verdeelde zwemblaas. Prins Charles Lucien Bonaparte stelde geene nieuwe geslachtsverdeeling der Co- bitiformes voor , maar verhief ze tot den rang eener familie , onder den naam Co- bitidae. In het groote vischwerk zijn de Cobitiformes aangenomen, noch in den zin eener familie, noch in dien eener subfamilie, noch zelfs in dien eener groep. Evenzeer heeft de heer Valenciennes alle bovengenoemde geslachten en ondergeslachten ver- worpen. 53 Inderdaad is de generische waarde van de ter splitsing gebezigde kenteekenen deels voor betwisting vatbaar, deels volstrekt onaannemelijk, terwijl nog andere kenteekenen, zooals die der zwemblaas, niet uitwendig zigtbaar zijn. Maar dit neemt niet weg, dat zij, in verband met andere kenmerken, na een nieuw onderzoek der thans reeds zoo talrijke soorten, kunnen dienen ter vaststel- ling van generische groepen, onder welke die soorten, mijns inziens, inderdaad be- hooren gebragt te worden. De Cobitiformes toch bieden in hare bewerktuiging zoo talrijke en deels gewigtige verschillen aan, dat men, indien ze aangetroffen werden bij zoovele familiën , welke grootere soorten tot vertegenwoordigsters hebben, niet zou aarzelen daaraan generische waarde te hechten. Tot die verschillen reken ik te behooren de aanwezigheid van een' gevorkten on- deroogskuilsdoorn, welke reeds aanleiding heeft gegeven tot de opstelling van de geslachten Acanthopsis V. Hass. en Acanthophthalmus V. Hass. (Botia Gr., Acanthop- sis Ag., Canthophrys Swns.) Andere merkwaardigheden vindt men in den bouw der zwemblaas. Bij eenige soorten is geen spoor van zwemblaas te herkennen, terwijl zij bij talrijke soorten bestaat uit een klein eenkamerig of tweekamerig blaasje , besloten in eene beenige doos gevormd . door eene buitengewone ontwikkeling van den voorsten wervel. Maar eenige andere soorten, zooals Cobitis dario Buch., Cobitis macracanthus Blkr, Cobitis hymenophysa Blkr, enz. bezitten bovendien eene ruime , vrij in de buikholte liggende zwemblaas, welke door eene kortere of langere buis met de voorste klei- nere in de beenige holte der werveluitsteeksels beslotene blaas in gemeenschap staat. Op deze merkwaardigheid berust het geslacht Hymenphysa McCL, hetwelk inderdaad verdient als een eigen geslacht te worden aangenomen , omdat het genoemde ken- merk in verband staat met andere bijzonderheden in den bouw, welke ik zoo aanstonds zal vermelden. Minder gelukkig was het denkbeeld, geslachten vast te stellen op de gedaante der staartvin (Schistura McCl.) en op het al of niet beschubd zijn des ligchaams. (Acoura, Canthophrys, Diacantha Swns.) De staartvin toch biedt in haren vorm de meest talrijke verscheidenheden aan, van gaaf en afgerond, tot weinig en diep in- gesneden. Bij vele soorten is die insnijding of uitranding zelfs zoo gering, dat de vin , indien zij niet geheel uitgespannen is , het voorkomen heeft afgeknot of af- gerond te zijn. Van dit kenmerk is door Swainson bij zijne subgenera insgelijks gebruik gemaakt, terwijl hij bovendien het kenmerk van schubloosheid daarbij bezigde. Totdat nadere waarnemingen het tegendeel zullen hebben aangetoond , geloof ik , met den heer Valenciennes , dat alle soorten van Cobitiformes huidschubjes bezitten, alhoewel die zeker bij vele zoo klein zijn, dat zij eener oppervlakkige waar- neming ligtelijk ontglippen. Van twee soorten in mijn bezit, Diacantha flavicaudq. 54 Swns. (Cobitis dario Buch.) en Canthophrys vittatus Swns. (Cobitis guntea Buch.) kan ik met zekerheid zeggen (vergel. Verband. Batav. Genootsch. XXV Nalez, ichthyol. van Bengalen p. 143), dat het ligchaam even volkomen met schubjes bekleed is als dat van alle mijne overige soorten. Svvainson schijnt , in zijne bepa- ling omtrent het al of niet beschubd zijn van de bengaalsche soorten, enkel afge- gaan te zijn op de beschrijvingen van Buchanan in zijn werk over de visschen van den Ganges. De ondergeslachten Acoura, Canthophrys en Diacantha kunnen, om de boven ontwikkelde redenen, niet behouden blijven. Het subgenus Somilep- tes Swns. valt overigens met Acanthopsis zamen en is er slechts van afgescheiden op grond van zeer zamengedrukt ligchaam, groote oogen en afgeronde staartvin. De mij beschikbare soorten van Cobitiformes zijn slechts 18 in getal, en ik ben alzoo in het onderzoek der talrijke overige soorten beperkt , tot de daarvan bestaande beschrijvingen en afbeeldingen. Die beschikbare soorten bieden echter zoo verschillende bijzonderheden in de be- werktuiging aan, dat ik niet aarzel, daarin grond te vinden tot hare groepering in eenige geslachten, en als mijne meening uit te drukken, dat eene nadere studie der overige soorten er toe zal leiden , ze deels tot die geslachten terug te brengen , deels welligt ze tot nog andere eigene geslachten te verheffen. Eene eerste bijzonderheid in de bewerktuiging der Cobitiformes, welke door de- schrijvers te zeer is over het hoofd gezien, is het met de kophuid bedekt zijn of niet bedekt zijn der oogen. Bij vele soorten zijn de oogen vrij , van een oogvlies voor- zien, zoodat de kophuid zich tot eene soort van ooglid over het oog verlengt om zich dan terug te slaan en eene soort van bindvlies te vormen. Hiertoe behooren de soorten, welke ik vroeger heb beschreven onder de namen Cobitis macracauthus , Cobitis hymenophysa, Cobitis dario, Cobitis fasciata en Cobitis Jaklesi. Bij alle mijne overige soorten zijn de oogen geheel met de kophuid overtogen. Eene andere bijzonderheid der bewerktuiging is te vinden in de plaatsing der voeldraden. Bij alle mijne soorten zijn minstens 6, bij enkele 8 tot meer voeldraden aanwezig. Zijn er meer dan 6, dan behooren de meerdere tot de onderlip, doch de normale 6 draden behooren steeds tot den snuit of tot de bovenlip. De bovenlip- of bo- venkaaksdraden zijn ingeplant, of slechts aan den hoek der bovenkaak, of, wanneer er meer dan een paar aanwezig is, ook aan het midden van eiken tusschenkaak- beenstak. Zoo zijn bij sommige soorten 4 snuitdraden en 2 bovenkaaksdraden aanwezig, en bij sommige andere soorten slechts 2 snuitdraden en 4 boven- kaaksdraden. Vallen deze verschillen met andere verschillen van waarde zamen , dan ligt daarin grond tot het opstellen van eigene geslachten. Een derde punt in de bewerktuiging der Cobitiformes , wat bijzondere opmer- merking verdient , is de inplantingsplaats der rugvin boven of geheel achter de buikvinnen. In deze kenmerken is misschien slechts generische waarde te zoeken, wanneer ze door andere van hooger gewigt begeleid zijn. Zeer opmerkelijk eindelijk is nog de bijzonderheid, dat bij enkele Cobitiformes niet alleen het ligchaam , maar ook de kop met schubjes is bekleed. Zoo hebben Cobitis macrochir Blkr en Cobitis Hasseltii Val. schubjes op wangen en operkels en eerstgenoemde soort zelfs op de kruin en het suboperkel. Bij alle mijne overige soorten is de huid van den kop volkomen schubloos, wat ook wel het geval zal zijn bij verre weg de meeste overige bekende soorten, hoezeer ik vermoed, dat er onder de bengaalsche soorten zijn^ welke een dergelijk karakter aanbieden. De boven omschrevene kenmerken , in verband beschouwd met elkander , met die , gelegen in de aanwezigheid of afwezigheid van wangdoornen en den algemeenen bouw en habitus, hebben mij geleid tot het aannemen in de subfamilie Cobitifor- mes van de geslachten Hymenophysa , Cobitis, Lepidocephalus ^ Acanthopsis, Acanthophthalmus en Cobitichthys. Deze geslachten laten zich naar volgend schema gemakkelijk herkennen. I Spina suborbitalis bifurcata. a. Pinna dorsalis pinnis ventralibus opposita. f Oculi liberi. Cirri 6 vel 8, rostrales 4, supramaxillares'2, inframaxillares interdum 2. Vesica natatoria parte majore libere in cavitate ventris suspensa. Hymenophysa McCl. ft Oculi velati. Cirri 6, rostrales 3, supramaxillares 4. Vesica natatoria tota in pyxide vertebrali inclusa. Acanthopsis V. Hass. b. Pinna dorsalis pinnas ventrales inter et analem sita. Oculi velati. Corpus valde compressum. Vesica natatoria nuUa. Cirri 6. f Cirri rostrales 4, supramaxillares 2. Caput squamosum. Lepidocejphalus Blkr. tt Cirri rostrales 2, supramaxillares h. Caput alepidotum. Acanthophthalmus V. Hass. II Spina suborbitalis nulla. Pinna dorsali pinnis ventralibus opposita. Vesica natatoria tota in pyxide vertebrali inclusa. a. Oculi liberi. Cirri (5, rostrales 4, supramaxillares 2. Cobitis Art. 56 h. Oculi velati. Cirri 10 ad 12, rostro-supramaxillares 6 — 8, inframaxillares 4. Corpus valde compressum. Pinna caudalis supra et infra caudam in ca- rinam subadiposam producta. Cohitichthys Blkr. Ik beschouw deze geslachten als natuurlijke en ik bezit van alle 2 tot 4 soorten. Ue bestaande gegevens zijn overigens niet voldoende om de overige reeds bekende soorten alle met zekerheid eene plaats in zs aan te wijzen. Misschien zelfs vindt men er typen onder, welke tot eigene geslachten behooren te worden verheven. De Cobitiformes zijn beperkt tot Europa, Azië en den Indischen archipel en bezitten het grootste aantal soorten in zuidelijk en zuidwestelijk Azië. De geslachten Hymenophysa, Acanthophthalmus en Lepidocephalus schijnen zich niet verder westelijk uitte strekken dan Hindostan, doch oostelijk gaat Hymenophysa tot Java, Borneo en Japan en de beide overige tot Java. Acanthopsis en Cobitis hebben de grootste verbreiding. Acanthopsis vindt men zoo wel in Engeland als in Japan vertegenwoordigd. Cohitichthys schijnt uitsluitend te behooren tot Oostelijk Azië , tot China , Japan en Borneo. De bekende soorten der subfamilie zijn, voor zoo ver ik heb kunnen nagaan, de hier onder genoemde. Species Cohitiformium hucusque cognitae. Habit. * Hymenophysa dario Blkr s Cobitis dario Buch. r=i Diacantha flavicauda Svvus. :=! Schistura dario McCl. , . . Bengala, Assam. // geto Blkr. :=i Cobitis geto Buch. ;=; Diacantha zebra Swns.=: Schistura geta McCl Béng. Assam. 1/ grandis Blkr :=: Botia grandis Gr. =i Cobitis grandis Val. = Schistura grandis McCI Hindostan. // curta Blkr=^ Cobitis curta T. Schl. . : . - . Japonia. * // MacClellandi Blkr=:: Cobitis hymenophysa Blkr. . Java, Sumatra. * // macracanthus Blkr =3 Cobitis macracanthus Blkr. . Sumatra, Borneo. 57 Habit. Cobitis barbatula L. ^ Cobitis Furstembergii Fitz. ; : ' Eur., As. occ. sept. M nurga Nordm. ■^ Cobitis merga Krynick Russia meridon. frenata Heek Syria. panthera Heek Syria. insignis Heek Syria. tisrris Heek -. Svria. leopardus Heek Syria. lüalapterus Val Syria. argyrogramma Heek Syria. persa Heek Persia. marmorata Heek Cashmir; vittata Heek Cashmir. mooreh Syk Deccan. Ruppellii Syk Deccan. arenata Val Hindostan. scaturigina Bucii. =: Schistura scaturigina McCl. . Bengala, Assatn. bilturio Biich. =3 Cobitis ocellata McCl Beugala. turio Buch. ■^ Acoura argentata Svvns. =J Cobitis gibbosa McCl. ' Bengala. savona Buch. =; Acoura obscura Swns. r=! Schistura savona McGl. Bengala. corica Buch. =3 Aeoura cinerea Swns. :=i Schistura punctata McCl Bengala, rupeeula ;=i Schistura rupecula McCl. =! Cobitis rupecula Val : . Bengala. ?? boutanensis =; Cobitis boutanensis McCl. . . . Bengala. ? zonata m: Schistura zonata McCl. — Cobitis zona- ta Val Assam. ? chlorosoma =3 Cobitis chlorosoma McCl. . . . Assam. ? monoceros :=; Cobitis monoceros McCl Assam. ?? pavonacea :=; Cobitis pavonacea McCl. .... Assam. ?? subfusea =; Schistura subfusca McCl. =! Cobitis subfusca Val , . . . . Assam. ? ? phoxocheila =s Cobitis phoxocheila McCl. . . . Assam. ?? guttata :=: Cobitis guttata McCl Asam. ? micropus 1=3 Cobitis micropus Val China. spiloptera Val Cochin-Chiua, chrvsolaimos K. v. H. =5 Nemacheilus fasciatus V, V 58 Habit. Hass. ;=! Cobitis fasciata Val. =i Cobitis suborbi- talis Val. :=! Cobitis PfeifFeri Blkr Java , Sumatra. * Cobitis Jaklesi Blkr Sumatra. Acanthopsis fossilis Ag. ;=! Cobitis fossilis L Europa, Asia occid. // taenia Seljs :^ Cobitis taeniaL. ^ Botia taenia Yarr. Eur., As. sept., Japon. * elongatus Blkr ;=i Cobitis elongata Heek. Kner. . Europa. * linea Heek Persia. // ? armatus Blkr ^ Cobitis armatus McCl Afo;hanistan. // ? maya Blkr:=! Cobitis maya Sykes Deccan. * tl guntea Blkr s Cobitis guntea Buch. s Cantho- plirys guttatus Swns Bengala, Assara. * amnicolus Blkr =: Cobitis amnicola Val Bengala. w montanus Blkr ^ Schistura montana McCl. =i Co- bitis raontana Val Bengala. // ? cucura Blkr :=i Cobitis cucura Buch. =5 Cantho- phrys albescens Swns Bengala. u ■ ? aculeatus Blkr =: Schistura aculeata McCl. == Co- bitis aculeata Val Assam. // ? gongota Blkr =^ Cobitis gongota Buch. =3 Somilep- tes bispinosa Swns. =s Cobitis oculata McCl. . . . Bengala. // ? botia Blkr =1 Cobitis botia Buch. ^ Soiuileptes unispina Swns. :=! Cobits mucronata McCl. . . Bengala. * // dialyzonaV. Hass. :::5 Cobitis macrorhynchos Blkr. . Java, Borneo. * // choirorhynchos Blkr ;=! Cobitis choirorhynchos Blkr. . Sumatra. Acanthophthalmus pangia Blkr =: Cobitis pangia Buch. ;=; Can- thopbrys rubiginosus Swns. =; Cobitis cinnamo- mea McCI Bencrala. // ?? thermalis Blkr =3 Cobitis thermalis Val Ceylon. * // fasciatus V. Hass. =3 Cobitis Kuhlii Val. . . . Java, Sumatra. // javanicus K. v. H. — Cobitis oblonga K. v. H., Val. Java Lepidocephalus ? balgara Blkr =s Cobitis balgara Burh. :=: Can- thophrys olivaceus Swns. =1 Schistura bulgara McCl. Bengala. * // Hasseltü Blkr — Cobitis Hasseltii Val. ;=i Cobitis octocirrhus V. Hass.? Java. * // macrochir Blkr :=i Cobitis macrochir Blkr. . . . Java. Cobitichthys anguillicaudatus Blkr s Cobitis anguillicau- data Cant China. // pectoralis Blkr ;=: Cobitis pectoralis McCl. . . China. 59 Habit. Cobitichthys bifurcatus 131kr — Cobitis bifurcatus McCl. . . China. // decemcirrosus Blkr ;=j Cobitis decemcirrosus Basil. . China. if ?? psammismus Blkr ^ Cobitis psammismus Richds. China. u rubripinnis Blkr =2 Cobitis rubripinnis T. Schl. (nee Blkr ol.) Japonia. // maculatus Blkr z=i Cobitis macuiata T.' Schl. . . Japonia. // enalios Blkr =; Cobitis rubripinnis Blkr ol. (nee T. Schl.) Japonia. tl dichachrous Blkr Japonia. // polynema Blkr Japonia. H barbatuloides Blkr =^ Cobitis barbatuloides Blkr. Borneo. Species fossiles. . Cobitis centrochir Ag ■" . . . Oeningen. // cephalotes Ag Oeningen. .'/ longiceps Ag Mombach. // ? Acanthopsis angustus Ag -. Oeningen. Het aanwezen van Cobitiformes op de Soenda-eilanden is het eerst aangetoond geworden door Kuhl en Van Hasselt. — Van Hasselt kende 5 soorten van Java, Co- bitis fasciata^ Acanthophthalmus javanicus, Acanthophthalmus fasciatus, Lepidoce- phalus Hasseltü en Acanthopsis dialyzona, soorten, welke ik alle heb teruggevonden. Na Kuhl en Van Hasselt, tot op mijne onderzoekingen^ werd geene enkele soort aan deze 5 toegevoegd, want Cobitis chrysolaimos Val. en Cobitis suborbitalis Val. zijn mijns inziens tot Cobitis fasciata terug te brengen. Op Java vond ik , behalve de 5 genoemde soorten , van welke slechts vier in de groote Histoire naturelle des Poissons zijn vermeld , nog Jjepidocephalus macrochir en Hymeuophysa MacClellandi. Suraatra, van waar vroeger geene enkele soort van Cobitiformes bekend was, heeft mij van de Javasche soorten geleverd Hymenophysa MacClellandi, Cobitis fasciata , Lcpidocephalus macrochir , Acanthophthalmus javanicus en Acanthophthal- mus fasciatus, en bovendien nog Hymenophysa macracanthus , Cobitis Jaklesi en Acanthopsis choirorhynchos , dus in het geheel acht soorten. Van Borneo ontving ik slechts 4 soorten , Hymenophysa macracanthus , Hyme- nophysa MacClellandi , Acanthopsis dialyzona en Cobitichthys barbatuloides , welke laatste soort aan Borneo eigen schijnt te zijn. 60 Opmerking verdient het, dat van de eilanden Banka, Biliton en Singapoera nog geene enkele tot deze subfamilie behoorende soort is bekend geworden. De archipelagische Cobitiforraes beminnen bij voorkeur de heldere snel vlietende rivieren der bergachtige streken. Nabij de riviermondingen treft men wel voor- werpen aan van Cobitis fasciata, Acanthopsis dialyzona, Lepidocephalus Hasseltii en Acanthophthalmus fasciatus, doch slechts zelden, en in den regel slechts bij hoogen stand en snellen stroom der rivieren. Zij behooren echter in de hoogere ge- deelten der rivieren te huis , waar eenige soorten , zooals Cobitis fasciata en Le- pidocephalus Hasseltii, althans op Java, dikwerf in honderden voorwerpen te gelijk gevangen worden. Hymenophysa McCL, Blkr. Getjoeban. Corpus oblongum compressum , microlepidotum. Maxilla inferior acie tenui , tuberculo nullo. Caput acutum. Oculi liberi. Cirri 6 vel 8 , ros- trales 4 , supramaxillares 2. Caput alepidotum. Spina suborbitalis. Nares anteriores patulae. Pinna dorsalis ventralibus opposita , caudalis biloba. Vesica natatoria duplex, posterior libere in cavitate abdominali sus- pensa. Dentes pharyngeales conici uniseriati. Aanm. Ik beschouw het geslacht Hymenophysa als volkomen natuurlijk. De bijzondere bouw der zwemblaas gaf den heer MacClelland aanleiding tot het denkbeeld, dat men daarop een eigen geslacht zou kunnen vestigen onder den naam van Hvmenphysa, doch hij bragt dit denkbeeld niet in praktijk en plaatste alle Cobitiformes onder Cobitis en Schistura, latende hij de door hem beschrevene soorten van Hymenophysa onmiddellijk achter die van Schistura volgen. De heer Valenciennes heeft het geslacht Hymenophysa niet aangenomen , voorna- melijk omdat hij meende, dat het karakter, gelegen in de zwemblaas , niet vergezeld was van kenmerken in andere organen. In de eerste plaats moet ik hier aanteekenen, dat de zwemblaas bij Hymenophysa niet, zooals ik zelf vroeger meende en beschreef, enkel is en niet slechts bestaat uit de ruime, vrij in de buikholte liggende , blaas , maar dat die blaas slechts het achterste gedeelte der geheele zwemblaas daarstelt en door eene kortere of langere buis vereenigd is met het voorste gedeelte, hetwelk, even als bij de geslachten Cobi- tis , Cobitichthys en Acanthopsis, besloten is in eene beenige, door den voorsten wervel gevormde doos en zelfs betrekkelijk aanmerkelijk grooter is dan bij de genoemde geslachten. Deze bijzonderheid was door mij nog niet opgemerkt, tijdens ik de drie soorten van het geslacht, in mijn kabinet bevat, beschreef en bekend maakte. 61 En zijn echter andere kenmerken dan die, welke betrekking hebben tot den bouw der zwemblaas, welke ragt geven Hymenophysa als een eigen geslacht aan te nemen. Vooreerst is de habitus der tot hetzelve behoorende soorten een geheel eigenaar- dige en reeds voldoende ora ze van alle overige Cobitiformes te onderscheiden. Alle doen zij zich kennen door een veel korter en gedrongener ligchaam dan men bij alle overige Cobitiformes waarneemt, eene gedaante aan welke door den betrekkelijk hoogen rug meer kenmerkends wordt bijgezet. Het is voornamelijk op grond van de gedaante des ligchaams, dat ik Cobitis curta T. Schl. tot Hyme- nophysa breng, welke japansche soort overigens ook de andere uitwendige ken- teekenen van Hymenophysa bezit. Ten tweede verschilt Hymenophysa van Cobitis , volgens mijne opvatting van dit geslacht, door de aanwezigheid van den gewoonlijk sterk ontwikkelden onderooof- kuilsdoorn, terwijl het zich met geen der overige geslachten van Cobitiformes laat vereenigen, wegens zijne vrije niet met de kophuid overtogene oogen. Men kan het geslacht alzoo oogenblikkelijk herkennen aan de onderoogkuilsdoor- nen met gelijktijdig vrije oogen en men wordt in die herkenning nog vergemakkelijkt door de gedrongene vormen des ligchaams en hoogen rug, alsmede door de gevorkte staartvin en min of meer spitsen varkensachtigen snuit, welken alle soorten met el- kander gemeen hebben. De thans bekende soorten van Hymenophysa laten zich groeperen in die met zes en in die met acht voeldraden. Alle hebben echter 4 aan de basis digt bij- eenstaande snuitdraden en twee aan den bekhoek ingeplante bovenkaaksdraden. De onderkaaksdraden ontbreken soms en zijn altijd slechts weinig ontwikkeld. Zij staan ook niet in verband met andere kenteekenen , gewigtig genoeg ora aan de groepen eene hoogere beteekenis te geven. '1 ot de achtdradige soorten behooren Hymenophysa macracanthus , Hymenophysa geto en Hymenophysa grandis; tot de zesdradige Hymenophysa MacClellandi, Hyme- nophysa dario en Hymenophysa curta. De beide archipelagische soorten laten zich voorts naar volgend schema van de aan haar verwante onderkennen. I. Cirri S. Corpus fasciis transversis fuscis latis 3, oculari, dorso-ventrali et dorso- anali. D. 8/8 vel 3/9. Hymenophysa macracanthus Blkr. n. Cirri 6. Corpus vittis transversis 15 p. m. coerulescentibus. D. 3/10 ad 3/13. Hymenophysa MacClellandi Blkr, 62 Hymenophysa macracanthus Blkr, Grootdoornige Getjoeban. Atl. Cypr. Tab. I. Hymenoph. corpore oblougo compresso, altitudine 1 circiter in ejus longitiidine, latitudlne2 circiter in ejus altitudine; capite acuto «onvexo 3"/! ad 5 in longltudine corporis; uliitudine capitis 1 et paulo ad l'/s, latitudine 2 ad l"/3 in ejus longitudine; linea rostro-frontali convexa; oculis liberls, in posteriore dimidio capitis sitis , lineam rostro-frontalem non attingentibus, diametro 4 ad 6 ia longitudine capitis, diametris 1^/4 ad 2^/4 distantibus; linea interoculavi valde convexa; naiibus medio rostri apicem inter et orbitam circiter paulo ante spinara suborbltalem perlbratis, valde approximatis , posterioribus anterloribus inajoribus foramlulfbrmibus, anterioribus valvula lata basi Bubtubiformi claudendis ; spina suborbltali sat longe anteoculum inserta, validissima, bifurcata, ramo inferiore ramo superiore plus duplo longlore, sub oculi margine posteriore desinente; rostro acutiusculo convexo, oculo duplo fere vel plus duplo longlore, carnoso, ante os prominente; maxilla superiore maxlila inferiore longlore, Lmge ante oculum desinente; maxüla inferiore gracili cocbleariformi sat- longe ante lablum inferius defiexura prominente; labils latis carno-;is, superiore antice in lobos 2 oblongo-rotundos menibranaceos producto, inferiore pendulo margine sinuato; cirris 8, rostralibus 4 apice rostri basi communi insertis, dimidio apicali antennatlm articulatis externis cirris inediis et oculo longioribus, mediis sat alte palmatis (membrana sat alte unitis); cirris supramaxillaribus basi carnosis compressis apice gracUibus cirris rostralibus externis non vel vix longioribus ; cirris infra- luaxillai'ibus basi approximatis latis cirris ceteris brevioribus; dentibus pharyngealibus utroque latere 5 unisoriatls conicis acutis vix curvatia parvis; apertura brancliiali subvertlcali; squamis minimis, oeulo nudo bene con?pIcuis; linea laterali rectiuscula per media latera decurrente, antice turaida; vesica natatoria bipartita, parte anteriore globosa in cavitate ossea inclusa cum parte posteriore tubulo gracili longo unita , parte posteriore oblonga parte anteriore plus duplo majore llbere in cavi- tate ventris suspensa; pinna dorsali junioribus paulo ante, aetate provectis supra basin ventralium incipiente et ante pinnam analem desinente, aeuta vel acutiuscule rotundata, non emarginata, altiore quam basi longa, corpore humlllorc; plnnis pectoralibus junioribus acutiuscule rotundatis aetate provectis acutis, ventrales non vel vix attingentibus, capite brevioribus; ventralibus acutis vel acute rotundatis pectoralibus brevioribus; anali acuta non vel vix emarginata, duplo circiter altiore quam basi longa, dorsali liuralllore: caudali profunde incisa lobis valde acutis S'/i ad 3'^/4 in lon- gitudine corporis; colore corpore pulchre roseo vel fiavo, fasciis 3 latis trans versis nigricante-fuscis luteo limbatis; fascia 1" oculari vertice incipiente oculum amplectente, inferne gracilescente et non cum fascia lateris opposlli unita ; fascia media dorso-ventrali latissima, ante pinnam dorsalem inci- piente inferne gracilescente et ventre ante pinnas ventrales cum fascia lateris oppositi unita; fascia 3i a pinna dorsali et a tota caudao dorso incipiente pinnam analem versus descendente et totam caudam fere amplectente; pinnis dorsali et anali totls fere nigricante-fuscis basi antice et margine an- teriore et apice iiiterdum roseo-rubris; pinnis pectoralibus et ventralibus juvenillbus miniatis, aetate provectiorlbus roseis medio late fuscis; caudali pulchre rubra; iride aurea, violaceo et fusco tincta. B. 3. D. 3/S vel 3/9. P. 1/13 ad 1/15. V. 1/8. A. 3/5 vel 3/6. C. 8/17/8 ad 10/17/12, lat. brev. incl. Syn. Cobitiis macracanthus Blkr, DIagn. Beschr. nieuwe vischs. Sumatra Tient. I ad IV, Nat. T. Ned. Ind. III p. G03. é Matjan Mal. Sum., Getjuhaii Lampong. Sum. Hab. Sumatra (Pangabuang, Palembang, Djambi, Lahat, Lematang-Enim, Kwanten), in fluviis, Borneo (Bandjermasin, Kab*jan, Pontianak, Sintang), in fluviis, Longltudo 36 speciminum 48'" ad 320'". 63 Aanm. Ik beschreef deze soort voor het eerst ter aangehaalde plaatse, in het jaar 1852, naar kleinere voorwerpen van Sumatra. Sedert ontving ik talrijke voor- werpen, niet alleen van verschillende plaatsen van Sumatra, maar ook van Borneo en daaronder van ongeveer een voet lengte. Op Java schijnt zij niet voor te komen. De Grootdoornige Getjoeban heeft, even als Ilymenophysa grandis en liynieno- physa geto , 8 voeldraden, doch bij eerstgenoemde soort is het ligchaam onregel- matig gevlekt en zonder banden, terwijl bij laatstgenoemde de donkere dwarsbanden 7 of 9 in getal zijn, zoodat zij zich bij den eerbten oogopslag daarvan laat onder- kennen. Merkwaardig is bij deze soort de verlenging der bovenlip in twee afgeronde kwabben en de voelsprietachtige geleding der snuitdraden. Zij is. naar ik ver- moed, de grootste soort van alle bekende Cobitiformes. Hymenophysa MacClellandi Blkr. MacClellandsche Getjoeban. Atl. Cy- prin. Tab. II fig. 6. Ilymenoph. corpore elongato compresso, alütudine 5 fere ad S'/a in ejus loDgitudine, latitudine 2 fere ad 2*2 in ejus altitudine; capite suilloideo, aciito, 4"2 5 ad 5 fere in longitndine corporis; altitudine capitis 11/.2 ad l3/i , latitudine 2'/2 ad 3 in ejus longitudine; linea rostro-frontali declivi rectiuscula; ocu- lis liberis, in posteriore dimidio capitis sitis, lineam rostro-frontalem non attingentibus, diametro 5 ad 7 in longitudine capitis, diametro 1 et paulo ad l^/a distantibus; linea interoeulari convexa;na- ribus medio circiter rostri apicem iiiter et orbitam longe ante spinara suborbitalem peiforatis, valde approximatis , posterioribus foraminiforraibus , anterioribus valvula magna dimidio basali tubiformi claudendis; spina suborbitali non longe ante oculum inserta, valida, bit'urcata, ramo inferiore ramo superiore duplo circiter longiore, sub medio oculo circiter desinente; rostro acuto non vel vix con- vexo suilloideo, oculo juvenilibus duplo aetate provectioribus plus duplo longiore, ante os prominente, carnoso; maxilla superiore maxilla inferiore longiore, apicehamato, longe ante oculum desinente; ma- xilla inferiore sat gracili, coelileariformi, ante labium inferius deflexum prominente; labiis carnosis, simplicibns, non lobatis; cirri» G, rostralibus 4 apice rostri basi communi insertis, non articulatis, internis supra cirros externos insertis iisque et oculo multo longioribus basi tantum leviter palmatis ; cirris supramaxillaribus 2 basi parum carnosis cirris rostralibus non vel non multo brevioribus; dentibus pliaryngealibus utroque latere uniseriatis conicis acutis vix cnrvatis parvis; apertura branchiali subverticali; operculo poslice inferne in processum obtusum producto; squamis minimis oculo nudo conspicuis; linea laterali rectiuscula, per media latera decurrente, antice tumida; vesica natatoria bipartita, parte anteriore globosa in cavitate ossea inclusa cum parte posteriore tubo bre- vi sat aTpplo unita, parte posteriore oblonga parte anteriore plus duplo majore libere in cavitate ventris su;i>ensa; pinna dorsali supra vel vix ante pinnas ventralos incipiente et paulo ante analem desinente, acntiuscula, non vel parum emarginata, corpore humiliore, juvenilibus vix 'vel non aeta- te provectis nrolto longiore quam alta; pinnis pectoralibus acutiuscule vel obtusiuscule rotundatis, longe ante ventrales desinentibus capite multo sed minus duplo brevioribus; ventralibus acutiuscule vel obtusiuscule rotundatis pectoralibus brevioribus; anali acute vel obtuse rotundata, non vel vix emarginata, multo minus duplo alliore quam basi longa, dorsali paulo vel non humiliore; caudali profunde incisa, lobis acutis vel acute rotundatis 4'/3 ad 5 in longitudine corporis; colore corpore 64 snperne pulchre roseo-viridi, inferne margaritaceo ; capite utroque latere fasciis 2 longitudinalibns violascentibus, superiore rostrc-frontali, inferiore rostro-oculari ; corpore junioribus fasciis 13 ad 15 transversis subaequilatis et subaequidistantibus coerulescentibus vel dorso violascentibus antice et postice vitta vel vittula profiinde coerulea lineam ventralera non attingente raarginatis, aetate pro- vectis fasciis non vel vix conspicuis sed vittulis coeruleis persistentibus; pinnis roseis, dorsali fasciis 4 vel 5 obliquis vel subliorizontalibus violascente-coeruleis et apice vulgo macula nigra vel fusco- violacea; caudali dimidio basali vittis 3 ad 5 transversis coeruleis; iride fusca aureo et roseo tincta. B. 3. D. 3/10 ad 3/13. P. 2/10 ad 2/13. V. 1/7. A. 3/5 vel 3/6. C. 10/17/10 ad 15/17/15, lat. brev. incl. Syn. Cobitis hymenopliysa Blkr, Diagn. Beschrijv. nieuwe vischs. Sumatr. Tient, I — IV, Nat. ïijdschr. N. Ind. III p. 602. Laiigli Lampong. Hab. Java (Ngawi), in fluviis. Sumatra (Pangabuang, Palembang, Leraatang-Enim , Lahat), in fluviis. Borneo (Kahajan, Pontianak), in fluviis. Longitudo 24 specirainum 64" ad 187". Aanni. Ik ontdekte de hier beschrevene soort gelijktijdig met de Grootdoornige Getjoeban en beschreef haar ter zelfder plaatse naar een enkel kleiner voorwerp van Palembang. Sedert ontving ik vrij talrijke exemplaren van verschillende plaatsen van Sumatra en Borneo en ook enkele van Java. Van hare archipelagische verwante verschilt zij door slanker ligchaam , talrijker rugvin stralen , talrijke anders gekleurde ligchaamsbanden en door de aanwezigheid van slechts zes voeldraden. Dit laatste ken- merk heeft zij gemeen met Hymenophysa curta en Hymenophysa dario, doch zij laat zich nog gemakkelijk van deze beide soorten onderkennen, — van Hymenophysa curta door hare dwarsche ligchaamsbanden en aanmerkelijk talrijker rugvinstralen , — ■ en van Hymenophysa dario door spitser profiel, kleinere oogen, talrijker rugvinstralen en talrijkere en minder schuins geplaatste dwarsche ligchaamsbanden. Ik bezit slechts 3 javasche voorwerpen dezer soort ^ gevangen in het gebied der Solo-rivier, nabij Ngawi. Deze voorwerpen hebben alle slechts 13 dwarsche lig- chaamsbanden, slechts 3/10 of 3/11 rugvinstralen en de violetblaauwe rugvin- bandjes bijkans horizontaal geplaatst en zeer smal. Ook eenige mijner sumatrasche voorwerpen vertoonen dezelfde bijzonderlieden en ik zou er aanleiding in gevonden hebben alle die voorwerpen tot eene eigene soort te brengen , indien ik niet ook in het bezit was van nog twee andere voorwerpen, welke, met de aanwezig- heid van 15 dwarsche ligchaamsbanden en zeer schuinschen stand der rugvinban- den, zooals ik bij de meeste mijner exemplaren waarneem, slechts 3/10 tot 3/11 rugvinstralen bezitten, zoodat hier, vermits overigens de habitus van alle voor- werpen gelijk is, slechts aan klimaatsvarieteiten te denken is. 65 AcANTHOPSis V. Hass., Blkr. Modderhruij^er. Corpus elongatum compressum, microlepidotum. Maxilla inferior acie tenui , tuberculo nuUo. Oculi velati. Cirri ö ad 10 , rostrales 2 , supramaxillares 4. Caput compressum , alepidotum. Spina suborbitalis. Nares anteriores patulae non tubulatae. Pinna dorsalis ventralibus opposita. Vesica natatoria parva in cavitate ossea vertebrali inclusa. Dentes pbaryngeales conici uniseriati. Aaum. De geslachtsnaam Acanthopsis is niet het eerst voorgesteld door den heer Agassiz, zooals men algemeen si'hijnt aan te nemen en ook uit den Nomenclator van den heer Agassiz zou opmaken, maar dagteekent reeds van het jaar 1823, in welk jaar een uittreksel uit een' brief van Van Hasselt over de visschen van Java , ia de Algemeene Konst- en Letterbode is opgenomen en daaruit vertaald overgeno- men in het Bulletin van De Férussac van 1824. Van Hasselt grondde zijn geslacht Acanthopsis op eene merkwaardige soort van Java , welke hij onder den naam van Acanthopsis dialyzona aanduidde , en nam als geslachtskenmerk aan den spitsen verlengden snuit en de plaatsing van den on- deroogkuilsdoorn vóór en niet onder het oog. De benaming Acanthopsis werd later ook toegepast op alle soorten van Cobitiformes , welke een' onderoogkuilsdoorn bezitten , onverschillig of die doorn vóór of onder de oogen is ingeplant. In beide gevallen laat de bepaling van het geslacht te wenschen over. Niet alle soorten van Cobitiformes met onderoogkuilsdoornen zijn tot een zelfde geslacht te brengen en aan den anderen kant zijn die doornen niet bij alle soorten van Acanthopsis vóór het oog geplaatst, terwijl de snuit slechts bij enkele soorten verlengd is. Ik heb alzoo eene nieuwe diagnose van het geslacht opgemaakt , doch ik moet aanteekenen , dat ik slechts drie soorten uit eigen aanschouwing heb leeren kennen en dat ik alzoo ten opzigte van alle overige soorten beperkt ben, tot hetgeen de bestaande beschrijvingen en afbeeldingen daaromtrent leeren. Ik ben in het bezit geweest van eene Acanthopsis (Cobitis guntea Buch.) van Bengalen, doch deze soort is tijdens de veelvuldige verplaatsingen van mijn kabinet verloren gegaan, terwijl ik in de daarvan gegevene beschrijving, in mijne Nalezingen op de ichthyologie van Bengalen , niet gelet heb op de geaardheid van het oogvlies en van de neusgaten. Thans kan ik alzoo slechts raadplegen de beide archipelagisclie soorten van mijn kabinet. Deze soorten intusschen behooren tot eene eigene groep in het geslacht en zijn merkwaardig door haren varkensachtigen kop en ver vóór de oogen ingeplante onderoogkuilbeensdoornen. Reeds daardoor laten zij zich van alle overige soorten herkennen. 9 66 Het geslacht Acanthopsis, zooals het boven omschreven is, laat zich gemakke- lijk van de overige geslachten van Cobitiforraes onderkennen. Door zijnen onderoog- kuilbeensdoornen reeds verschilt het van Cobitis en Cobitichthys. Door zijne bedekte oogen laat het zich niet verwisselen met Cobitis en Hymenophysa. Door zijne twee snuitdraden, vier bovenkaaksdraden en onbeschubden kop verschilt het van Lepidocephalus. En ook met Acanthophthalmus kan het niet verward worden door de plaatsing der rugvin boven de buikvinnen. De beide archipelagische soorten zijn te kenmerken als volgt. 1 Cirri 8. Caput suilloideum acutum, rostro oculo plus triplo longiore. Spina suborbitalis longe ante oculum inserta. Pinna caudalis emarginata. A. Caput 4^/3 ad 5 et paulo in longitudine corporis. Caput, dorsum et la- tera maculis rotundis vel polymorphis violaceo-fuscis. A. 2/5 vel 2/6. Acanthopsis choirochynchos Blkr. B. Caput 5 ad 5V3 in longitudine corporis. Maculae fuscae capite dorsoque nullae. A. 2/6 vel 2/7. ■ Acanthopsis dialyzona V. Hass. Acanthopsis choirorhynchos Blkr., Varkensachtige Modderkruiper. Atl. Cypr. Tab. II fig. 5. Acanth. corpore elongato compresso, altitudine 9 V^ ad 11 ferein ejus longitudine , latitudine IV2 clrciter in ejus altitudine; capite valde acuto, suilloideoï 5 et paulo ad 4^/3 in longitudine corporis: altitudine capitis S'/s circiter, latitudine S'/a circiter in ejus longitudine; linea rostro-frontali declivi recta ; oculis totis velatis , in posteriore tertia capitis parte sitis , lineae frontali maxime approximatis , diametro G'/s circiter in longitudine capitis, minus diametro ^h distantibus ; linea interoculari non convexa; naribus me.dio circiter rostri apicem inter et orbitam paulo ante basin spinae suborbitalis per- foratis, anterioribus brevitubulatis , posterioribus foraminiformibus ; spina suborbitali longe antH oculum inserta, mediocri, oculo breviore, longe ante oculum desinente, bifurcata, ramo inferiore ramo supe- riore minus duplo longiore; rostro acuto, suilloideo, oculo plus triplo longiore, conico-compressius- culo, apice ante os prominente, carnoso; maxilla superiore maxilla inferiore longiore, non hamata, longe ante oculum desinente; maxilla inferiore satgracili, cochleariformi, ante labium inferius deflexum prominente; labiis carnosis, simplicibus, non lobatis; cirris 8 graeilibus; cirris rostralibus 2 basi approximatis apice rostri insertis oculo non vel non multo brevioribus; cirris supramaxillaribus 4, oculum longitudine aequantibus vel subaequantibus , anterioribus medio ramo ossis intermaxillaris, posterioribus angulo ossis intermaxillaris insertis anterioribus longioribus ; cirris inframaxillaribus antice labio inferiore insertis cirris ceteris brevioribus ; dentibus pharyngealibus utroque latere uni- seriatis p. m. 14 conicis acutis vix curvatis , parvis , inaequalibus ; apertura branchiali subverticali ; oper- culo roargine superiore concavo, apice rotundato, margine inferiore valde curvato; suboperculo post pperculum prominente; squamis minimis oculo nudo conspicuis; linea laterali bene conspicua, ree- 67 tiuscula.per media latera decurreate; vesica natatoria cavitate ossea vertebrali inclusa, parva, parte accessoria posteriore in cavitate ventris libere suspensa nulla; pinna dorsali secunda 4» ejus parte pinnis ventrallbus opposita et tota ejus longitudine circiter ante pinnam analem desinente, cor- pore paulo altiore, aeque longa i'ere ac alta, acuta, paulo eraarginata; pectoralibus acutis longe ante ventrales desinentibus , capite multo sed multo minus duplo brevioribus; ventralibus acutid vel acute rotundatis, pectoralibus brevioribus, minus ad plus earum longitudine ante pinnam ana- lem desinentibus; anali acuta vel acutiuscule rotundata, vix vel non eraarginata , paulo altiore quam basi longa, corpore humiliore; caudali oblique parum emarginata lobis acutis inferiore superiore longiore h'-^/i ad 6^/4 in longitudine corporis; corpore superne violascente- vel roseo-viridi , lateribus ar- genteo, inferne albldo, fusco-violaceo vel viridi-violaceo maculato et rivulato; maculis genis parvis polymorphis, rostro et fronte linea media oblongis transversis 4 ad 6, linea dorsi media magnis oblon^Is fascias transversas breves 13 vel 14 subsimilantibus , lateribus linea laterali subrotundis ma^nis 10 ad 12, lateribus inferne parvis interdum in vittam longitudinalem undulatam uni- tis, interdum nullis; lateribus dorsum inter et lineam lateralem vitta longitudinali fusca plus minusve interrupta subundulata; pinnis aurantiaco- vel roseo-hyalinis radiis roseis vel fuscescenti- bus; caudali membrana tota media pinna margaritacea , radiis auraatiacis singulis maculis parvis 4 ad 5 fuscis vittas totidem tranversas efficientibus , basi superne macula nigra parva rotundiuscula. B. 3. D. 2/10 vel 2/11. P. 1/9. V. 1/6. A- 2/5 vel 2/6. C. 7/14/5 vel 6/14/4 lat. brev. incl. Syn. Cohitis choirorkynchos Blkr, Overz. Icbth. Sumatra, Nat. T. Ned; Ind. VII p. 95. Hab. Sumatra (Provincia Palembang ubi confluunt flumina Lematang-Eoim , Lahat). Longitudo 7 speciminum 101'" ad 178'". Aanm. Deze soort wordt aanmerkelijk grooter dan hare javasche geslachtsver- wante, vau welke zij zicht overigens voornamelijk onderscheidt door hare kleurtee- kening en betrekkelijk grooteren kop. Zij schijnt op Sumatra de plaats te vervan- gen van Acanthopsis dialyzona V. Hass. Acanthopsis dialyzona V. Hass., Algem. Koiist- en Letterb. 1823 II p. 133, BuUet. Fërussac 1824 p. 377. Spitssmdtige Modderkruiper. Atl. Cypr. Tab. II fig. 8. Acanth. corpore elongatocompresso, altitudine 9V2 ad lO'/a'in ejus longitudine, latitudine IV2 cir- citer' in ejus altitudine; capite valde acuto, suilloldeo, 5 ad 5V3 in longitudine corporis; altitudine capitis 2'/3 ad 2'/*, latitudine 3 circiter in ejus longitudine; linea rostro-frontali declivi rectiuscula vel convexluscula; oculis totis velatis, parte posteriore in tertia 3* capitis parte sitis, lineaefron- tali maxime approximatis, diametro 6 ad 8 in longitudine capitis, minus diametro */2 distantibus ; linea interoculari non vel vix convexa; naribus medio circiter rostri apicem inter et orbitam paulo ante basin spinae suborbitalis perforatis, minimis, foraminiformibus ; spina suborbitali longe ante oculum inserta, medlocri, oculo breviore, longe ante oculum desinente, bifurcata, ramo inferiore xamo superiore minus duplo longiore; rostro acuto, suilloldeo, oculo plus triplo longiore, conico compressiusculo , apice ante os prominente; maxllla superiore maxlüa inferiore longiore, non ha- mata, longe ante oculum desinente; maxilla inferiore lablis carnosis, simplicibus, non lobatis ; clr- ris 8 gracllibus; cirris rostrallbus 2 basi approximatis apIce rostri insertis oculo brevioribus; oirris öupramaxIUaribus 4 , anterioribus medio ramo ossis intermaxillaris insertis oculo paulo longioribus , 68 posterioribus angulo ossis intermaxillaris insei-tis cirris anteriorIbu3 brevioribus; cirrïs inframaxil- laribu3 antice labio inferiore insertis, parum conspicuis cirris ceteris brevioribus; dentibus pharyn- gealibus uniseriatis conicis aciitis vlx curvatis, parvis; apertura brancliiali subverticali ; operculo postice rotundato margine inferiore valde curvato; suboperculo post operculura prominente; squamis minimis oculo nudo vix conspicuis; linea laterali rectiuscula per media latera decurrente; vesica natatoria cavitate ossea vertebrali inclusa, parva, parte accessoria posteriore in cavitate ventris libere suspensa nuUa; pinna dorsali secunda 4a ejus parte pinnis ventralibus opposita et tota cir- citer ejus longitudine ante pinnam analem desinente, corpore altiore, aeque longa fere ac alta, acuta, emarginata; pectoralibus acutis longe ante pinnas ventrales desinentibus, capite multo sed multo minus duplo brevioribus; ventralibus acutis pectoralibus brevioribus, tota circiter earum longitudine ante pinnam analem desinentibus; anali acuta vel acutiuscule rotundata, vix vel non emarginata, paulo altiore quam basi longa, corpore humiliore; caudali subsemilunariter emar^-inata lobis acutis inferiore superiore paulo longiore öVa ad 6 in longitudine corporis; colore corpore su- perne olivaceo-hyalino, inferne nitente margaritaceo, lateribus nitente aureo-viridi maculis diffusis irregularibus violascentibus in seriem longitudinalem dispositis vel in fasciam plus minusve unitis; pinnis roseo-hyalinis ; pinna caudali basi superne macula parva nigro-violacea et basi et medio vittis 3 vel 4 transversis dilute fuscescente-violaceis ; iride flava vel aurantiaca. B. 3. D. 2/10 vel 2/11. P. 1/9. V. 1/6. A. 2/6 vel 2/7. C. 8/14/6 ad 6/14/4, lat. brev. incl. Syn. Cobüis macrorhynclios Blkr, Overz. Ichth. Sumatra, Nat. Tijdschr. N. Ind. VII p. 96. Act. Soc. Scient. Ind. Neerl. II 10e Bijdr. Ichth. Borneo p. 20. Seroivot et Djeler Sundan. Batav. Hab. Java (Batavia) , in fluviis. Borneo (Kahajan), in fluviis, Longitudo 9 speciminum 70'" ad 113'", Aanm. De onderwerpelijke soort is dezelfde, voor welke Van Hasselt den aan het hoofd van dit artikel geplaatsten naam voorstelde. Ik heb de zekerheid daar- van erlangd, niet alleen doordien ik de soort te Batavia heb terug gevonden, waar zij de eenige vertegenwoordigster van haar geslacht is , maar ook , doordien ik in het bezit ben van eene kopie der afbeelding , welke Van Hasselt van haar heeft doen vervaardigen. Die kopie heeft eene lengte van 136'", zoodat de soort grooter wordt dan het grootste der in mijn bezit zijnde voorwerpen. Zij is te Batavia zeld- zaam. Van andere plaatsen van Java heb ik haar tot nog toe niet te zien gekregen. Lepidocephalus Blkr. Schuhkop. Corpus elongatum, valde compressum, microlepidotum. Maxilla inferior acie tenui , tuberculo nullo. Caput valde compressum , squa- mosum , rostro convexo. Oculi velati. Cirri 6 vel 8 , rostrales 4 , su- pramaxillares 2. Spina suborbitalis. Nares anteriores tubulatae. Pinna dorsalis ventrales inter et analem sita. Vesica natatoria conspicua nuUa. Dentes phaiyngeales conici uniseriati. 69 Aanra. liet geslacht Lepidocephalus is van de overige geslachten van Cobitiformes gemakkelijk herkenbaar door het beschubd zijn van onderoogkuils- en operkelstreek. Deze beschubbing, welke zich bij een der soorten zelfs tot over het geheele oper- kel en tot over de kruin uitstrekt , is in de familie der' Cyprinoïden , voor zoo- verre mij bekend is , een op zich zelf staand feit en nog van geen enkel ander ge- slacht bekend. Reeds daarom schijnt aan dit kenteeken eene generische Avaarde behooren te wor- den gehecht. Overigens onderscheidt Lepidocephalus zich van Cobitis en Hyme- nophysa door zijne bedekte oogen, tusschen de buikvinnen en aarsvin geplaatste rugvin en de afwezigheid van zwemblaas; en van Cobitis bovendien nog door zijnen onderoogkuilsdoorn. Meer verwantschap heeft het met de geslachten Cobitichthys, Acan- thopsis en Acanthophthalmus. Met deze alle heeft het de bedekte oogen gemeen en bovendien met Acanthopsis en Acanthophthalmus den bewegelijken onderoog- kuilsdoorn. Het is echter voldoende van die allen te onderkenenn. Cobitich- thys mist den onderoogkuilsdoorn , heeft 2 snuit- en 4 bovenkaaksdraden , eene kleine zwemblaas en de rugvin aan de buikvinnen tegenovergesteld. Acanthopsis heeft wel een' onderoogkuilsdoorn, maar overigens voeldraden, zwemblaas en rugvin als bij Cobitichthys. Het meest verwante geslacht echter is Acanthophthalmus, doch ook dit nog is, gemakkelijk van Lepidocephalus te onderkennen , niet alleen door het volkomen onbeschubd zijn van den kop, maar ook doordien er slechts 2 snuitdra- den en daarentegen 4 bovenkaaksdraden aanwezig zijn. Van het geslacht Lepidocephalus ken ik slechts twee soorten uit eigen aanschou- wing. Een daarvan was reeds geruimen tijd in de wetenschap bekend onder den naam van Cobitis Hasseltii Val., terwijl de andere eenige weinige jaren geleden door mij werd ontdekt en onder den naam van Cobitis macrochir bekend gemaakt. Ik ben echter niet vreemd aan het denkbeeld , dat er onder de Cobitiformes van zui- delijk Azië nog andere soorten gevonden zijn of nog zullen worden , welke tot Lepidocephalus te brengen zijn, en ofschoon de bestaande beschrijvingen en afbeel- dingen ten deze niet de genoegzame voorlichting geven, meen ik Cobitis balgara Buch. voor eene soort van hetzelfde geslacht te mogen houden, welke echter 8 voeldraden zou bezitten. De beide soorten mijner verzameling bezitten de volgende kenmerken. I. Cirri 6. A. Vertex squamosus. Pinnae dorsalis medio ventrales inter et analem , ven- trales in dimidio corporis posteriore sitae. Corpus pinnaeque maculis vel fasciis nullis. 70 Lepidocepkalus macrochir Blkr. B. Vertex alepidotus. Pinnae, dorsalis veutralibus magis quam anali appro- ximata^ ventrales in dimidio corporis anteriore sitae. Corpus maculis et vittis varieo-atum. O Lepidocejphalus Ilasseltü Blkr. Lepidocephalus macrochir Blkr. Groothandige Schubkop. Atl. Cjpr. Tab. II fig. 10. Lepidoc. corpore elongato compresso, altitudine 6V2 ad 7 inejas longitudine, latitudine 2'/» ad Sin ejus altitudine; capite obtuso convexo 6 ad 6V2 in loogitudine corporis ; altitudine capitis l'/aadl^A, latitudine 2V3ad 3 ia ejus longitudine; linea rostro-frontali convexa; oculis totis velatis, postice ia anteriore dimidio capitis sitis, a linea frontali remotis, diametro 11 ad 11 in longitudine capitis, plus diametro 1 distantibus; linea interoculari convexa; naribus oculis magis quam rostri apici ap- proximatis, posterioribus foraminiformibus , anterioribus tubulatis; spina suborbitali paulo ante oculum inserta, valida, oculo longiore, post oculum desinente, bifurcata, ramo inferiore ramo su- periore plus duplo longiore; rostro obtuso, convexo, elevato, carnoso, ante 03 prominente; maxilla superiore maxilla inferiore longiore, non hamata, paulo ante oculum desinente; maxilla inferiore cocbleariformi, ante labium deflexum prominente; labiis carnosis, simplicibus, non lobatis; cirris C carnosis ; cirris rostralibus 4 peripheria apicis rostri insertis externis internis ptulo longioribus capite paulo plus duplo brevioribus ; cirris supramaxillaribus angulo ossis intermaxillaris insertis cirris ro- stralibus externis paulo brevioribus; vertice, genis postice operculisque squamosis squamis minimis oculo nudo vix conspicuis; dentibus pharyngealibus uniseriatis conicis acutis vix curvatis, parvis; operculo postice rotundato margine inferiore concavo; suboperculo post operculum non prominente; apertura branchiali subverticali ; squamis corpore minimis oculo nudo conspicuis ; linea laterali rec- tiuscula per media latera decurrente ; vesica natatoria deficiënte ; pinna dorsali medio ventrales inter et analem sita, obtusa, convexa, 'corpore duplo circiter humiliore, aeque alta circiter ac basi longa; pinnis pectoralibus acutis capite paulo longioribus, tota vel plus tota earum longitudine ante pinnas ventrales desinentibus ; ventralibus obtusis rotundatis pectoralibus plus duplo brevioribus , in posteriore dimidio corporis insertis , tota vel plus tota earum longitudine ante analem desinentibus ; anali obtusa rotundatn, dorsali non humiliore, altiore quam basi longa; caudali extensa subtruncata angulisro- tundata 71/2 ad S'/a in longitudine corporis ; colore corpore pinnisque fuscesceate-aurantiaco vel fusco ; maculis vel vittis corpore pinnisque nullis. B. 3. D. 1/8 vel 1,9. P. 1,8. V. 1/5. A. 1/5 vel 1/6. C. 12/14/10 ad 10/14/8, lat. brev. incl. Syn. Cobitis macrochir Blkr, Overz, Ichtli. faun. Sumatr. Nat. T. Ned. Ind. VII p. 97. Hab. Java (Surakarta) , in flumine Pepeh. Sumatra (Palembang) ubi confluunt flumina Lematang et Enim. Longltudo 5 speciminum 64'" ad 91'". Aanm. Bij de onderwerpelijke soort, welke ik reeds in het jaar 1846 ontdekte^ doch eerstin het jaar 1854 bekend maakte, nam ik het eerste waar, dat, in afwijking 71 van de overige Cyprinoïden, de kopergrootendeels met schubjes is bekleed. Der- gelijke schubjes op den kop heb ik sedert ook bij LepidocephalusHasseltii gevonden, maar zij bevinden zich daar slechts op de wangen en het bovenste gedeelte der oper- kels, terwijl zij bij Lepidocephalus macrochir zich tot over het geheele operkel en suboperkel en tot over de geheele kruin uitstrekken, In algemeene vormen nadert deze soort meer tot de soorten van Acanthophthal- mus, door ver achterwaartsche inplanting van buikvinnen en rugvin, terwijl de vormen van hare geslachtsverwante meer tot die van de soorten van Acanthopsis naderen. Tot nog toe zijn mij slechts de beide bovengenoemde vindplaatsen van Lepido- cephalus macrochir bekend geworden, zoodat zij vrij zeldzaam schijnt te zijn en beperkt tot de verder van de zee verwijderde gedeelten der gebieden van grootere rivieren. Lepidocephalus Hasseltii Blkr. Van HasseWs Schuhkop. Atl. Cypr. Tab. Il fig. 2. Lepidoc. corpore elongato compresso, altitudine 6 ad 7 in ejus longitudine, latitudine iVs ad iV'a in ejus altitudine,- capite obtusiusculo, convexo, ö^/s ad 6 in longitudine corporis; altitudine capitis 1^/3 ad 1-./5, latitudine 2'A ad 2'A2 in ejus longitudine; linea rostro-frontali convexa; genis, regione postoculari operculoque superne squamosis, squamis minimis ope lentis tantum bene conspi- cuis; oculis totis velatis, posticein dimidio capitis anteriore sitis, lineae frontali valde approxiraatis , diametro 6 ad 7 in longitudine capitis, diametro 1 circiter distantibuS; linea interoculari convexa; naribus oculis magis quam rostri apici approximatis , posterioribus foraminiformibus , anterioribus tubulatis; spina suborbitali paulo ante oculum inserta, sat yalida, oculonon velvix longiore, bifur- cata, ramo inferiore ramo snperiore minus duplo longiore; rostro obtuso, convexo, elevato, carno- so, ante os prominente; maxilla superiore maxilla inferiore longiore, nonhamata, paulo ante oculum desinente; maxilla inferiore cochleariformi antelabium deflexura prominente; labiis carnosis, simpli- cibus , inferiore bilobo ; cirris 6 carnosis ; cirris rostralibus 4 peripheria apicis rostri insertis , externis internis paulo longioribus oculum vix attingentibus ; cirris supramaxillaribus angulo ossis intermaxillaris insertis oculum attingentibus; dentibus pharyngealibus uniseriatis conicis acutis, vix curvatis, minimis : apertura branchiali subverticali; operculo postice rotundato margine inferiore vix concavo; suboper- culo vix vel non post operculum prominente; squamis corpore minimis oculo nudo conspicuis; linea laterali rectiuscula per media latera decurrente; vesica natatoria deficiënte?; pinna dorsali pinnas ventrales inter et analem sita, ventralibus multo magis quam anali approximata , obtusa, rotun- data, corpore non vel vix altiore, altiore quam basi longa; pinnis pectoralibus acutiuscule rotundatis capite vix vel paulo brevioribus, tota circiter earum longitudine ante ventrales desinentibus; ventralibus obtusiuscule vel acute rotundatis, ante mediam corporis longltudinem insertis, pecto — ralibus paulo brevioribus, minus earum longitudine ante analem desinentibus; anali obtusa rotun- data, dorsali bumiliore, altiore quam basi longa; caudali extensa conveiiuscula vel vix emargi- nata, angulis obtusiuscule rotundata 5 ad 5'/2 in longitudine corporis; corpore superne viridi, in- ferne raargaritaceo ; medils lateribus maculis viridescente-fuscis rotundiusculis 10 ad 12 serie simplice dispositis vitta cephalo-caudali coerulescente-violacea percursis; vitta oculo-maxillari coerulescente- 72 violacea; corpore superne lateribusque insuper maculis parvis irregularibus punctisque fuscescente- viridibus variegato; iride coerulescente; pinnis flavescente-vel roseo-hyaliuis, pectoralibus, ventra- libus analique rarius et parce, dorsali et caudali somper et deuse radiis punctis vel maculis mini- mis fuscescente-viridibus variegatis; caudali basi superne interdum macula viridi-fusca profun- diore notata. B. 3. D. 2 7 vel 3,7. P. 1,7. V. 1/6. A. 3/5 vel 3/6 vel 2/6. C. 10/14/10 ad 8/14/6, lat. brev. incl. Syn. Cobitis octodrrhus V. Hass., Algem. Konst- en Letterbode 1823 II p. 133, Bulletin de Fé- russac 1824. Cobitis Hasseltü Val, Poiss. XVIII p. 56 , Blkr Descr. spec. pisc. Ja van. nov. Nat. ï. Ned. Ind. XIII p. 3G5. Loclie de Hasselt Val., Poiss. XVIII p. 56. Sereni Javan. Seroivot, Serowot, Djeler Sundan. Mal. Hab. Java (Batavia, Buitenzorg, ïjilankahan, Perdana, Bandong, Garut, Purworedjo) in fluviis. Longitudo 55 speciminum 32'" ad 48'". Aanm. Sedert ik deze soort naar minder goed bewaarde exemplaren, ter boven aangehaalde plaatse, beschreef, ben ik in het bezit gekomen van ongeveer een veer- tigtal nieuwe, deels grootere fraai bewaarde voorwerpen. Een nader onderzoek daarvan heeft mij doen ontwaren, dat de onderkaaksdraden niet aanwezig zijn, zooals ik vroeger heb beschreven , maar dat ik de onderlipskwabben als zoodanig moet hebben aangezien, wat bij de tedere lippen der kleine voorwerpen ligtelijk kan geschieden, wanneer men met een pincet slechts een weinig daaraan trekt. De soort is evenzeer opmerkelijk door haren beschubden kop als Lepidocephalus macrochir, maar zij heeft de bijzonderheid, dat het operkel slechts van boven en de kruin niet beschubd is. Overigens verschilt zij nog van Lepidocephalus macrochir , doordien bij deze soort ligchaam en vinnen geheel zonder band- of vlekteekening zijn, de buikvinnen achter de voorste helft des geheelen ligchaams zijn ingeplant, de rugvin verder achter de buikvinnen begint, enz. De afmetingen van Lepidocephalus Hasseltü blijven zeer klein. Zij schijnt niet grooter te worden dan het grootste mijner voorwerpen. Lepidocephalus Hasseltü is het eerst in de wetenschap gevoerd , onder den naam van Cobitis Hasseltü, door den heer Valenciennes. Het schijnt, dat de korte be- schrijving in de groote Histoire naturelle des Poissons slechts naar eene afbeelding van Van Hasselt genomen is. Ik ben in het bezit van eene kopie der door Van Has- selt nagelatene afbeelding dezer soort, op welke slechts 6 voeldraden zijn aangeduid, wat aan de natuur beantwoordt, doch ook Van Hasselt heeft blijkbaar gemeend 8 voeldraden te tellen, wat blijkt uit den naam van Cobitis octocirrhus, welken hij voor deze soort voorstelde. 73 AcANTHOPHTHALMUS V. Hass., Blkr , Serowot. Corpus elongatum valde compressum, microlepidotum. Rostrum ob- tusum. Maxilla inferior acie tenui, tuberculo nullo. Oculi velati. Cirri 6 vel 8, rostrales 2, supramaxillares 4. Caput compressum, alepidotum. Spina suborbitalis. Nares anteriores tubulatae. Pinna dor- salis ventrales inter et analem sita. Vesica natatoria conspieua nuUa. « Dentes pharyngeales conici uniseriati. Aanm. Ik behoud hier een door Van Hasselt voorgesteld geslacht, hetwelk hij echter minder st:herp kenmerkte, door daaronder te verstaan die soorten van Co- bitis, bij welke de onderoogkixilsdoorn onder het oog is ingeplant en de snuit stomp afgerond. Volgens deze diagnose zou Acanthophthalmus niet te onderkennen zijn van vele soorten van Acanthopsis, voor de javasche soort van welk geslacht Van Hasselt het eerst den naam van Acanthopsis voorstelde. Acanthophthalmus is mijns inziens een zeer natuurlijk geslacht, wanneer het, zooals boven, naauwkeariger begrensd is. Het behoort tot de Cobitiformes met be- dekte oogen en onderscheidt zich daarin van de overige geslachten voornamelijk door de aanwezigheid van slechts 2 snuitdraden en van 4 bovenkaaksdraden , met gelijktijdig ver achter de buikvinnen ingeplante rugvin. Van Cobitichthys verschilt het door den genoemden stand der rugvin, alsmede door zijnen onderoogkuilsdoorn. Dezen doorn heeft het gemeen met Acanthopsis en Lepidocephalus , doch Lepidocephalus heeft den kop beschubd en 4 snuitdraden en 2 bovenkaaksdraden, terwijl bij Acanthopsis de rugvin aan de voor het midden des ligchaams ingeplante buikvinnen is tegenovergesteld , en eene kleine in eene beenige doos beslotene zwemblaas aanwezig is. In habitus heeft Acanthophthalmus overigens het meeste van Lepidocephalus. Voor zoover de bestaande kennis reikt, is het geslacht Acanthophthalmus in den Indischen Archipel door slechts twee soorten vertegenwoordigd, welke beide reeds aan Van Hasselt bekend waren en door hem onder den naam van Acanthophthal- mus javanicus en Acanthophthalmus fasciatus werden aangeduid. Met vrij groote zekerheid kan men Buchanan's Cobitis pangia van Bengalen tot hetzelfde geslacht brengen, en ik vermoed ook, dat Cobitis thermalis Val. van Ceylon daartoe te brengen is. Beide die soorten hebben 8 voeldraden en dus 2 meer dan de ar- chipelagische. De beide soorten van Van Hasselt heb ik op Java teruggevonden en een daarvan tevens van Sumatra ontvangen. Zij laten zich naar volgend schema ken- merken. 10 74 I. Cirri 6. A. Corpus fasciis fuscis latis transversis 12 ad 15. Cirri capite triplo vel plus triplo breviores. Acanthopldhalmus fasciatus V. Hass. B. Corpus fasciis vel maculis nullis. Cirri capite duplo vel paulo plus duplo breviores. Acanthophtliaïmus javanicus V. Hass. Acanthophthalmus fasciatus V. Hass., Algem. Konst- en Letterb. 1823 II p. 133, Bullet. Férussac 1824 p. 377. Gehande Serowot. Atl. Cypr. Tab. II fig. 4. Acanthophth. corpore elongato compresso, altitudine 8 ad 10 in ejus longitudine, latitndine 2 ad 3 in ejus altitudine; capite obtuso convexo, 8 ad 9 in longitudine corporis; altitudine capitis l*/2 ad 13/3, latitudine 3 circiter in ejus longitudine; linea rostro-frontali convexa; oculis totis velatis, postice in anteriore dimidio capitis sitis, lineae frontali approximatis, diametro 7 ad 10 in loncitu- tudine capitis, plus diametro 1 distantibus; linea interoculari convexa; naribus oculis magis quam rostri apici approximatis , posterioribus foraminiforraibus, anterioribus tubulatis; spina suborbitali paulo ante oculnm inserta, valida, oculo longiore, post ooulum desinente, bifurcata, ramo inferiore ramo superiore plus duplo longiore ; rostro obtuso, convexo, elevato, carnoso, ante os prominente ; raa- xilla superiore maxllla inferiore longiore, non hamata, sat longe ante oculura desinente i maxilla inferiore cochleariformi gracili ante labium deflexum prominente ; labiis carnosis , simplicibus , inferiore bilobo ; cirris 6 carnosis, subaequilongis , capite triplo vel plus triplo brevioribus; cirris rostralibus 2 apice rostri insertis valde approximatis, supramaxillaribus 4, anterioribus medio ramo, posterioribus angulo ossis intermaxillaris insertis; capite toto alepidoto ; dentibus pharyngealibus uniseriatis; operculo pos- tice rotundato margine inferiore vix concavo; suboperculo post operculum non prominente; apertura branchiali subverticali ; squamis corpore minimis, oculo nudo vix conspicuis ; linea laterali rectius- cula , per media latera decurrente ; vesica natatoria deficiënte ; pinna dorsali pinnae anali multo magis quam ventralibus approximata, paulo ante analem desinente, obtusa, rotundata, corpore multo humiliore, vix vel non altiore quam basi longa; pinnis pectoralibus rotundatis capite paulo ad multo brevioribus plus tripla earum longitudine ante pinnas ventrales desinentibus ; ventralibus in posteriore dimidio corporis insertis, rotundatis, pectoralibus brevioribus, dupla circiter earum longitudine ante analem desinentibns; anali obtusa rotundata, dorsali non humiliore, vix altiore quam basi longa; caudali extensa truncata vel vix emarginata angulis acuta vel rotundata, 8V2 ad 9 in longitudine corporis ; corpore pulchre roseo fasciis latis transversis fuscis 12 ad 15; fasciis 3 anterioribus cephalicis , ceteris dorso-ventralibus et caudalibus , omnibus dorso latissimis valde appro- ximatis, media vel infima latera versus gracilescentibus vel subbifurcatis , cauda inferne interdum cum fasciis lateris oppositi unitis ; pinnis pulchre roseis , caudali dimidio basali maxima parte fusca; iride fusca vel coerulea. 75 B. 3. D. 2/6 vel 2 7. P. 1/8. V. 1/5. A. 1/5 vel 1/6 vel 2/5 vel 2/6. C. 10/14/9 ad 6/14/6 lat. brev. incl. Syn. Cobitis Kahlii Val., Poiss. XVIIl p. 58; Blkr, Descr. spec. pisc. Javan. nov. Nat T. Ned. Ind. XIII p. 364. Loche de Kuhl Val, Poiss. XVIII p. 58. Serowot Sandan. Hab. Java (Batavia, Buitenzorg, Penawangan), in fluviis. Sumatra (Lahatj, in fluviis. Longitudo 20 speciminum 72" ad 80'". Aanra. Deze fraaije soort is zeer gemakkelijk herkenbaar aan de breede digt aan- eensluitende dwarsche bruine ligchaamsbanden , welke scherp afsteken op een' schoo- nen rooskleurigen grond. Maar dit is ook het voornaamste kenmerk, waardoor zij van den Ongebanden Serowot verschilt. De overige verschillen zijn van weinig belang en bepalen zich voornamelijk tot eene grootere lengte der voéldraden en meer nabij de aarsvin geplaatste fugvin. Te Batavia is zij zeldzaam, verblijvende zij bij voorkeur in de verder van de zee verwijderde gedeelten der rivieren. Acanthophthalmus javanicus V. Hass., Algem. Konst- en Letterb. 1823 II p. 133, Buil. Férussac 1824 p. 377. Ongehande Serowot. Atl. Cypr. Tab. II fig. 3. Acanthophth. corpora elongato compresso, altitudine 9 ad 11 in ejus longitudine, latitudine 2 circiter in ejus altitudine; capite obtuso convexo, 7*/4 ad 7^,4 in longitudine corporis; altitudine capitis 13/4 ad IV 2, latitudine 2*/* ad 21,2 in ejus longitudine; linea rostro-frontali convexa; oculis totis velatis, postice in anteriore dimidio capitis sitis, lineae frontali approximatis, .diametro 10 circiter in longitudine capitis, plus diametro 1 distantibus; linea interoculari convexa; naribus oculis magis quam rostri apici approximatis, posterioribus foraminifovmibus , anterioribus tubnlatis; spinasubor- bitali paulo ante oculum inserta, valida, oculo paulo longiore, paulo post oculum desinente, bifur- cata, ramo inferiore ramo superiore plus duplo longiore; rostro obtuso, convexo, elevato, carnoso, ante os prominente,- maxilla superiore maxilla inferiore longiore, non hamata, sat longe ante maxil-^ lam inferiorem prominente; maxilla inferiore coclileariformi , gracili , ante labium deflexum prominente; labiis carnosis, gracilibus, inferiore bilobo; cirris 6 carnosis, subaequilongis, capite duplo vel plus duplo brevioribus ; cirris rostralibus 2 aplce rostri insertis valde approximatis , supramaxillaribus 4 , anterioribus medio ramo posterioribus angulo ossis" intermaxillaris insertis; capite toto alepidoto; dentibus pbaryngealibus conicis , acutis, vix curvatis; operculo postice rotundato, margine inferi- ore vix concavo; suboperculo post operculum non prominente; apertura brancbiali subverticali : squamis corpore minimis oculo nudo vix conspicuis; linea laterali rectiuscula per media latera decurrente; vesica natatoria deficiënte; pinna dorsali pinnae anali multo magis quam ventralibus approximata, tota fere ejus longitudine ante analem desinente, obtusa, rotundata, corpore paulo ad multo humiliore, vix vel non altiore quam basi longa; pinnis pectoralibus rotundatis, capite multo sed minus duplo brevioribus, tripla vel plus tripla earum longitudine ante pinnas ventrales .76 desinentibus; ventralibns in posteriore dimidio covporis insertis, rotuudatis, pectoralibus non vel vix brevioribus , dupla vel minus dupla earum longitudine ante analem desinentibus ; anali obtusarotun- data, dorsali non vel vix humiliore, vulgo altiore quam basi longa; caudali expansa truncata vel vix emarginata, angulis acuta vel rotundata 8''/4 ad 10'/2 in longitudine corporis; colore corpore, dorso lateribusque fusco, ventre dilutiore; pinnis aurantiacis, roseis vel fuscescentibus; caudali dimidio basali tota fere fusca; iride coerulea. B. 3. D. 2/6 vel 27. P. 1/8 vel 1/9. V. 1/6. A. 2/5 vel 2/6. C. 9/14/8 ad 7 14/6 lat. brev. incl. Syn. Cobitis oblonga K. v. H., Val, Poiss. XVIII p. 58, Blkr, Act. Soc. Scient. Ind. Neerl. II Zesde Bijdr. vischf. Sumatra p. 48. Loche oblongue Val., Poiss. XVIII p. 58. Sisi-samping , Serewot Sundan. liab. Java (Buitenzorg, Tjampea), in fluviis. Sumatra (Lahat), in fluviis. Longitudo 23 speciminum 60" ad 81". Aanm. Zeer na verwant aan Acanthophthalmus fasciatus V. Hass., is Acanhthoph- thalmus javanicus toch gemakkelijk daarvan te onderkennen aan haar ongeband en ongevlekt ligchaam , langere voeldraden en verder voor de aarsvin eindigende rug- vin. In habitus en kleur heeft zij veel van Lepidocephalus macrochir Blkr, doch eene verwisseling is niet mogelijk wanneer men acht geeft op de geslachtsken- merken , terwijl bovendien bij laatstgenoemde soort het ligchaam minder slank is , de riigvin nader bij de aarsvin geplaatst, de borstvinnen spits zijn en langer dan de kop, enz. CoBiTis Art., Blkr, Meerslang. Corpus elongatum fusiformi-compressum , microlepidotum. Maxilla inferior acie tenui, tuberculo nuUo. Caput rotundatum, alepidotum. Oculi liberi. Cirri 6 ad 8 , rostrales 4 , supramaxillares 2. Spina sub- orbitalis nulla. Nares anteriores tubulatae. Pinnae dorsalis ventrali- bus opposita, ventrales ante medium corpus insertae. Vesica nata- toria parva tota in cavitate ossea vertebrali inclusa. Dentes pbaryn- geales conici uniseriati. Aanm. Ik stel voor, den ouden geslachtsnaam Cobitis te behouden voor die Cobitiformes , welke met Cobitis barbatula L. gemeen hebben een vrij oogvlies en de afwezigheid van onderoogkuilbeensdoorn. Waar deze beide kenmerken vereenigd worden aangetroffen , schijnen zij van de overige , in de diagnose vermelde , vergezeld te gaan en zij stellen dan een zeer natuurlijk geslacht 'daar , welks talrijke en ge- woonlijk zeer veel op elkander gelijkende soorten , minder gemakkelijk van elkander 77 zijn te onderkennen , juist omdat zij in habitus en kleurteekening de groote verwant- schap aanduiden, welke ze tot een natuurlijk geslacht doen behooren. Als boven gekenmerkt, is dan ook geene verwisseling met andere geslachten mogelijk. Behalve Cobitis heeft slechts Hymenophysa vrije oogen, doch dit geslacht heeft sterk ontwikkelde onderoogkuilsdoornen en een' geheel anderen habitus des lis:- chaams , enz. Cobitichthys mist evenzeer de onderoogkuilsdoornen als Cobitis , doch het heeft de oogen geheel door de kophuid o vertogen en behalve 6 tot 8 voeldraden aan snuit en bovenkaak, nog 4 aan de onderlip. De geslachten Lepidocephalus, Acanthopsis en Acanthpohthalmus verschillen van Cobitis, zoowel door bedekte oogen, als door den onderoogkuilsdoorn , afgescheiden van nog andere kenmerken, gelegen deels in de plaatsing der voeldraden en van de rugvin en buikvinnen, deels in de beschubbing van den kop en in de al of niet aanvveziofheid van eene zwemblaas. Moeijelijk echter is het, de bestaande beschrijvingen en afbeeldingen van vele soorten tot de omschrevene geslachtskenmerken te herleiden, aangezien verre van algemeen acht op ze gegeven is. Met zekerheid behooren er toe twee archipela- gische soorten van mijn kabinet, alsmede allede west-aziatische soorten , welke door Heckel en den heer Valenciennes zijn bekend gemaakt en in het hier voren ge- geven overzigt onder het geslacht Cobitis geplaatst. Minder zekerheid ten deze bestaat ten opzigte van de daar onder Cobitis opgenomene soorten van Euchanan en den heer MacClelland en het zou mij zelfs niet bevreemden dat er daaronder voor- komen , welke, bij nadere bekendheid, zullen blijken, hetzij tot Cobitichthys hetzij typen tot van eigene geslachten te behooren. Ik vermoed zulks althans van de door den heer MacClelland beschrevene vierdradige soorten, van Cobitis pavonacea McCL, Cobitis monoceros McCl., enz. Of er overigens Cobitiformes met slechts 4 voeldraden bestaan, dient nog, mijns inziens, door een nader onderzoek bevestigd te worden. Van mijne archipelagische soorten was Cobitis fasciata reeds aan Van Plas- selt bekend. Van Hasselt's geslacht Nemacheilus is geen ander dan Cobitis. Nemacheilus fas- ciatus V. Ilass. heeft alle geslachtskenteekenen van Cobitis barbutula L., zoodat de door Van Hasselt voorgestelde geslachtsnaam niet aannemelijk is. De tweede soort van den Soenda-archipel leeft op Sumatra en werd reeds geruiraen tijd geleden door mij onder den naam van haren ontdekker, wijlen den heer P. Jakles, beschreven. Beide soorten zijn zeer na aan elkander verwant. Zij laten zich naar volgend schema van de overige bekende soorten en van elkan- der onderkennen. I. Cirri 6. Pinna caudalis profunde emarginata, biloba. Pinna dorsalis radiis 78 anterioribus ventralibus opposita. Corpus fasciis fascescentibus vel profunde viridibus trans versis. Cirri capite minus duplo breviores. A. Caput 6 fere ad 6V2 in longitudine corporis, minus duplo longius quam altum. Fasciae transversae 13 ad 20 frequenter duplicatae. Cobitis Jahlesi Blkr. B. Caput 5V2 ad 5V4 in longitudine corporis , duplo longius quam altum, Fas- ciae transversae 11 vel 12. Cobitis fasciata CV. Cobitis fasciata Val., Poiss. XVIII p. 18, Blkr, Overz. ichthyol. Fauna' V. Sumatra, Nat. Tijdschr. Ned. Ind. VII p. 96. Gehande Meer- slang. Atl. Cypr. Tab. II fig. 7. Cobit. corpore elongato, antice cylindraceo , postice compresso , altitudine 7' /2 ad 8 */2 in ejus longi- tudine; capite obtusiusculo convexo 6 fere ad 6V2 in longitudine corporis; altitudine capitis l^/s ad 1^/5, latitudine 13/4 ad 2 fere in ejus longitudine; linea rostro-frontali convexa ; oculls liberis, in me- dia longitudine capitis circiter Tel majore parte in dimidio capitis anteriore sitis , lineae frontali valde approximatis , diametro 5 ad 52/3 in longitudine capitis, plus diametro 1 distan tibus; linea interöcu- lari convexa ; naribus orbitae magis quam rostri apici approximatis , posterioribus patulis , anteriori- bus brevitubulatis ; spina suborbitali nulla conspicua,- rostro obtuso convexo, oculo minus duplo lon- giore, apice carnoso ante os prominente; maxilla superiore maxilla inferiore longiore, non hamata, paulo ante oculum desinente ; maxilla inferiore sat lata , cochleariformi , ante labium inferius deflexum pro- minente ; labüs carüosis siraplicibus, non lobatis ; cirris 6 carnosis ; cirris rostralibus 4 peripberia apicis rostri insertis, basi non unitis, externis internis longioribus oculum superantibus vel oculi marginem posteriorera attingentibus; cirris supramaxillaribus 2 angulo ossis intermaxillaris insertis oculum super- antibus ; dentibus pharyngealibus uniseriatis parvis conicis, acutis, vix curvatis, utroque latere 5 vel 6 ; apertura branchiali subverticali infra basin pectoralium desinente ; operculo postice rotundato, mar- gine inferiore concavo; suboperculo post opèrculum non vel vix prominente; squamis minimis oculo nudo bene conspicuis ; linea laterali rectiuscula per media latera decurrente ; vesica natatoria minima in cavitate ossea vertebrali tota inclusa, parte accessoria abdomiuali libera nulla; pinna dorsali radiis anterioribus pinnis ventralibus opposita, obtusa vel acutiuscula, non vel parura emarginata, corpore non vel non multo altiore, vix vel non humiliore quam basi longa, dimidia ejus longitudine circiter ante pinnam analem desinente; pinnis pectorallbus rotundatis longitudine caput circiter ae- quantibus, minus earum longitudine ante ventrales desinentibus, ventralibus ante mediam corporis longitudinen insertis, rotundatis, pectoralibus paulo brevioribus , minus earum longitudine ante analem desinentibus; anali acute vel acutiuscule rotundata, non vel vix emarginata, corpore non vel paulo humiliore, altiore quam basi longa; caudali profunde vel subsemilunariter emarginata, lobis acu- tis vel obtnsiusculis subaequalibus 4'/ 2 ad 5 in longitudine corporis; colore corpore superne roseo- viridi, lateribus nitente-viridi, inferne roseo-vel margaritaceo-hyalino ; dorse lateribusque fasciis 7d transversis latis profunde viridibus 13 ad 20 frequenter duplicatis vel irregularlbus, interdum inferne in fasciam longitudinalem unitis; pinnis pectoralibus roseis, ceteris viridescente-hyalinis , dorsali radiis frequenter maculïs aliquot viridibus,- caudali basi macula oblonga transversa profunde vel nigricante-viridi ; iride violascente vel coerulea annulo pupillari aureo; cirris rostralibus rubris , inter- maxillaribus viridescentibus. B. 3. D. S/9 vel 3/10. P. 1/9 ad 1/11. V. 1/7. A. 3/5 vel 3/6. C. 10/17/8 ad 6/17 6 lat. brev. incl. Syn. Naemaoheilus fasciatus K. v. Hass., Algem. Konst-en Letterb. 1823 lip. 133, Buil. Férussac 1824 p. 376. Loche a handes Val, Poiss. XVIII p. 18. Cobitis suborbüalis Val., Poiss.. ibid. p. 19. Loche a sousorbitaires Val., ib. p. 19. Cobitis chrysolaimos K. v. H., Val, ibid. p. 20 fig. 521. Loche aux barbes d'or Val, Poiss. ibid. 20. Cobitis PJeifferi Blkr, Diagn. Beschr. nieuw, vischs. Sumatra, Tient. V ad X, Nat. T. Ned Ind. IV p. 298. JDjeler Mal, Sund. Hab. Java (Batavia, Tjampea, Buitenzorg, Garut, Kuningan, Ambarawa, Malang, Ngantang, Lesti), in fluviis. Sumatra (Meninju, Lahat), in fluviis et lacubus. Batu vel Nias?? Longitudo plus quam 100 speciminnm 45" ad 85". Aanm. Zooals ik reeds elders heb gezegd, houd ik het er voor, dat Cobitis chrysolaimos K. v. H. dezelfde soort is als Cobitis fasciata Val., dat de afbeelding in het groote vischwerk van Cobitis chrysolaimos stellig betrekking heeft tot Cobitis fasciata CV. en geenszins beantwoordt aan de beschrijving van Cobitis chrysolaimos, in welke gezegd wordt //la corps et les nageoires n'offrent aucune taches ni stries", terwijl de afbeelding er de dwarsche banden en de rugvinvlekken van Cobitis fasciata Val. vertoont. Deze beschrijving is waarschijnlijk naar een verkleurd voorwerp genomen. Bij meerdere, reeds lang bewaarde, voorwerpen mijner verza- meling zijn band- en vlekteekening insgelijks geheel verloren gegaan. Bij talrijke voorwerpen is het onderoogkuilsbeen enkel en puilt onder het oog met een stomp uitsteeksel buiten de huid uit, terwijl bij even talrijke andere voor- werpen de schakel der onderoogkuilsbeenderen het oog van onderen geheel omgeeft. Het kenmerk, in deze beenderen gezocht, is ten deze alzoo van zeer ondergeschikte waarde te achten. Cobitis suborbitalis Val. van Java komt mij voor, evenmin soortelijk van Cobitis fasciata te verschillen als Cobitis chrysolaimos K. v. H., Val. De keten onderoogkuils- beenderen is bij de voorwerpen nu eens volkomen en dan weder afgebroken, zonder dat daarin een soortelijk kenmerk te vinden is. De beschrevene vlekken van Cobitis suborbitalis Val. beantwoorden zeer goed aan die bij vele mijner voorwerpen, welke zich iu een' minder goeden toestand van bewaring bevinden. Ook Cobitis Pfeifferi, 80 welke ik vroeger voor eene eigene soort liield, breng ik thans tot Cobitis fas- ciata terug. Cobitis fasciata is op Java de meest voorkomende soort van Cobitiformes en be- woont zoowel de lagere als de hoogere gedeelten der stroomgebieden. Te Batavia is zij niet zeldzaam, doch wordt er niet in genoegzaam groote hoeveelheden gevan- gen om tot de volksvoeding eenigzins te kunnen bijdragen. Cobitis Jaldesi Blkr , Diagnost. Beschrijv. Nieuw, vischsoort. Sumatra, Tient. 1 ad 4 , Nat. Tijdsclir. Ned. Ind. III p. 604. Jakles Meer- slang. Atl. Cypr. Tab. II fig. 9. Coblt. corpore elongato, autice cylindrico, postice compresso, altitudine 8 ad 8 */2 in ejus lon- gitudiue; capite obtusiusculo coavexo, toto alepidoto, 5*,2 ad 5^/4 in longitudine corporis ; altitu- dine et latitudiae capitis 2 circiter ia ejus longitudine; linea rostro-f'rontali convexa; oculis liberis, in media longitudine capitis circiter vel majore parte in dimidio capitis anteriore sitis, lineae fron- tali valde approximatis , diametro 4 V* ad 5 in longitudine capitis , plus diametro 1 distantibus ; li- nea interoculari convexiuscula; naribus orbitae majjis quara rostri apici approximatis , posterioribus patulis, anterioribus brevltubulatis ; spina suborbitali nulla conspicua; rostro obtuso convexo, oculo minus duplo longiore, apice carnoso ante os prominente; maxilla superiore maxilla inferiore longiore , non Iiamata, sat longe ante oculura desinente; maxilla inferiore satlata, cochleariforrai , ante labium inferius deflexum prominente; labiis carnosis simplicibus, non lobatis; cirris 6 carnosis; cirris rostra- libus 4 peripheria apicis rostri insertis, basi non unitis, externis internis paulo longioribus oculum attingentibus vel superantibus ; cirris supramaxillaribus 2 angulo ossis intermaxillaris insertis oculum superantibus; dentibus pharyngealibus uniseriatis, parvis, conicis, acutis, vix curvatis; apertura brancbiali subverticali infrabasin pectorallum desinente; operculo postice angulato angulo rotundato, margine inferiore concaviusculo ,- suboperculo post operculum non vel vix prominente ; squamis mi- nimis oculo nudo bene conspicuis ; linea laterali rectiuscula per media latera decurrente ; vesica na- tatoria minima, in cavitate ossea vertebrali tota inclusa, parte accessoria abdominali libera nulla; piana dorsali radiis anterioribus pinnis ventralibus opposita, acutiuscula, non vel parum emarginata, corpore altiore, aeque longa circiter ac alta, dimidia ejus longitudine circiter ante pinnam analem desinente; pinnis pectoralibus rotundatis longitudine caput circiter aequantibus, vulgo minus dimi- dia earum longitudine ante pinnas ventrales desinentibus; ventralibus ante mediam corporis longitudi- nera insertis, rotundatis, pectoralibus non multo brevioribus, vulgo multo minus earum longitudine ante analem desinentibus; anali obtusiuscula vel acutiuscula, convexa, vel vix emarginata, corpore non vel vix humiliore, altiore quam basi longa; caudali profunde vel semilunariter emarginata, lo- bis acutis 4 */2 ad 4^/4 in longitudine corporis; colore corpore roseo-viridi vel fuscescente, viridi-fus- co profundiore nebulato vel fasciis 11 vel 12 latis transvorsis fuscescentibus ; pinnis viridescente-by- alinis, dorsali en caudali radiis viridi profundiore variegatis; caudali basi macula oblonga transversa viridi-fusca ; iride violascente-coerulea. B. 3. D. 2/10 ad 3/12. P. 1/10 vel 1/11. V. 1/7. A. 3/5 vel 3/6. C. 11/17/9 ad 9/17/7, lat. brev.incl. Hab. Sumatra (Pajakombo, Solok, Lahat), in fluviis. Longitudo 8 speciminum 56" ad 91". Aanm. Cobitis Jaklesi is uiterst na verwant aan Cobitis fasciata Val. en komt daarmede in nagenoeg alle punten overeen. Zelfs de hoogere bruinachtig-roode kleur. 81 aan welke ik vroeger het voornaamste verschil van Gobitis Jaklesi met Cobitis fas- ciata toeschreef, is mij , na de ontvangst van beter bewaarde voorwerpen van Solok en Lahat, voorgekomen meer aan minder goede bewaring in wijngeest te zijn toe te schrijven. Bij naauwkeurige vergelijking van alle mijne voorwerpen van beide soorten, ontwaar ik slechts, als standvastige kenmerken, verschillen in de evenredig- heden der hoogte en lengte van den kop, zijnde de bij onderwerpelijke soort stand- vastig bij voorvverpen van verschillende leeftijden betrekkelijk langer en lager dan bij Cobitis fasciata. Ook schijnt het geringe aantal dwarsche ligchaamsbanden een soor- telijk kenmerk op te leveren. CoBiTicHTHYS Bllcr , Nat. T. Ned. Ind. XVI p. 304. Corpus elongatum compressum , microlepidotum. Caput compressum alepidotum. Rostrum convexum. Oculi cute cephalica velati. Cirri rostro-supraraxillares 6 ad 9 (8) , inframaxillares 4. Spina suborbitalis nulla. Nares anteriores tubulatae. Pinna dorsalis ventralibus opposita. Pinna caudalis integra supra et infra caudam in carinam adiposam producta. Dentes pharyngeales uniseriati conici. Vesica natatoria parva , tota in cavitate ossea vertebrali inclusa, Aanm. Het geslacht Cobitichthys omvat alle die soorten van Cobtiformes, welke, even als het geslacht Cobitis zooals het door mij beperkt is, den onderoogkuils- doorn missen, doch daarvan voornamelijk verschillen door bedekte oogenen talrijker voeldraden Het schijnt dat het geslacht in Oost-Azië en den Oost-aziatischen Archi- pel te huis behoort, zijnde tot nog toe slechts soorten er van bekend geworden van China, Japan en Eorneo Die soorten zijn talrijker dan vroeger vermoed werd. De heer Schlegel gaf de beschrijvingen en afbeeldingen van de twee hem bekende Japansche soorten (Cobitis rubripinnis Schl. en Cobitis maculata Schl.). De heer MacClelland maakte twee soor- ten van Cobitichthys van China bekend onder de namen Cobitis pectoralis (Calc. Journ. Nat. Hist. IV p. 400 tab. 23 fig. 3) en Cobitis bifurcata (ib. fig. 1). Sir J. Richardson gaf in de Zoölogie der reis van de Sulphur eene beschrijving en af- beelding van Cobitis anguillicaudata van den heer Cantor , welke evenzeer eene Co- bitichthj^s is , terwijl hij nog eene andere soort naareene afbeelding beschreef in zijn Report over de visschen van China , onder den naam van Cobitis psammismus. Co- bitis decemcirrosus Basil., van noordelijk China, is insgelijks eene Cobitichthys, en eindelijk is ook mijne vroegere Cobitis barbatuloides van Borneo tot Cobitichthys terug te brengen. Geen dezer soorten is beschreven in de groote Histoire naturelle des Poissons , welks 18e deel, waarin de Cobitiformes behandeld zijn, trouwens ook reeds in het jaar 1846 het licht zag. 82 . Volgens den tegenwoordigen stand onzer kennis zijn , mijns inziens, de elf soorten vau Cobitichthys aan te nemen, welke in de lijst, aan hoofd dezer subfamilie, zijn opgebragt. De eenige bekende archipelagische soort laat zich onderkennen aan volgende karakters. A. Corpus altitudine 7 fere in ejus longitudine. Caput 5V-2 circiter in longitudine corporis. Pinnae pectorales capite vix breviores, ventrales ante medium corpus insertae. Cohiticldhys barhatuloides Blkr. Cobitichthys barhatuloides Blkr , Meer slangachtige Cobitichthys , Atl. Cypr. Tab. II fio-. 1. o Cobit. corpore elongato corapresso, altitudine 7 fere in ejus longitudine, latitudine l*/2 circiter in ejus altitudine; capite acuto, toto alepidoto, 51/2 circiter in longitudine corporis; altitudine capi- tis l^'s in ejus longitudine; oculis velatis, diametro 5 circiter in longitudine capitis, in media lon- gitudine capitis sitis, lineae frontali valde approximatis ; rostro acuto convexo; spina suborbitali conspicua nnlla; cirris rostro-maxillaribus G? brevibus ; apertura branchiali subverticali ; squamis corpore minimis oculo nudo vix conspicuis; pinna dorsali radiis anterioribus pinnis ventralibus op- posita, tota vel plus tota ejus longitudine ante analera desinente, obtusa rotundata, corpore paulo liurailiore; pinnis pectoralibus acutis capite vix brevioribus, longe ante ventrales desinentibus ; pinnis ventralibus paulo ante mediam corporis longitudinem insertis pectoralibus brevioribus, longe ante pin- nam analem desinentibus; anali obtusa rotundata, corpore humiliore; caudali Integra, margine posteriore convexiuscula 5 in longitudine corporis ; corpore fusco , fusco profundiore punctulato ; pinnis roseo-viridibus, radiis dense vel parce fusco punctulatis ; caudali basi superne raacnla majore nigra, annulo rubescente cincta. B. 3. D. 2,7 vel 2/8. P. 1/6 vel 1/7. V. 1/6. A. 2/5 vel 2,6. C. 15 et lat. brev. Syn. Cobitis barhatuloides Blkr, Vijfde Bijdr. ichth. Borneo, Nat. T. Ned. Ind. II p. 435. Hab. Borneo (Sambas) , in fluviis. Longitudo speciminis unici 46 "'. Aanm. Wegens den gebrekkigen toestand van bewaring, waarin mijn eenig voor- werp zich bevindt, heb ik slechts weinig wezenlijks aan mijne vroegere, hierboven aangehaalde, beschrijving dezer soort kunnen toevoegen. Het aantal voeldraden kan ik niet met zekerheid bepalen , maar er zijn er minstens zes , waarvan twee aan de snuitspits en vier aan de bovenkaak zijn ingeplant. JMoeijelijk kan ik mij verklaren, hoe ik in mijne bovenaangehaalde beschrijving heb kunnen spreken van de aanwe- zigheid vai:^ een' onderoogkuilsdoorn. Bij het losbereiden van de onderoogkuilshuid moet ik den onderoogkuilbeensrand van mijn overigens zeer klein en slecht be- waard voorwerp voor doornachtig gehouden hebben, wat een nader onderzoek mij geleerd heeft onjuist geweest te zijn. De soort verdient nog nader naar goed be- waarde voorwerpen beschreven te worden. SUBFAMILIA II HOMALOPTERAEFORMES. Cyprinoidei corpore elongato depresso , squamoso , ventre lato , plano, Caput depressum cute glandulosa'ubique tectum , inferne latum planura , alepidotum , rostro ante os prominente , ore parvo infero transverso , centrali (a lateribus capitis renioto) , labiis carnosis , niaxilla inferiore plana ante labium inferius prominente. Dentes pharyngeales conici uniseriati. Pseudobranchiae nuUae. Apertura branchialis verticalis, angusta. Pinnae anacanthae , dorsalis et analis pauciradiatae , pecto- rales et ventrales horizontales , subdisciformes , peetorales radiis am- terioribus pluribus simplicibus. Vesica natatoria nulla. Aanm. De Homalopteraeformes kenmerken zich scherp in de groote familie der' karperachtige visschen door den volkomen horizontalen stand der gepaarde vinnen, door de talrijke onverdeelde borst vinstralen, platte breede ondervlakte van kop en buik, kleine onderstaande dwarsche niet tot aan de zijvlakte van den kop reikende mondopening, vrije niet door de lippen bedekte kaakranden, en eenreijige kegel- vormige keelgatstanden. Zij zijn onder de Cyprinoïden , wat de Glyptosterna zijn onder de Siluroïden en wat de Platypteraeformes zijn onder de Gobioï- den. Even als deze zijn zij er op gebouwd om zich in de ondiepe snel vlietende bergrivieren met steenachtigen bodem door aanzuiging of vastklamping tegen den stroom te verzetten en het is ook in de rivieren van het gebergte, dat men de soorten van Platyptera, Glyptosternon en Homaloptera bij voorkeur aantreft. Met de Platypteraeformes hebben de Homalopteraeformes tot den habitus en het stelsel van beschubbing gemeen , maar tanden- , kieuw- en vinstelsel wijzen de Platypte- reaformes eene van de onderwerpelijke familie verwijderde plaats aan. De Homalopteraeformes zijn het eerst in de wetenschap bekend geworden van Bengalen. Buchanan, in zijn werk over de visschen van de Ganges, beschreef er twee soorten van onder denamen Cyprinus sucatio en Cyprinus balitora. Hij her- kende echter niet de natuurlijke verwantschappen dier soorten en bragt ze onder zijn subgenus Garra, hetwelk hij omschreef als te bevatten de /'Cyprini absque ulla ad aUud genns afhnitate, corpore parvo, vix compressiusculo, absque maculis, vittis, notave colorum alia insigni", cyprini, tot welke ook soorten van Crossocheilos en Discognathichthys gebragt zijn. 84 ft Eerst de heer MacClelland heeft de beide Homalopteraeformes van Buchanan onder een eigen geslacht gebragt en onder de namen Psilorhynchos sucatio en Psilorhynchus variegatus nader beschreven en doen afbeelden. Hij plaatst teregt Psilorhynchus naast Homaloptera, waardoor hij blijk gaf de groote verwantschap van beide ge- slachten herkend te hebben , wat niet het geval was met den heer Valenciennes , die vermoedt (Poiss. XVI p. 345) , dat de beide genoemde Buchanansche soorten behooren tot de groep van Leuciscus phoxinus Cuv. of het geslacht Phoxinus Ag. In hetzelfde jaar (1S22), waarin Buchanan's Gangetic Fisheshet licht zagen , wer- den twee javasche soorten van Homalopteraeformes aangeduid door Van Hasselt , die den geslachtsnaam Homaloptera voor ze voorstelde. De heer Gray, niet bekend met de ontdekking van Van Hasselt, en onder de af- beeldingen , welke gediend hebben tot de zamenstclling van de u Illustrations of Indian Zoology" twee soorten voorgesteld vindende, welke tot Van Hasselt's Homa- loptera behooren, bragt ze insgelijks tot een eigen geslacht, hetwelk hij Balitora noemde, welke naam door den heer Valenciennes aangenomen is, omdat hij in de onjuiste meeuing verkeerde, dat de naam Homaloptera van Van Hasselt niet ge- drukt was. In het jaar 1833 gaf de heer J. Van der Hoeven, in zijn uitmuntend Handboek der dierkunde, eene afbeelding van eene nieuwe soort van Homaloptera, onder den naam van H^omaloptera ocellata V. Hass., waaruit is op te maken , dat Van Hasselt ook die soort reeds gekend heeft. De heer Van der Hoeven heeft overigens zeer te regt den door Van Hasselt voorgestelden geslachtsnaam aangenomen. De heer MacClelland gaf de afbeeldingen van Balitora Brucei en Balitora ma- culata van de Illustrations of Indian Zoölogy in zijne Indian Cyprinidae terug, on- der het geleide van korte beschrijvingen, doch nam een' nieuwen geslachtsnaam voor* ze aan, zoodat zijn genus Platycara en Balitora Gr. dezelfde beteekenis hebben als Homaloptera V. Hass. Maar de heer MacClelland ontdekte bovendien nog drie nieuwe soorten , welke hij tot Platycara bragt, doch een van welke, Platycara nasuta, zooals reeds de heer Valenciennes vermoedde, de type van een eigen geslacht daarstelt, hetwelk echter niet tot de Homalopteraeformes behoort. De heer Valenciennes deed later nog eenige Homalopteren van Java en Cochin- china kennen en ook mijne eigene nasporingen hebben geleid tot de kennis van enkele nieuwe vormen. Het komt mij voor, dat in de Homalopteraeformes drie geslachten zijn aan te nemen, welke men zou kunnen noemen Homaloptera, Platycara en Lissorhynchos. Homaloptera heeft zes korte vleezige voeldraden en geene kinzuigplaat. Psilorhynchus McCl. heeft habitus en snuit van Homaloptera, doch de voeldra- den ontbreken (volgens getuigenis von Buchanan zoowel als van den heer MacClel- land) , even als de kinzuigplaat. 85 Lissorhynchos, een geslacht hetwelk ik grond op Platycara lissorhynchos McCl, heeft eene kinzuigplaat en_, volgens de afbeelding van den heer MacClelland, vier voeldraden. De tot dusverre bekende soorten van Homalopteraeformes zijn niet meer dan 16 in getal. Zij schijnen eigen te zijn aan Zuid-Azië en den Soenda-archipel. Zij bewonen vooral de bergachtige streken van Java^ Sumatra en Bengalen^ en ver- moedelijk ook die van Siam en Cochin-China. Enkele soorten verlaten soms de bergstreken, maar zeker niet vrijwillig en slechts medegevoerd door den stroom. Van twee javasche soorten heb ik voorwerpen gevonden tot in de rivieren van de hoofdplaats Batavia. De thans van de subfamilie bekende soorten zijn de hieronder genoemde. Species Homalopteraeformium hucusqite cognitae. Homaloptera ocellata V. Hass., V. d. Hoev. =j Homaloptera polylepis Blkr. . . Hab. // javanica V. Hass. =J Homaloptera Zollingeri Blkr . n II fasciata V. Hass. =3 Homaloptera Wassinki Blkr. . // // salusur Blkr u II ophiólepis Blkr // // gymnogaster Blkr- // u erythrorhina K. v. H. -^ Balitora erythrorhina Val. . u * Valenciennesi Blkr s Balitora ocellata Val. . . // pavonina Blkr. =5 Balitora pavonina Val. ... // lineolata Blkr. =3 Balitora lineolata Val // Brucei Blkr. ■^ Balitora Brucei Gr. =3 Platycara Brucei McCl // Il maculata Blkr :=3 Balitora maculata Gr. =3 Platycara maculata Gr // II anisurus Blkr =3 Platycara anisurus McCl. ... // Psilorhynchus sucatio McCl. =3 Stolephorus sukati Buch. =) Cyprinus sucatio Buch u » balitora Blkr -^ Cyprinus balitora Buch. :=: Stolepho- rus balitora Buch. p3 Psilorhynchus variegatus McCl. // Lissorhynchus McClellandi Blkr=: Platycara lissorhynchus McCl. // Java, Sumatra. Java, Sumatra. Java, Sumatra. Java, Sumatra. Java, Sumatra Sumatra. Java. Java. Java. Cochin-China Bengala ? Butan. Kasvah mont. Bengala. Béng., Assam. Kasyah mont. De geslachten Lissorhynchos en Psilorhynchos ken ik niet naar de natuur, en de beschrijvingen en afbeeldingen der daartoe behoorende soorten laten veel te wenschen over. 86 Psilorhynchus moet zeer na verwant zijn aan Homaloptera en schijnt daarvan slechts te verschillen door de afwezigheid van voeldraden, terwijl misschien ook de meer vertikale plaatsing der oogen eene generische waarde heeft. De beide soor- ten zijn echter^ wat de monddeelen en het tandenstelsel, en ook wat de geaardheid der buikvlakte betreft^ nog geheel te onderzoeken en zelfs ten opzigte der afwe- zigheid van de bij de Homalopteraeformes steeds zoo korte voeldraden , schijnt een nader onderzoek nog allezins wenschelijk te zijn. Voor zoover het geslacht thans bekend is zou men er de volgende diagnose aan kunnen geven. Psilorhynchus McCL, Indian Cjprinid. Asiat. Research. XIX p. 300. Corpus elongatum depressum. Oculi subverticaliter sitae. Cirri nulli. Mentum disco suctorio nullo. Squamae corpore magnae. Pinna dorsalis ante pinnas ventrales incipiens et longe ante pinnam analem desinens. Ook het geslacht Lissorhj^nchus heeft nog geheel het voorkomen van Homaloptera. Het nadert echter reeds meer tot de Labeoninen van het geslacht Discognathus , wegens zijne zuigschijf aan de kin en vormt blijkbaar een' overgang van de Homa- lopteraeformes tot de na aan elkander verwante geslachten Platycara , Discognathus , Discognathichthys , Crossocheilos en Epalzeorhynchos. Volgens de bestaande gegevens laat het zich kenmerken als volgt. LiSSORHYNCHOS Blkr. Corpus elongatum depressum. Oculi subhorizontaliter sitae. Cirri. 4 , rostrales et supramaxillares. Mentum disco suctorio. Squamae corpore magnae. Pinna- dorsalis supra pinnas ventrales incipiens et longe ante pinnam analem desinens. Homaloptera V. Hasselt, Algemeene Konst-en Letterbode. 1823 II p. 133 ;=! Balitora Gray. — Saloesoer. Corpus elongatum depressum. Cirri 6 carnosi , rostrales 4 , supramaxil- lares 2. Oculi subhorizontaliter sitae. Rictus subparallelogrammicus. Maxillae margine liberae, tenues, inferior'plana symphysi tuberculo nullo. Labium superius ante maxillam superiorem pendulum. Labium inferius latum , parum refiexum , integrura , cum labio superiore unitum. 87 Sulcus postlabialis ntroque latere unicus , brevis , obliquus. Sulci isthmo lato distantes. Mentum disco suctorio nullo. Pinna dorsalis ante vel post pinnas ventrales incipiens et longe ante pinnara analem desinens. Vesica natatoria nulla. Dentes pharyngeales conici acuti uniseriati. Aanm. Zooals hierboven reeds werd opgemerkt, is het geslacht Homaloptera voor- gesteld door Van Hasselt en kortelijk aangeduid als zich hoofdzakkelijk onder de karperachtige visschen onderscheidende door de volkomen horizontale plaatsing der borst- en buikvinnen , eene definitie , welke zich thans tot de geheele subfamilie laat uitstrekken. De door Van Hasselt en de heeren Gray en MacClclland benoemde soorten zijn evenzeer hiervoren reeds kortelijk vermeld. Het 18e deel van de groote Histoire naturelle des Poissons, waarinde Homalo- pteren behandeld zijn, verscheen eerstin 1846 en alzoo na den arbeid der genoemde zoölogen. De heer Valenciennes beschreef daarin, onder den door den heer Gray voorgestelden geslachtsnaam , behalve Homaloptera Brucei en Homaloptera maculata , vier soorten, toen nog onbekend in de wetenschap, t. w. Homaloptera erythorhina V. Hass., Balitora ocellata Val. (welke niet dezelfde is als Homaloptera ocellata V.Hass., V. d. Hoev.) , Balitora pavonina Val. en Balitora lineolata Val. In 1852 beschreef ik zelf, in een artikel, getiteld: * Over eenige nieuwe soorten van Homaloptera V. Hass. van Java en Sumatra" en opgenomen in het vierde deel van het Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch Indië, zes soorten van dit geslacht. Van de meeste dier soorten heb ik sedert nieuwe en beter bewaarde voorwerpen ontvangen, naar welke ik ze aan een nieuw onderzoek heb onderworpen. Van die zes soorten zijn drie mij gebleken terug te brengen te zijn tot reeds door Van Hasselt benoemde. Mijne Plomaloptera polylepis beschouw ik thans als niet soortelijk te verschillen van Van Hasselt's Homaloptera ocellata. Mijne Homaloptera Zollingeri is met vrij groote zekerheid te bepalen dezelfde soort te zijn, als Van Hasselt's Homaloptera javanica, en mijne Homaloptera Wassinki dezelfde als Homaloptera fasciata V. Hass. Alhoewel die beide soorten, vóór mij, door niemand beschreven waren heb ik gemeend, uit eerbied voor de nagedachtenis van den uitstekenden Van Hasselt, de door hem aangenomene namen in de plaats der mijne te moe- ten stellen. De drie overige, in genoemde verhandeling beschrevene, soorten, t. w. Homalo- ptera ophiolepis, Homaloptera salusur en Homaloptera gymmogaster, schijnen niet aan Van Hasselt bekend te zijn geweest en zijn evenmin te brengen tot de soorten , door den heer Valenciennes beschreven. 88 De liegen soendasclie soorten laten zich van de overige soorten en van elkander onderscheiden, als volgt. A Pinna dorsalis ante pinnas ventrales incipiens. a Squauiae 45 ad 50 in serie longitudinali, carinatae. * Pinna pectorales ventrales non attingentes. Anus basi ventralium approxi- matus. Venter ab ano usque ad basin pectoralium squamosus. § Squamae margine libero non dentatae. Jlomaloptera javanica V. Hass. ^ Squamae margine libero dentatae. liomaloptera opJdolepis Blkr. L Squamae 65 in serie longitudiuali, carinatae, margine libero dentatae (carina marginem superante). * Venter usque ad anum alepidotus. Maculae dorso fuscae annulo dilutiore cinctae. Homaloptera pavonina Blkr. c Squamae 70 ad 80 in serie longitudinali. * Squamae edentulae. Venter ante pinnas ventrales alepidotus. Anus in dimidio corporis posteriore situs. ^ Pinnae pectorales pinnas ventrales non attingentes. f Squamae margine libei'ö undulatae. Latitudo capitis 1^ ad 1| in ejus longitudine. Homaloptera ocellata V. Hass., V. d Hoev. f Squamae margine libero non undulatae. Latitudo capitis 1| ad 1| in ejus longitudine Homaloptera salusur Blkr. ^ Pinnae pectorales ventrales attingentes. Vitta operculo-caudalis nigra. Homaloptera Vale7iciennesi Blkr ;=! Balitora ocellata Val. * Squamae margine libero dentatae, 80 in serie longitudinali. Homaloptera erythrorhina V. Hass. B Pinna dorsalis post initium ventralium incipiens. Squamae non carinatae, eden- tulae. a Venter ante pinnas ventrales alepidotus. * Squamae 45 p. m. in serie longitudinali. Pinnae pectorales pinnas ventra- les attingentes. Homaloptera fasciata V. Hass. * Squamae 70 p. ni. in serie longitudinali. Pinnae pectorales pinnas ventrales non attingentes. Homaloptera gymnogaster Blkr. 89 Homaloptera javanica V. Hass., Algem. Konst- en Letterbode. 1823 II. p. 133, Javasche Saloesoer. Atl. Cypr. tab. III. fig. 5. Horaalopt. * corpore elongato, depresso, cauda tantum compresso, altitudine 8 ad 8^/2 in ejus longitudine, aeque lato circiter acalto; capite depresso, convexo, linea anteriore subsemilunariter ro- tundato, 6 ad 6 Vs in longitudine corporis; latitudine capitis 1 Vs ad 1 et paulo, altitudine l*/2 ad 1^/3 in ejus longitudine; vertice, rostro genisque glandulosis; oculis liberis, maxima parte in di- midio capitis posterioie sitis, diametro 4 1/2 ad 5 et paulo in longitudine capitis, minus diametris 2 distantibus; naribus oculo magis quam rostri apici approxiraatis , posterioribus magnis oblongis val- vula claudendis, anterioribus posterioribus multo minoribus in basi valvulae narium posteriorum perforatis; rostro convexo, basi paulo latiore quam longo; cirris subaequilongis , oculo brevioribus, gracilibus; maxilla inferiore plana acie ante labium inferius deflexum prominente; operculo postice rotundato margine inferiore rectiusculo vel concaviusculo; dentibus pharyngealibus uniseriatis parvis conicis acutis parum curvatis p. m. 10; ano in diraidio corporis anteriore perforato, basi ventrali- um multo magis quam pinnae anali approxiraato; linea laterali rectiuscula, singulis squamis tubulo simplice notata, basi pinnae caudalis sursum curvata; ventre squamoso antice inter et vix postba- sin pectoralium tantum alepidoto; squamis margine libero glabris non dentatis et, ventralibus post- analibusque exceptis, valde conspicue unicarinatis ; squamis lateribus 45 p. m. in serie longitudinali , 5 in serie transversali radium dorsalem lm inter et lineam lateralem, 15 p. m. in serie longitudinali verticem inter et pinnam dorsalem; squamis toto ventre usque ad anum squamisque postaxillaribus squamis cetero corpore conspicue minoribus ; pinna dorsali paulo ante insertionem pinnarum ventralium incipiente, acuta, non emarginata, corpore sat multo altiore, breviore quam alta ; pinnis pectoralibns et ventralibus antice rotundatis apice angulatis, peotoralibus ventralibus paulo longioribus ventrales non, ventralibus analera non attingentibus ; anali acuta vel obtusiuscula, non emarginata, corpore non vel paulo humiliore, sat multo altiore quam basi longa; caudali sat profunde emarginata, lobis acutis, inferiore superiore longiore, é^/i ad 5 et paulo in longitudine corporis; colore corpore superne aurantiaco-olivaceo vel fusco-oHvaceo, inferne aurantiaco-roseo; glandulis capite aurantiacis ; fascüs corpore transversis latis diffusis fuscis et maculis confluentibus compositis 6 vel 7 approximatis ; iri- de violascente-coerulea margine pupillari aurea; pinnis aurantiaco-roseis vel rubris, caudali medio inferneque maxima parte profunde fusca vel nigra superne fascüs 2 vel 3 transversis tuscis; pinnis ceteris fascüs 2 vel 3 dorsali et anali longitudinalibus, pectoralibus ventralibusque transversis fus- cis non semper conspicuis. B. 3. D. 2/8 vel 2/9. P. 4/9/1 vel 4/10/1. V. 2/8. A. 2/5 vel 2/6. C. 6/17/5 vel 5/17/4, lat. brev. incl. Syn. Homaloptera Zollingeri Blkr, Over eenige nieuwe soorten van Homaloptera. Nat. Tijdschr. N. Ind. IV. p. 158. Salusar Sundan. Hab. Java (Batavia, Bandong), in fluviis. Sumatra (Lahat), in fluviis. Longitudo 7 speciminum 78'" ad 99'". Aanm Ik beschreef deze soort in het jaar 1852 naar drie kleinere voorwerpen van Batavia en Bandong, welke tijdens de dikwerf herhaalde verplaatsing van mijn ka- 12 90 binet in verschillende woningen zijn verloren gegaan (1). Sedert ontving ik eenirre grootere voorsverpen van Lahat (binnenlanden van Palembang), naar welke ik mijne vroegere beschrijving heb kunnen verbeteren en uitbreiden. Eene nadere studie mijner voorwerpen en der vergelijking daarvan met de kopi- ën der afbeeldingen van twee door Van Hasselt op Java waargenomene soorten, aan welke hij de namen gaf van Homaloptera javanica en liomaloptera fasciata, heeft mij bepaald tot de meening gebragt, dat mijne Homaloptera Zollin'ï'eri tot Van Hasselfs Homaloptera javanica terug te brengen is- De soort is gemakkelijk herkenbaar aan hare ongeveer 45 wel gekielde maar niet getande schubben op eene overlangsche rei. Ten opzigte van het geringe aantal schubben is zij verwant aan Homaloptera ophiolepis , maar zij verschilt daarvan noo- door talrijke kenmerken^ zijnde bij laatstgenoemde soort het ligchaam aanmerke- lijk slanker, de schubben veel sterker gekield en aan den achterrand, door de verlenging der kielen met één tot zeven tandjes gewapend, de buikschubben aan- merkelijk kleiner en het ligchaam niet met dwarsche banden maar met grootere en kleinere ronde vlekken geteekend, waarvan eenige, even als bij Homaloptera ocellata en nog andere soorten , op de middellijn van den rug voor en achter de rugvin zijn geplaatst. Homaloptera ophiolepis Blkr , Over eenige nieuwe soorten van Homa- loptera, Nat. T. N. Ind. IV p. 160. Slangenschubbige Saloesoer. Atl. Cypr. Tab. III fig. 3. Horaalopt. corpore elongato, depresso, cauda postice tantam compresso, altitndine \0\ ad 114 in ejus longitudine, paulo latiore qiiam alto; capite depresso convexo, linea anteriore acute rotundato, 6 ad 7 ia longitudine corporis; latitudine capitis IJ ad l-J-, altitudine 2 f'ere ad 2 et paulo in ejus longitudine; vertice, rostro genisque glandulosis; oculis liberis, antice in dimidio capitis posteriore (1) Bij de overige moeijelijkheden, -welke ik ondervond in de uitbreiding en bewaring mijner ver- zamelingen, bekleedden die, welke voortvloeiden uit talrijke verhuizingen, niet de geringste plaats. Se- dert ik mijne verzamelingen begon, lieb ik te Batavia, Samarang, Soerabaja en Willem I niet min- der dan 19 verschillende huizen bewoond (een der ongerieven van den officiersstand , aan welken op de hoofdplaatsen op Java gouvernementshuizen ter bewoning worden aangewezen). Men kan nagaan, in welke mate eene 19 malige verplaatsing van mijn kabinet, waarbij men gedwongen is zijne toe- vlugt tot koelies (inlandsche lastdragers) te nemen, aan mijne verzamelingen heeft moeten schaden. Talrijke stopflessehen met naturaliën zijn op die wijze verloren gegaan, daar de koelies, bij toeval iets brekende, de voorkeur geven aan het spoorloos doen verdwijnen van het gebrokene, boven het vertoonen van de corpora delicti. Ook door diefstallen van mijne inlandsche bedienden zijn vele soorten verloren gegaan. Het was hun daarbij natuurlijk niet te doen om die soorten, welke zij wegwierpen, maar om de stopflesschen, voor welke zij bij Chinezen steeds gretige opkoopers vonden. 91 sltis, diametro 4i ad 5^ in loagitudine capitis, miiiu3 dlametris 2 distantibus; narlbus oculo multo inagis quara rostri apici approxlmatis, posterioribus magnis oblongis valvula claudendis, anterioribus posterioribus multo minoribus in basi valvulae narlum posteriorum perforatis; rostro convexo , basi paulo laliore quam longo; cirrls subaequilongis, oculo non vel paulo longioribus, corapresais , basi latis; maxilla inferiore plana acie ante labiura inferius deflexura prominente; operculo postice rotnndato, margineinferioreconvexlusculo; dentibus pliaryngealibus uniseriatis parcis conicis parum curvatis; ano in dimidio corporis aateriore perforato basi ventralium multo magis qaam pinnae anali approximato ,- linea laterali rectiuscula singulis squamis tubulo simplice notata, basi pinnae caudalis sursum curvata; ventre squamoso antice inter pectorales tantum alepldoto; squamis dorso lateribusque valde conspicue unicarinatis nucba ex parte pluricarinatis, ventralibus non carinatis, nuchalibus et lateralibus margine libero tri-ad septemdentatis, ventralibus non dentatis, ceteris conspicue unidentatis; squamis lateribus 45 ad 48 in linea laterali, 6 in serie transversali railium dorsalem lm inter et lineam lateralem, 15 p. m. in serie longitudinali verticem inter et pinnam dorsalem; squamis toto ventre usque ad anum minimis, dorso lateribusque antice squamis caudalibus et postanalibus minoribus; pinna dorsali paulo ante insertionem pinnarum ventralium incipiente, acuta,nonveI vix emarginata; corpore multo altiore, paulo breviore quam alta ; plnnis pectoralibus antice et postice rotundatis apice an- gulatis pinnas ventrales non attingentibus; ventralibus antice rotundatis, apice angulatis pectoralibus vix brevioribus, analem non attingentibus ; anali acuta,nonveI vix emarginata, corpore non vel paulo al- tiore, sat multo altiore quam basi longa ; caudali profunde emarginata lobis acutls inferiore superiore longiore 4^ ad 5 in longitudine corporis; colore corpore superneauranliaco-olivaceo, inferne aurantiaco- roseo; glandulis capite aurantiacis ; linea dorsi media maculis 7 magnis rotundis fuscis quarum 4 post pinnam dorsalem ; lateribus insuper maculis magnis fuscis vulgo rotundis magnitudine inaequalibus ; pinnis aurantiaco-roseis vel rubris fascüs fuscis ornatis, pectoralibus et ventralibus faseüs vulgo 3, caudali fasciis vulgo 5 transversis, dorsali et anali fascüs vulgo 3 longitudinalibus; fascüs caudalibus frequenter confluentibus. B. 3. D. 3/8 vel 3/9. P. 5/9 ad 4/10 ad 4/11/1. V. 2/8. A. 2/5 vel 2/6, C. 4/17/4, lat. brev. incl. Syn. Salusur Sund. Hab. Java (Parongkalong, Bandong) in fluviis. Sumatra (Lahat), in fluviis. Longitudo 7 speciminum 83'" ad 124'". Aanm. Homaloptera ophiolepis is de slankste der mij bekende soorten van lioma- loptera. Zij is overigens gemakkelijk herkenbaar aan hare betrekkelijk weinig talrijke en groote sterk gekielde en aan den vrijen rand getande schubben. De schubben aan de ondervlakte des ligchaams zijn in twee sterk afgescheidene groepen verdeeld. Die welke voor den anus zijn gelegen en den buik tot nabij den grond der borst- vinnen geheel bedekken, zijn zeer klein, ongekield en ongetand. Vroeger had ik die schubjes zelfs niet eens opgemerkt , doch met de lens laten zij zich gemakkelijk waarnemen. De schubben daarentegen, welke tusschen den nabij den grond der buikvinnen doorboorde aarsopening en de aarsvin zijn gelegen , doen in grootte niet onder voor de zijschubben tusschen buikvinnen en aarsvin en zijn evenzeer gekield. Op Java leeft deze soort in het stroomgebied van den ïjitaroem. Uit andere rivieren van Java heb ik haar tot nog toe niet bekomen. Van Sumatra bekwam ik haar slechts uit het stroomgebied van den Moessi of de rivier van Palembang. 92 Homaloptera pavomia Blkr , Over eenige soorten van Homaloptera , Nat. T. Néd. Ind. IV p. 158, Paauwoogigei Saloesoer. Homalopt. corpore graciliore, capito magis acuto et graciliore, oculis majoribus, pliina anali magis quadrata, caudali magis emarginata et lobo ejus inferiore longiore quam in Homaloptera Valenciennesi ; pinnis pectoralibus brevibus trapezoideis ; ventralibus rotundatis; ventre usque ad anum alepidoto; squamis 65 in serie longitudinali, carinis marginem liberum snperantlbus subdentatis, dorsalibus et lateralibus parvis , crassiusculis , inbricatis ; colore corpore superne nigricante ; dorso ante pinnam dorsalem punctis rotundis nigris , post pinnam dorsalem maculis 5 magnis rotundis nigris annulo albo cinctis, vitta corpore longitudinali nuUa; pinnis nigro maculatis. D. 10. P. 18. V. 9. A. 6. C. 22. Syn. Balitora pavonina Val., Poiss. XVIII p. 74. Balüore pavonin Val., ibid. Hab. Java (Buitenzorg) , in fiuviis. Longitudo 4 poUic. paris. Aanm. Homaloptera pavonina schijnt verwant te zijn aan Homaloptera ophiolepis Blkr, doch deze laatste kan daartoe niet terug te brengen zijn, vermits zij slechts 45 tot 48 schubben heeft op eene overlangsche rei en den buik van den anus af tot geheel nabij de basis der borstvinnen met , hoezeer kleine , schubben bedekt heeft. Ik ken deze soort niet naar de natuur en geef de bovenstaande beschrijving slechts vertaald naar die van den heer Valenciennes. Homaloptera ocellata V. Hass., J. Van der Hoev., Handb. Dierk. ed. 1^ Tom. II p. 211 tab. 13 fig. 12. Geoogde Saloesoer. AÜ. Cypr. Tab. III fig. 4. Homalopt. corpore elongato, depresso, cauda tantum compresso, altitudine 7 et paulo ad 8^ in ejus longitudine, paulo latiore quam alto; capite depresso convexo, linea anteriore acutiuscule vel subsemilunariter rotundato, 6 et paulo ad 6V2 in longitudine corporis; latitudine capitis l*/i ad l'/s. altitudine I2/3 ad 2 et paulo in ejus longitudine; vertice, rostro genisque glandulosis ; oculis liberis, antice in dimidio capitis posteriore sitis , diametro 5^/3 ad 62/3 in longitudine capitis , diamctris 2 circiter di- stantibus; naribus oculo magis quam rostri apici approximatis , posterioribus magis oblongis valvula claudendis , anterioribus posterioribus multo minoribus in basi valvulae narium posteriorum perforatis ; rostro convexo , basi latiore quam longo ; cirris subaequilongis oculo non longioribus , conico-corapressis , basi latis; maxilla inferiore plana acie ante labium inferius deflexum prominente; operculo postice rotundato, margine inferiore concavo; dentibus pharyngealibus 10 p. m. uniseriatis conicis acutis parum curvatis, mediis lateralibus longioribus; ano in dimidio corporis posteriore perforato, pinnae anali magis quam basi ventralium approximato ; linea laterali roctiuscula singulis squamis tubulo simplice notata ; ventre usque paulo ante pinnas ventrales alepidoto ; squamis corpore leviter unicarinatis , mar- gine libero anacanthis undulatis, lateribus 70 ad 75 in linea laterali, 8 vel 9 in serie transversali radium dorsalem lm inter et lineam lateralem, 22 vel 23 in serie longitudinali verticem inter et pinnam dorsalem; squamis regione postaxillari, lateribus inferne, interventralibus regioneque gastro- 93 anali squamis cetero corpore minorlbus ; pinna dorsali paulo ante insertionem pinnarum ventralium inclpiente, acuta, leviter emarginata , corpore altiore, breviore quam alta; pinnis pcctoralibus antice et postice rotundatis apice angulatis, pinnas ventrales non attingentibus ; ventralibus antice rotundatis apice angulatis pectoralibus paulo brevioribus, analom non attingentibus; anali acuta emarginata, corpore non vol paulo humiliore, multo altiore quam basi longa; caudali profunde semilunariter emarginata , lobis acutis inferiore superiore longiore 4V3 ad 4;',/2 in longitudine corporis; colore corpore supemo fuscescente-olivaceo, inferno olivaseente-aurantiaco ; dorso lateribusque fusco nebulatis; linea dorsi media maculis 6 vel 7 magnis rotundis profunde fuscis aurantiaco annulatis , posterioribus 2 cauda- libus ; pinnis pulchre roseis , pectoralibus et ventralibus vulgo fasciis 2 tranaversis , dorsali et anali vulgo fascia unica longitudinali fusco-violaceis; caudali dimidio inferiore maxima parte, dimidio su- periore minoro parte violacco-fusco transversim bifasciata ; iride coerulescente margine pupillari aurea. B. 3. D. 3/8. P. 7/8/1 ad 7/10/1. V. 2/7. A. 3/a vel 3/3. C. 6/17/5 vel 5/17/4 lat. brev. incl. Syn. Homaloptera polylepis Blkr, Over eenige soort, van Homalopt. Nat. Tijdschr. Ned. Ind. IV p. 162. Salusur Sundan. Hab. Java (Buitenzorg, Tjipanas, Bandong), in fluviis. Sumatra (Laliat) , in fluviis. Longitudo 26 speciminum 76'" ad 132"'. Aanm. Sedert ik deze soort onder den naam van Homaloptera polylepis beschreef naar twee voorwerpen , bij welke de kleuren veel hadden geleden , ben ik in het bezit gekomen van nog een vierentwintigtal deels grootere en meest alle uitmuntend goed bewaarde voorwerpen , op weinige uitzonderingen na alle gevangen in de ri- vier Tjidani, in de nabijheid van Buitenzorg. Ik heb daardoor mijne vroegere beschrijving, vooral ten opzigte der kleuren, kunnen verbeteren. Ik houd het er thans voor, dat de soort, afgebeeld door de heer J. Van der Hoeven inde eerste uitgave van zijn Handboek der dierkunde, dezelfde is als mijne Homa- loptera polylepis, en alhoewel die afbeelding zeer veel te wenschen overlaat en de soort door den heer Van der Hoeven niet nader beschreven is , heb ik den naam van // ocellata" aangenomen , omdat hij het regt van prioriteit heeft, terwijl Van Hasselt er zeker mede heeft willen wijzen op de licht geringde rugvlekken , welke bij deze soort in den verschen toestand scherp geteekend zijn, doch door bewaring in wijn- geest lichtelijk verdwijnen. Balitora ocellata Val. is eene van de bovenbeschrevene verschillende soort, welke ik niet ken. Volgens den heer Valenciennes zouden er de borstvinnen tot aan de buikvinnen reiken, wat bij geen mijner voorwerpen, jonge of oude, het geval is. Bij geen mijner voorwerpen ook is iets te bespeuren van de zwarte vlekjes op den kop of van een' zwarten overlangschen ligchaamsband , welke bij Balitora ocellata Val. gezegd wordt te bestaan. Daar de soortnaam //ocellata" reeds aan de door den heer Van der Hoeven afgebeelde soort is gegeven , zal die van Balitora ocellata Val. veranderd behooren te worden , waarom ik voorstel daaraan den naam te ver- binden van den beroemden ichthyoloog, die haar het eerst beschreef. 94 Balitora ocellata Van Hass. is de in de bovenlanden van West- Java ongetwijfeld het meest voorkomende soort, doch toch is ze raoeijelijk door de inlanders te beko- men, vermits zij geen artikel van voeding uitmaakt en ik de inlanders zelfs niet door de aanbieding van betrekkelijk aanzienlijke belooningen bewegen konde, voor- werpen van Saloesoer, den algemeeuen Soendaschen naam voor de soorten van Ho- maloptèra, voor mij te verzamelen. Van Sumatra ontving ïk tot dus verre slechts een enkel voorwerp. Balitora maculata Gr. en Platycara anisura McCl. schijnen aan Homaloptera ocellata V. Hass. verwant te zijn. Homaloptera salusur Blkr, Over eenige n. soort. v. Homalopt. Nat. T. Ned. Ind. IV. p. 161. Gladschuhbige Saloesoer. Atl. Cj^pr. Tab.III fig. 2. Homalopt. corpore elongato, depressiusculo , postice compresso, altitudine 8 ad 9 in ejus longitudine, non latiore quam alto ; capite depresso convexo, linea anteriore acute rotundato, 5^/3 ad 6 in lon- gitudine corporis; latitudine capitis 1 ^/s ad l^/j, altitudine 2 circiter in ejus longitudine; rostro, ver- tice genisque glandulis parum conspiculs; oculis liberis, antice in dimidio capitis posterlore sitis, diametro G ad 7 in longitudine capitis, diametris 2 circiter distantibus; naribus oculo multo magis quam rostri apici approximatis, posterioribus magnis oblongis valvula claudendis, anterioribus pos- terioribus multo minoribus in basi valvulae nariuni posteriorum perforatis; rostro convexo basi non vel vix latiore quam longo; cirris subaequilongis , oculo non vel vix longioribus, basi compressis la- tiusculis; maxilla inferiore plana acie ante labium inferius deflexum prominente; operculo postice rotundato margine inferiore concavo; dentibus pharyngealibus 10 p. ra. uniseriatSs conicis acotis parum curvatis ; ano in dimidio corporis posteriore perforato , pinnae anali magis quam basi ventra- lium approximato; linea laterali rectiuscula singulis squamis tubulo simplice notata; ventre usque inter pinnas ventrales alepidoto; squamis corpore leviter unicarinatis , margine libero anacanthis in- tegris, lateribus 70 p. m, in linea laterali, 8 p. m. in serie transversali radium dorsalem lm inter et lineam lateralem, 22 p. m. in serie longitudinali verticem inter et pinnara dorsalem; squamis nuchalibus, postaxillaribus et gastro-analibus squamis cetero corpore minoribus ; pinna dorsali paulo ante insertionem pinnarum ventralium incipiente, acuta, leviter emarginata, corpore altiore, paulo breviore quam alta; pinnis pectoralibus antice et postice rotundatis apici angulatis pinnas ventrales non attingentibus ; ventralibus antice rotundatis , apici angulatis , pectoralibus paulo brevioribus , analem non attingentibus,- anali acuta emarginata, corpore non vel paulo humiliore, altiore quam basi longaJ caudali profunde emarginata, lobis acutis, inferiore superiore vulgo longiore 5 fere ad 5 ^ 3 in longitudine corporis ; colore corpore superne fuscescente-vel aurantiaco-olivacco, inferne dilute roseo: dorso fasciis 4 vel 5 latis diffusis fuscis; iride coerulescente margine pupillari late aurea ; pinnis roseis, dorsali, pectoralibus et ventralibus dimidio anteriore, caudali lobo inferiore fere totis fuscis. B. 3. D. 3/8 vel 3/9. P. 5/8/1 vel 5/9/1 ad 7/10/1. V. 2 7. A. 3/5 vel 3/6. C. 6/17/6 lat, brev. incl, Syn. Salusur Sundan, Hab, Java (Batavia, Tjampea, Ngantang), in fluviis. Sumatra (Lahat), in fluviis. Longitudo 8 speciminura 55'" ad 90'". 95 Aanm. Homaloptera salusur verschilt van Homaloptera ocellata Van Hass. slechts zeer weinig. i\Ien kan haar echter onderkennen aan haren smalleren kop , wiens breedte 1-/5 tot IV0 maal gaat in zijne lengte, terwijl die breedte bij Homaloptera ocel- lata slechts l'/i tot l'/s maal gaat in de lengte des kops. Bovendien zijn de schub- ben bij onderwerpelij ke soort geheel gaafrandig, terwijl het ligchaam er slechts dwarsche banden heeft , althans bij mijne voorwerpen , en niet de scherp geteekende en geel geringde ronde bruine vlekken op den rug van Homaloptera ocellata. Het verschil in de breedte van den kop is bij voorwerpen van beide soorten zeer in het oog vallend en drukt zich ook uit in den slankeren snuit, die langer schijnt te zijn, doordien zijne breedte aan de basis zijne lengte niet of naauwelijke overtreft. Homaloptera Valenciennesi Blkr, Valenciennesche Saloesoer. Homal. corpore breviore, capite breviore, rostro obtusiore, ocuHs minoribus et magis distantibns, pin- nis paribus magis rotundatis, anali humiliore et magis rotundata, quam in Homaloptera ery throrhina ; pinnis pectoralibus ellipticis ventrales attingentibus ; caudali emarginata; squamis 70 in serie longi- tudinali; ventre alepidoto; linea laterali valde conspicua, recta; colore corpore rufescente ; dorso post pinnam dorsalem maculis 5 rotundis ntgris et ante pinnam dorsalem maculis 3 nigris nebulaefor- mibus; vertice nigro punctato; vitta operculo-caudali nigra; pinnis nigi-o macnlatis vel vittatis; pec- toralibus et caudali aurantiaco tinctis. D. 9. P. 17. V. 9. A. 6. C. 23. Syn. Balitora ocellata Val., Poiss. XVIII p. 73. Blkr 0\rer eenige soort, van Homalopt. Nat. T. N. Ind. IV p. 157. Balitore ocellé Val.. 1. c. Hab, Java (Buitenzorg), in fluviis. Longitudo speciminis descripti 2 poll. 8 lin. par. Aanra De soort ^ door den heer Valenciennes onder den naam van Balitora ocellata beschreven, is niet dezelfde, welke Van Hasselt onder dien naam had aangeduid. Zij verschilt daarvan niet alleen door den overlangschen ligchaamsband, maar ook doordien er de borstvinnen tot aan de buikvinnen reiken. Aangezien van Homa- loptera ocellata V. Hass. reeds in 1833 eene afbeelding is openbaar gemaakt door den hoodeeraar J. Van der Hoeven, heb ik voor de hier beschrevene soort den naam van den heer Valenciennes gekozen , die haar het eerst heeft bekend gemaakt en van wiens beschrijving het bovenstaande eene verkorte vertaling is. Balitora Brucei komt mij voor het naaste aan Homaloptera Valenciennesi verwant te zijn. 96 Homaloptera erythrorhina V. Hass., Blkr, Over eenig. soort. v. Ho- malopt. Nat. Tijdschr. Ned. Ind. IV p. 157. Rooclneuzige Saloesoer. Homal. corpore elongato depresso, aeque liitoaealto, altitudine Ginejus longitudine; rostro acuto antice rotundato ; capite plus quani G in longitudine corporis ; oeulis diametro 6 circiter in longitu- dine capitis, minus diametris 3 distantibus; naribus oculo valde approximatis ; cirris G, rostralibus supramaxillaribus brcvioribu.s ; dentibus pliaryngealibus uniseriatis p. m. 5; pinnis extensis rhomboideo- rotundatis, radio 1° ceteris fortiore; dorsali emai-ginata; pectoralibus ventrales non attingentibus ; ventralibus dorsali oppositis; anali longitudine 2 in ejus altitudine; caudali profunde emarginata lobis acutis acquallbus ; squarais 80 in serie longitudinali , carinatis , carinis marginem liberum superantibus unde squainis quasi dentatis ; colore corpore rufescente; membrana narium rubra; pinnis nigricante fasciatis vel subfasciatis. B. 3. D. 10. P. 15. V. 9. A. 6. C. 25. Syn. Balitora erythrorhina Val, Poiss. XVIII p. 70 fig. 524. Balitore a ?nuseait rouge Val., ibid. Hab. Java (Buitenzorg), in fluviis. Longitudo 4 poll. 9. lin. paris. Aamu. De bovenstaande beschrijving is zamengetrokken en vertaald uit de aan- gehaalde beschrijving der soort van den heer Valenciennes. Hij voegt er nog eenige anatomische bijzonderheden bij , welke ik bij alle mijne soorten teruggevonden heb. De maag is er een groote dunvliezige zak, die in een slechts weinig verlengd darm- kanaal overgaat. De lever is er zeer klein. De ovaria daarentegen zijn zeer groot, wat ook bij de in mijn bezit zijnde soorten het geval is. De zwemblaas ontbreekt bij alle archipelagische soorten en waarschijnlijk ook bij de zuid-aziatische. Alle moeite, welke ik tijdens mijne veelvuldige togten in het Buitenzorgsche ge- daan heb, om deze soort magtig te worden, is vruchteloos geweest. Zij schijnt het naaste verwant te zijn aan Homaloptera ocellata V. Hass. (Homaloptera polylepis Blkr), welke de in de omstreken van Buitenzorg nog de het meest voorkomende soort is, doch zij kan daartoe niet worden teruggebragt. Homaloptera fasciata V. Hass., Algem. Konst en Letterb. 1823 II p. 130. Gehande Saloesoer. Atl. Cypr. ïab. III fig, 3. Homalopt. corpore elongato , depresso, cauda tantum compresso, altitudine T^j% ad 8 in ejus longi- tudine, latiore quam alto; capite depresso convexo, linea anteriore acutiuscule vel subsemilunariter rotundato, 5 ad 5 Va in longitudine corporis; latitudine capitis I et paulo, altitudine 2 fere ad 2 in ejus longitudine; vertice, rostro genisque glandulis non vel parum conspicuis; oeulis liberis, ma'- jore parte in capitis dimidio posteriore sitis, diametro 4^ 3 ad 6 fere in longitudine capitis, minus diametris 2 distantibus ; naribus oculo multo raagis quam rostri apici approximatis , posterioribus magnis oblongis valvula claudendi», anterioribus posterioribus multo minoribus, in basi valvulae na- rium posteriorum perforatis; rostro convexe basi sat multo latiore quam longo; cirris gracilibus 97 carnoils rostralibus mediis ceteris brevioribus, supraraaxillaribus ceteris paulo longioribus oculo bre- vioribus; max.illa inferiore plana acie euro lablo inferiore unita; operculo postiee rotundato raargine inferiore reetiusculo vel convexiusculo; dentibus pharyngealibus unisei-iatis parvis conieis parum cur- Tatis p. ra. 8 ; ano in diraldio corporis posteiiore prti'forato, pinnae anali magis quam basi ventralium appioximato; linea laterali rectiuscnla , singulis squamis tubulo simplice iiotata, basi pinnae caudalis non sursum curvata; ventre ante pinnas veutrales alepidoto; squamis non carinatis, margine libero noa dentatis integris, lateribus 45 p. m. in serie longitudinali, 5 in serie transversali radiura dor- Salem 1«» inter et lineain lateralem, 21 vel 22 in seiie longitudinali verticem inter et pinnam dor- salera ; squamis interventralibus et corpore anterioribus squamis caudalibus conspicue minoribus; pinna dorsali tota vel tota fere post basin ventralium sita, acuta vel acutiuscula , non vel parum emar- ginata, corpore non vel paulo tantum altiore, breviore quam alta piunis; pectoralibus et ven- traiibus oblique obtuae rotundatis, pectoralibus ventralibus majoribus basin ventralium attingentibus, ventralibus analera non attingentibus; anali acuta, non emarginata, corpore hurailiore, altiore quam basi longa; caudali serailunariter emarginata, lobis acutis inferiore superiore longiore 42,3 ad 5 2/3 in longitudine corporis; colore corpore superne aurantiaco-olivaceo, inferne aurantiaco-roseo vel mar- garitaeeo-i-oseo; iride violascente-coerulea margine pupillari aurea; fasciis corpore fuscis latis trans- versis diffusis approximatis 5 vel 6; pinnis aurantiaco-roseis vel rubris, dorsali et anali vittis 2 vel 3 longitudinalibus, pectoralibus, ventralibus eaudalique vittis 2 vel 3 transversis fuscis diffusis. B. 3. D. 2,7 vel 2/8. P. 6/10/1 vel 6/9/1. V. 2/7. A. 2/5. C. 7/17/6 vel 6/17/5, lat. brev. inclus, Syn. liomaloptera Wassinkii Blkr, Over eenige nieuwe soort, van Homaloptera, Nat. Tijdschr. Ned. Ind. IV p. 163. Salusur Sundan. Habit, Java (Tjampea, Buitenzorg, Kediri), in fluviis. Sumatra (Labat), in fluviis. Longitudo 14 speciminum 40" ad 57'". Aanm. Bij slechts twee soorten van Homaloptera mijner verzameling is de rug- vin achter de buikvinnen ingeplant, t. w. bij Homaloptera fasciata en Homaloptera gynnogaster. Deze beide soorten hebben nog met elkander gemeen , dat de buik er tot tusschen de buikvinnen geheel schubloos is en dat de schubben des ligchaams er ongetand zijn. Overigens verschillen beide nog aanmerkelijk van elkander, door de grootte der schubben en der borstvinnen, en Homaloptera fasciata is volkomen goed herkenbaar daaraan, dat zij slechts 45 schubben heeft op eene overlangsche rei en dat er de borstvinnen tot op den grond der buik vinnen reiken. Aangezien mij uit eene door Van Hasselt nagelatene teekening gebleken is , dat hij onderwerpelij ke soort heeft gekend en dat zij dezelfde is als die, welke hij ter boven aangehaalde plaatse onder den naam van Homaloptera fasciata aanduidde , heb ik ge- meend, hoezeer ook de soort het eerst door mij beschreven is, den door Van Hasselt voorgestelden soortnaam te moeten herstellen. Ik had haar vroeger genoemd naar den heer Dr. G- Wassink, thans chef der geneeskundige dienst in Nederlandsch Indië, door wiens welwillendheid ik in het bezit werd gesteld van de eerste voor- werpen , welke ik van de soort waarnam. 13 98 Bij Platycara lissorhychos McCl. schijnt de rugvin ook een weinig achter de buik- vinnen te beginnen en de afbeelding dier soort vertoont slechts 3G schubben op eene overlangsche rei. Zij verschilt echter van liomaloptera fasciata door een' eigenaar- digen zuigtoestel aan de ondervlakte van den kop achter de niondopening, waardoor zij zelfs tot een van Homaloptera verschillend geslacht te brengen is. Homaloptera gymnogaster Blkr , Over eenige nieuwe soort van Homa- loptera, Nat. T. N. Ind. IV p. 163. — Kaalhuikige Saloesoer. Atl. Cypr. Tab. III fig. 6. Homalopt. corpore elongato depresso , cauda tantum compresso , altitndine 8V2 circiter in ejus longltu- dine, latiore quam alto; capite depresso, convexo, linea anteriore obtusiuscule rotundato, 6 circiter in longitudine corporis; latitudine capitis 1 1/3 circiter, altitudine 2 circiter in ejus longitudine; vertice, rostro genisque glandulis non conspicuis; oculis liberis, maxima parte in capitis dimidio posteriore sitis, diametro 6 ad 6'/2 in longitudine capitis, minus diametris 2 distantibus; naribus oculo miilto magis quam rostri apici approximatis , posterioribus magnis oblongis valvula claudendis , anterioribus posterioribus multo minoribus, in basi valvulae narium posteriorum perforatis ; rostro convexo, basi sat multo latiore quam longo ; cirris gracilibus subaequallbus oculo paulo brevioribus ; maxilla infe- riore plana acie cum labio inferiore unita; operculo postice rotundato margine inferiore concavo; dentibus pharyngealibus uniseriatis parvis conicis acutis parum curvatis p. m. 8; ano in posteriore dimidio corporis perforato pinnae analivalde approximato; linea laterali rectiuscula , singulis squamis tubulo simplice notata , basi pinnae caudalis non sursum curvata; ventre ante et post pinnas ventrales alepidoto; squamis non carinatis, margine libero non dentatis integris, lateribus 70 p. m. in jserie longitadinali, 5 vel 6 in serie tranversali radium dorsalem lm inter et lineam lateralem , 28? p. m. in serie longitudinali verticem inter et pinnam dorsalem; squamis nuchalibus squamisque lateralibus anterioribus squamis caudalibus conspicue minoribus; pinna dorsali tota ejus longitudine paulo post basin pinnarum ventralium sita, acuta, parum emarginata , corpore altiore , breviore quam alta ; pinnis pectoralibus et ventralibus oblique obtuserotundatis, longitudine subaequallbus, pectoralibus ventrales non, ventralibus analem non attingentibus ; anali acuta, non vel parum emarginata, corpore non humi- liore, altiore quam basi longa; caudali semilunariter emarginata. lobis acutis inferiore superiore vix longiore 5 circiter in longitudine corporis; colore corpore superne aurantiaco-olivaceo , vel fuscescente- olivaceo , inferne aurantiaco- vel margaritaceo-roseo ; iride violascente-coerulea , margine pupillari aurea ; pinnis aurantiaco-roseis vel roseis , caudali medio diffuse transversim fusco fasciata. B. 3. D. 2/7 vel 2/8. P. 5/9/1 vel 5/10/1. V. 2/7. A. 2/6. C. 6/17/6 vel 6/17/7, lat. brev. incl. Hab. Sumatra (Meninju), in lacu. LoDgitudo specininis unici 75". Aanm. Deze soort heb ik tot nog toe slechts van Sumatra ontvangen in een enkel voorwerp , afkomstig uit het meer van Meninjoe , en mij geschonken door de beroemde reizigster wijlen Ida Pfeiffer. De soort is zeer gemakkelijk herkenbaar aan hare ach- terwaartsche inplanting der rugvin en talrijke schubben op eene overlangsche rei. SÜBFAMILIA III CYPRINIFORMES. KARPERVORMIGEN. Cyprinoidei corpore oblongo vel elongato compresso, vulgo squa- moso, squamis cycloideis. Caput plus minusve compressum alepido- tum. Cirri nunquam plus quam 4, frequenter nuUi. Rietus latera ca- pitis attingens vel subattingens. Dentes pharyngeales varias formas referentes , uni- ad tri-seriati. Pseudobranchiae pectiniformes vel glan- dulaeformes. Apertura branchialis lata. Pinnae pectorales et ventra- les nunquam disciformes, pectorales radio superiore tantum simplice. Vesica natatoria bipartita. Aanm. De ■ Cypriniformes zijn de karperachtige visschen bij uitnemendheid. Wat door de meeste sclirijvers over Cyprinoïden geschreven is, heeft uitsluitend of nagenoeg uitsluitend betrekking tot deze subfamilie, en zoo hebben ook de aan het hoofd van dit deel gegevene schetsen van den ontwikkelingsgang der kennis van de Cyprinen voornamelijk betrekking tot de Cypriniformes. Zij bevatten dan ook meer dan negen en een half honderd bekende soorten, terwijl men er van de beide andere subfamiliën te zamen nog geene honderd kent. Terwijl de Cobitiformes en Homalopteraeformes tot twee werelddeelen van het oostelijk halfrond zijn beperkt, ziet men de Cypriniformes zich niet alleen ook over geheel Afrika verbreiden, maar zij bewonen ook bijkans geheel Noord-Amerika en dat zelfs nog in zeer talrijke soorten. De studie van de geograpische verbreiding der Cyprinoïden levert de belangrijkste uitkomsten op ten opzigte van de Cypriniformes. In nog mindere mate dan de zoetwater-Siluren hebben de Cyprinen , in het alge- meen, de grenzen kunnen overschrijden, haar door de natuur gesteld. Er zijn geene soorten onder ze, die zich vrijwillig buiten het water begeven of lang buiten het water kunnen leven. Zij zijn er ook niet op gebouwd, en zoo al vele Cobitifor- mes zich insgelijks, hoezeer mtt minder gemak dan de Siluren, in eene bepaalde rigting buiten het water kunnen bewegen, is hun ademhalingsstelsel er niet op ingerigt, om de hoeveelheid water te bevatten en te behouden, noodig tot eene eenigzins gerekte bevochtiging der kieuwen. 100 Desniettegenstaande is de geograpische verbreiding van sommige soorten zeer groot, zelfs van de zoodanige, van welke geene kunstmatige overplanting te vermoeden is, en noodzakelijk moet men daarbij denken aan eene gelijktijdige schepping der soorten in de stroomgebieden waarin ze thans nog leven. Aan den anderen kant is het ook voor de Cypriniformes waar, dat geene enkele soort der oude wereld tevens natuurlijk voorkomt in de nieuwe wereld, en dat in beide halfronden de grenzen der verschillende soorten en geslachten soms zeer scherp zijn gesteld. Zelfs de geslachten zijn, bijkans zonder uitzondering, in de beide wereldhelften verschillend. Slechts van Acomus, Leuciscus, Alburnus en Gobio vindt men soorten zoowel in de oude als in de nieuwe wereld. Ieder groot gewest heeft voorts niet alleen zijne hem eigene soorten maar ook nergens anders voorkomende geslachten aan te wijzen. Zoo vindt men , om uit de talrijke voorbeelden, welke men zich uit het te geven algemeen overzigt der soorten zelf kan kiezen, eenige weinige meer bepaald aan te wijzen, Epalzeorhynchos slechts in den Indischen Archipel, Abrostomus slechts aan de Kaap de Goede Hoop, Cyprinion slechts in Perzië en Syrië , Pseudogobio slechts in Japan , Aulopyge slechts in zuidoostelijk Europa, Elopichthys slechts in China, Esomus slechts in Bengalen en Hindostan, enz. Eene grondige herziening der honderde soorten van Cypriniformes en der geslachten , uit ze gevormd, is noodzakkelijk te achten. Het is eene moeijelijke taak, welker volvoering misschien vooreerst niet mogelijk is door het verspreid zijn van het ma- teriaal in de verschillende museen van Europa, Amerika en Azië. Ik heb die herziening bewerkstelligd voor alle soorten, welke ik zelf bezit, doch vermits in deze gewesten geen enkel ander ichthyologisch kabinet bestaat, heb ik haar niet verder kunnen uitstrekken. Intusschen ben ik door het onderzoek dier soorten geleid tot de studie van het bestaande litterarisch materiaal en ik heb daaruit de overtuiging erlangd , dat , even- zeer als de archipelagische Cypriniformes tot talrijke met groote juistheid te ken- merken genera behooren , ook zeer vele der door de verschillende ichthyologen in den nieuweren tijd opgestelde buiten-archipelagische genera, inderdaad als natuurlijke geslachten beschouwd moeten worden. En zoo zijn, zelfs na verwerping van talrijke minder goed gevestigde, mijns inziens nog meer dan 100 genera van Cyprini- formes te behouden. Zooals boven reeds is gezegd, kunnen die talrijke geslachten in twee groote groepen geplaatst worden, in die der Phalakrognathinen en die der Cheilognathinen. De geslachten der Cheilognathinen winnen het in talrijkheid verre van die der Phala- krognathinen , even als zij veel rijker zijn aan soorten. COHORS I PHALACROGNATHINI. NAAKTKAKIGEN. Cypriniformes maxilla inferiore margine libero nuda, labio inferiore non vestita, vagina vel lamina cornea decidua protecta. Nadat de heer Agassiz in 1837 het voorbeeld gegeven had, het geslacht Chon- drostoma van de overige Cypriniformes af te zonderen, op grond van den eigenaardigen bouw der monddeelen, beproefde men ^ ook talrijke buiten- europesche Cypriniformes naar den bouw der monddeelen, onder verschillende geslachten te brengen. Wel had reeds Cuvier in 1817 het geslacht Labeo opgesteld, maar zijne kenmerking bepaalde zich , wat de vorming der monddeelen betreft , tot de opgave , dat de lippen er zijn vleezig en merkwaardig dik, aan welke diagnose in 1828 nog werd toege- voegd, dat de lippen er dikwijls gekarteld zijn. De beide grootste ichthyologen van den nieuweren tijd hadden, zonder er zich van bewust te zijn, in Labeo en Chondrostoma de typen gevonden, niet, zooals zij meen- den , van twee geslachten , maar van twee groepen , talrijk aan geslachten , in welke zich weldra meer dan 200 soorten zouden komen rangschikken. Kuhl en Van Hasselt hadden reeds van die geslachten opgemerkt , bij hun on- derzoek van de merkwaardige Javasche vormen der Phalakrognathinen. Zij reeds gevoelden het gewigt van de vorming der monddeelen bij de verdeeling der geslachten , doch hun vroegtijdige dood heeft hen belet, hunne zienswijze ten deze nader te ont- wikkelen. Hunne geslachten Crossocheilos , Lobocheilos , Diplocheilos en Labiobarbus zijn niets anders als typen, verkregen door ontleding der grondtype van Cuvier's Labeo. De heer MacClelland vestigde, bij de opstelling van de meerdere zijner geslachten, insgelijks zijne aandacht op den bouw der monddeelen^ zonder de bijzonderheden in dien bouw echter naauwkeurig te bepalen. Zijne genera Cirrhinus (met Labeo als subgenus), Oreinus, Gobio en Gonorhynchus omvatten uitsluitend Phalakrognathinen ; Cirrhinus , Gobio en Gonorhynchus (alle van eene geheel andere beteekenis dan bij Cuvier) alle soorten van de grondtype Labeo, Oreinus soorten van de grondtype Chondrostoma. 102 A. Smith vond in Abrostomus eene nieuwe ondertype van Labeo. Dangila en Rohita , evenzeer aan de grondtype van Labeo ontleend en door den heer Valenciennes in het jaar 1842 opgesteld, zijn onderdeelen van het geslacht Labiobarbus, zooals het door Kuhl en Van Hasselt werd begrepen. Heckel stelde in 1842 voor zijne genera Cyprinion, Scaphiodon , Gymnostomus , Chondrochylus en Chondrorhynchus, alle ondertypen van Chondrostoma ; alsmede Tylognathus en Discognathus , welke ondertypen zijn van Labeo. In 1847 voegde hij daarbij nog de geslachten Dillonia, Schizopyge en Aspidoparia, welke evenzeer aan de grondtype van Chondrostoma zijn ontleend, terwijl hij zijne genera Chondro- chilus en Chondrorhynchus tot het eigenlijke geslacht Chondrostoma terug bragt. Ook in Noord-Amerika had men reeds in 1818 eene type ontdekt, door Rafinesque met den naam Exoglossum bestempeld, welke na verwant is aan de grondtype van Labeo. Ook het geslacht Pimephales van Rafinesque schijnt daaraan verwant te zijn. Talrijke andere noord-araerikaansche typen, in het laatste tiental jaren opgesteld, schijnen evenzeer, wat den kaak- en lipbouw betreft, tot de grondtype van Labeo te behooren , zooals Hyborhynchus , Hybognathus en Campostoma van den heer Agassiz; Lavinia, Dionda, Algoma, Orthodon, Algansea, Siboma en Cliola van den heer Girard; Cochlognathus van de heeren Baird en Girard; en Mylocheilus en Mylopharodon van den heer Ayres. Alle deze geslachten, hoezeer door den bouw der monddeelen aan Labeo ver- want , naderen door hun tandenstelsel meer tot de grondtype Chondrostoma en meer- dere hunner zijn zelfs door de heeren Agassiz en Girard opgebragt als Chondro- stominen , hoezeer de zin dier groep niet gelijk is aan dien , welke in dezen arbeid daaraan is gehecht. Heckel heeft in de // Nachtrag zur Charakteristik und Classifikation der Cyprineën- Gattungen" de genoemde grondtypen van Labeo en Chondrostoma zeer goed on- scheiden, maar hij heeft ze geen' naam gegeven. Voor wie in de hier opgesomde genera slechts de geslachten Labeo Cuv. en Chon- drostoma Ag. zou willen erkennen , zou de groep A van Heckel's Temnochilae Labeo , de groep B der Temnochilae Chondrostoma voorstellen. Ik neem die groepen als natuurlijke groepen aan en noem ze naar hare grondtypen Labeoninen en Chondrostominen. Maar bovendien erken ik in die groepen nog meerdere generische typen , deels aan andere ichthyologen onbekend gebleven, deels ook door hen over het hoofd gezien. Deze typen zijn, voor de Labeoninen de geslachten Epalzeorhynchos, Dis- cognathichthys. Diplocheilichthys , Schismatorhynchos , Rohitichthys , Barbichthys , Morara, Opistocheilos, Pseudogobio, Semiplotus; — en voor de Chondrostominen de genera Mrigala en Acheilognathus. 103 Over alle deze geslachten wordt hieronder nader gehandeld. Ik moet hier nog aanteekenen dat, alhoewel mijne Phalakrognathinen aan Heckel's Temnochilae beantwoorden, Heckel's benaming even als zijne diagnose daarvan «maxilla inferiore in aciem cartilagineam attenuata" minder juist zijn, aangezien de onderkaak bij eenige geslachten , zooals Lobocheilos , in stede van met een' scher- pen rand te eindigen, buitengemeen dik en stomprandig is. STIRPS I. LABEONINI. LIPKAEPERS. Cypriniformes phalacrognathini , labio inferiore vario modo con- structo, reflexo. Aanm. De Labeoninen omvatten alle Phalakrognathinen, bij welke eene onderlip aanwezig is, welke, verschillend gebouwd, echter altijd dit kenmerkende heeft, dat zij den vrijen rand der onderkaak niet bereikt en van de ondervlakte der onderkaak teruggebogen of teruggeslagen is. De afdeeling A der Temnocheilae van Heckel omvat slechts de geslachten met drie- reijige plaveiselgewijze keelgatstanden en heeft alzoo eene meer beperkte beteekenis dan de Labeonini, tot welke hier ook alle noor-d-amerikaansche Phalakrognathinen gebragt zijn, welke in dentitie alle van de Labeoninen der oude wereld, Japan uitgezonderd, verschillen. Men kan de Labeoninen 'naar het tandenstelsel in twee groepen splitsen. Alle ge- slachten der oude wereld , met uitzondering slechts van Pseudogobio van Japan , hebben // dentes aggregati triseriati" en twee tot vier voeldraden^ terwijl bij deame- rikaansche Labeoninen de plaveiselgewijze rangschikking der tanden standvastig ontbreekt en de tanden zelve in slechts eene enkele of dubbele rei zijn geplaatst (misschien slechts met uitzondering van Mylopharodon Ayr. en Mylocheilus Ag. omtrent welke van eene afvallige derde rei gesproken wordt). Van de Labeoninen der oude wereld heb ik de geslachten Epalzeorhynchos , Cros- socheilos, Diplocheilichthys , Lobocheilos, Schismatorhynchos , Morulius, Barbich- thys en Morara naar de natuur kunnen onderzoeken en ik ben daardoor overtuigd geworden van het hoog gewigt voor de generische rangschikking' van den bouw der lippen en kaken. Eene herziening der overige geslachten van de Labeoninen, naar de van ze bekend gemaakt gegevens, heeft mij geleid tot het beproeven van hunne meer juiste be- paling en het is mij daarbij noodzakelijk voorgekomen^ van sommige dier geslachten enkele soorten af te zonderen en ze tot eigene generische typen te brengen. Hiertoe behooren de geslachten Rohitichthys, Opistocheilos , Semiplotus en Pseudogobio. 105 Heeft de meer naauwkeurige kennis van zoovele soorten van Labeoninen toegelaten het meer bepaald omschrijven van meerdere generische typen, die kennis heeft ook haar licht teruggekaatst op vele soorten , vooral de door Buchanan en den heer MacClelland van Bengalen bekend gemaakte, welker beschrijvingen te kort of welker afbeel- dingen te gebrekkig zijn, om daarnaar alleen hare generische verwantschappen te bepalen. Ik heb getracht die soorten tot hare juiste geslachten terug te brengen, en hoezeer voor vele de gegevens daartoe onvoldoende waren , geloof ik aan vele an- dere Euchanansche en MacClellandsche soorten hare ware beteekenis te hebben terugoreffeven. De Labeoninen zijn onder de Cypriniformes het naaste verwant aan de Homalo- pteraeformes en Cobitiformes. Deze subfamiliën zouden, wegens bouw van de onder- kaak en lippen, tot de Labeoninen behooren, indien kenmerken van eene hoogere orde ze niet in groepen van hoogere waarde deden plaatsen. De geslachten, welke het naast in verwantschap staan mat de genoemde subfa- miliën, zijn Epalzeorhynchos , Grossocheilos , Platycara, Discognathus en Discogna- thichthys. De soorten en geslachten der Labeoninen zijn veel talrijker dan die der Chon- drostominen. Zij maken ongeveer 75 pCt. uit van alle Phalakrognathinen. Betrekkelijk het talrijkste zijn zij op de Soenda-eilanden, van waar reeds 43 soorten bekend zijn. Het vaste land van Azië voedt meer dan 70 bekende species en ook Noord-Amerika heeft nog meer dan 50 soorten aan te wijzen. In Afrika evenwel zijn zij, volgens ons tegenwoordig weten, veel zeldzamer en slechts 13 in getal, terwijl zij in Europa volstrektelijk ontbreken. Eene nadere bepaling der geslachten van de Labeoninen der oude wereld is, met de bestaande gegevens, weinig moeijelijk. Voortreffelijke kenmerken vindt men in den bouw van den achtersten onverdeelden rugvinstraal, in zijne beenachtigheid of niet beenachtigheid, in zijn getand of tan- deloos zijn. Andere uitmuntende kenmerken zijn gelegen in het gekarteld of niet gekarteld zijn van den vrijen rand van den snuit; in de snuitgroeven en zijdelijke snuit- aanhangsels; in het al of niet vereenigd zijii van de bovenlip met de onderlip en de wijze van die vereeniging; in de gedaante en rigting der achterlipsgroeve of groeven; in de gedaanteen de geaardheid der kaken zelve; in de kinzuigschijf ; in de gedaante der lippen en haar gefranjed of niet gefranjed zijn; in de geaardheid der aarsschubben , enz. De voeldraden en de bijzonderheden van het taudenstelsel ko- men bij de Labeoninen-geslachten der oude wereld slechts in de tweede plaats in aanmerking. Moeijelijker^ althans naar de bestaande gegevens, schijnt de juiste bepaling der geslachten van Noord- Amerikaansche Labeoninen. Het is ook de vraagt of zij alle 14 106 kunuen belioudeu blijven ;, eu indien ik ze hieronder alle opvoer, is het meer omdat de gegevens ontbreken om over hunne waarde beslissend uitspraak te doen. Naar de bestaande gegevens te oordeelen zijn vele dier geslachten op kenteekenen gegrond, welker generische waarde zeer aan betwisting bloot staat, doch het kan zijn, dat andere meer gevvigtige kenmerken zijn over het hoofd gezien, even als zulks met vele geslachten van Labeoninen van het oostelijk halfrond het geval is geweest. Van de voortreffelijke natuuronderzoekers, welke die geslachten hebben doen ken- nen en thans nog in Noord- Amerika leven , mag gewis een meer uitvoerig onderzoek van de talrijke door hen ontdekte soorten te gemoet worden gezien. üe geslachten der Labeoninen laten zich overzien als volgt. I Dentes pharyngeales triseriati. Corpus squamatum. a. Pinna" dorsalis anacantha. 1. Rostrum margine libero crenatum. Rictus parallelogrammicus. Cirri 2 ad 4. Squamae magnae. aa. Labium inferius cum labio superiore unitum. * Rostrum integrum utroque latere processu conico mobili munitum.- Mentum disco suctorio nullo. EiMlzeorJiynclios BIkr. *' Rostrum sulco transverso bipartitum, lateribus processu nullo. Men- tum disco suctorio. Discognathus Heek. (ex parte). bb. Labium inferius cum labio superiore non unitum. Rostrum integrum processubus nullis. Mentum disco suctorio nullo. Crossoclieilos V. Hass. Blkr. 2. Rostrum margine libero non crenatum. aa. [Mentum disco suctorio. Rostrum integrum. Labium inferius cum labio superiore unitum. Squamae magnae. Discognatldchthys Blkr. bb. Labium inferius lobum vario modo circumscriptum sed non discum suctorium efHciens. Squamae magnae. * Rostrum sulco profundo longitudinali bipartitum. Platycara McCl. *' Rostrum sulco longitudinali nullo. Maxilla inferior incrassata car- noso-cartilaginea. § Labium inferius cum labio superiore non unitum. Rostrum sul- co transverso bipartitum. Cirri 4. ScJiis7naiorhi/ncJios Blkr. §■ Labium inferius cum labio superiore unitum, continuüm, Cirri 2 ad 4. 107 6 Labiurn superius cum labii inferioris margine anteriore con- tinuüm. * Rostrum utroque latere lobo munitum. Os suborbitale an- terius sat longe ante orbitam situm. Zabeo Cuv., Blkr. ** Rostrum non lobatum, f Rostrum sulco transvero bipartitum. Labium inferius crenulatum. Tijlognatlius Heek. f Rostrum integrum. Labium inferius non crenulatum , Os suborbitale anterius orbitae approximatum. Diplocheilicldhi/s Blkr. ó' Labium superius facie labii inferioris superiore intra margi- nem insertura. LobocJieilos V. Plass., Blkr. cc Labium inferius simpliciter reflexum, nee lobatum nee disciferum. Squamae magnae vel médiocres. * Labia fimbriata vel crenulato-papillata. Cirri 4 ad 2. ^ Labia superius et inferius fimbriata. Rictus ore aperto ovalis. 6 Sulci postlabiales 2 longitudinale^ isthmo lato distantes. Os suborbitale anterius orbitae approximatum. BoJdta Val. ó' Sulcus postlabialis unicus transversus semilunaris. Os subor- bitale anterius sat longo ante orbitam situm. Morulius Buch., Blkr. :=! Chri/sopheJcadion Blkr. V Labium inferius tantum fimbriatum. Os suborbitale anterius sat longe ante orbitam situm. JRoldtichthys Blkr. %' Labium superius tantum papillatum. Rictus ore aperto subparallelo- grammicus. Maxilla inferior margine libero tenui. Dan(jila Val. *' Labia nee fimbriata nee papillata. § Labium superius crassum , carnosum. Cirri 4. Squamae parvae. Rictus parallelogrammicus. Abrostomus Smith. % Labium superius valde gracile, membranaceum , ante maxillam superiorem pendulum. Squamae magnae. ó Rictus angulatus. Os suborbitale anterius forraam pedis equini subsimilans. Cirri 4. 108 Barhichthys Blkr. *' Rictus semilunaris. Os suborbitale anterius pentagonum. Cirri nuUi. Mor ara Blkr.. b. Pinna dorsalis radio simplice postico osseo. 1. Spina dorsalis edentula. Squamae magnae, anales ceteris non majores. Pinna dorsalis multiradiata. Cirri nuUi. Semiplotus Elkr. 2. Spina dorsalis postice serrata. Squamae parvae, anales ceteris multo ma- jores. Pinna dorsalis pauciradiata. Cirri 4. Opistocheilos Blkr. II. Dentes pliaryngeales biseriati vel uniseriati. a. Spina dorsalis ossea. Dentes pliaryngeales cultriformes 4/4. Cirri nulli. Squamae magnae. 1. Maxillae cochleariformes margine libero acutae. CocMoffnathus Baird Gir. 2. Maxilla non cochleariformes. Pimephales Raf. b. Spina dorsalis nulla. 1. Cirri 2 supramaxillares. aa. Dentes pharyngeales graciles acuti uniseriati 5/5. Labium inferius re- flexura trilobatum. Regio thoraco-gularis alepidota. Anus pinnis ven- tralibus approximatus. Pseiidoffohio Blkr. bb. Dentes pharyngeales molares, persistentes biseriati 2.5/5.2. Rictus sub- terminalis , horizontalis. Mylocheilos Ag. 2. Cirri nulli. aa. Dentes pharyngeales molares, persistentes biseriati 2.5/5.2 vel 2 4/4.2. Rictus magnus. Mi/lopharodon Ayr, bb. Dentes pharyngeales cultriformes. * Labium inferius bilobum. Dentes biseriati 1.4/41. Uxor/lossiivi Raf. *' Labium inferius non lobatum. ^ Dentes pharyngeales biseriati. ü Pinna dorsalis post ventrales incipiens. Rictus curvatus. Dentes 1.4/4.1, facie masticatoria elongata gracili. Squamae médiocres. Campostoma Ag. 109 ó' Pinna dorsalis snpra vel ante ventrales incipiens. Rictus parvus terminalis. Dentes 1.4/5.2 facie masticatoria nuUa. Squamae magnae. Sihoma Gir. ^' Dentes pharyngeales uniseriati. ó Os inferura. Squamae magnae vel médiocres. f Pinna dorsalis supra vel vix ante pinnara analera desinens. Rictus ore clauso transversus. Dentes uniseriati 5/5. Maxilla inferior acie truncata. Lavinia Gir. :=! JcrocJieilus Ag. f' Pinna dorsalis ante analem desinens. Dentes 4/4. o Dentes non uncinati. Maxilla inferior acie rotundata. Pinna dor- salis supra ventrales incipiens. Bionda Gir. ó' Dentes facie masticatoria sublineari. Rictus parvus. Pinna dor- salis ante pinnas ventrales incipiens. Caput subtruncatum. Corpus elongatum? - - . Algoma Gir. ó" Dentes facie masticatoria lineari. Rictus parvus horizontalis. Pinna dorsalis supra pinnas ventrales incipiens. Maxilla in- ferior acie late rotundata. Rostrum gibbosum truncatum. Corpus oblongum. Hijborhynclms Ag. o' Os terminale. Pinna dorsalis supra vel ante pinnas ventrales in- cipiens. Dentes 4/4 vel 5/5. f Dentes vix vel non uncinati 4/4 facie masticatoria lineari. Maxilla inferior symphysi tuberculo munita. Squamae magnae. Corpus elongatum compressum. . Htjhognathus Ag. f' Dentes lanceolati, subrecti. 5/5. Maxilla inferior symphysi tu- berculo munita. Squamae parvae. Corpus subfusiforme. Orthodon Gir. f" Dentes raptatorü uncinati 4/4, facie masticatoria nulla. Rictus amplus. Rostrum rotundatum. Squamae magnae. Corpus elon- gatum compressum. Cliola Gir. f" Dentes 4/4 vel 5/5. Rictus mediocris obliquus. Rostrum acu- tiusculum. Squamae magnae vel médiocres. Corpus oblongum compressum. Algansea Gir. Species Laheoninorum hucusqiie cognitae. ]-Iabit. * Epalzeorhynchos kallopterus Blkr =: Barbus kalopterus Blkr. Sumatra, Borneo. Discognathus crenulatus Heek Persia. if fusiformis Ileck. India. ff obtusus Heek Syria. ff rufus Heek Syria. 1/ ? bimaeulatus Heek. :=i Gonorhynchus bimaculatus MeCl Bengala. ff ? caudatus Heek. :=: Gonorhynehus caudatiis McCl. * Crossocbeilos (Crossocheilos) oblongus V. Hass. :=! Labeo ob- longus Val Java, Sumatra. ft { n ) latius Blkr :=! Cyprinus latius Buch. = Gono- rhynchus macrosonius McCl. ^ Cirrhina latius Val. :=! Rohita macrosomus Heek Bengala. // ( //?) gobioides Blkr :=; Cyprinus mosario Buch.? — Gonorhynchus gobioides McCl. :=3 Rohita gobioi- des Heek. =ï Cyprin heriliva Val Bengala. f { I' ) gohama Blkr ^ Cyprinus gohama Buch. ■:=:, Cy- prinus dyangra Buch. =3 Gonorhynchus gohama McCl. =3 Gonorhynchus brevis McCl. 7=i Cirrhina gohama Val. :=: Rohita brevis Heek Bengala. * fi (Crossocheilichthys) cobititis Blkr ;=: Lobocheilos cobi- tis Blkr Java, Sumatra. * " ( " ) Langei Blkr. Sumatra. *-(//) diplocheilos Blkr =: Barbus diplocheilos Heek =; Tvlognathus barbatulus Heek Cashmir. // ( // ) nanus Blkr :=i Tylognathus nanus Heek. ' . . Syria. //?(//?) porcellus Blkr=: Tylognathus porcellus Heek. . India. * ( // ) hirticeps ]31kr =3 Gobio hirticeps Rüpp, :=; ? Dis- cognathus hirticeps Heek. s Dangila ? hirticeps Val Abyssinia. K { ff ) quadrimaculatus Blkr =: Gobio quadrimaculatus Rüpp. =; ? Discognathus quadrimaculatus Heek. — Dangila? quadrimaculata Val Abyssinia. 111 Discognathichthys variabilis Blkr :=: Discognathus variabilis Heik Syria. // brachypterus Blkr =; Gonorhynchus brachypterus McCl. =2 ? Discognathus brachypterus llerk. . . India. // petrophilus Blkr=^ Gonorhynchus petrophilus McCI. •^^i ? Discognathus petrophilus Ileck Bengala. // rupeculus Blkr :=! Gonorhynchus rupeculus McCl. z^ ? Discognathus rupeculus Heek Bengala. // lamta Blkr ■^ Cyprinus lamta Buch. :=! Cypri- nus godiyava Buch. =:; Gonorhynchus lamta McCl. — Barbus lamta Val. ^ Tylognathus lamta Heek. Bengala. Platycara nasuta McCl =3 Balitora nasuta Val Kasyah. * Schismatorhynchos heterorhynchos Blkr =^ Lobocheilos hetero- rhynchos Blkr ^ Schismatorhynchos lobocheiloides Blkr Sumatra. // ricnorhynchos Blkr "^ Gobio ricnorhynchos McCl. ^i^ Labeo ricnorhynchos Heek. ;=; Cyprin ricnorhyn- que Val Bengala, Assam. // gotyla Blkr — Cyprinus gotyla Gr. =5 Gonorhyn- chus gotyla McCl :=3 Barbus gotyla Val. :=i Disco- gnathus cotyla Heek Bengala. // falcatus Blkr =! Cyprinus (Bangana) falcata Gr. ;=! Gobio malacostomus McCl. ^ Labeo malacostomus Val. :=: Isocephalüs falcatus Heek. =; Lobocheilos? falcatus Blkr India. * Labeo (Diplocheilos) erythropterus Blkr ^ Diplocheilos ery- thropterus V. Hass. =1 Labeo erythropterus Val. . . Java. ( // ) lucas Blkr ;=; Lobocheilos lucas Blkr Java. ( II ) robitoides Blkr;^ Lobocheilos rohitoides Blkr. . . Java. ( n ) boga Blkr =: Cyprinus boga Buch. -^i. Gobio bo- ga McCl. =: Cyprinus arhiza Buch. =3 Cyprinus pan- gusia Buch. :=; Gobio pangusia McCl. (As. Res. XIX tab. 42 f. 1) :=; Isocephalns boga Heek. zii Gym- nostomus arhiza Heek. z=x Leuciscus pangusia Val. •:=i Leuciscus arhiza Val Bensraia. '/ ( w ? ) pangusia Blkr =3 Cyprinus pangusia Buch. var. =: Gobio pangusia McCl. (As. Res. XIX tab. 42 fig. 1 , 5.) Bengala, // ( '/ ? ) (?) isurus Blkr =; Gobio isurus McCl. ^ Leuciscus 112 isurus Val .' . . Assam. Labeo (Diplocheilos?) dero McCl. — Cirvhina dero Val. =: Isocephalus dero Heek Bengala. // ( //?) pausio Blkr =:3 Cyprinus pausio Buoh. =3 Cirrhinus pausio McCl. — Isocephalus pausio Heek. . . . Beugala. u ( '/ ? ) breviceps Blkr — Cirrhina breviceps Val. zs Isoce- phalus breviceps Heek Java. // (Labeo) niloticus Val. =3 Cyprinus niloticus Forsk. =j Labeo coubi Rüpp Nilus. '/(//) Forskalii Rüpp., an et Val? ^ Cyprinus niloticus var. b. Forsk ... Nilus. M { II ) vulgaris Heek. =; Cj'^prinus niloticus Géoffr. zs Chon- drostoma dembensis Val. (nee Rüpp.) Nilus. //(//) horie Heek Nilus. //(//) selti Val. z3 Labeo sellii Heek. . . . . . . Nilus-, '/?(//?) rufescens Heek. zi! Cyprinus rufescens Hass. . . Palaestina. //?(// ) rostratus Heek. -^ Cyprinus rostratus Tiles. . . India. II "^ ( 1/?) angra Blkr =: Cyprinus angra Buch. :=! Cyprinus' (Bangana) Hamiltonii Gr. s Gobio angra McCl. =3 Isocephalus Hamiltonii Heek. — Gobio ancra Val. ...;...";.....■.. Bengala. «'?( // ) curmuca Blkr=^ Cyprinus curmuca Buch. =3 Gobio curmuca McCl. z3 Isocephalus curmuca Heek. . . Hindostan. fi?(ii?) dyocheilos McCl. z5 Catostomus? dyocheilos McGl. Cyprin goréa Val. ::3 Tylognathus dyochylos Heek. Assam. V altivelis Pet. (nomen tantum mihi cognitum). . . . Africa (Mossamb ) II congoro Pet. ( // n 11 n )...//('/ ) n cylindricus Pet.( // uu u )...*'(//) Tylognathus diplostoraus Heek. zs Varicorhinus diplostomus Heek. "^ Tvloarnathus Valenciennesii Heek. ■:=, Labeo diplostomus Val. ; Cashmir. // P.'' sandkhol Heek. z:; Leuciscus sandkhol. Syk. . . Deccan. y P.f^ chitul Heek. zi Leuciscus chitul Syk Deccan. * Diplocheilichthys pleurotaenia Blkr=! Lobocheilos pleurotae- nia Blkr Sumatra- * Lobocheilos (Lobocheilos) faleifer V. Hass. =: Labeo falcifer V. Hass. =: Labeo falcifer Val. =: Tylognathus falcifer Heek Java, Sumatra. * " ( " ) lehat Blkr Java. 113 * Loboclieilos (Lobocheilos) Schwanefeldii Blkr. //?( //?) Hasseltii Blkr— Barbus Hasseltii Blkr. . . // (Gobionichthys) lipocheilos Blkr z3 Chondrostoma lipo- cheilos Val. ;=i Chondrostoma lipocheilos Val. =3 Tylognathus lipocheilos Heek. =: Gobio javani- cus Blkr =; Lobocheilos (Gobionichthys) javani- cus Blkr //(//) microcephalus Blkr =j Gobio microcephalus Blkr. //?( r/?) hispidus Blkr =; Labeo hispidus Val. . . . Rohita (Rohita) melanopleura Blkr. ........ borneënsis Blkr « . . Kuhli Blkr Hasseltii Val. :=i Rohita leiorhynchus Blkr ^ Ro- hita Artedii Blkr. . . ; microcephalus Val. . ; brachynotopterus Blkr Schlegelii Blkr Waandersi Blkr Kappsnii Blkr ' kahajanensis Blkr vittata Val. :=; Rohita erythrura Val. =3 Rohita erythrurus Blkr , triporos Blkr enneaporos Blkr oligolepis Blkr nandina Val. :=i Cyprinus nandina Buch. :=i Labio filamentosus Svvns. :=^ Cirrhinus nandina McCl niacronotus Blkr;::^ Cirrhinus macronotus McCl. Dussumieri A^'al Duvaucelii Val fiaibriata Val. =d Cj^prinus fimbriatus BI.? gonius Val. =i Cyprinus gonius Buch. =! Barbus gonius Cuv. =! Cirrhinus gonius ]\IcCl. . . . rostellatus Val :=: Rohita rostellata Heek. . . . chaguuio Val. =; Cyprinus chagunio Buch. == Rohita changurio Heek lineata Val Leschenaulti Val Java, Sumatra. Java. // ( " ) (/ ( " ) " ( " ) 1' . " ) II [ " ) II [ <' ) II { " ) II ( " ) II ( " )■ II ( " ) II ( " ) II ( " ) II ( " ) II ( " ) II ( " ) II ( " ) .'/ ( " ) Il ( " ) II ( " ) II { " ) II { « ) " ( II ) " ( '•' ) Java. Java. Java. Sumatra, Borneo, Siam. Borneo, Siam. Sumatra. Java, Sumatra, Borneo. Java. Sumatra. Sumatra, Borneo, Siam. Banka. Borneo. Borneo. Java, Sumatra, Borneo, Sumatra, Borneo. Sumatra. Banka. Bengala, Pegu. Bengala, Assam. Hindostan. Bengala ? Hindostan. Bengala. Pegu. Bengala. Pesru. Hindostan ? 15 114 Rohita (Rohita) cursis Val. :=; Cyprinus cursis Bucli. ^ Cy- prinus cursa Buch. ;=! Cyprinus curchius Buch. ^ Labeo cursis McCl. =: Labeo curchius McCl. :=; La- beo cursa Val. =^ Rohita kursis Heek Ben^ala. ( f/ ) tincoides Val ? I' ( " ) Rouxii Val Hindostan. V (Rohitodes) cephalus Elkr =J Labeo cephalus Val. . . . Pegu. //(//) Valenciennesi Blkr=^ Labeo Dussumieri Val. . . Benorala. '/('/) Reynaudi BIkr =: Labeo Reynauldi Val. . . . Pegu. if ( f/ ) microlepidota Blkr :=: Labeo microlepidotus Val. . Pegu. II { tl ) bengalensis Blkr =: Labeo fimbriatus Val. . . . Beiigala. * Morulius rohita Blkr s Cyprinus rohita Buch. ■;::^ Barbus rohita Cuv. ::::: Rohita Buchanani Val. -^ Rohita rohita Heek. :=i Cirrhinus rohita McCl. . . . . Bengala. * // chalybeatus Blkr ;=! Rohita chalybeata Val. . . : Bengala , Pegu. * H Belangeri Blkr :=: Rohita Belangeri Val. =; Cir- rhina micropogon Val Bengala. * // calbosu Blkr ^ Cyprinus calbosu Buch. ;=; Bar- bus calbasu Cuv. ;=: Rohita calbasu Val. =3 Rohita kalbosu Val Bengala. «r velatus Blkr zi Labeo velatus Val. (Règn. an. ed. 3a Poiss. tab. 93 fig. 3) . India? // Reynaudi Blkr :=^ Rohita Reynauldi Val. =: Rohita Revnoldi Heek Pes'u. v morula Blkr :=; Cyprinus morula Buch. :=: Barbus morula Cuv. ;=! Cirrhinus morula McCl. ;:: Rohita moralius Val =3 Cyprinus morala Gr. Bengala. I' pausius Blkr =^ Cyprinus pausius Buch Bengala. // joalius Blkr ;=; Cyprinus joalius Buch. zn Cirrhi- nus joalius McCl. =; Rohita jaolius Val Eengala. // ? musiha Blkr — Cyprinus musiha Buch. :=; Rohita muscha Heek Bengala. * u chrysophekadion Blkr ::5 Chrysophekadion polyporos Blkr :=! Rohita chrysophekadion Blkr =: Rohita polyporos Blkr ;=; Rohita koilogeneion Elkr s Ro- hita cyanomclas Elkr Java, Suinatra, Siam. Rohitichthvs senegalensis Blkr ;=! Labeo senegalensis Val. . Senegal. * Dangila leptocheilos Val. =: Labeobarbus leptocheilus K- v. H. K Dangila leptocheila Vul, ;=J Dangila Cuvieri Val. =: * 115 Cvrene Cuvieri Heek. ....:...:.. Java, Suraatra , Borneo, Dangila cyanopareja Blkr =i Cyrene cyanopareja Heek. . . Philipp. * // fasciata Blkr Sumatra, Borneo. * u Kuhlii Val. =:; Cyrene Kuhlü Heek Java. * u festiva Blkr::^ Cyrene festiva Heek Borneo. // ocellata Blkr ^ Cyrene ocellata Heek. =; Dangila mi- crolepis Blkr . Sumatra, Borneo. * » spilurus Blkr. Borneo. * Il sumatrana Blkr Sumatra. // lipoclieüa Val. ;=: Cyrene lipocheilos Heek Java. // Lescbenaultii Val.=; Cyrene Leschenaultii Heek. . . Hindostan. // philippinia Blkr =: Cyrene philippinia Heek. . . . Philipp. Abrostomus capensis Smith. . Prom. Bon. Spei. // umbratus Smith Prom. Bon. Spei. * Barbichthys laevis Blkr ::^ Barbas nudicephalus V. Hass. ;=j . . Barbus laevis Val. ::3 Barbus gobioides Blkr =: Bar- ' bus taeniopterus Blkr. , . Java, Sumatra, Borneo. * Morara morar Blkr :=; Cyprinus morar Buch. ;=! Pachysto- mus morar Heek. ::^ Labeo morar Val. ö Leuciscus morar Blkr Bengala. // ? margarodes Blkr =; , Cyprinus jaya Buch. ? =ï Leu- ciscus margarodes McCL :=! Pachystomus margarodes Heek , . Bengala. Semiplotus MacClellandi Blkr -^ Cyprinus semiplotus McCl. Beugala. Opistocheilos plagiostomus Blkr ;::3 Schizothorax plagiostomus Heek. :=! Schizopyge plagiostomus Heek. ;=i Oreinus plagiostomus McCl Afghanistan, Cashmir. u sin uatus Blkr =3 Schizothorax sinuatus Heek. — Schizopyge sinuatus Heek . Cashmir. M ? nobilis Blkr =i Racoma nobilis McCl. • . . Afghanistan. '/ ?.' proprius Blkr— Schizothorax proprius McCl.- . Afghanistan Cochlognathus ornatus Baird Gir Amer. Sept. (Texas). Pimephales promelas Haf. Ag. Amer. Sept. (Ohio, Missuvi).) // fasciatus Gir. Amer. Sept (Yellowstoue fl.) // maculosus Gir Amer. Sept. (Arkansas). Pseudogobio esocinus Blkr n:: Gobio esocinus T. Schl . . . Japonia, Mylocheilus cauriaus Gr. =:; Cyprinus (Leuciscus) caurinus. Richds Amer. Sept. (Ast., Columbfl.) // lateralis Ag. Piek .....■- . Am. S. (Colb. fl Or. Puget. S.) 116 Mylocheilus fraterculus Gr. ;::::;;;..;. Amer. Sept. (California). Mylopharodon conocephalus Gr. =j Gila conocephala B. Gia. . Amer. Sept. (California). // robustus Ayr Amer. Sept. (California). Exoglossum maxillingua Ag. =3 Cyprinus maxillingua Les. =: Exoglossum Lesurianum Raf., Val. :=i Exoglossum Le- sueurianum Heek. =1 Catostomus maxillingua De Kay. Amer. Sept (Prov. unit. occ). u mirabile Gir Amer. Sept. (Arkansas). Campostoma formulosum Gir Amer. Sept. (Texas). // anomalum Ag. =3 Rutilus anomalus Raf =! Ru- tilus melanurus Raf. — ? Chondrostoma puUum Ag. ^ Exoglossum dubium Kirtl. ;=i Leuciscus pro- lixus Stor. =3 Exoglossum spinicephalum Val. :=! Chondrostoma prolixum Ag. ^ Campostoma dubium Ag. Amer.Sept.(Teness.,Ohio,Jow.etc.) // nasutum Gr Amer. Sept. (Californ.). // ornatum Gr Amer. Sept. (Chihuahua fl). Siboma crassicauda Gr- — Lavinia crassicauda B. Gir- (gen. an huj. loc?) . Amer. Sept (Californ.). // atraria Gir • . . . Amer. Sept Lavinia alutacea Gir. =3 Acrooheilus alutaceus Ag. Piek. . . Amer. Sept. (Columb. fl. etc.) // exilicauda B Gir. =! Lavinia compressa Ayr. . . . Amer. Sept (Californ.). // gibbosa Ayr Amer. Sept (Californ.). // harengus Gir Amer. Sept (Californ.). Dionda episcopa Gr- Amer. Sept (Rio Pecos). . // serena Gir • . . . . Amer. Sept (Texas)- // texensis Gir Amer. Sept (Texas). // papalis Gir. . Amer. Sept (Rio Pecos). ir argentosa Gir. . : Amer. Sept. (Rio Gr. del Nt.). // chrysitis Gir Amer. Sept. (Rio Pecos). // melanops Gir. Amer. Sept (Coahiula). // Couchi Gir. . ; Amer. Sept (Rio San Juan). // plumbea Gir Amer. Sept (Canadian fl.). iv spadicea Gir ; . . . Amer. Sept (Arkansas). Algoma amara Gir. . Amer. Sept (Rio Gr. del. Nt.). // fluviatilis Gir Amer. Sept (California). Hyborhynclms notatus Ag- =ï Minnilus notatus Raf :=i Pimephales clongatus Baird Amer. Sept (Prv. unit or. md.) // confertus Gir Amer. Sept (Rio Pecos) // puniceus Gir. . • Amer. Sept (Canadian fl.). 117 Hyborhynchus perspicuus Gir- .;..:.;;.. Amer Sept. (Arkansas). // tenellus Gir Amer Sept. (Choctaw Agency). Ilybognathus nitidus Gir. =^ Leuciscus nitidus De Kay. . Amer Sept. (Lac-Charaplain). argyritis Gir ; ^ Amer Sept. (Milkriver). Evansi Gir. Amer Sept. (Nebraska), nuclialis Ag Amer Sept. (Illinois, J. Miss.) placitus Gir : . Amer Sept. (Arkansas). regius Gir Amer Sept. (Potomak fl). M ? chrysopterus Elkr =3 Leuciscus chrysopterus . . De Kay . Amer Sept. (N. York). Orthodon microlepidotus Girzs Gila microlepidota Ayr . Amer Sept. (Californ). Cliola velox Gir Amer. Sept. (Texas.) // vigilax Gir. =! Leuciscus vigilax B. Gir. =: Cera- tichthys vigilax B. Gir Amer. Sept. (Arkansas). II vivax Gir Amer Sept (Texas). Algansea tincella Gir. =3 Leuciscus tincella Val. . . . Amer Sept. (Californ.). // bicolor Gir Amer Sept. (Lac. Klamath). u formosa Gir. AmerSept (iMercede,i\Iohv.li.) // obesa Gir Amer Sept. (Humboldt 11.) Epalzeorhyncitos Blkr, Nalez. Vischfaun. van Sumatra, Nat. Tijd- schr. Ned. Ind. IX (1855) p. 270. Snüithoornkakper, Corpus elongatum subfusiformi-compressum, squamis magnis yesti- tum. Maxillae nudae. Cirri 4, rostrales et supramaxillares. Rostrum carnosum , integvum , longe ante os prominens , cute descendente an- te labium superius pendula inferne crenulata, antice utroque latere processu conico cartilagineo. Labium superius ante maxillam superi- orem pendulum, nee papillatum nee crenulatum. Rictus parallelo- fframmieus aciebus maxillarura antice truncatis. Maxilla inferior svm- physi postice tubereulo munita. Labium inferius latum carnosum re- flexum integvum , cum labio superiore unitum. Sulcus postlabialis utroque latere unicus marginem oris versus directus, labii marginem liberum non attingens , cute menti lata (isthmo) a sulco postlabiali la- 118 teris oppositi separatus. Pinna dorsalis ante pinnas ventrales ineipiens et longe ante pinnam analem desinens, radio simplice postico toto eartilagineo. Pinnae pectorales subhorizontaliter insertae. Dentes pharjngeales masticatorii aggregati 2.4.5/5.4.2. facie masticatoria obli- que truncati. Aanm. Het geslacht Epalzeorhynchos is onder alle Cyprinoïdeii gemakkelijk her- kenbaar aan het kegelvormige kraakbeenige bewegelijke uitsteeksel, hetwelk zich aan beide zijden voor aan den snuit bevindt. Dit uitsteeksel ligt in eene groef onder het voorste gedeelte van het voorste onderoogkuilsbeen en laat zich bijkans in een' regten hoek horizontaal van den snuit af bewegen, als wanneer de snuit een ge- hoornd voorkomen bekomt. Het geslacht is overigens verwant aan de geslachten Crossocheilos Blkr, Disco- gnathus Heek. en Discognathichthys Blkr, in algemeenen ligchaamsbouw , dunne kaken, parallelograravormige geheel onderstaande bekspleet, enz., doch het is van die alle nog, afgescheiden van de snuituitsteeksels, gemakkelijk te onderkennen, — van Discognathus en Discognathichthys door de afwezigheid der kinzuigplaat^ en van Crossocheilos door de enkelvoudige achterlipsgroeve en het vereenigd zijn van de bovenlip met de onderlip. Ik beschreef het geslacht Epalzeorhynchos voor het eerst in het jaar 1855, doch ik heb hierboven zijne karakters naauwkeuriger vastgesteld. De nadere studie der monddeelen heeft mij sedert nog geleerd , dat ook hierin zeer stellige kenmerken ge- legen zijn, welke het geslacht van Crossocheilos doen verschillen, kenmerken van hoogere waarde dan die, gelegen in de voeldraden. Tot Epalzeorhynchos is tot dus verre slechts te brengen eene enkele soort, welker ontdekking dagteekent van 1S50. Epalzeorhynchos hallopterus Blkr, Index descript. specier. pise., Nat. T. Ncd. Ind. XIV p. 477. — Fraaivinnige Snuithoornkarper . Atl. Cypr. Tab. IV fig. 5. Epalzeorh. corpore elongato corapresso, altitudine ö'/a ad GV2 in ejus longitndine, latitudine IV2 ad iVsin ejus altitudine; capite acuto convexo 5 et paulo ad 6'/i fwe in longitudine corpoiis cum,4et paulo ad 5 in longitudine corporis absque pinna caudali, altitudine 1^/5 ad l^A , latitudine I75 ad iVö in cjus longitudine; oculls superis, diametro 3 ad S^/a fere in longitudine capltls, diametro 1 circiter in capitis parte postoculari, diametro 1'A ad l'/-2 distantlbus, mombrana palpebrali iridis mag- nam partem tegecte, apertura subcircalari; linea rostro-Uorsali ubique conyexa; linea interoculari 119 convexa; naribus orbitae magls quam rostri apici approximatis, posterioribus patulis valvula clauden- dis, anterioribus margine vix elevato subtubulatis; rostro carnoso, jiivenilibus oculo non vel vix, aetate provectis oculo niulto longïore, convexo, conico, longe ante os prominente, poris numerosis parum conspicuis obsito, apicem versus utroque latere processu conico crasso rigido oculo duplo vel plus duplo breviore apice postrorsura spectante munito, parte ejus inferiore trigono plano, postrorsum declivi, antice poroso, velo praemaxillari labium superius oocul tante, margine libero parum curvato papillis quadratiusculis uniseriatis leviter crenulatis, confcrtis, aetate provectioribus valde conspicuis obsito; osse suborbitali anteriore irregulariter trigono, paulo vel non longiore quam alto, apice rotundato antrorsum spectante, margine posteriore basali subverticali emarginato vel angulato; osse suborbitali 2° oblongo-tetrarnno , duplo vel minus duplo longiore quam alto, antice quam postice altiore, oculi diametro triplo circiter humiliore'; osse suborbitali 3° osse suborbitali 4° multo latiore, oculi diametro triplo vel plus triplo graciliore ; cirris carnosls longitudine subaequalibus oculo paulo brevioribus ad vix longioribus , rostralibus supramaxillaribus crassioribus apicem rostri versus sub basi processus rostralis lateralis insertis ; rictu infero , ore aperto parallologrammico , ore clauso fissurara transversam parum antrorsum curvatam capitis latitudine valde multo breviorem efficiënte; labio su- periore gracili ante maxillam superiorera pendulo, margine nee crenulatonec paplllato; maxilla su- periore acie cartilaginea parum curvata, deorsum mediocriter protractili ; maxilla inferiore sympliysi postice tuberculo conico parum conspicuo, ante symphysin late cartilaginea acie truncata vel leviter curvata; labio inferiore reflexo, integro, cum labio superiore unito, sulco inferne utroque latere unico superficiali, marginem oris versus directo, oculo non vel vix breviore, marginem labii liberum non attingente et isthmo valde lato a sulco lateris oppositi separato; operculo latitudine l'/a circiter in ejus altitudine, oculi diametro paulo graciliore, margine inferiore rectiusculo vel convexiusculo; apertura brancliiali sub praeoperculi margine posteriore desinente,- dentibus pharyngealibus mastica- toriis aggregatis 2. 4. 5/5. 4. 2. fticie masticatoria oblique truncata marginibus elevata non lobata, dentibus serie anteriore antice non sulcatis ; osse scapulari trigono acute rotundato ; linea dorsali convexa linea ventrali convexiuscula multo altiore; ventre ante pinnas ventrales plano, post pinnas vcntra- les planiusculo non carinato; squamis verticalibus , lateribus antice quam cetero corpore paulo ma- joribus, dimidio libero et vulgo etiam dimidio basali longltudinaliter vel subradiatim strialis, 35 vel 3G in linea laterali, 15 in serie transversali (ventralibus infimis inclusis) quarum S'/i (6) supra lineam lateralem, 11 p. ra. in serie longitudinali occiput inter et pinnam dorsalem, ventralibus in- fimis longitudinaliter quinque-seriatis, postrorsum magr.ifudine sensim accrescentibus, serie media iis seriebus lateralibus vix majoribus; linea laterali rectiuscula, antice tantum declivi, basi ventralium vix vel non magis quam lineae dorsali approximata, singulis squamis tubulo simplice mediam squa- mam non vel vix attingente notata,- pinna dorsali sat longe ante pinnas ventrales incipiente et longa ante pinnam analem desinente, basi alepidota, acuta, emarginata, corpore non ad paulo altiore et sat multo altiore quam basi longa; pinnis pectoralibus et ventralibus longitudine subaequalibus, acutis vel acutiusculis, 5^/4 ad 6^/4 in longitudine corporis, pectoralibus ventrales non, ventralibus analem non attingentibus; anali basi vagina squaraosa liumilliraa inclasa, acuta, emarginata, dorsali non multo humiliore sed duplo circiter breviore, duplo vel plus duplo altiore quam basi longa, radio simplice tertio gracili cartilagineo ; pinna caudali basi squamosa, profunde incisa lobis acuti.s snperiore inferiore vulgo paulo longiore 4V3ad 4^/5 in longitudine corporis; corpore superne fasci is 3 longitudina- libus contiguis notato, superiore rostro-caudali fusco-vlolacca caput dorpumqne ?uporne amplectente ca- piteinterdum deficiënte, media aureo-rubra gracili supraocnlo-caiidali basin caudalis supcriorem attin- gente, inferiore rostro-caudali latiore fuscc-violacea capite interdum deficiLnte fcre tota supra lineam lateralem decurrente mediam basin caudalis intrante et margine caudalis posteriore desirente ic.'enie vitta 120 gracili aurantmca limbata; lateribus infra lineam lateralem roseis; ventre roseo dilutlore rel marga- ritaceo; caplte speciminibus fasclis capite deficientibus superne violascente-olivaceo , lateribus et in- ferne roseo vel argenteo ; iride flava vel rosea; pinnis pulclire roseis velrubris, dorsali et anali fascia latissima obliqna nigricante-violacea, dorsali frequenter insuper et basi nigricante-violacea; ventralibu3 macula maxima totam pinnam fere tegente', frequenter diffusa, nigricante-violacea. B. 3. D. 4/8 vel 4,9. P. 1/14 vel 1/15. V. 2/8. A. 3/5 vel 3 6. C. 8/17/8 vel 7/17/7 lat. brev. incl. Syn. Barbus halopterus Blkr, Bijdr. kenn. iclith. faun. Borneo., Nat. T. Ned. Ind. I p. 13. Epaheorhynclios JMl(ypterus Blkr, Nalez. vischfaun. Sumatra, Nat. ï. Ned. Ind. IX p. 270. Hab. Sumatra (Palembang, Lahat), in fluviis. Borneo (Bandjermasin, Kahajan, Pontianak), in fluviis. Longitudo 13 speciminum 63'" ad 160'". Aanm. Het eerste voorwerp dezer soort, hetwelk in mijn bezit kwam, ontving ik van Bandjermasin , in zuidoostelijk Borneo. Sedert ontving ik meerdere grootere en betere bewaarde voorwerpen van dezelfde plaats, alsmede vanKabajan, insge- lijks in zuidoostelijk Borneo en van Pontianak, in westelijk Borneo, uit de rivier Kapoeas. Ook oostelijk Sumatra leverde mij eenige exemplaren, gevangen in het gebied van den Moessi, bij Lahat en Palembang. Ik vermoed, dat de soort niet veel grooter wordt dan mijne grootste voorwerpen. • DiscoGNATHUS Heck., Fisch. Syriens p. 37,182. — Kinschijfkarper. Corpus subelongatuni compressum, squamis magnis vestitum. Maxil- lae nudae. Cirri 4, rostrales et supramaxillares. Rostrum carnosum sulco transverso bipartitum, ante os prominens, eute deseendente ante maxillam superiorera pendula inferne crenulata. Maxilla superior car- nea. Maxilla inferior plica menti disciformi medio callosa. Pinna dorsalis ante pinnas ventrales incipiens et longe ante pinnam analem desinens , radio simplice postico toto cartilagineo. Pinnae pectorales subhorizon- taliter insertae. Dentes pharyngeales masticatorii aggregati 2. 4. S/5.4. 2. Aanm. Ik vat het geslacht Discognathus eenigzins anders op dan Heckel en breng daartoe slechts de soorten met dwars gegroefden snuit ^ getepelden vrijen snuithuidrand en vier voeldraden. Zoodanig beperkt, omvat het geslacht slechts vier der door Heckel beschrevene soorten t. w. zijne Discognathus rufus, Discognathus obtusus, Discognathus crenulatus en Discognathus fusiformis. — De overige 10 soorten, door Heckel tot Discognathus gebragt, hoewel grootendeels onder het geleide van een vraagtecken, zijn slechts gedeeltelijk onder hetzelve te rangschikken, doch zij 121 zijn meest alle nog te weinig bekend om zulks met zekerheid te bepalen. Go- norhynchus bimaculatus McCl. en Gonorhynchus caudatus McCl. schijnen bepaal- delijk er toe te behooren, alhoewel de laatste gezegd wordt geene cirri te bezitten, wat evenwel nog bevestiging verdient. Vijf andere soorten , hieronder nader aan- geduid, behooren tot een afzonderlijk geslacht, hetwelk ik, wegens zijne groote verwantschap met Discognathus , Discognathichthys heb genoemd. De overige soorten, door Heckel onder lijn geslacht Discognathus gerangschikt, zijn Cyprinus cotyla Gr., Gobio quadrimaculatus Rüpp. , Gobio hirticeps Rüpp. en Platycara nasuta McCl. Wat betreft Cyprinus cotyla, deze is eene Schismatorhynchos, welk geslacht wel den dwars gespleten snuit met Discognathus gemeen heeft, doch in de vorming der mond- en kindeelen hoogelijk van Discognathus verschilt. Moeijelijk is het, aan te wijzen tot welk geslacht de beide Gobio-soorten van den heer Rüppell behooren. Van eene zuigschijf aan de kin is in hare beschrijving geen sprake en de snuit is er niet dwars gespleten. Gobio hirticeps zou zelfs wegens hare getepelde lippen tot Rohita te brengen zijn, doch overigens laten be- schrijving en afbeelding niets naders opmaken betreffende de bewerktuiging der mond- deelen. Ik beschouw beide soorten voorloopig als te behooren tot het geslacht Crosso- cheilos, aan hetwelk zij ook in habitus het meest beantwoorden. Platycara nasuta eindelijk behoort tot een eigen geslacht, gemakkelijk herken- baar aan zijnen overlangs in tweeën verdeelden snuit. Crossocheilos Van Hass., Algemeene Konst- en Letterbode 1823 II p. 132; Blkr, Nieuw. Tientall. beschi-ijv. visclis. v. Suraatra, Nat. Tijdschr. Ned. Ind. V (1853) p. 525. Djedjet. Corpus elongatum subfusiformi-compressum , squamis magnis vesti- tum. Maxillae nudae. Cirri 4 vel 2, rostrales et supramaxillares , vel rostrales tantum. Rostrum carnosum, longe ante os prominens, lateri- bus non lobatum, cute descendente ante labium superius pendula inferne crenulata. Labium superius ante maxillam superiorem pendu- lum nee crenulatum nee papillatum. Rietus parallelogrammicus , acie- bus maxillarum antice truncatis. Maxilla inferior symphysi postice tuberculo munita. Labium inferius latum carnosum reflexum , non cum labio superiore unitum. Sulci postlabiales utroque latere 2 marginem oris versus direeti, frenulo carneo intermedio gracili antice labio la- terali accessorio gracili cum labio superiore unito , sulci interni isthmo 16 122 latissimo separati, in incisuram labium inter et maxillam transientes. Pinna dorsalis ante pinnas ventrales incipiens et longe ante analem desinens, radio simplice postico toto cartilagineo. Pinnae pectorales subhorizontaliter insertae. Dentes pbaryngeales masticatorii aggregati 2.4.5/5.4.2 facie masticatoria oblique truncati. Subg. G'ossocheilichthys Blkr. Cirri 4, rostrales et supramaxillares. f' Crosscheilos Blkr. Cirri 2 , rostrales tantum. Aanm. Van Hasselt stelde liet eerst dit geslacht voor, doch zijne omschrijving er van is zeer onbepaald, zoodat men die op zeer verschillende genera met onderstaande parallelogramvormige mondopening zou kunnen toepassen. Met zekerheid echter kan bepaald worden , dat hij het opstelde naar eene javasche soort , welke hij Crossochei- lus oblongus noemde en welke sedert onder dien naam en onder den naam van La- beo oblongus, door den heer Valenciennes aan haar gegeven, nader is bekend ge- worden. Van Hasselt had overigens ook geen juist denkbeeld van de verwantschap van het geslacht, vermits hij het verwant noemde aan Leuciscus. De heer Valenciennes heeft het geslacht van Van Hasselt niet aangenomen en de Van Hasseltsche soort in het geslacht Labeo ingelijfd. Zooals echter het geslacht Labeo door den heer Valenciennes is omschreven, omvat het eene groep van zeer verschillende soorten , welke zeer zeker tot verschillende natuurlijke geslachten behooren. Heckel beschreef in 1838 eene nieuwe soort van het geslacht in zijne Fische aus Caschniir, onder den naam van Barbus diplochilus, een naam, dien hij later in Tylognathus diplochilus en ïylognathus barbatulus veranderde. Die soort be- hoort blijkbaar tot Crossocheilos, en wel tot de soorten er van met snuitdraden en bovenkaaksdraden, welke laatste bij Crossocheilos oblongus ontbreken. De geslachtsnaam Tylognathus is van 1842 en dus lang na dien van Van Has- selt voorgesteld, doch hij kan behouden blijven voor de soort, welke door Heckel eerst Varicorhinus diplostomus en later Tylognathus Valenciennesü is genoemd en tot een van Crossocheilos wezenlijk verschillend geslacht behoort. Sedert zijn van Crossocheilos nog andere soorten met 4 voeldraden bekend ge- worden. Heckel beschreef er een uit Syrië onder den naam van Tylognathus na- nus en zelf ontdekte ik er nog twee andere, de eene van Java en Sumatra, welke ik vroeger onder den naam van Lobocheilos cobitis heb beschreven , en de andere van Suinatra, welker beschrijving hier voor het eerst wordt openbaar gemaakt. Het geslacht Crossocheilos is zeer na verwant aan Epalzeorhynchos. Het mist echter de kegelvormige snuituitsteeksels en voorts is er de onderlijtkwab (of kin- kwab) geheel vrij en niet niet de bovenlip vereenigd zooals bij Epalzeorhynchos. Aan elke zijde ziet men achter de onderkaak parallele groeven , welke door een 123 vleezig toompje van elkander zijn gescheiden, welk toompje zich niet met de on- derlip maar met de bovenlip vereenigt. De soorten van Crossocheilos breng ik tot twee ondergeslachten, welke ik Cros- socheilos een Crossocheilichthys noem. Tot het eerste dier ondergeslachten zijn te rekenen de soorten, welke slechts snuit- en geene bovenkaaksdraden bezitten, terwijl bij die van het laatste zoowel bovenkaaks- als snuitdraden aanwezig zijn. Boven- dien heeft mijne soort van Crossocheilos de bovenlip met eene rei kleine tepeltjes bezet, terwijl de bovenlip bij mijne soorten van Crossocheilicthys geheel gaafrandig is. Van het subgen us Crossocheilos is met zekerheid nog geene andere dan de Ja- vasche soort bekend geworden, doch ik beschouw als daartoe te behooren Cyprinus latius Buch. en Cyprinus gohama Buch. van Bengalen , terwijl ook Gonorhynchus gobioides McCl. misschien nog tot hetzelfde subgenus of een subgeuus zonder voel- draden van» hetzelfde geslacht te brengen is. Van het subgenus Crossocheilichthys daarentegen kent men thans de bovengenoemde 4 soorten , terwijl misschien daartoe tevens nog te rekenen zijn Tylognathus por- cellus Heek. van //India", welke soort mij slechts bij naam bekend is, en Gobio quadrimaculatus Rüpp. en Gobio hirticeps Rüpp. De soorten mijner verzameling laten zich naar volgend schema herkennen. A Cirri rostrales tantum. Labium superius crenulatum. Crossocheilos (Crossocheilos) oblongus V. Hass. B Cirri rostrales et supramaxillares. Labium superius non crenulatum. f Oculi diametro 3 ad 3^ in longitudiue capitis. Squamae 33 ad 35 in serie longi- tudinali. ^ Caput altitudine 1^ ad If in ejus longitudine. Cirri rostrales oculi diametro multo breviores. Fascia cephalo-caudalis lata argentea vittula gracili coeru- lescente percursa. Crossocheilos (Crossocheilichthys) cobitis Blkr. ^' Caput altitudine \\ in ejus longitudine. Cirri rostrales oculi diametro paulo breviores. Fascia operculo-caudalis lata fusca. Crossocheilos [Crossocheilichthys) Lancjei Blkr. 124 Crossocheilos (Crossocheilos) ohlongus V. Hass., Algemeene Konst- en Letterbode 1823 II p. 132;Blkr, Nieuwe Tientall. diagn. besclir. vischs. V. Sumatra, Nat. T. Ned. Ind. V p. 525. Langioerpige Djedjet. Atl. Cypr. Tab. IV %. 3. Crossocheil. (Crosscheil.) corpora elongato corapresso, altitudine 7 fere ad .5V2 in ejus longitndine, latitudine l'/i ad iVain ejus altitudine; capito acuto convexo, 6 ad 7 et paulo in longitudine corpo- ris cum, 4^/4 ad ö^/s circiter in longitudine corporis absque pinna caudali, altitudine et latitudine IV2 ad 1^/5 in ejus longitudine; oculis superis, diametro 3 ad 4 in longitudine capitis, diametro 1 ad 1^/5 in capitis parte postoculari, diametro l'/sad 2 distantlbus, membrana palpebrali iridis magnam partem tegente, apertura suboirculari; linea rostro-dorsali ubique convexa; linea interoculari con- vexa; naribus orbitae magis quam rostri apici approximatis, posterioribus patulis yalvula elau- dendis, anterioribus subtubulatis; rostro carnoso, junioribus oculo non vel vix, aetate provectis oculo multo longiore, convexo, conico, longe ante os prominente, poris numerosis par^im conspicuis obsito, lateribus non lobato, parte ejus inferiore trigono plano subhorizontali, poroso, velo praeraa- xillari labiura superius occultante margine libero parum curvato papillis quadratis confertis uni- seriatis, aetate provectioribus valde conspicuis, obsito; osse suborbitali anteriore trigono, longio- re quam alto, apice rotundato antrorsum spectante, margine posteriore basali subverticali emar- ginato vel angulato; osse suborbitali 2° oblongo-tetragono , duplo ad multo minus duplo longiore quam alto, oculi diametro plus duplo ad minus duplo humiliore; osse suborbitali 3° osse subor- bitali 4^ multoties latiore, oculi diametro plus duplo ad minus duplo graciliorej cirris carnosis apicem rostri versus sub apice ossis suborbitalis anterioris insertis oculo brevioribus; rictu infero ore aperto parallelograramico , ore clauso fissuram transversam parum antrorsum curvatam capitis latitudine valde multo breviorem efficiënte; labio superiore gracili ante maxillam superiorem pendulo, margine papillis conicis acutiusculis brevibus uniseriatis leviter crenulato; maxilla superiore acie cartila^inea parum curvata, deorsum mediocriter protractili, maxilla inferiore symphysi postico tuberculo conico subharaata, ante symphysin late cartilaginea acie truncata vel leviter curvata; labio inferiore reflexo integro, non cum labio superiore unito, sulcis utroque latei'e infralabialibus longitudinalibus 2 marginem oris versus directis, frenulo carneo gracili oculi diametro breviore separatis frenulo an- tice cum labio superiore continuo, sulco externo sulco interno vix latiore et vix profundiore; oper- culo latitudine iVaad l'/s in ejus altitudine, oculi diametro paulo graciliore ad paulo latiore, margine inferiore rectiusculo ad convexiusculo ; apertura branchiali sub praeoperculi margine posteriore desi- nente; dentibus pharyngealibus masticatorlis aggregatis 2.4.5./5.4 2, apicem versus compressiusculis, facie masticatoria valde oblique truncatis marginibus elevatis apice plus minusve lobatis, iis serie anteriore antice dimidio apicali sulco lato longitudinali percursis; osse scapulari trigono acute rotun- dato; linea dorsali convexa linea ventrali couvexiuscnla vel rectiuscula multo altiore; ventre ante pinnas ventrales plano, post pinnas ventrales obtusissimo carinato; squamis verticalibus, lateribus antice quam cetero corpore paulo majoribus, dimidio libero et vulgo etiara dimidio basali longitudinaliter vel subradiatira striatis, 33 vel 34 in linea laterali, 12 in serie transversali (ventralibus inflmis in- clusis) quarum i^/i{ó) supra lineam lateralem , 8 vol 9 in serie longitudinali occiput inter et pinnam dorsalem, ventralibus infimis longitudinaliter tri- ad quinque-seriatis, postrorsum magnitudine sensim accrescentibus, serie media iis seriebus lateralibus majoribus; linea laterali rectiuscula, antice tantum declivi, basi ventraliura sat multo magis quam lineae dorsali approximata, singulis squamis tubulo giraplice mediam squaraam attingente vel non attingente notata; pinna dorsali sat longe ante pinnas 125 Tentrales incipiente etlonge ante pinnam analem desinente basi alepidota, acuta, emarginata, corpore paulo ad vix altiore et sat multo altiore quam basi longa ; pinnis pectoralibus acutis vel acutiusculis ventralibus paulo longioribus 5 et paulo ad G'/iiu longitudinecorporis, ventrales non attingentibus ; ventralibus acutis vel acutiusculis analem non attingentibus; anali basi vagina squamosa humillima inclusa, acuta, emarginata, dorsali non multo humiliore sed duplo fere breviore, duplo circiter altiore quam basi longa, radio simplice tertio gracili cartilagineo ; caudali basi squamosa, profunde emar- ginata, lobis acutis subaequalibus superiore vulgo inferiore paulo longiore 4 ad i^/sm longitudine corporis; colore corpore superne olivaceo vel coerulescente-viridi, inferne argenteo vel margaritaceo ; iride flavescente vel rosea ; fascia lata cephalo-caudali violaceo-fusca plus minusve conspicua ; pinnis roseo-hyalinis. B. 3. D. 4/8 vel 4/9. P. 1/14 vel 1/15. V. 2/8. A. 3/5 vel 3/6. C. 6/17/6 vel 7/17/7 lat. brev. incl. Syn. Labeo oblongus Val., Poiss. XVI p. 273. Labéon oblong Val., ibid. Lukas Mal. Bat, Djedjet Sundan. Hab. Java (Batavia, Buitenzorg, Tjampea, Lebak, Tjiandjur,Parongkalong, Surabaja, Ngantang), in fluviis. Sumatra (Palembang, Lahat-Enim, Padang), in fluviis. Longitudo 19 speciminum 62"' ad 160". Aanm. De Djedjet is op Java niet zeldzaam in de hoogere gedeelten der stroom- gebieden, doch wordt te Batavia zelden gevangen en dan altijd nog in jeugdige voorwerpen, tijdens hooge rivierstanden , als wanneer de kleinere vischjes, door den sterkeren stroom, soms uit hunne woonplaatsen in de hoogere gedeelten der rivie- ren worden weggevoerd. Crossocheüos (Crossocheilichthys) cobitis Blkr. Meei^slangachtige Djedjet, Atl. Cypr. Tab. IV fig. 2. Crossoch. (Crossoclieilichth.) corpore elongato compresso, altitudine 5 ad 6 in ejus longitudine, la- titudine l'^/3 ad IV2 in ejus altitudine; capiteacuto, convexo, öVa ad 5^/4 circiter in longitudine corporis cum, 4V4 circiter in longitudine corporis absquo pinna caudali, altitudine 1V3 ad 1%, latitudine I3/4 ad 1^/5 in ejus longitudine; ocuHs superis, diametro 3 ad 3 et paulo in longitudine capitis, diametro 1 circiter in capitis parte postoculari, diametro l'/iad IV3 distantibus, membrana palpebrali iridis raagnam partem tcgente apertura subcirculari ; linea rostro-dorsali ubique convexa; linea in teroculari convexa; naribus orbltae magis quam rostri apici approximatis, posterioribus patulis valvula clauden- dis, anterioribus margine elevato subtubulatis ; rostro carnoso, juvenilibus oculo non longiore, aetate provectiorlbus oculo paulo longiore , convexo, conico, longe ante os prominente, poris numerosis parum conspicuis obsito , lateribus non lobato, parte ejus inferiore trigono plano subhor izontali , poroso, velo praemaxillari labium superius occultante margine libero parum curvato papillis conieis brevibus confertis nniseriatis valde conspicuis obsito; osse suborbitali anteriore irregulariter trigono , longiore quam alto, apice rotundato antrorsum spectante, margine posteriore basali subvertlcali eraargiuato vel angulato; osse suborbitali 2° elongato-tetragono , plus duplo longiore quam alto, antice quam postice multo altiore, oculi diametro triplo ad quadruplo humiliore i osse suborbitali 3° osse sub- orbitali 4°latiore, oculi diametro multoties humiliore; cirris rostralibus cirris supramaxillaribus Ion- 126 gioribus et crassioribus , oculi diametro multo brévioribuS; rietu infero , ore apei-to parallelogrammico, ore clauso fissuram transversam parum aiitiorsum curvatam capitb lutitudiiie multo bieviorem efficiën- te; labio superioregracili, ante maxillam superiorem pendulo margine integro, nee papillato nee crenu- lato; maxilla superiore acie cartilaginea parura curvata, mediocriter deoraura protractili; maxilla inferiore syraphysi postice tuberculo conieo brevi, ante symphysin late cartilaginea acie truncata vel leviter curvata; labio inferiore lato,reflexo, carnoso, subvilloso, integro, non cum labio superiore unito , sulcis utroque latere infralabialibus longitudioalibus 2 marginera oris versus directis, frenulo carneo gracili oculi diametro breviore separatis, frenulo antice cura labio superiore continuo, sulco externo sulco interno longiore; operculo latitudine l*/3 ad l'/i in ejus altitudine, oculi diametro paulo ad v'ïX graciliore, margine inferiore convexiusculo vel rectiusculo; apertura branchiali sub operculo de- sinente; dentibus pharyngealibus masticatoriis aggregatis 2.4.5/5,'i:.2. apicem versus compressis , facie masticatoria oblique truncata marginibus elevatis non lobata, dentibus serie anteriore anticé nou sulcatis ; osse scapulari trigono acute rotundato; linea dorsali convexa linea ventrali convexius- cula altiore; ventre ante pinnas ven trales plano, post pinnas ventrales planiusculo, non carinato ; squamis subverticalibus, lateribus antice quam cetero corpore paulo majoribiis, dimidio libero et di- midio basali longitudinaliter striatis, 33 vel 3i in linea laterali, 12 in serie tranversali (absque vcn- tralibus infimis) qnarum 4'/2 (5) supra lineam lateralem , 8 vel 9 in serie longitudinali occiput in- ter et pinnara dorsalera, ventralibus infimis longitudinaliter tri- ad qulnque-seriatis postrorsum raag- nitudine sensim accrescentibus, serie media iis seriebus lateralibus paulo majoribus; linea laterali reetiuscula, antice tantum declivi, basi ventralium magis quam liueae dorsali approxiraata, singulis squamis tubulo simplice mediam squamam vulgo superante notata; pinna dorsali satlonge ante pin- nas ventrales incipiente et longe ante pinnam analem desinente, basi alepidota, acuta, emarginata, corpore non vel vix altiore, sat multo altiore quam basi longa; pinnis pectoralibus acutis ventralibus acutis paulo longioribus ö^/i ad 6 et paulo in longitudine corporis ventrales non attingentibus ; ven- tralibus analem non attingentibus; anali basi vagina squamosa huraillima inclusa, acuta, emarginata, dorsali sat multo liumiliore et duplo circiter breviore, duplo circiter altiore quam basi longa, radio simplice tertio gracili toto cartilagineo ; caudali basi squamosa profunde incisa lobis acutis subae- quallbus 4 circiter in longitudine corporis; colore corpore superne viridi, iuferne margaritaceo; ros- tro cirrisque olivaceis vel dilute viridibus; iride rosea vel flava; fascia cepbalo-caudali lata argen- tea, frequenter tota ejus longitudine vittula gracili fuscescente vel coerulescente percursa; pinnis roseo- vel flavescente-hyalinis , caudali media basi macula nigra. B. 3. D. 4/8 vel 4/9. P. 1/14 vel 1/15. V. 2/8. A. 3/5 vel 3/6. C. 6/17/6 vel 7/17/7 lat. brev. incl. Syn. Lohocheilos coKtis Blkr, Nieuwe Tientall. diagn. beschrijv. nieuwe Vischs. Sumatra, Nat. T. Ned. Ind. V p. 523. Luhas Mal. Bat. Hab. Java (Batavia, Surabaja), in fluviis. Sumatra (Padang), in fluviis. Longitudo 70 speciminum 32'" ad 67'". Aanm. Nadat ik de onderwerpelijke soort te regt als eene nieuwe soort besdire- ven had, doch te onregt onder het geslaclit Lobocheilos, vermeldde ik haar in mijne Enumeratio piscium javancnsium (Nat. T. Ned. Ind. XV p. 427), dcar ik weet niet welke vergissing, als synonien van Crossocheilos oblongus , van welke zij intus- schen , behalve door de aangegevene kenmerken , gelegen in de voeldraden en den bovenlipbouw, verschilt door minder slank ligohaam, bolleren rug, enz. 127 Grossocheilos (Crossocheilichthi/s) Langei Blkr. Lange' s Djedjet. Atl. Cypr. Tab. IV fig. 1. Crossoch. (Crossocheiliclith.) corpore elongato compresso, altitudine 6 circiter in ejus longitudine, latitudine 1 1/2 circiter in ejus altitudine ; capiteacuto convexo, 5% ad 5^4 in longitudine eorporis cum, 4^/5 circiter in longitudine corporis absque pinna caudjili, altitudine l'/2 circiter, latitudine 1% circiter in ejus longitudine; oculis superis, diametro 3i/i circiter in longitudine capitis, diametro 1 et paulo in capitis parte postoculari, diametro l'/a circiter distantlbus, membrana palpebrali iridis magnam partem tegente apertura subcirculari; linea rostro-dorsali ubiqae convexa; linea interoculari eonvexa; naribus orbitae magis quam rostri apici approximatis, posterioribus patulis valvula claudendis, anterioribus margine elevato subtubnlatis; rostro carnoso, oculo paulo longiore, convexo, conico, longe ante os prominente, poris numerosis parum conspicuis obsiito, lateribus non lobato, parte ejus inferiore tri- gono plano siibliorizontali poroso, velo praemaxillari labium superlus oceultante margine libero parum curvato papillis conicis brevibus confertis uniseriatis valde conspicuis obsito; osse subor- bitali anteriore irregnlariter trigono, longiore quam alto,apice rotundato antrorsum spectante, mar- gine posteriore basali subverticali emarginato rel angulato; osse suborbitali 2° elongato-tetragono duplo vel plus duplo longiore quam alto, antice quam postice multo altiore, ocnli diametro triplo circiter humiliore; osse suborbitali 3' osse suborbitali 4° latiore oculi diametro quadruplo circiter humiliore; cirris rostralibus cirris supramaxillaribus longioribus et crassioribus oculi diametro paulo brevioribus; rictu infero, ore aperto parallelogrammico, ore clauso fissuram transvorsam parum an- trorsum curvatam capitis latitudine valde multo breviorem efficiënte; labio superiore gractti, ante maxillam superiorem pendulo margine integro, nee papillato nee crenulato; maxilla superiore acie cartilaginea' parum cnrvata, mediocriter deorsum protractili; maxilla inferiore syraphysi postice tuber- culo conico brevi, ante symphysin late cartilaginea acie truncata vel leviter curvata ; labio inferiore lato reflexo, carnoso, subvilloso, integro, non cum labio superiore unito, sulcis utroqne latere infrala- bialibus longitudinalibus 2 marginem oris versus directis frenulo carneo gracili oculi diametro multo breviore separatis, frenulo antice cum labio superiore continuo, sulco externo sulco in terno longiore; operculo latitudine IV2 circiter in ejus altitudine, oculi diametro vix graciliore, margine inferiore convexiusculo vel rectiusculo; apertura brancliiali sub operculo desinente; dentibus pbaiyngealibus masticatorüs aggregatis 2.4.5/5.4.2 apicem versus compressis, facie masticatoria oblique truncatis marginibus elevatis non lobata, dentibus serie anteriore antice non sulcatis; osse scapulari trigono acute rotundato; linea dorsali convexa linea ventrali convexiuscula multo altiore; ventre ante pinnas ventrales plano, post pinnas ventrales planiusculo, non carlnato; squamis subverticalibus, lateribus antice quam cetero corpore paulo majorlbus, dimidio libero et dimidio basali longitudinaliter striatis, 34 vel 35 in linea laterali, 12 in serie transversali (ventralibus infimis inelusis) quarum 41/2(5) supra lineara lateralera, 10 vel 9 in serie longitudinali occipnt inter et pinnam dorsalem, ventralibus infimis longitudinaliter tri- ad quinque-seriatis postrorsum raagnltudine sensim accres- centibus, serie media iis seriebus lateralibus paulo majoribus; linea laterali roctiuscula, antice tantum deelivi, ba si pinnarum ventraliura magis quam lineae dorsali approximata, singulis squamis tubulo simplice mediara squamara attingente vel subattingente notata ; pinna dorsali sat longe ante pinnas ventrales incipiente et longe'ante pinnam analem desinente, basi alepidota, acuta, emar- ginata, corpore paulo altiore, sat multo altiore quam basi longa ,- pinnis pectoralibus et ventralibus acntis, longitudine subaequalibus G'^/i circiter in longitudine corporis, pectoralibus ven trales non , ventralibus analem non attingentibus; anali basi vagina sqnamo.sa liumillima inclusa, acuta, cmarginata, dor- sali sat multo humiliore et duplo fere breviore, duplo circiter altiore quam basi loiiga, radio sim- 128 ^ plice tertio gracili toto cartilagineo ; caudali basi squamosa, profunde inciaa, lobis acutis, superi- ore inferiore vix longiore i^/s circiter in longltudlne corporis; colore corpore superne olivaceo , inferne argenteo vel margaritaceo ; rostro superne cirrlsque rostralibus olivacoo-violascentibus; iride flava vel rosea superne fusca; fascia lata plus minusve diffusa fusca cephalo-caudali, operculo incipiente et basi pinnae caudalis in maculam magnam nigram transiente; anuiu inter et pinnam analem ma- cula rotunda nigricante-fusca ; pinnis roseo-hyalinis. B. 3. D. 4/8 vel 4/9. P. l/M vel 1/15. V. 2/8. A. 3/5 vel 3/6. C. 7/17/7 lat. brev. incl. Hab. Sumatra (Palembang) , in fluviis. Longitudo speciminis unici 81"'. AaiiQi. Ik draag deze soort op aan mijnen ambtgenoot den heer E. A. Lange , dirigerend officier van gezondheid en iuspekteur'der hospitalen, aan wien ik hare toezending verpligt ben. Zij verschilt van Crossocheilichthys cobitis voornamelijk door slanker ligchaam en kop, door haren violetten snuit en snuitdraden, welke laatste tevens aanmerkelijk meer ontwikkeld zijn, en voorts door den breeden zwarten kopstaartband, welke reeds op het operkel begint en in eene groote zwarte vlek op de grondhelft der staartvin eindigt. DiSboGNATHICHTHYS Blkr, ZuiGKINKARPER. Corpus subelongatum compressum, squamis magnis vestitura. Maxillae nudae. Cirri 4 vel 2, rostrales et supramaxillares, vel supramaxilla- res tantum, vel nulli. Rostrum carnosum integrum sulco transverso nullo , ante os prominens , cute deseendente ante maxillam superio- rem pendula, inferne nee crenulata nee papillata. Maxilla superior carnea, inferior plica nienti disciformi medio callosa. Pinna dorsalis ante pinnas ventrales ineipiens et longe ante pinnam analem desinens , radio simplice postico toto cartilagineo. Pinnae pectorales subhorizontali- ter insertae. Dentes phaiyngeales masticatorii aggregati 2.4.5/5.4.2. Aanm. De type van dit geslacht vormt Discognathus variabilis Heek. van Syrië, welke soort generisch van de overige goed bekende van Discognathus verschilt, door haren niet dwars gegroefden snuit en ongetepelden vrijen snuithuidrand. Er schijnen soorten te zijn met 2 voeldraden en zonder voeldraden, doch, uit- gezonderd de door lieckel beschrevene soort, zijn de andere nog slechts zeer opper- vlakkig bekend. Gonorhynchus brachypterus McCl. en Gonorhynchus lamta McCl. zijn met meer zekerheid hiertoe te brengen , terwijl ook Gonorhynchus rupe- culus McCl. en Gonorhynchus petrophilus McGl, tot betzelfde geslacht schijnen te behooren. 129 Platycara McCL, Ind. Cyprinid. in Asiat, Research. XIX p. 299, 427 — Platvinkarper. Corpus elongatum subfusiforme , squamis magnis vestitum. Maxil- lae iiudae. Cirri nulli?. Rostrum carnosum sulco lato profundo longi- tudinaliter bipartitum, ante os prominens, cute descendente ante ma- xillam superiorem pendula. Maxilla inferior pliea menti disciformi. Pinna dorsalis ante pinnas ventrales incipiens et longe ante pinnam analem desinens ,' radio simplice postico toto cartilagineo. Pinnae pee- '^^ torales horizontaliter insertae. Dentes pharyngeales ? ^ Aanm. De heer MacCIelland heeft den geslachtsnaam Platycara voorgesteld oui dien van Balitora Gr. te vervangen, welke laatste naam reeds overbodig was, doordien Van Hasselt reeds in 1822 dien van Homaloptera voor hetzelfde geslacht had aangenomen. Vermits evenwel de heer MacCIelland onder zijne soorten van Platycara een beschreven en afgebeeld heeft, welke zeer zeker niet tot Homalo- ptera behoort en te brengen is tot een aan Disiognathus verwant afzonderlijk ge- slacht, stel ik voor, den naam Platycara voor dit geslacht te behouden. Dit ge- slacht, natuurlijk geheel anders omschreven, dan door den heer MacCIelland is gedaan, heeft met de geslachten Discognathus èn Discognathichthys de schijfvor- mige kinzuigplaat gemeen, doch onderscheidt er zich van door den overlangs gespleten snuit en waarschijnlijk door nog andere bijzonderheden in de organi- satie der monddeelen, welke overigens door den heer MacCIelland niet nader be- schreven en slechts zeer onduidelijk afgebeeld zijn. Platycara nasuta McCl. is tot nog toe de eenige soort, welke tot dit geslacht te brengen is. ScHiSMATORHYNCHOS Blkr , Nalez. vischfaun. Sumatra, Nat. Tijdsehr. Ned. Ind. X p. 269. Dübbelsnuitkarper. Corpus oblongum vel subelongatum compressum , squamis magnis ves- titum. Maxillae nudae. Cirri 4, supramaxillares et rostrales. Rostrum carnosum, superne incisura transversa bipartitum, ante os prominens, infra apicem truncatum , lateribus non lobatum , cute descendente ante labium superius pendula. Labium superius ante maxillam superiorem pendulum , integrum , nee papillatum nee cirratum. Maxilla superior margine cartilagineo formam ferri equini referens; maxilla inferior tu- 17 130 mida , cartilagineo-carnosa , margine anteriore truncata , postice profunde emarginata unde maxilla postice in cavitate oris bicornis. Labium in- ferius latum, carnosura, reflexum, integrum, cum labio superiore non unitum. Sulci postlabiales utroque latere 2 profundi , longitudinaliter marginem oris versus direeti, frenulo earneo intermedio gi'acili antice labio laterali accessorio gracili cum labio superiore unito; sulci inter- ni isthmo latissimo separati in incisuram labium inter et maxillam transientes. Pinna dorsalis ante pinnas ventrales incipiens et longe ante pinnam analera desinens , radio simplice postico cartilagineo. Pin- nae pectorales horizontaliter insertae. Dentes pharyngeales mastica- torii aggregati 2.4.5/5.4.2 facie masticatoria oblique truncata non tu- berculata. Aanm. Scliismatorhynchos is een zeer natuurlijk en uiterst scherp gekenmerkt ge- slacht, hetwelk ik in 1855 het eerst voorstelde en grondde op eene soort van Sumatra, welke ik reeds in 1853 beschreef onder den naam van Lobocheilos hete- rorhynchos. Het heeft met Discognathus en Tylognathus (namelijk zooals ik deze beide Heckelsche geslachten opvat) den dwars verdeelden snuit gemeen, doch is er gemakkelijk van te onderscheiden, wegens den geheel afwijkenden bouw der monddeelen. Ik ken slechts de genoemde soort naar de natuur. Het komt mij echter voor, dat Zuid- Azië meerdere andere soorten voedt en dat Cyprinus gotyla Gray, Cyprinus (Bangana) falcata Gr. en Gobio ricnorhynchos McCI. drie andere soorten van het- zelfde geslacht voorstellen. De monddeelen dier soorten zijn echter zoo onvoldoende beschreven en afgebeeld, dat eene studie naar de natuur volstrekt vereischt wordt om ten deze tot zekerheid te geraken. In allen gevalle laat zich de sumatrasche soort gemakkelijk van de zuidaziatische onderkennen als volgt. I Squamae 33 vel 34- in serie longitudinali , 5]- (6) supra lineam lateralem. D- 4/8 vel 4/9- Fascia cephalo-caudalis fusca. SchismatorhyncJios heterorhynchos Blkr. 131 Schismatorhynchos heteroi'hynchos Blkr, Nalez. vischfauna v. Sumatra, Nat. Tijdschr. Ned. Ind. IX p. 269. Sumatrasche Dubhelsnuitkarper. Atl. Cjpr. Tab. IV fig. 4. Schismatorh. corpore subelongato corapresso, altitudine 5'/2 ad 4% in ejus longitudine, latitadine 2 fere ad 2 et paulo in ejus altitudine; capite convexo antice oblique postrorsum truncato, 5^/4 ad 6V2 in longitudine corporis cum, éVs ad 5 fere in longitudine corporis absque pinna caudali, altitu- dine iVi ad 1'/g, latitndine l^/'s ad l^/i in ejus longitudine; oculis superis diametro SVa ad 5*/2 in longitudine capitis, diametro l'/sad l^/sin capitis parte postoculari, diametris l'/s ad 2V2 distanti- bus, membrana palpebrali iridis magnam partem tegente apertura subcirculari ; linea rostro-dorsali fronte et vertice convexiuscula, nucha et dorso valde convexa; linea interoculari convexa; nari- bus orbitae multo magis quam rostri apici approximatis , posterioribus patulis valvula claudendis, anterioribus subtubulatis; rostro valde carnoso, oculi diametro multo ad duplo longiore, subreotan- gulatim curvato , dimidio supraangulari poris numerosis magnis valde conspicuis et incisura trans- versa fossam magnam profundam ubique porosam efficiënte bipartito parte superiore incisuris 3 su- perficialibus longitudinalibus iterum quadripartita , dimidio infra-angulari poris conspicuis nulHs pos- trorsum descendente antice planum trigonum apice sursum spectantem efficiënte margine inferiore sub- semilunari submembranaceo integro nee papillato nee cirrato ante labium superius pendulo lateribus non lobato ; osse suborbitali anteriore trigono , longiore quam alto , apice rotundato antrorsum spectante, margine posteriore basali subverticali emarginato; osse suborbitali 2° hexagono, aeque alto circiteB ac longo , oculi diametro paulo ad non altiore; osse suborbitali 3° osse suborbitali 4° multoties latiore oculi diametro non vel vix humiliore; cirris carnosis, snpramaxillaribus rostralibus plus duplo lon- gioribus oculo multo longioribus ore clauso in sulco infralabiali externe occultis, rostralibus antice ia sulco os suborbitale lm intor et velum rostrale insertis; rictu subantico latitudine capitis latitu- tudinem fere aequante, subserailunari , introitu autem cavitatis oris interno angusto et (ore aperto) subcordiformi ; labio superiore gracili integro vix ante maxillam superiorem pendulo; maxilla superiore acie cartilaginea subsemilunari, deorsum valde protractili; maxilla inferiore symphysi postice pro- funde emarginata, bicomi apicibus cornuum acutiusculis, ante symphysin late cartilagineo-carnosa acie truncata; labio inferiore reflexo, integro, non cum labio superiore unito, sulcis utroque latere 2 longitudinalibus marginem oris versus directis, frenulo carneo gracili oculi diametro longiore separatis frenulo antice ope labii accessorii gracilis cum labio superiore continuo, sulco externo sulco interno multo latiore et profundiore ; operculo duplo circiter altiore quam lato , oculi diametro non vel vix graciliore, margine inferiore rectiusculo vel concaviusculo j apertura branchiali sub praeoperculi margine posteriore desinente; dentibus pbaryngealibus masticatoriis aggregatis 2.4.5/5.4.2. dimidio apicali compressiusculis facie masticatoriu valde oblique truncata marginibus parum elevatis non lobatis , dentibus serie anteriore antice non sulcatis ,- osse scapulari trigono acutiuscule rotundato ; linea dorsali convexa linea ventrali convexiuscula multo altiore; ventre ante pinnas ven trales plano, post pinnas ventrales obtusissime carinato ; squamis subverticalibus , lateribus quam cetero corpore (ventre excepto) non vel vix majoribus , dimidio libero et dimidio basali longitudinaliter striatis , 33 ▼el 34 in linea laterali, 14 in serie transversali (ventralibus infimis inclusis) quarum öVa (6) supra lineam lateralem, 11 vel 12 in serie longitudlnali occiput inter et pinnam dorsalom, ventralibus in- fimis longitudinaliter quinque-seriatis postrorsum magnitudino sensim accrescentibus serie media iis seriebus lateralibus non majoribus,- linea laterali rectiuscula, antice tantum declivi, basi pinnarum ventralium non multo magis quam lineae dorsali approxiraata , singulis squamis tubulo simplice me- 132 diam squamara non vel vix attingente notata; pinna dorsali sat longe ante pinnas ventrales incipiente et longe ante pinnam analem desinente, basi postice vagina squamosa humillima inclusa, acuta, valde emarginata, corpora altiore et multo altiore quam basi longa; pinnis pectoralibus et ventrali- bus acutis , pectoralibus ventralibué non vel paulo tantum longioribus 52/3 ad 6 et paulo in longitu- dine corporis, ventrales non attingentibus; ventralibus analem non vel vix attingentibus ; anali basi vagina squamosa humillima inclusa, acuta , medio criter emarginata, dorsali multo humiliore et duplo eirciter breviore, plus duplo altiore quam basi longa, radio simplice tertio gracili eartilagineo ; cau- dali basi squamosa, profunde incisa lobis acutis, superiore inferiore longiore vel non longiore 3'''i ad dS'i eirciter in longitudine corporis; colore corpore superne violascente-olivaceo vel profunde oli- vaceo, inferne dilutiore vel margaritaceo ; iride rosea margine pupillari aurea; fascia lata diffusa ce- phalo-caudali nigricante-violacea ; pinnis radiis roseis vel rubris, membrana roseo-hyalinis vel viola- scente-hyalinis. B. 3. D. 4/8 vel 4/9. P. 1/16. V. 2/8. A. 3/5 vel 3/6. C. 6/17/6 vel 7/17/7 lat. brev. incl. Syn. Lobocheilos heterorhynchos Blkr, Nieuwe Tientall. diagnost. beschr. nieuwe vischs. Sumatra, Nat. Tijdschr. Ned. Ind. V p. 524. Schismatorhynchos lobocheiloidcs Blkr, Ind. descr. spec. pisc. Nat. T. Ned. Ind. XIV p. 476. Hab. Sumatra (Solok, Lahat), in fluvüs. Longitudo 7 speciminum 87'" ad 232'". Aanm. Cyprinus (Bangana) falcata Gr., afgebeeld in de lUustrations of Indian Zoölogy, schijnt van de ondervverpelijke soort te verschillen , door talrijke schubben zoowel in eene overlangsche als in eene dwarsche rei, door twee stralen meer in de rugvin, afwezigheid van den overlangschen ligchaamsband, enz. Ook Cyprinus gotyla Gr. van de lUustrations of Indian Zoölogy schijnt zich , naar de afbeelding te oordeelen, van Schismatorhynchos heterorhynchos te onderscheiden door aanmerkelijk minder schubben op eene dwarsche rei (slechts Z\ of 4 boven de zijlijn), weinig of niet uitgerande vinnen, stomp afgeronde borstvinnen , lage 9- of 10- stralige (4/9 vel 4/10) rugvin, afwezigheid van overlangschen ligchaamsband , enz. Gobio ricnorhynchus McCl. eindelijk, de derde zuid-aziatische soort van Schis- matorhynchos, heeft in habitus veel van de sumatrasche, doch volgens den heer MacClelland 43 schubben op eene overlangsche rei, 11 verdeelde rugvinstralen en mist den overlangschen ligchaamsband, enz. Tot nog toe heb ik onderwerpelij ke soort slechts uit de binnenlanden van Su- matra ontvangen. Labeo Cuv., Règn. anim. 1817. I p. 194; Blkr, Descr. pisc. Javan. nov. in Nat. Tijdschr. Ned. Ind. XIII p. 360 (diagnosis reformata). LiPKARPER, ArENGAN. Corpus oblongum compressum, squamis magnis vestitum. Maxil- lae nudae. Cirri 4 vel 2, rostrales et supramaxillares , vel suprama- 133 xillares tantum. Rostrum carnosum, ante osprominens, cute descen- dente ante maxillam superiorem pendula utroque rostri latere lobata. Os suborbitale anterius sat longe ante orbitam situm. Labium supe- rius ante maxillam superiorem pendulum, integrura, nee papillatum nee cirratum, cura margine labii inferioris libero continuüm. Maxilla superior acie cartilaginea formam ferri equini referens , inferior tumida cartilagineo-carnosa , margine anteriore truncata, symphysi postice valde emarginata, tuberculo nullo, Labium inferius latum carnosum reflexum integrum vel plus minusve crenulatum. Sulcus postlabialis utroque latere simplex fossam magnam profundam efficiens , obliquus , marginem oris versus dirèctus , labii marginem liberum non attingens, isthmo sat late a sulco lateris oppositi separatus. Pinna dorsalis ante pinnas ventrales incipiens et longe ante pinnam analem desinens radio simplice postico toto eartilagineo. Pinnae pectorales subhorizontaliter insertae. Dentes pharyngeales masticatorii aggregati 2.4.5/5.4.2 facie masticatoria oblique truncati. Subgen. Diplocheilos Blkr. Cirri 4 , rostrales et supramaxillares. II Labeo Cuv. Cirri 2 , supramaxillares tantum. Aanrn. Het geslacht Labeo, zoo als het door Cu vier is ingevoerd en gegrond op C- niloticus Géoffr. en C. fitnbriatus BI. is sedert zijne opstelling opgelost in talrijke geslachten, zoodat het thans te beperken is tot die soorten, welke vol- gens den tegenwoordigen stand der wetenschap generisch aan Labeo niloticus beantwoorden. Ik begrijp er onder alle de Labeoninen met dikke kraakbeen- achtig-vleezige onderkaak, gaven doch aan beide zijden in eene vleezige kwab overgaanden snuitrand, enkele schuins-overlangsche achterlipsgroeve , welke door eene meer of min breede kinhuid van de groeve der tegenovergestelde zijde is gescheiden, met de bovenlip vereenigde onderlip en onmerkbaar (zonder tusschen- liggende groeve) in de onderlip overgaande kinhuid. Aldus omschreven , omvat het geslacht Labeo nog vrij talrijke soorten , welke alle behooreu tot Noord- Afrika , Zuid-Azië en de Soenda-eilauden, doch meerdere soor- ten, door Heckel en den heer Valenciennes tot Labeo gebragt, vallen buiten zijne grenzen. Beide uitstekende ichthyologen hebben ten deze nog te veel waarde ge- hecht aan het aantal voeldraden en onvoorwaardelijk de verwante soorten met 4 voeldraden buiten gesloten, terwijl tot andere geslachten behoorende soorten met slechts 2 voeldraden , onverschillig of zij op den snuit of op de bovenkaak zijn in- geplant, door hen in het geslacht Labeo zijn opgenomen. 134 Zoo zijn Labeo cephalus Val. en Labeo Dussuuiieri Val, in mijn oog, soorten van Rohita, bij welke slechts bovenkaaksdraden aanwezig zijn, even als Labeo Reynaul- di Val., Labeo microlepidotus Val. en Labeo fimbriatus Val. — Voorts is Labeo oblon- gus Val., zoo als reeds hiervoren is aangetoond, eene Crossocheilos met slechts 2 snuitdraden , terwijl Labeo erythropterus Val. wel eene echte Labeo is, maar tevens zeer zeker 4 voeldraden heeft en niet slechts 2 bovenkaaksdraden , zooals de heer Valenciennes aangeeft. Voorts behoort, mijns inziens, Labeo senegalensis Val. tot een eigen, aan Rohita na verwant, geslacht gebragt te worden, hetwelk ik voor- gesteld heb Rohitichthys te noemen, even als Labeo falcifer Val. en waarschijnlijk ook Labeo hispidiis Val. behooren tot Lobocheilos ,— Labeo diplostomus Val. tot Ty- lognathus, en Labeo malacostomus Val. tot Schismatorhynchos , terwijl ook Labeo cursa Val, en Labeo curchius Val. veeleer tot Rohita dan tot Labeo schijnen te brengen te zijn. Heckel heeft nog, hoezeer onder geleide vaneen vraagteeken, eenige soorten aan het geslacht Labeo toegevoegd, t. w. Cyprinus rostratus Tiles. en Cyprinus rufes- cens Hasselq. welker beschrijvingen hier te lande niet zijn te raadplegen en waar- omtrent ik alzoo niet zelf kan oordeelen, en voorts nog Gobio ricnorhynchus McCL, welke soort echter behoort tot mijn geslacht Schismatorhynchos. Chondrostoma dem- bensis Val. (nee Rüpp.) zou volgens Heckel insgelijks eene Labeo zijn, en niet van zijne Labeo vulgaris verschillen. Alzoo zijn van de 21 door Heckel en den heer Valenciennes opgesomde soorten van Labeo, hoogstens 9 tot dat geslacht te brengen ^ zooals ik het natuurlijk meen omschreven te hebben. Daarentegen ken ik meerdere soorten van het geslacht , welke niet alleen boven- kaaksdraden, maar ook snuitdraden bezitten. Deze draden zijn echter gewoonlijk zoo weinig ontwikkeld, dat zij der waarneming ligtelijk ontglippen, en zulks doet mij vermoeden, dat eene nadere meer naauwgezette waarneming, ook voeldraden zal doen vinden bij die soorten, aan welke ze tot nog toe niet zijn toegekend. Te meer meen ik zulks te mogen vooronderstellen , omdat geene der soorten van de aan La- beo verwante geslachten , welke door Heckel en den heer Valenciennes vermeld wor- den volstrekt geene cirri te bezitten, door die uitstekende ichthyologen naar de na- tuur zijn onderzocht. Even als bij andere geslachten der Cyprinoïden is geschied , splits ik de soorten van Labeo in twee groepen of ondergeslachteu , naar mate ze alleen bovenkaaks- draden, of zoowel snuitdraden als bovenkaaksdraden bezitten. De laatste breng ik tot het subgenus Diplocheilos , de eerste tot het subgenus Labeo. Den naam Diplocheilos heb ik overgenomen van Van Hasselt, die hem als ge- slachtsnaam wilde toepassen op de soort, sedert nader in de wetenschap bekend geworden onder den naam van Labeo erythropterus en welke inderdaad eene Labeo is met 4 voeldraden- 135 Alle soorten mijner verzameling behooren tot het subgenus Diplocheilos. Een dier soorten is dezelfde, welke ik in mijne Nalezingen op de ichthyologie van Bengalen beschreven heb onder den door den heer MacClelland aan haar gegeven naam van Gobio boga, doch welke een nader onderzoek mij geleerd heeft eene echte Labeo te zijn. Mijne drie overige soorten zijn alle gevangen in de rivieren van West-Java. 'J\vee daarvan beschreef ik vroeger onder de namen Lobocheilos lucas en Lobocheilos rohitoides , terwijl de derde soort dezelfde is als die, welke Van Hasselt reeds bestempelde met den naam van Diplocheilos erythropterus. De drie archipelagische soorten laten zich van elkander en van de overige beken- de soorten onderscheiden naar volgend schema. I Cirri rostrales et supramaxillares. (Subgen. Diplocheilos). A Squamae 7^ supra lineam lateralem, 42 vel 43 in serie longitudinali. f Cirri oculo duplo vel plus duplo breviores subaequales. Operculum latitudine 2-| ad 2f in ejus altitudine. Labeo {Diplocheilos) erythropterus Val. ff Cirri oculo non multo breviores , anteriores longiores. Operculum latitudine 1| ad 2 fere in ejus altitudine. Labeo (Diplocheilos) lucas Blkr. B. Squamae SVa supra lineam lateralem, 35 p. m. in serie longitudinali. f Cirri rostrales oculo non vel vix breviores. Operculum latitudine 2 in ejus altitudine. Labeo {Diplocheilos) rohitoides Blkr. Laheo {Diplocheilos) erythropterus Blkr, Roodvinnige Arengan. Atl. Cypr. Tab. V. Labeo (Diplocheilos) eorpore oblongo vel subelongato compresso, altitudine 5 fere ad 4 et paulo in ejus longitudine, latitudine 1^/3 ad 2 in ejus altitudine; capite acutiusculo 5^/3 ad 6 in longitu- dine corporis cum, 4 et paulo ad 4^'2 in longitudine corporis absque pinna caudali, altitudine 1'/* ad l'/3 , latitudine lV3 ad IV2 in ejus longitudine; oculis superis, diametro S'/s ad 4 in longitudine capitis, diametro 1 ad 1 et paulo in capitis parte postoculari, diametro l-'/s ad 2V3 distantibus, membrana palpebrali iridis partem externam tegente , apertura subcirculari ; linea rostro-dorsali fronte et vertice declivi convexiuscula vel rectiuscula, nucha dorsoque valde convexa; linea interoculari convexa; naribus orbitae multo magis quam rostri apici approximatis , posterioribus patulis valvnla claudendis, anterioribus margine elevato subtubulatis j rostro valde carnoso, ocull diametro juniori- bus et aetate provectis multo ad duplo circiter longiore, antice truncato, inferne in velum membrana- ceum ante os pendulum desinente, antice, lateribus superneque usque post nares poris numerosis valde conspicuis obsito, velo utroque latere in lobum oblongum rotundatum producto, margine inferiore integro ; osse suboi'bitali anteriore ante nares. longe ante oculum sito, longiore quam alto, margine 136 inferiore maxime convexo semieirculari , marginibus superioribus concavis iu angulum acutiuseulum sursum spectantem unitis ; osse suborbitali 2° elongato tetragono duplo vel plus duplo longiore quam alto, antice quam postice altiore, oculi diametro plus duplo sed minus triplo humiliore, osse sub- orbitali 3° osse suborbitali 4° latiore oculi diametro plus quadruplo ad triplo graciliore; cirris gracillimis parum conspicuis, oculo duplo vel plus duplo brevioribus, supramaxillaribus rosti-alibus uoa vel vix longioribus , rostralibus antice in sulco os suborbitale lm inter et velum rostrale insertis ; rictu infero, latitudine capitis latitudinem subaequante, ore clauso formam ferri equini referente; in- troitu autem cavitatis oris intei'no angusto et (ore aperte) oblongo-rotundato vel subcordiformi ; labio superiore gracili integro ante maxillam superiorem pendulo ; maxilla superiore acie cartilagiuea formam ferri equini subreferente , deorsum valde protractili; maxilla inferiore sympliysi postice late emarginata, ante symphysin late cartilagineo-carnosa plana acie truneata; labio inferiore reflexo, carnoso, margine libero cum labio superiore continuo papillis brevissimis uniseriatis obsito, facie su- periore transversim undulatim rugoso, facie inferiore laevi; sulco infralabiali utroque latere fossam ma^nam angulatam profundam efiiciente, oblique lineam menti mediam versus directo sed isthmo oculi diametro sat mnlto graciliore a sulco lateris oppositi separato; operculo latitudine 2^/5 ad 2^/4 in ejus altitudine, oculi diametro sat multo ad paulo graciliore, margine inferiore convexo; apertura branchiali sub praeoperculi parte posteriore desinente; dentibus pharyngealibus masticatoriis aggregatis 2.4.5/5.4.2, apicem versus compressiusculis , singulis facie masticatoria oblique trun- catis, marginibus parum et regulariter elevatis, non lobatis , dentibus anterioribus antice non sul- catis; osse scapulari trigono acute vel acutiuscule rotundato; linea dorsali convexa linea ventrali convexiuscula multo altiore; ventre ante pinnas ventrales plano, post pinnas ventrales obtusissime carinato ; squamis subverticalibus , lateribus antice quam cetero corpore majoribus , suprascapula- ribus autem omnium maxirais ; squamis dimidio libero et vulgo etiam dimidio basali longitudi- naliter subradiatim striatis, 42 vel 43 in linea laterali, 18 in serie transversali (ventralibus infimis inclusis) quarum VVa (8) supra lineam lateralem , 16 p. m. in serie longitudinali occiput inter et pin- nam dorsalem, ventralibus infimis longitudinaliter 5- ad 7-seriatis postrorsum magnitudine sensim accrescentibus serie media iis seriebus lateralibus non majoribus j linea laterali rectiuscula, antice tantum declivi , basi ventralium sat multo magis quam lineae dorsali approximata, singulis squa- mis tubulo simplice mediam squamam non attingente notata; pinna dorsali sat longe ante pinnas ventrales incipiente et longe ante pinnam analem desinente. basi alepidota, acuta, emarginata, sat multo altiore quam longa , altitudine 1 et paulo ad 1 Vi in altitudine corporis ; pinnis pectoralibus et ventralibus acutis , longitudine subaequalibus , 5^/4 ad öVs in longitudine corporis , pectoralibus ventrales non vel vix, ventralibus analem non attingentibus ; anali basi vagina squamosa humillima inclusa, acuta, mediocriter ad vix emarginata, dorsali paulo humiliore ad paulo altiore sed duplo circiter breviore, plus duplo ad triplo altiore quam basi longa, radio simplice tertio gracili carti- lagineo; caudali basi squamosa, profunde ineisa, lobis acutis, superiore inferiore longiore 3^/4 ad 3^/0 in longitudine corporis; colore corpore superne lateribusque violascente-olivaceo, inferno fla- vescente-olivaceo vel margaritaceo ; iride flava, margine pupillari aurea, superne fusca; squamis dorso lateribusque singulis, junioribus praesertim, macula oblonga vel rotunda aurea; pinnis radiis aurantiaco-roseis , membrana coerulescente-hyalinis , plus minusve violaceo-nigricante arenatis. B. 3. D. 4/11 vel 4/12. P. 1/15. V. 4/8. A. 3/5 vel 3/G. C. 7/17/7 vel C/17/6 lat. brev. incl. Syn. Diplocheilus erythroptei-us V. Hass., Algem. Konst- en Letterbode 1823 II p. 133. Laieo erythropterus Val., Poiss. XVI p. 271; Heek., Fisch. Syr. p. Si, 180; Blkr, Descr. pisc. Javan. nov. Nat. T. Ned. Ind. XIII p. 360. Labéon d nageoires rouges Val, Poiss. XVI p, 271. Arengan Sund, 137 Hab. Java (Lebak, Parongkalong) , in fluviis. Longitudo 2 specimirium 150'" et 275'". Aantn. Hoezeer reeds door Van Hasselt iii 1822 ontdekt, is de Arengan eerst nader in de wetenschap bekend geworden in 1843 door den heer Valenciennes , naar een opgezet voorwerp van het Leidsche Museum van twee voeten lengte en naar eene onder de oogen van Kuhl en Van Hasselt vervaardigde afbeelding. Die beschrijving beantwoordt vrij wel aan mijne beide kleinere voorwerpen, doch de snuitdraden zijn door den heer Valenciennes niet opgemerkt, terwijl ook in de for- mule der vinstralen, de kortere en verdeelde stralen niet in rekening zijn gebragt. De goudkleurige schubvlekken bestaan slechts bij de jongere voorwerpen en ver- dwijnen allengskens bij toenemenden leeftijd. Ik ken deze soort tot nog toe slechts van West-Java. Het kleinste voorwerp ontving ik van Lebak, in de residentie Bantam, en is in het 13= deel van het Na- tuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch Indië beschreven. Sedert werd mijne verzameling verrijkt met een uitmuntend goed bewaard voorwerp van 275'" lengte, hetwelk ik te Parangkalong , tijdens eene vischpartij op de rivier Tjitaroem, magtig werd. Ik zag bij die gelegenheid talrijke grootere voorwerpen van dezelfde soort, welke ik echter niet in de gelegenheid was te bewaren. De soort schijnt slechts de hoogerq gedeelten van de grootere rivieren van West-Java te bewonen. Laheo (Diplocheilos) lucas Blkr. KleinbehUge Arengan. Atl. Cypr. Tab- VIII fig. 4. Labeo (Diplocheil.) corporesabelongatocompresso, altitudine é'/a ad 5 in ejuslongitudine, latitudine 2 ad iVi in ejus altitudine; capite acutiusculo i?Ji ad 5 in longitudine corporis cum , 3'^/'4 ad 4 inlongitu- dine corporis absque pinna caudali, altitudine iViadl^/s, latitudine l^/i ad l'/ain ejus longitudine; oculis superis, diametro 3 ad 3 Va in longitudine capitis, diametro 1 ad 1 et paulo in capitis parte postoculari, diametro iVs ad 1% distantibus, membrana palpebrali iridis marginem externum te- gente apertura subcirculari; linea rostro-dorsali fronte et vertice declivi rectiuseula vel convexiuscula , nucha dorsoque valde convexa; linea interoculari convexa; naribus orbitae multo magis quam ros- tri apici approximatis , posterioribus patulis valvula claudendis , anterioribus margine elevato subtu- bulatis; rostro valde carnoso, oculi dia metro juvenilibus non, aetate provectioribus non multo longiore, convexo, antice rotundato nee truncato, inferne in velum membranaceum ante os pentJulum desinen- te, autice, superne lateribusque poris numorosis conspicuis obsito, velo utroque latere in lobum obloDgum rotundatum producto, margine inferiore integro; osse suborbitale anteriore toto vel toto fere ante nares sat longe ante oculum sito , longiore quam alto , margine inferiore maxime convexo semicir- culari, marginibus superioribus concavis in angulum aeutiusculum sursum spectantem unitis; osse suborbitali 2° elongato-tetragono, triplo vel plus triplo longiore quam alto, antice quam postice al- tiore, oculi diametro triplo ad plus triplo humiliore; osse suborbitali 3" osse suborbitali 4° paulo latiore, oculi diametro multo ties humiliore; cirrisgracilibus, supraraaxlllaribusrostralibus longioribus oculi diametro non multo brevioribus antice in sulco os suborbitale lm inter et velum rostrale . 18 138 insertls; rictu infcro, latitudine capitis latitudlne valde raulto brevioro, ore clansoformamferrlequi- ni referente, introitu cavitatis oris interno angusto et (ore aperto) oblongo rotundato vel subcoidi- formi; labeo superiore carnoso integro ante maxillam snperiorem pendalo; maxilla superiore acie cartilaginea formara ferri equini subrotereute, deorsum valde protractili; maxilla inferiore symphysi postice late emarginata, ante symphysin late cartilagineo-carnosa plana acie truncata; labio inferiore reflexo, carnoso, margine libero cum labio superiore continuo papillis brevissimis obsito, facie superiore transversim undulatim nigoso, facie inferiore laevi; sulco infralabiali utroque latere fossam magnam an^ulatam profundam efficiënte, oblique lineam monti modiam versus directo, sed istlimo oculi dia- metro duplo graciliore a sulco lateris oppositi separato ; operculo latitudine 1^/4 ad 2 fere in ejus altitudine, oculi diametro paulo graciliore, margine inferiore rectiusculo vel convoxiusculo; apertu- ra branchiali sub operculo desinente; dentibus pharyngealibus masticatoriis aggregatis 2.4.5/5.4.2. aplcem versus compressis, facie masticatoria oblique truncata margine parum elevata vix velnon lo- bata, dentibus anterioribus antice non sulcatis; osse scapulari trigono acutiuscule rotundato; linea dorsali convexa linea ventrali convexa multo altiore; ventre ante pinnas ventrales plano, post pin- nas ventrales valde obtuse carinato; squamis subverticalibus, lateribus antice quam cetero corpore majoribus, suprascapularibus circumjacentibus non majoribus; squarais dimidio libero et vulgo etiam dimidio basali longitudinaliter sed parum conspicue striatis, 41 vel 42 in linea laterali, 18 in serie verticali (ventralibus infimis inclusis) quarum T'/a (8) supra lineam lateralem, 16 p. m. in serie lon- gitudinali occiput inter et pinnam dorsalera, ventralibus infimis longitudinaliter 5- ad 7- seriatis postrorsura magnitudine sensim accrescentibus, serie media iis seriebus lateralibu» non majoribus; linea laterali rectiuscula , antice tantum declivi, basi ventfalium non multo magis quam lineae dorsa- li approximata , singulis squamis tubulo simplice mediam squamam attingente vel subattingente notata; pinna dorsali sat longe ante pinnas ventrales incipiente et longe ante pinnam analem desinente, basi alepidota, acuta, emarginata, non multo altiore quam longa, corpore non multo ad non humiliore; pinnis pectoralibus et ventralibus acutis, longltudine subaequalibus, G'/s ad 6V2 in longitudine cor- poris, pectoralibus ventrales non, ventralibus analem non attingentibus: anali basi vagina squamosa humillima inclusa, acuta, dorsali paulo humiliore sed duplo circiter breviore, duplo circiter altiore quam basi longa, radio simplice tertio gracili cartilagineo ; caudali basi squamosa, profunde incisa, lobis acutis subaequalibus 4 fere ad 4 et paulo in longitudine corporis; colore corpore superne di- lute viridi, inferne argenteo; iride flava vel argentea; cauda macula rotunda difiusa nigricante in linea laterali basi pinnae caudalis approximata; pinnis roseis ad roseo-hyalinis. B. 3. D. 4/10 ad 4/12. P. 1/14 ad 1/15. V. 2/8. A. 3/5 vel 3/6. C. 7/17/7 vel 8/17/8 lat. brev. incl. Syn. Lobocheilos lucas Blkr, Descript. spec. pisc. Javan. nov. diagn., Nat. T. Ned. Ind. XIII p. 362. Lucas, Wadon-gunung Mal Batav. Hab. Java (Batavia), in fluviis. Longitudo 23 speciminum 58" ad 93"'. Aanm. Een nader en naauwkeuriger onderzoek mijner goed bewaarde voorwerpen dezer soort, heeft ze mij doen terugbrengen tot het ondergeslacht Diplocbeilos , waar- van het alle kenmerken bezit. De formule de schubben en vinstralen beantwoordt zelfs geheel aan die van Labeo (Diplocbeilos) erythropterus , doch zij is bepaald eene verschillende soort, welke van de genoemde te onderkennen is aan bare verschillende kleurteekening, betrekkelijk veel breeder operkel, uitpuilenden snuit, smallere bek- spleet, langere voeldraden. kortere borst- en buikvinnen, enz. 139 Labeo (Dtplocheilos) rohitoides Blkr. Rohita-achtige Arengan. Atl. Cyprin. Tab. VIII fig. 3. Lab. (Diplocheil.) corpore elongato compresso, altitudine 5 circiter in ejus longitudine, latitudine 2 circiter iu ejus altitudine; capite acutiasculo 5'/2 ciruiter in longitudine corporis cum , 4 circiter ia longitudine corporis absque pinna caudali, altitudine l*/4 circiter, latitudine 11/2 circiter in ejus longi- tudine; oculis superis, diametro 3 et paulo in longitudine capitis, diametro 1 et paulo in capitis parte postoculari, diametro l',2fere distantibua, membrana palpebrali iridis marginera externum tegente apertura subcircularl j linea rostro-dorsali fronteet vertice declivi convexiuscula, nucba et dorso con- vexa ; linea interoculari convexa ; naribus orbitae multo magis quam rostri apici approximatia , pos- terioribus patulis valvula claudendis , anterioribus margine elevato subtubulatis ; rostro valde carnoso, ocuH diametro non longiore, convexo, antice rotundato nectruncato, inferne in velum membranaceum ante os pendulum desinente, antice, superne lateribusque poris numerosis parum conspicuis obsito, velo margine inferiore integro ; oase suborbitali anteriore toto fere ante nares non longe ante ocu- lum sito, longiore quam alto, margine inferiore maxime convexo semicirculari , margine superiors rectiusculo; osse suborbitali 2° elongato-tetragono, plus duplo longiore quam alto , antice quam postice non multo altiore, oculi diametro multoties humiliore; osse suborbitali 3° osse suborbitali 4° vix latiore oculi diametro multoties humiliore; (Srris sat carnosis, supramaxillaribus rostralibus multo longioribus, oculi diametro non vel vix brevioribus , rostralibus sub apice ossis suborbitalis anteri- oris insertis; rictu infero, latitudine capitis latitudine valde multo breviore, ore clauso formam ferri equini referente, introiiu cavitatis oris interno angusto et (ore'aperto) oblongo rotundato vel sub- cordiforrai; labio superiore carnoso integro ante maxillam superiorem pendulo; maxilla superiore acie cartilaginca formam ferri equini subreferente, deorsum valde protractili; maxilla inferiore syra- physi postice late emargiuata, ante symphysln late cartilagiueo-carnosa pluna acie truncata; labio inferiore reflexo, carnoso, margine libero cum lubio superiore continuo; sulco infralabiali utroque latere fossara magnam angulatam profundam efficiënte oblique lineam menti mediam versus directo sed istlimo oculi diametro duplo circiter graciliore a sulco lateris oppositi separato ; operculo lati- tudine 2 in ejus altitudine, oculi diametro vix graciliore, margine inferiore convexiusculo ; aper- tura branchiali sub praeoperculi margine posteriore desinente; dentibus pharyngealibus mastica- toriis aggregatis 2.4.5/5.4,2, apicem versus compressis, facie masticatoria oblique truncata mar- gine parura elevato vix vel non lobata, dentibus anterioribus antice non sulcatis ; osse scapulari trigono, obtusiuscule rotundato; linea dorsali convexa linea ventrali convexa altiore; ventre ante pinnas ventrales plano; squamis subverticalibus , lateribus antice quam cetero corpore majoribus, dimidio libero et vulgo etiam dimidio basalt longitudinaliter sed parum conspicue striatis , 35 p. ra. in linea laterali, 13 p. m. in serie verticali (veutralibus infimis inclusis) quui'um ö'/a (6) supra line- am lateralem ; linea laterali rectiuscnla, antice tantum declivi, basi ventralium non multo magis quam lineae dorsali approximata, singulis squamis tubulo simplice mediam squamam attingente vel subattingente notata,- pinna dorsali sat longc ante pinnas ventrales incipiente et longe ante pintiam analem desinente, basi alepldota, acuta, emarginat;i, corpore non vel vix altiore, paulo tantum al- tiore quam basi longa,- plnnis pectoralibus et ventralibus acutis, longitudine subaequalibus 673 cir- citer in longitudine corporis, pectoralibus ventrales non, ventralibus analem non attingentibus ; anali basi vagina squamosa humillima inclusa, acuta, emarginata, dorsali paulo humüiore sed plus duplo breviore, plus duplo altiore quam basi longa, radio simplice tertio gracili cartilagineo ; cau- dali basi squamosa, profunde incisa, lobis acutis, superiore inferiore paulo longiore SV* ad 4 in longitudine corporis; colore corpore superne viridi , inferne argenteo; fascia cephalo-caudali diffusa fuscescente-violiicea; pinnis roseo-byalinis vel roseis. 140 B. 3. D 4/11 Tel 4/12. P. 1/14 vel 1/15. V. 2/8. A. 3/5 vel 3/6. C. 6/17/6 vel 7/17/7 lat brev. incl. Syn. Lobocheilos rohitoides Blkr, Desciipt. specier. pisc. javan. nov., Nat. T. Ned. Ind. XIII p. 363. Luhas Mal. Bat. Hab. Java (Batavia), in fluviis. Longitudo speciminis unici 68'", Aanra. Volgens mijne bepaling van het geslacht Labeo behoort onderwerpelijke soort tot dit geslacht en niet tot Lobocheilos, onder hetwelk ik het vroeger be- schreef. Zij is gemakkelijk van Labeo (Diplocheilos) erythropterus en Labeo (Di- plocheilos) lucas te onderkennen aan de formule harer schubben, hebbende zijeenige schubben minder, zoowel op eene overlangsche als op eene dwarsche rei, en 2 schubreijen minder tusschen de zijlijn en ruglijn. Overigens heeft zij ook de voeldraden, vooral d^ bovenkaaksvoeldraden aanmerkelijk langer en is zij ook herkenbaar aan den overlangschen ligchaamsband. Mijn eenig voorwerp bevindt zich in niet te goeden toestand van bewaring, voor- al wat den buik en de buikschubben betreft. Cirrhina hreviceps Val., Poiss, XVI p. 224 an Laheo (Diplocheilos') sp? vel Diplocheilichthys? Descriptio Valenciennesiana sequens; )iLa hauteur fait Ie quart de Ia longueur totale, qui contient sept fois la tête. L'oeil est assez . » grand ; il mésure Ie tiers de la longueur de la tête. Les deux barbillons maxillaires sont h. l'ex- » trémité d'un museau court ; la bouche est peu fendue; la dorsale est haute de l'avant et son bord » coupé en faux ; l'anale a les premiers rayons plus longs ; Ie lobe supérieur de Ia caudale se pro- » longe aussi en pointe; la pectorale est petite, mais la ventrale est large. D. 13. A. 7. C. 19. P. «13. V. 9. Les écailles sont assez grandes et fermes: j'en compte quarante rangées au moins dans » la longueur du cóté ; il y en a une longue dans l'aisselle de Ia ventrale. La couleur est verdatre » sur Ie dos et argentée sur Ie ventre. L'individu dessécLé que j'ai décrit, est long de sept pouces » et trois lignes ; il vient de la rivière de Bantam^ Syn. Labeobarbus hreviceps K. v. H. sec. Val. Aanm. Ik twijfel zeer aan het bestaan van vertegenwoordigers van het geslacht Cirrhina in den Indischen archipel, en alzoo ook daaraan, dat de door den heer Valenciennes beschrevene soort tot dit geslacht zou behooren. Soorten van Mrigala, welke bij den heer Valenciennes als Cirrhinen voorkomen, zijn mij evenmin van de Soenda-eilanden bekend. Ik vermoed daarom , dat Cirrhina hreviceps Val. terugge- bragt zal moeten worden tot het subgenus Diplocheilos van Labeo of tot het geslacht Diplocheilichthys en dat de bij deze geslachten dikwerf zeer kleine en in de diepte liggende bovenkaaksdraden (lipdraden Val,) der waarneming bij het gedroogde ber 141 fichrevene voorwerp ontglipt zijn. In allen gevalle bezit ik die soort niet, kun- nende ik de van haar beschrevene kenmerken in hun geheel bij geene mijner soorten terugvinden. Eene nadere en meer uitvoerige beschrijving der soort, dan de door den heer Valenciennes geleverde, is zeer wenschelijk te achten. Tylognatiius Heek., Fiscli. Syr. p. 37, 181. — Eeltkaakkarper. Corpus subelongatum compressum , squamis magnis vestitum. Maxil- lae nudae. Cirri 2 , supramaxillares. Rostrum carnosum , superne sulco transverso bipartitum, ante os pi'ominens, cute descendente ante la- bium superius pendula. Labium superius integrum nee papillatum, nee cirratum , cum labio inferiore continuüm. Maxilla superior acie se- milunari. Maxilla inferioi* valde incrassata , cartilagineo-carnosa. Labium inferius non lobatum, graeile, parum reflexum, crenulatum. Sulcus postlabialis utroque latere simplex longitudinaliter marginem oris ver- sus directus , isthmo latissimo a sulco lateris oppositi separatus. Pinna dorsalis ante pinnas ventrales incipiens et longe ante pinnam analem desinens , radio simplice postico cartilagineo. Dentes pharynge- ales masticatorii aggregati 2. 4. 5./5. 4. 2. facie masticatoria oblique truncati. •> Aanm. Het geslacht Tylognathus, zooals het hier is gekenmerkt, is niet meer het- zelfde, als het geslacht Tylognathus, zooals het door Heckel is omschreven. Die om- schrijving is overigens onvoldoende en zou ook andere zeer verschillende geslachten van Labeoninen omvatten. Zooals het boven is begrensd, is het gegrond op de, soort , welke door Heckel eerst onder den naam van Varicorhinus diplostomus is beschreven en afgebeeld en later onder de namen van Tylognathus diplostomus en Tylognathus Valenciennesii vermeld. Deze soort is een der weinige soorten , welke Heckel naar de natuur kende en tot Tylognathus bragt. De andere behooren tot andere genera. Heckel bragt niet minder dan twaalf soorten tot zijn geslacht Tylognathus. Zijne Tylognathus barbatulus is echter eene Crossocheilos , even als zijne Tylo- gnathus nanus en misschien ook zijne Tylognathus porcellus , welke laatstgenoemde soort ik echter niet nader kan beoorJeelen, omdat ik niet kan raadplegen // Hagel' s Reise", in welke zij beschreven schijnt te zijn. Heckel's Tylogaathus lamta (Cypriuus lamta Euch.) is eene Discognathichthys , en 142 zijne Tylognathus falcifer en Tylognathus lipocheilos zijn soorten van Loboclieiios, terwijl zijne Tylognatlius diocheilus njij voorkomt eerder eene Labeo te zijn. Voorts is lieckel's ïylognatlius Diivaucellii (Ciiondrostoma Duvaucelii Val.), naar de beschrijving van den heer Valenciennes te oordeelen, in geen geval eene Tylo- gnathus maar veeleer eene Gymnostomus?, tot welk geslacht ook Tylognathus semi- laxvatus Heek, indien zij althans, zooals ik vermoed, dezelfde soort is als Chondrostoma semivelatum Val., schijnt te behooren. De twee overige soorten, bragt Ileckel slechts onder geleide van een vraagtee- ken tot zijn geslacht Tylognathus. Zij zijn Leuciscus sandkhol Syk. en Leuciscus chitul Syk., soorten, volgens de oppervlakkige beschrijvingen van den heer Sykes niet in een bepaald geslacht te plaatsen en welke men daarom voorloopig even goed onder geleide van vraagteeken onder Tylognathus kan laten als ze onder een ander geslacht brengen. Uit wat de heer Sykes er van zegt, schijnt men te mogen op- maken, dat zij in allen gevalle tot de Labeoninen behooren. DiPLOCHEILICHTHYS Blkr. DüBBELLIPKARPER. Corpus oblongo-elongatum compressum, squamis magnis vestitum. Maxillae nudae. Cirri 4 , rostrales apice rostri inserti et supramaxillares. Rostrum carnosum integrum, ante os prominens, cute descendente ante labium superius pendula, lateribus non lobatum. Labium supe- rius ante maxillam superiorem pendulum, integrum, nee papillatum, nee cirratum, cum labii inferioris margine libero continuüm. Maxilla superior acie cartilaginea formam ferri equini subreferens, inferior tumida eartilagineo-carnosa , margine anteriore truncata , symphysi pos- tice nee emarginata nee tuberculata. Labium inferius latuni carnosum reflexum , crenulatum , non lobatum. Sulcus postlabialis utroque latere simplex, fossam magnam profundam efficiens, rectus, marginem oris versus directus, labii marginem liberum non attingens, isthmo valde lato a sulco lateris oppositi separatus. Pinna dorsalis ante pinnas ven- trales incipiens et longc ante analem desinens, radio siraplice postico toto cartilagineo. Pinnae pectorales subhorizontaliter insertae. Dcntes pharyngeales masticatorii aggregati 2. 4. 5./5. 4. 2. facie masticatoria oblique truncata marginibus tuberculata. Aanm. Het geslacht Diplocheilichtbys staat in verwantschap tusschen Labeo eu 143 Rohita. Van Rohita verschilt het door zijne gladrandige ongetepelde of ongefranjede lippen en van Labeo door de afwezigheid van zijdelijke snuithuidkwabben. Bij alle mij naar de natuur bekende soorten van Labeo (Diplocheilos) ligt het voorste onder- oogkuilsbeen verder vóór het oog, van den oogkasrand verwijderd, terwijl het min of meer de gedaante heeft van de helft eener ronde schijf met naar beneden ge- keerdcn bollen rand. Ook zijn de snuitdraden bij Diplocheilos ingeplant hoog aan den snuit, aan den vooronderrand van het voorste onderoogkuilsbeen. Bij Diplocheilichthys daarentegen is het voorste onderoogkuilsbeen gebouwd als bij Rohita, dat is, schuins langwerpig vier- of vijfhoekig en tegen den oogkasrand aanliggende, terwijl er de snuitdraden meer nabij den snuitrand en meer voor- vifaarts zijn ingeplant. De verwantschap is 'alzoo grooter met Rohita dan met Labeo , ofschoon de bouw der rugvin het weder meer tot Labeo doet naderen dan tot Rohita. Ik ken tot dus verre slechts eene enkele soort van dit geslacht, dezelfde, welke ik reeds in 1855 onder den naam van Lobocheilos pleurotaenia beschreven heb. Diplocheilichthys pleurotaenia Blkr. Gehande Duhbellipkarper. Atl. Cypr. Tab. IX fig. 1. Diplocheilichth. corpore subelongato compresso, altitudine 5 fere ad .5 et paulo in ejus longitudine, latitudine 1^/4 ad 2 in ejus altitudine; capite acutiusculo 5 fere ad 6 in longitudine corporis cum, 3% ad 4'Min longitudine corporis absque pinna caudali, altitudine l*/4ad 1-/3 , latitudine l^/iad 12/5 in ejus longitudine; oculis superis, diametro 3 fere ad S^t in longitudine capitis, diametro 1 ad 1 et paulo in capitis parte postoculari, diametro iVi ad l^/s distantibus, membrana palpebrali iridis marginem externum tegente, apertura subcirculari ; linea rostro-dorsali declivi convexiuscula, nucha dorsoque valde convexa; linea interoculari convexa; naribus orbitae multo magis quam rostri apici appro- ximatis , posterioribus patulis valvula claudendis , anterioribus margine elevato subtubulatis ; rostro valde carnoso, oculi diametro juvenilibus non longiore aetate prorectis multo longiore, convexo, antice trunca- tiusculo, inferne in velum membranaceura ante labium superius pendulum desinente, antice poris nume- rosis conspicuis obsito, velo lateribus non lobato, margine inferiore integro; osse suborbitali anteriore irregulariter oblique trigono, vix vel non longiore quam alto, apice acutiusculo antrorsum spectante, 'niargino anteriore rectiusculo, margine posteriore oblique postrorsum adscendente valde curvato superne orbitae contiguo; osse suborbitali 2° elongato-tetragono , plus duplo longiore quam alto, antice quam postice multo altiore, oculi diametro quadruplo ad triplo circiter humiliore; osse sub- orbitali 3° osse suborbitali 4° latiore, oculi diametro plus quintuplo ad plus quadruplo humiliore; cirris gracilibus basi raembranaceis supi'amaxillaribus rostralibus apice rostri insertis multo longioribus oculo paulo ad non brevioribus ; rictu infero , latitudine capitis latitudine sat multo breviore, oreclauso medio paulo antrorsum lateribus valde postrorsum curvato, introltu cavitatis oris interno lato; labio superiore carnoso integro ante maxillam superiorem pendulo ; maxilla superlore acie cartilaginea for- mam ferri equini subreferente, deorsum valde protractili ; maxilla inferiore symphy si postice nee emarginata nee tuberculata, ante symphysin late cartilagineo-carnosa plana acie truncata ; labio inferiore reflexo, carnoso, margine libero cum labio superiore continuo, papillis brevissirais uniseriatis obsito, an- 144 tice quam postice non latiore; Sulco infralabiali utroque latere simplice longitudinaliter directo, ocuH diametro breviore utroque latere fossam profundam efficiënte, istlimo oculi diametro non multo ad non graciliore a sulco lateris oppositi separato ■ operculo duplo ad plus duplo altiore quam lato , oculi diametro graciliore, marglne inferiore rectiusculo vel convexiusculo; apertura brancliiali sub praeoperculi mar- gine posteriore desinente; dentibus pharyngealibus masticatoriis aggregatls 2.4.5./5.4.2. apicem versus compressiusculis, facie masticatoria oblique truncata marginibus elevatis plus minusre uni-vel biloba, dentibus serie anteriore antice non sulcatis; osse scapulari trigono acute rotundato; linea dor- sali convexa linea ventrali convexiuscula multo altiore; ventre ante pinnas ventrales plano, post pinnas ventrales rotundato non vel obtusissime carinato ; squamis subverticalibus , lateribus antice quam cetero corpore majoribus, dimidio libero et dimidio basali longitudinaliter subradiatim striatis, 34 in linea laterali, 13 in serie transversali (ventralibus infimis inclusis) quarum 5'/2 (C) supra line- am lateralem, H vel 12 in serie longitudinali occiput inter et pinnam dorsalem , ventralibus infimis longitudinaliter tri- ad quinque-seriatis postrorsum magnitudine sensim accrescentibus, serie media iis seriebus lateralibus paulo majoribus; linea laterali rectiuscula, antice tantum declivi, basi ven- tralium sat multo magis quam lineae dorsali approximata, singulis squamis tubulo simplice raediani squamam non vel vix attingente notata; pinna dorsali sat longe ante pinnas ventrales incipiente et longe ante pinnam analera desinente, basi alepidota, acuta, emarginata, corpore non vel vix altiore, non multo altiore quam basilonga; pinnis pectoralibus et ventralibus acutis, longltudine subaequalibus , 6 et paulo ad 5*/-2in longitudine corporis, pectoralibus ventrales non vel vix, ventralibus analem non vel vix attingentibus ; anali basi vagina squamosa humillima inclusa, acuta, parum ad valde emar- ginata, dorsali sat multo ad non Immiliore sed plus duplo breviore, duplo ad triplo altiore quam basi longa, radio simplice postico gracilitoto cartilagineo ; caudali basi squamosa, profande incisa, lobis aeutis superiore inferiore paulo ad non longiore, 3V2 ad 3^/4 in longitudine corporis,- colore corpore superne olivaseente-viridi, inferne argenteo; iride flavescente vel rosea; fascia ccphalo- caudali fusco-violacea diffusa, aetate provectioribus conspicua; juvenilibus fascia non conspicua sed cauda macula rotundiuscula violaceo-fusca in linea laterali basi caudalis approximata; squamis dorso lateribusque aetate provectioribus singulis basi macula oblonga tran.ïversa violascente ; pinnis radiis roseis, membrana roseo- vel violascente-byalinis. B. 3. D. 4/10 vel 4/11. P. 1/14 vel 1/15. V. 2/8. A. 3/5 vel 3/6. C. 7/17/7 vel 6/17/6 lat. brev. incl. Syn. Lohocheilos pleurotaenia Blkr, Nalez. vischf. Sumatra, Nat. T. Ned. Ind. IX p. 267. Hab. Sumatra (Lahat), in fluviis. Longitudo 3 speciminum 64'" ad 216'". Aanm. In uiterlijk voorkomen heeft deze soort vrij veel van Labeo (Diplocheilos) cobitis Blkr en Lobocheilos (Lobocheilos) Schvvanefeldi Blkr, doch de vorming harer mond- en snuitdeelen wijst hare plaats aan in een afzonderlijk geslacht. Tot nog toe is de soort slechts van oostelijk Sumatra bekend. Lobocheilos V. Hass., Algem. Konst- en Letterbode 1823 lip. 133; Blkr, Nat. Tijdschr. Ned. Ind. V p. 520. Lehat. Corpus oblonguin vel subelongatum compressum, squamis magnis vestitum. Maxilla nudae. Cirri 4 vel 2, rostrales et supvamaxilla- 145 res vel supramaxillares tantum. Rostrum carnosum integrum, ante os prominens, infi'a apicem truneatum, cute descendente ante labi- um superius pendula. Labium superius ante maxillam superiorem pendulum, integrum, nee papillatum nee cirratum, utroque latere maxillam inferiorem inter et labium inferius deseendens et labii infe- rioris facie superiore postiee affixum. Maxilla superior acie cartilagi- nea semilunari. Maxilla inferior tumida cartilagineo-carnosa , margine anteriore truncata, symphysi postiee nee emarginata nee tuberculata. Labium inferius latum , carnosum , reflexum , integrum , utroque latere lobatum. Sulcus postlabialis utroque latere simplex, longitudinaliter marginem oris versus directus , antice bif urcatus , ramo externo in sul- cum supramaxillarera transiente, ramo interno insertione labii su- perioris desinente, isthmo latissimo a sulco lateris oppositi separatus. Pinna dorsalis ante pinnas ventrales incipiens et longe ante pinnam analem desinens, radio simplice postico cartilagineo. Pinnae pecto- rales subhorizontaliter insertae. Dentes pharyngeales masticatorii aggregati 2. 4. 5/5.4.2. facie masticatoria oblique truncati. Subg. Lohocheilos Blkr. Cirri 4, rostrales et supramaxillares. II Gobionichthys Blkr. Cirri 2, supramaxillares tantum. Aanm. Van Hasselt, de op Java het meest voorkomende soort van dit geslacht waarnemende en de verschillen ontvi^arende tusschen de monddeelen bij deze soort en die van zijne Crossocheilos oblongus en Diplocheilos erythropterus , kwam te regt op het denkbeeld, haar tot een eigen geslacht te brengen, hetwelk hij voor- stelde Lobocheilos te noemen, een naam, geheel passende wegens de zijdelijke kvvab- vormige uitbreiding van de onderlip. Toen ik mijne vroegere, boven aangehaalde, diagnose van Lobocheilos gaf, ken- de ik het geslacht minder goed dan thans , en ik heb sedert ook ontwaard , dat in de aanmerking, onder die diagnose geplaatst, de beteekenis, welke Van Hasselt aan dit geslacht hechtte, niet juist door mij is opgevat , eene misvatting, welke mij eerst duidelijk is geworden sedert ik naast het Bulletin van De Férussac ook heb kun- nen raadplegen de Algenieene Konst- en Letterbode van het jaar 1823, in welke een uittreksel is opgenomen uit eeu' brief van Van Hasselt , over de Javasche Cyprinoï- den handelende. Intusschen is het geslacht Lobocheilos door Van Hasselt niet nader bepaald , zeg- gende hij er slechts van: u dat het door eenen geheel afwijkenden mondvorm te zeer 19 146 onderscheiden is, om het met eenig ander geslacht te vereenigen"; en men zou zelfs geheel in het onzekere verkeeren, welk geslacht door Van Hasselt bedoeld werd, zoo hij op de aangehaalde woorden niet had laten volgen // in onze teekening draagt hij den naam falcifer" , welke teekening sedert gebleken is tot Labeo falcifer Vai. betrekking te hebben, De heer Valenciennes namelijk heeft Lobocheilos falcifer V. Ilass. tot zijn geslacht Labeo gebragt, even als eenige andere geheel van Labeo verschillende soorten. Met betrekking tot Lobocheilos falcifer werd de heer Valenciennes daartoe geleid, door- dien hij slechts de twee bovenkaaksdraden waarnam en de sniiitdraden niet. Het be- vreemdt mij echter, dat de heer Valenciennes een paar jaren later, in het 17^ deel van het groote vischwerk, eene andere na verwante soort van Lobocheilos als eene Chondrostoma heeft opgebragt. Deze soort, uit de afbeelding vanden heer Valen- ciennes zeer goed als eene Lobocheilos te herkennen, komt mij thans voor niet te ver- schillen van de soort, welke ik in mijne Enameratio piscium als Lobocheilos (Gobi- onichthys) javanicus heb aangehaald en welke in vroeger jaren, toen ik er slechts zeer jeugdige voorwerpen van kende, door mij ten onregte als eene Gobio werd beschreven. Gelijk bij Lobocheilos falcifer de snuitdraden door den heer Valenciennes niet werden opgemerkt, ontglipten zijner waarneming bij zijne Chondrostoma li- pocheilos ook de bovenkaaksdraden. Heckel, de Javasche soorten van het geslacht niet naar de natuur kennende, bragt Lobocheilos falcifer eerst, op het voetspoor van den heer Valenciennes, onder Labeo , doch later onder Tylognathus , waartoe hij ook Chondrostoma lipocheilos Val. rekende te behooren. Zij behooren echter evenmin tot Tylognathus als tot Labeo, onverschillig of men het geslacht Tylognathus grondt, zoo als ik voorstel, op Va- ricorhinus diplostomus Heek. (Tylognathus Valenciennesii Heek.) of wel op Tylogna- thus barbatulus Heek., welke eene Crossocheilos is. Het geslacht Lobocheilos is zeer gemakklijk aan den bouw der monddeelen te herkennen. De onderlip vormt aan beide zijden eene afgeronde kwab , welks rand echter niet met de bovenlip vereenigd is. De bovenlip evenwel zet zich beneden- waarts voort en daalt tusschen de onderkaak en de onderlip, om zich, niet aan den rand dier lip , maar aan de bovenvlakte, meer achterwaarts, in te planten. Bij dit kenmerk komt de dikke kraakbeenig-vleezige onderkaak , welker breede bovenvlakte noch uitgerand noch geknobbeld is, de enkele slechts naar voren tweedeelige ach- terlipsgroeve , de gaafrandige lippen, de gaafrandige en niet gekwabte snuithuid, enz. Java en Sumatra voeden meerdere soorten van Lobocheilos. Met zekerheid kan ik spreken van 5 soorten, welke in mijn bezit zijn, doch ik vermoed dat ook nog Labeo hispidus Val en Barbus Hasseltii Blkr f'naar eene teekening beschreven) tot hetzelfde geslacht te brengen zijn. Van de buiten-archipelagische soorten van Cyprinoïden is er nog geene ter mijner kennis gekomen , welke tot Lobocheilos te brengen zou zijn. 147 Van de 5 soorten mijner verzameling behooren er drie, wegens de aanwezig- heid van snuitdraden , tot het subgenus Lobocheilos en de twee andere tot het sub- genus Gobionichthys. — Indien Labeo hispidiis Val. insgelijks eene Lobocheilos is en slechts bovenkaaksdraden bezit , is zij tot Gobionichthys te brengen, terwijl mij- ne vroegere Barbus Hasseltii, indien zij niet tot een ander geslacht moet gebragt worden , wat niet met zekerheid is uit te maken , eene vierde soort van het subge- nus Lobocheilos voorstelt. De bedoelde soorten , althans die mijner verzameling , hebben groote overeenkomst met elkander, zoowel in habitus als in de bijzonderheden van schubben en vin- bouw. Zij laten zich echter naar volgend schema voldoende van elkander onder- kennen. L Cirri 4, rostrales et supramaxillares (Subg. Lobocheilos). A. Squamae 33 ad 35 in linea laterali. D. 4/8 vel 4/9. Rostrum valde prominens. f Squamae 5|- vel 6 supra lineam lateralem. ó Corpus altitudine 6 ad 5 in ejus longitudine. Caput altitudine 1-| ad \l in ejus longitudine. Fascia cephalo-caudalis flavescens. LobocJieilos [Lobocheilos) Schwanefeldi Blkr. ó' Corpus altitudine 5 et paulo ad 4| in ejus longitudine. Caput altitudine ■ 1|. ad vix plus quam 1 in ejus longitudine. Fascia cephalo-caudalis nulla. Lobocheilos [Lobocheilos) falcifer Van Hass. f' Squamae 4^ vel 5 supra lineam lateralem. ó Corpus altitudine 5 et paulo ad 4| in ejus longitudine. Caput altitudine \\ ad 1-^ in ejus longitudine. Fascia cephalo-caudalis nulla. Lobocheilos [Lobocheilos) lehat Blkr. B. Squamae 40 p. m. in linea laterali. D. 4/9 vel 4/10? Rostrum vix prominens f Squamae 4|- vel 5 supra lineam lateralem. Lobocheilos? [Lobocheilos?) Hasseltii Blkr. n. Cirri 2, supramaxillares tantum. (Subg. Gobionichthys). A. Squamae 34 ad 86 in linea laterali, 5^^ vel 6 supra lateralem. P. 1/14 vel 1/15. f Corpus altitudine 5| ad 5 in ejus longitudine. Rostrum valde proninens. Operculum latitudine 2 ad 2 et paulo in ejus altitudine. Lobocheilos [Gobionichthys) lipocheilos Blkr. t' Corpus altitudine 4| in ejus altitudine. Rostrum vix prominens. Oper- culum latitudine 1-| in ejus altitudine. Lobocheilos [Gohionicldhys) microcephalus Blkr. 148 B. P. 17. D. 11 (sec. Valenc.) Squamae? f Corpus altitudine 5 in ejus longitudine. Caput 5 in longitudine corporis. Lohocheilos? {GobionicIUhi/s?) hispidus Blkr. Lobocheilos {Lohocheilos) falcifer Van Hass. , Algem. Konst- en Let- terbode 1823 II p. 133; Blkr, Nieuwe ïientall. diagnost. be- schrijv. nieuwe visehs. v. Sumatra, Nat. T. Ned. Ind. V p 522. Zeisvinnige Lehat. Atl. Cypr. Tab. VI. Lobocheil. (Loboch.) corpore subelongato corapresso, altitudine 5 et paulo ad 4V3 in ejus longitudine, la- titudine 2 ad 2V4 in ejus altitudine; capite convexo antice truncatiusculo , 6 ad 7 in longitudine corporis cum, 4^, 3 ad 5^5 iu longitudine corporis absque pinna caudali, altitudiue l'/4 ad vix plus quam 1, latitudine IV5 ad l^/s in ejus longitudine; oculis superis, diametro 3 ad 4',2in longitudine capitis, diametro 1 ad 1% in capitis parte postoculari , diametro l^/s ad 2V2 fere distantibus , membrana pal- pebrali iridis magnam partem tegente, apertura subcirculari ; linea rostro-dorsali fronte et vertice declivi rectiuscula velconvexiuscula, nucha dorsoque va'lde convexa ; linea interoculari convexa ; na- ribus orbitae multo magis quam rostri apici approximatis, ^osterioribus patulis valvula claudendis, auterioribus margine elevato snbtubulatis ; rostro valde carnoso, juvenilibus oculo non aetate prove- etis oculo multo longiore, convexo, antice truncato vel truncatiusculo, lateribus non lobato sed sul- co parum obliquo superficiali ad sat profnndo frequenter cum sulco lateris oppositi unito percurso, supra et infra sulcum poris numerosis conspicuis obsito, infra apicem facie trigona plus minusve postrorsum descendente ibique velum semilunare laeve labium superius occultantem eflficiente velo mar- gine libero integro , nee papillato nee cirrato , lateribus non lobato ; osso suborbitali anteriore oblongo subtrigono vel quadratiusculo , longiore quam alto, apice rotundato vel plus minusve truncato an- trorsum spectante, margine posteriore subverticali plus minusve emarginato vel curvató; ossc suborbi- tali 2° elongato- vel oblongo-tetragono , plus triplo ad duplo longiore quam alto , antice quam postice non multo altiore, oculi diametro quadruplo ad duplo humiliore; osse suborbitali 3° osse suborbitali 4° latiore oculi diametro plus triplo ad duplo humiliore; cinis gracilibus basi membranaceis, suprama- xillaribus rostralibus longioribus, oculo vulgo paulo brevioribus , rostralibus antice in sulco rostrali ante os suborbtitale lm insertis; rictu subinfero, latitudine capitis latitudine sat multo breviore, ore clauso medio parum antrorsum curvato lateribus valde postrorsum curvato ; ore aperto subsemilunari , introitu cavitatis oris interno lato; labio superiore carnoso, integro, ante maxillam superiorem pen- dulo, usque infra maxillam inferiorem descendente et facie labii superiore sat longe post ejus margi- nem anteriorem alTixo ; maxilla superiore acie cartilaginea subsemilunari, deorsum valde protractili; maxilla inferiore symphysinec eraarginata nee tuberculata, ante symphysin late cartilagineo-carnosa valde crassa, tumida, acie truncata ; labio inferiore carnoso, lato, reflexo, margine anteriore villosius- culo, antice quam postice latiore, utroque latere in lobum rotundatum producto ; sulco infralabiali mar- ginem oris versus directo, oculo breviore, isthrao valde lato a sulco lateris oppositi separato, antice bifurcato ramulo interne labium inferius inter et faciem labii inferioris superiorem decurren- te, ramulo externe in sulcum supramaxillarem transiente; operculo latitudine l-s ad 2',* in ejus altitudine, oculo paulo graciliore ad paulo latiore, margine inferiore rectiusculo vel convexiusculo : apertura branchiali sub praeoperculi margine posteriore desinente; dentibus pharyngealibus masti- 149 catorlis aggregatis 2.4.5/5.4.2. , apicem versus corapressiusculis, facie mastlcatoria oblique truncata marginibus non vel vix elevata non lobata, dentibus serie auteriore antice non sulcatis; osse sca- pulari trigono acuto vel acutiusculo rotundato; linea dorsali convexa linea ventrali convexa multo al- tiore; ventre ante pinnas ventrales plano, post pinnas ventrales planiusculo non carinato; squamis subverticalibus, lateribus medio et antice quam cetero corpore raajoribus , dimidio libero et vulgo etiam dimidio basali longitudinaliter vel subradiatim striatis , 34 vel 35 in linea lat erali, 13 In serie trans- versali (ventralibus infimis inclusis) quarum 5i,-2 (6) supra linea lateralem, H vel 12 ia serie longi- tudinali occiput inter et pinnam dorsalem, ventralibus infimis longitudinaliter tri- ad quinque-seri- atis, postrorsum magnitudine sensim accrescentibus serie media ii» seriebus lateralibus vix majoribus; linea laterali rectiuscula, antice tantum declivi, basi ventralium multo magis quam lineae dorsali approximata, singulis squamis tubulo simplice mediam squaraamnon vel vix attingentem notata ; pin- na dorsali sat longe ante pinnas ventrales incipiente et longe ante pinnam analem desinente, basi alepidota, acuta, valde emarginata, corpore vix ad multo altiore, multo minus duplo ad triplo al- tiore quam longa, radio simplice postico et radio fisso 1" aetate provectis valde productis; pinnis pectoralibus et ventralibus acutis longitudine subaequalibus 6 ad 5 fere in longitudine corporis , pec- toralibus ventrales, ventralibus analem attingentibus vel non attingentibus ; anali basi vagina squa- mosa humillima inclusa, acuta, mediocriter ad valde emarginata, dorsali multo ad duplo ferehumi- liore et duplo fere ad duplo breviore, duplo ad triplo altiore quam basi longa , radio simplice tertio gracili toto cartilagineo ; caudali basi squamosa , profunde incisa lobis acutis , superiore inferiore vulgo lougiore, 4 ad 3-, 5 in longitudine corporis; colore corpore junioribus superne olivaceo inferne mar- garitaceo vel argenteo, aetate provectis superne violascente-olivaceo, inferne griseo vel olivaceo- margaritaceo ; juvenilibus frequenter corpore postice vestigio vittae longitudinalis fuscescentis in linea laterali; iride aureo-olivacea vel aureo-fusca margine pupillari aureaj pinnis radiis roseis, membrana rojeo-liyalinis vel roseo-violascentibus vel olivascente-violaceis. B. 3. D. 4/8 vel 4/9. P. 1/14 vel 1/15. V. 2/8. A. 3/5 vel 3/6. C. 6/17/6 vel 7/17/7 lat. brev. incl. Syn. Labeo falcifer Val., Poiss. XVI p. 274. Labéon falcifer Val. , ibid, Lehat, Mülang, Mal. Bat., Sund., Udjah Sund. Hab. Java (Batavia, Rankasbetong , Lebak, Tjampea, Buitenzorg, Sadjira, Sading, Tjiandjur, Parongkalong , Kuningan, Ngantang), in iluviis. Sumatra (Meninju), in laeubus. Longitudo 27 speciminum 95'" ad 335'". Aanm. Lobocheilos falcifer is door Van Hasselt ter boven aangehaalde plaatse slechts benoemd, maar niet beschreven, doch eene afbeelding der soort, door Van Hasselt nagelaten, heeft mij de zekerheid gegeven, dat mijne voorwerpen tot dezelfde species behooren. De heer Valenciennes heeft de soort het eerst beschreven , doch als eene Labeo. Zijne beschrijving laat in meerdere opzigten te wenschen over. Alle mijne voor- werpen bezitten 4 voeldraden en niet slechts twee bovenkaaksdraden , zooals de heer Valenciennes van zijne Labeo falcifer opgeeft. De snuitdraden zijn echter zeer dun en bij gedroogde en kleine exemplaren zeker moeijelijk waarneembaar. Lobocheilos falcifer komt in de hoogere gedeelten van het gebied der grootere rivie- ren van West-Java in genoegzame hoeveelheid voor, om onder de voedingsmiddelen 150 der inlandsche bevolking te worden gerangschikt. Honderden voorwerpen, van één tot meer dan twee voeten lengte , zag ik vangen bij Parongkalong in de Tjitaroem , tijdens eene vischpartij daar aangerigt. Ook in het westelijke gedeelte der re- sidentie Buitenzorg heb ik den Lehat in groote hoeveelheden ter markt zien brengen- ïe Eatavia is de soort zeldzaam en wordt slechts gevangen bij hoogen stand der rivieren, alswanneer de jongere voorwerpen door den sterken stroom soms uit de bovenlanden worden afgevoerd. Lobocheilos (Lohocheilos) Schivanefeldi Blkr, Nieuwe tientall. diagn. beschr. nieuwe visclis. Sumatra, Nat. T. Ned. Ind. V p. 523. — Schwanefeld's Lehat. Atl. Cypr. Tab. IX fig. 3. Loboclieil. (Loboch.) corpore elongato compresso, altitudine 6 fere ad 5 in ejus longitudine, latitu- dlne 2 ad 1^,4 in ejus altitudine; capite convexo, antice truncatiusculo , C et paulo ad 6'/2 in longi- tudine corporis cum, 4V2 fere ad 5 fere in longitudine corporis absque pinna caudali , altitudine I-/5 ad 1^,7 , latitudine I-/3 fere ad l'/s in ejus longitudine; oculis superia, diametro 3 et paulo ad 3^/3 in longitudine capitis, diametro 1 et paulo ad iVi in capitis parte postoculari, diametro V/i ad l^/'i distantibus; membrana palpebrali iridis sat magnam partem tegen te, apertura subcirculari ; li- nea rostro-dorsali fronte et vertice declivi rectiuscula vel convexiuscula , nuclia dorsoque valde convexa; linea interoculari convexa; naribus orbitae multo magis quam rostri apici approximatis, posterioribus patulis valvula claudendis , anterioribus margine elevato subtubulatis ; rostro valde car- noso, juvenilibus oeulo non, aetate provectis oculo multo longiore, convexo, antice truncato vel trun- catiusculo, lateribus non lobato sed sulco parum obliquo superficiali ad sat profundo interdum cum sulco lateris oppositi unito percurso, supra et infra sulcum poris numerosis conspicuis obsito, infra apicem facie trigona plus minusve postrorsum descendente ibique velum serailunaro laevf labium superius occultantem efficiënte, velo margine libero integro, nee papillato, nee cirrato, lateribus non lobato; osse suborbitali anteriore oblongo subtrigono vel quadratiusculo , longiore quam alto, apice vulgo plus minusve truncato antrorsum spectante. margine posteriore subverticali plus minus- ve emarginato vel curvato; osse suborbitali 2" elongato-tetragono, plus duplo longiore quam alto, antice quam postice multo ad paulo altiore, oculi diametro plus duplo ad triplo bumiliore; osse suborbitali 3° osse suborbitali 4° latiore oculi diametro plus quadruplo ad triplo humiliore; cirris gracilibus , basi membranaceis , supramaxillaribus rostralibus multo longioribus oculo multo ad paulo brevioribus , rostralibus antice in sulco rostrali ante apicem vel sub apice ossis suborbitalis anterioris insertis; rictu subinfero, latitudine capitis latitudine sat multo breviore, ore clauso medio parum antrorsum curvato, lateribus valde postrorsum curvato, ore aperto subsemilunari , introitu cavitalis oris iaterno lalo; labio superiore carnoso, integro, ante maxillam superiorem pendulo, usque in- fra maxillam inferiorem descendente et facie labii inferioris superiore sat longe post ejus marginem anteriorem affixo; maxilla superiore acie cartilaginea subsemilunari, deorsum valde protactili; ma- xilla inferiore symphysi nee emarginata nee tuberculata, ante symphysin late cartilagineo-carnosa, valde crassa , tumida , acie truncata ; labio inferiore carnoso , lato , reflexo, margine anteriore villosius- culo, antice quam postice latiore, utroque latere in lobum rotundatum producto; sulco infi-alabiali marginem oris versus directo, oculi diametro non multo breviore, isthmo valde lato a sulco lateris oppositi separato, antice bifurcato ramulo interne labium inferius inter et faciem labii inferioris 151 supei'iorem decurrente, raraulo externo in sulcum supramaxillarem transiente; operculo latitudine 2 circiter in ejus altitudine, oculi diametro paulo graciliore , margine inferiore convexiuscnlo vel rectiusculo ; apertura brancliiali sub praeoperculi margine posteriore desinente ; dentibus pharyngealibus masti- catorüs aggregatis 2.4.5/5 4.2. apicem versus compressiusculis , facie masticatoria oblique truncata marginibus parum elevatis non lobata, dentibus serie anteriore antice non sulcatis ; osse scapulari trigono acute rotundato ; linea dorsali convexa linea ventrali convexa multo altiore,- ventre ante plnnas ventrales plano, post pinnas ventrales rotundato non carinato ; squamis subverticalibus, lateri- bus medio et antice quam cetero corpore majoribus, dimidio basali longitudinaliter subradiatim striatis, 34 in linea laterali, 13 in serie transversali (ventralibus infimis inclusis) quarum S'/a (6) supra lineam lateralem, 11 vel 12 in serie longitudinali occiput inter et'pinnam dorsalera, ventralibns icS- rais longitudinaliter tri- ad quinque-seriatis, postrorsum magnitudine sensim accrescentibus, serie media iis seriebus latenilibus non vel vix majoribus; linea laterali rectiuscula , antice tantum declivi, basi ventralium sat multo magis quam lineae dorsali approximata, singulis squamis tubulo simplice mediam squamara non vel vix attingente notata ; pinna dorsali sat longe ante pinnas ventrales inci- piente et longe ante pinnam analem desinente, basi alepidota, acuta, valde emarginata. corpore non ad vix altiore, multo minus duplo altiore quam basi longa, radiis productis nullis; pinnis pectoralibus et ventralibns longitudine subaequalibus, 5'/2 ad 6'/2 in longitudine corporis, pectora- libus ventrales non vel vix, ventralibus analem non vel vix attingentibus ; anali basi vagina squamosa humillima inclusa, acuta, mediocriter ad valde emarginata, dorsali sat multo humiliore et duplo ad duplo fere breviore, duplo ad non multo plus duplo altiore quam basi longa, radio simplice postico gracili toto cartilagineo ; caudali basi squamosa, profunde incisa , lobisacutis, superiore infe- riore vulgo longiore 3^/3 ad 4 fere in longitudine corporis; colore corpore superne olivaceo, inferne argenteo vel margaritaceo ; iride rosea vel flava margine pupillari aurea; cauda vestigio fasciae lon- gitudinalis violascente-fusca diffusa in linea laterali; fascia insuper longitudinali diffusa flavicante corpore antice supra lineam lateralem, non semper conspicua; pinnis radiis roseis, membrana roseo- vel violascente-hyalinis. B. 3. D. 4/8 vel 4/9. P. 1/14 vel 1/15. V. 2/8. A. 3/5 vel 3/G. C. 6/17/6 vel 7/17/7 lat. brev, incl. Syn. Lahat, Millang Sund. Hab. Java (Lebak, Parongkalong) , in fluviis. Sumatra (Solok, Lahat), in fluviis; Longitudo 15 speciminum 82" ad 212'". Aantn. Lobocheilos Schwanefeldi is zoo na verwant aan Lobocheilos falcifer , dat ik , zelfs na eene nadere studie van beide soorten, geaarzeld heb , haar onder een eigen' soortnaam te laten. Alle mijne voorwerpen behooren waarschijnlijk tot den nog jeugdigen leeftijdstoestand en daar de vinnen , vooral de voorste rugvin- en aarsvinstralen , zich bij Lobocheilos falcifer eerst in verder gevorderde leeftijdstoe- standen aanmerkelijk ontwikkelen en aan de betrekkelijke vinnen eene min of meer sikkelvormige gedaante geven, mag men vermoeden, dat ook bij de oudere voorwerpen van onderwerpelijke soort die vinnen andere hoogte-evenredigheden erlangen. Bij de vergelijking der soorten heb ik mij enkel bepaald tot voorwerpen van gelijke grootte. Wat dan het meeste in het oog valt en het soortelijk verschil voornamelijk bepaalt , is, dat bij Lobocheilos falcifer het ligchaam minder slank is en de kop stomper en aanmerkelijk hooger dan bij Lobocheilos Schwanefeldi. Misschien ligt 152 ook een soortelijk kenmerk in den flaauw gelen overlangschen band boven de zijlijn op de voorste helft des ligchaams, welke bij de meeste mijner voorwerpen, niette- genstaande langdurige bewaring in wijngeest, nog vrij goed waarneembaar is, Lobocheilos (Lobocheilos) lehat Blkr — Soendasche Lehat. Atl. Cypr. Tab. VIII fig. 8. Lobocheil. (Loboch.) corporesubelongato compresso, altitudine 5 et paulo ad4*/5in ejus longitudine, latitudine 2 fere in ejus altitudine; capite convexo, antice truncatiusculo , 6 fere ad 6 in longitudine corporis cum, 4 et paulo ad 4^/3 in longitudine covporis absquepinna caudali, altitudine IVaadl'/i, latitudine 1^/5 ad iVain ejus longitudine; oculis superis, diametro 3 et paulo ad SVsin longitudine capitis, diametro 1 et paulo ad l^/iin capitis parte postoculari, diametto IV3 ad 1^/5 distantibus, membrana palpebrali iridis partem sat magnam tegente, apertura subcirculari ; linea rostro-dorsali fronte et vertice declivi convexa vel convexiuscula , nucha dorsoque convexa; linea interoculari con- vexa; naribus orbitae multo magis quam rostri apici approximatis , posterioribus patulis valvula claudendis , anterioribus margine elevato subtubulatis ; rostro valde carnoso , oculo non ad non multo longiore, convexo, antice truncato vel truncatiusculo, lateribus non lobato sed suico parum obliquo superficiali non cum sulco lateris oppositi unito percurso, superne et inferne poris numerosis con- spicuis obsito, infra apicem facie trigona convexa plus minusve postrorsum descendente ibique ve- lum semilunare laeve labium superins occultantem efficiënte, velo margine libero nee papillato nee cirrato lateribus non lobato ; oase suborbitali anteriore irregulariter trigono , longiore quam alto, apice rotundato vel plus minusve truncato antrorsum spectante, margine posteriore subverti- cali plus minusve emarginato vel curvato; osse suborbitali 2" elongato- vel oblongo-tetragono, minus duplo ad duplo longiore quam alto, antice quam postice multo altiore, oculi diametro vix plus duplo humiliore; osse suborbitali 3° osse suborbitali 4° latiore, oculi diametro plus duplo ad triplo circiter humiliore; cirris gracilibus, basi membranaceis , supramaxillaribus rostralibus multo longioribus, oculo sat multo brevioribus, rostralibus antice in sulco rostrali sub apice ossis subor- bitalis anterioris insertis; rictu subinfero, latitudine capitis latitudine sat multo breviore, ore clauso medio parum antrorsum curvato lateribus valde postrorsum curvato, ore aperto subsemilnnari , introitu cavitatis oris interno lato; labio superiore carnoso, integro, ante maxillam superiorcm pendulo, infra maxillam inferiorem descendente et facie labii inferioris superiore sat longe post ejus marginem anteriorem affixo; maxilla superiore acie cartilaginea subsemilnnari, deorsum valde pro- tractili; maxilla inferiore symphysi nee emarginata, nee tuberculata, symphysi late cartilagineo- carnosa, valde crassa, tumida, antice truncata; labio inferiore carnoso, lato, reflexo, lateribus non lobato, sed obtuse rotundato, antice quam postice latiore, margine anteriore villosiusculo vel leviter papillato; sulco infralabiali marginem oris versus directo, oculo non multo breviore, isthmo lato a sulco lateris oppositi separate, actice bifurcato labium superius inter et faciem labii inferioris superiorem desinente , frenulo carneo a sulco supramaxillari separato ; operculo latitudine 2 circiter in ejus altitudine , oculi diametro graciliore , margine inferiore rectiusculo vel concaviusculo ; apertura branchiali sub praeoperculi margine posteriore desinente j dentibus pharyngealibus masticatoriis agj- gregatis 2. 4. 5./5. 4. 2 , apicem versus compresslusculis , facie masticatoria oblique truncata mar- ginibus non vel vix elevatis non lobata, dentibus serie anteriore antice non sulcatis; osse scapulari trigono acute rotundato; linea dorsali convexa linea ventrali convexa multo altiore; ventre ante pinnas ventrales plano, post pinnas ventrales rotundato, non carinato; squamis subverticalibus . 153 lateribus medio et antice quam cetero corpore majorlbus, dirnidio libero et dimidio basali longitu- dinaliter vel subradiatim striatis, 33 vel 34 in linea laterali, 12 in serie trans versali (ventralibus in- fimis inclusis) quarura 4', 2 (5) supra lineam lateralera, 9 in serie longitudinali occiput inter et pinnam dorsalem, ventralibus infimis longitudinaliter tri-ad quinque-serlatis postrorsutn magnitudine sensim accrescentibus serie media iis seriebus lateralibus non vel vix majoribus; linea laterali rectiuscula, antice tantum declivi, basi ventralium sat multo magis quam lineae dorsali approximata, singulis squa- mis tubulo simplice mediam squamam attingente vel subattingente notata; pinna dorsali sat longe antepinnas ven trales incipiente et longe ante pinnam analem desinente, basi alepidota, acuta, emar- ginata, corpore vix ad non humiliore, minus duplo altiore quam basi longa; pinnis pectoralibus et ventralibus acutis, longitudine subaequalibus , ö'^'s ad 6 et paulo in longitudine corporis , pectoralibus ventrales non, ventralibus analem non vel vix attingentibus ; anali basi vagina squamosa liumillima inclusa, acuta, emarginata , dorsali sat multo ad multo minus duplo humiliore et duplo fere breviore, plus duplo altiore quam basi longa , radio simplice tertio gracili toto cartilagineo ; caudali basi squa- mosa profunde incisa, lobis acutis, superiore inferiore longiore S'/sad 4 in longitudine corporis; co- lore corpore superne olivaceo, inferneargenteo; squamis dorso lateribusque singulis basi vitta trans- versa violacea; iride flava vel rosea; pinnis radiis roseis, membrana roseo-hyalinis. B 3. D. 4/8 vel 4/9. P. 1/15. V. 2/8. A. 3/5 vel 3/6. C. 6/17/6 vel 7,17/7 lat. brev. incl. Syn. Lobocheilas lehat Blkr, Enumer. specier. pisc. javan. Nat. ï. Ned. Ind. XV p. 428 (nee Syn.) Lehat, Millang Sundan. Hab. Java (Parongkalong) , in fluvils. Longitudo 2 speciminum 105'" et 124'". Ik vermoed, dat mijne voorwerpen behooren tot een' nog jeugdigen leeftijdstoestand. De soort zelve verschilt voornamelijk van Lobocheilos falcifer door één overlangsche schubrei minder boven de zijlijn, onverdeelde onderlipsgroef, welke door een toompje van de bovenkaaksgroef is gescheiden , meer afgeronden aan de ondervlakte bollen eri. minder afgeplatten en minder boekigen snuit, enz. In habitus vertoonen ove- rigens voorwerpen van gelijke grootte van beide soorten zeer groote overeenkomst. De minder talrijke schubreijen boven de zijlijn en de daardoor grootere schubben, vallen echter, bij oplettende waarneming, zeer in het oog. Lobocheilos? (Lobocheilos?) Rasseltii 'Blkv. Atl. Cypr. Tab. VIII fig. 1. Loboch. ? corpore oblongo compresso, altitudine 3^/i circiter in ejus longitudine; capite acutiusculo 5 circiter in longitudine corporis cura, 4 l'ere in longitudine corporis absque pinna caudali; altitudine capitis IV* circiter in ejus longitudine; oculis diametro SVs circiter in longitudine capitis, diametro l'yS in capitis parte postoculari ; rostro convexo, oculo longiore, non ante os prominente: linea rostro-dorsali supra oculos concavinscula, nucha convexa; maxilla superiore anteoculum desinente; cirris supramaxillaribus cirris rostralibus longioribus oculo non vel vix brevioribus ; labiis carnosis ; dorso elevato ventre vix convexiore; squamis 40 p. m. in linea laterali, 10 p. m. in serie trans- versali absque ventralibus infimis quarum 41/2 (5) supra lineam lateralem, 11 vel 12 in serie longitu- dinali occiput inter et pinnam dorsalem; pinna dorsali paulo ante basin pinnarum ventralium in- cipiente, acuta, emarginata, altitudine I-/3 circiter in altitudine corporis, non vel vix altiore quam basi longa, radio simplice postico Tracilli'.no glabro ccipite breviore; piunis pectoralibus et ventra- 20 154 libus acutis loDgltudino subaeqnalibus C'/-2 ad 7 in longitndine corpon's, pectoralibus ventrales non,' ventrallbus analem non attingentibus; analL acuta, emarginata, dorsali vlx vel non humiliore, plus duplo altiore quam basi longa , radio simplice tertio gracili cartilagineo ; caudnli basi tantum squa- mosa, profunde incisa, lobis acutis 4i/2 circiter in longitudine corporis; coloribus . . . .? D. 3/9 vel 4/9. P. 1/15. V. 1,8 vel 2/8. A. 2/5 vel 3/5. C. 5/17/5. vel G/17,6, lat. brev. incl. Syn. Barbus Hasselin Blkr, Descript. specier. pisc. Javan. nov., Nat. ïijdschr. Ned. Ind. XIII p. 355. Hab. Java (Sading-wetan), in fluviis. Longitudo figurae descriptae 12ö"'. Aanm. Ik stelde deze soort op naar eene schetsteekening, nagelaten door Kulil en Van Hasselt^ zijnde het mij tot nog toe niet gelukt voorwerpen daarvan te be- komen. Ik bragt haar vroeger onder het geslacht Barbus, doch ik ben thans niet vreemd aan het denkbeeld, dat zij veeleer tot het geslacht Lobocheilos te brengen is. De afbeelding schijnt overigens niet de naauwkeurigheid te bezitten, welke men gewoonlijk in de door Van Hasselt nagelatene afbeeldingen aantreft. Lobocheilos (^Gohioniclithys') Upocheilos Blkr, Tweedradlcje Lehat. Atl. Cjpr. Tab. VIL Lobocbeil. (Gobion.) corpora subelongato corapresso, altitudine ö'/a ad 5 in ejus longitudine, latitudine 2 ad 2 fere in ejus altitudine; capita convexiusculo, antice rotundato non truncato, 5 et paulo ad7'/i in longitudine corporis cum , 4 ad ö'/s in longitudine corporis absque pinna caudali , altitudine l'/i circiter, latitudine l-,3ad Ij/^ in ejus longitudine; oculis superis , diametro S et paulo ad 4 et paulo in longitudine capitis, diametro 1 et paulo ad IV3 in capltis parte postoculari, diametro 1 et paulo ad 2,','4 distantibus, membrana palpebrali iridis magnam partem tegente apertura subcirculari ; linea rostro-dorsali fronte et vertice decUvi rectiuscula vel convexiuscula, nuclia dorsoque valde convexa; linea interoculari convexa; naribus orbitaemulto magis quam rostri apici approximatis, posterioribus patulis valvula claudendis, anterioribus margine elevato subtubulatis ; rostro valde carnoso, oculo jiivenilibus breviore provectis multo longiore, convexo. conico, acutiusculo, non truncato, lateribus non lobato sed sulco parum obllquo rostri apicera nou atlingente percurso , apice et supra et infra sulcum poris numerosis conspicuis obsito, infra apiceni facie brevi subtrigona plus minusve postror- sum descendente ibique velum semiluuare laeve labium super ius occultantem efficiënte, velo mar- gine libero integro, nee papiUato, nee cirrato, laturlbus non lobato; oase suborbitali anteriore oblongo subtrigouo vel quadratiusculo, multo longiore quam alto, apice rotundato vol plus minus- ve truncato antrorsum spectante, margine posteriore oblique postrorsum adscendente convexo vel augulato; osse suborbitali 2° elongato-tetragono, plus duplo longiore quam alto, antice quam pogtice sat multo altiore, oculi diametro plus duplo ad quadruplo fere humiliore; osse suborbitali 3° osse suborbitali 4° latiore, oculi diametro triplo ad sextuplo humiliore; cirris rostralibus nullis, supra- maxillaribus gracilibus, basi membranaceis, oculo multo ad paulo brevioribus; rictu subinfero, latitudine capitis latitudine sat multo breviore, ore clauso medio parum antrorsum curvato lateribus valde postrorsum curvato, ore aperto subserailunari, introitu cavitatis oris interno lato; labio supe- riore carnoso integro, ante raaxillam supcriorem pendulo, usque infra maxillam inforiorem descen- dente et facie labii inferloris superiore sat louge post ejus marginem anteriorem affixo; maxillu superiors acie cartilaginea subsemiluuari , deorsum valde protractili; maxillainferioresymphysi nee emarginata, 155 nee tuberculata, ante symphysin late cartilagineo-carnosa, valde crassa , tumida, acie truncata ; lablo inferiore carnoso, lato, reflexo, margine anteriore villosiusculo, antice quam postice latiore, utroque latere in lobum rotundatum producto ; sulco intValabiall margineni oris versus directo, oculo breviore, isthmo valde lato a sulco lateris oppositi separato, antlco bifurcato raraulo interno labium superius inter et faciem labii inferioris superiorem decurrente, ramulo externo in sulciim supramaxillarem transiente; operciilo latitudine 2 ad 2 et paulo in ejus altitiidine, oculi diametro non vel vix graci- liore, margine inferiore rectiusculo vel coneaviusculo ; apertura branchiali sub praeoperculi margine posteriore desinente; dentibus pharyngealibus masticatoriis aggregatis 2.4.5./5.4.2, apicem versus compressiusculis, facie masticatoria oblique truncata marginibus non vel parum elevatis non lobata, dentibus serie anteriore antice non sulcatis; osse scapulari trlgono acute rotuudato; linea dorsali convexa linea ventrali convexa multo altiore; ventreaute pinnas ventrales plano, post pinnas ventrales planiusculo non carinato; squamis, snbverticalibus, lateribus medio et antice quam cetero corpore majoribus, dimidio libero et dimidio basali longitudinaliter vel subradialim striatis , 35 vel 36 in linea laterali, 13 in serie transversali (vcntralibus iufimls inclusis) quarum 5V2 (6) supra lineam la- teralem, 12 vel 13 in serie longitudinali occiput inter et pinnara dorsalem, ventralibus infimis longi- tudinaliter tri- ad quiaque-seriatis, postrorsum magnitudine senslm accrescentibus , serie media iis seriebus lateralibus vix majoribus; linea laterali rectiuscula, antice tantum declivi, basi ventraliuni sat multo magis quam lineae dorsali approximata, singulis squamis tubulo simplice raediam squamam non attingente notata; pinna dorsali ante pinnas ventrales incipiente etlonge ante pinnam analem desinente, basi alepidota, acuta, valde emarginata, corpore humiliore ad vis altiore, multo minus duplo altiore quam longa; pectoralibus et ventralibus acutis longitudiue subaequalibus 6';3 ad 6 iii longitudine corporis, pectoralibus ventrales non , ventralibus analem non attingentibus ; anali basi va- gina squamosa humilliraa inclusa, acuta, mediocriter ad valde emarginata, dorsali multo humiliore et duplo ad duplo fere breviore, duplo ad plus duplo latiore quam basi longa, radio simplice tertio gracili toto cartllagineo; caudali basi squamosa, profunde incisa, lobis acutis, inferiore longiore 4 ad 3-;3 in longitudine corporis; eolore corpore superne olivaceo, inferne argenteo vel margaritaceo ; iride flava vel rosea; pinnis radiis roseis, merabrana roseo-vel violascente-hyalinis. B. 3. D. 4/8 vel 4/9. P. 1/14 vel 1/15. V. 2/8. A. 3/5 vel 3 0. C. G/17/6 vel 7/17/7 lat. brev. incl. Syn. Ohondrostoma Upocheilos Val., Poiss. XVII p. 208 tab. 513. Chondrostome a Vevre épaisse Val., ib. Tijlognathus Upocheilos Heek., Fisch. Syr. p. 181, 188. Gobio javankus Wikv, Descr. spec. pisc. Javan. nov.. Nat. T. Ned. Ind. XII p. 358. Lobocheilos (Gobionichlhys) javanicus Blkr, Enum. piscium. Arcli. Ind. p. 145. Wadong gunwvj Jlal. Bat., Lehat , Mülanj Sund. Hab. Java (Batavia), in fluviis. Longitudo plus quam 200 speciminum 41'" ad 265'". Aanm. ik meen thans in de onclerwerpclijke teruggevonden te hebben de soort , door den heer Valenciennes onder den naam van Ohondrostoma Upocheilos beschre- ven en afgebeekl. Dat die soort geene Ohondrostoma kon zijn, werd door lieckel reeds opgemerkt in zijne Fische Syriens. Inderdaad, Lobocheilos (Gobionichthys) upocheilos heeft volkomen dezelfde lipvorming als Lobocheilos falcifer en Lobochei- los Schwanefeldi, doch het naauvvkeiirigste onderzoek laat er slechts bovenkaaks- draden en geene snuitdraden ontwaren. Reeds daardoor is zij A-an de beide ge- 156 noemde te onderkennen, doch zij verschilt bovendien van die beide soorten nog door haren afgeronden en niet afgeknotten snuit. Zij is overigens nader verwant aan Lobocheilos Schwanefeldi dan aan Lobocheilos falcifer, welke ligchaam, kop en rugvin betrekkelijk aanmerkelijk hooger heeft, maar laat zich , behalve door de bovengenoemde kenmerken , nog van Lobocheilos Schwanefeldi onderkennen door afwezigheid der overlangsche bandteekening , hoo- geren kop, min of meer hollen ondersten operkelrand, enz. Ik beschreef deze soort vroeger als eene soort van Gobio, naar zeer jeugdige voorwerpen, van welke het grootste niet langer was dan 72 millimeters. Sedert meer oplettend geworden op de groote verscheidenheid in en het diagnostische gewigt van den bouw der monddeelen , heb ik herkend , dat die bouw volkomen beantwoordt aan dien bij de verwante soorten van Lobocheilos, terwijl eene naauwkeurige verge- lijking met sedert ontvangene grootere voorwerpen dienaangaande geen' twijfel heeft overgelaten. Ik teeken hier nog aan, dat in de beschrijving van den heer Valenciennes opge- geven is , dat de soort slechts 26 schubben op eene overlangsche rei heeft. Dit zal wel eene schrijf- of drukfout zijn, vermits de afbeelding ongeveer 37 schubben op eene overlangsche rei aangeeft, wat met de natuur overeenkomt. Daarentegen geeft de afbeelding het tandenstelsel der soort zeer onjuist terug, terwijl het in de be- schrijving juist geschetst is. De vorm der monddeelen is op de afbeelding vol- strekt onvoldoende teruggegeven. Lobocheilos {Gohionichthys) microcephalus Blkr, Kleinkoppige Lehat. Atl. Cypr. Tab. VIII fig. 2. Loboch. (Gobion.) corpore swbelongato corapresso, altitudine é^/iinejus longitudine, latitudine 2 in ejus altitudine; capite convexiusculo , antice rotundato nou truncato, S^'^in longitudiue corporis cum , 4-/3 circiterin longitudine corpovis absque pinna caudali, altitudine lV4 circiter, latitudine 1^ 3 circiter in ejus longitudine; oculis superis, diametro 3 et paulo in longitudine capitis, diametro 1 et paulo in capitis parte postoculari, diametro iVscirciter distantibus, membrana palpebrali iridis marginem externum tegente apertura subcirculari ; linea rostro-dorsali fronte et vertice declivi conveiiuscula, nucha dorsoque valde convexa ; linea interoculari convexa ; naribus orbitae mnlto magis quam rostri apici approximatis , posterioribus patulis valvula claudendis, anterioi-ibus margine elevato subtubu- latis; rostro valde carnoso, oculo vix breviore, convexo, non truncato, lateribus non lobato, utroque latere sulco obliquo parum conspicuo brevi, antice poris numerosis conspicuis obsito, infra apicem facie trigona nulla, velo brevi labium superius occultante margine libero integro, nee papillato, nee cirrato , lateribus non lobato ; osse suborbitali anteriore oblongo-trigono , paulo longiore quam alto , apice rotundato antrorsum spectante, margine posteriore subverticali parum curvato ; osse orbi- tali 2° elongato-tetragono, plus duplo longiore quam alto, antice quam postice paulo altiore, oculi diametro plus triplo humiliore; osse suborbitali 3° osse suborbitali 4° paulo latiore. oculi diametro multoties humiliore; cirris rostralibus nullis, supraniaxillaribus gracilibus oculi diametro minus 157 duplo brevioribus; rictu subinfero, latitudine capitis latitudine valde multo breviore, ore clauso me- dio parum antrorsum curvato, lateribus valde postrorsum curvato, ore aperto subsemilunari, in- troitu cavitatis oris interno lato; labio superiore carnoso, integro, ante maxillam superiorera pen- dulo, usque infra maxillam iDferiorem descendente et facie labii inferioris superiore sat longe post eju3 marginem liberum afïixo; maxilla superiore acie cartilaginea subsemilunari, deorsura valde pro- tractili; maxilla inferiore symphysi nee emarginata, nee tuberculata, ante symphysin late cartila- gineo-carnosa, valde crassa, acie truncata, lata; labio inferiore carnoso, reflexo, margine anteriore villosi- usculo, antice quana postice latiore, utroque latere in lobum obtuse rotundatum producto; sulco in- fralabiali marginem oris versus directe, oculo breviore, isthmo valde lato a sulco lateris oppositi se- parate , antice bifurcato ramulo interno labium superius inter et faciem labii inferioris superiorem decurrente, ramulo externoin sulcura supramaxillarem transiente; operculo latitudine 1^ 3 in ejus al- titudine, oculi diametro non graciliore, margine inferiore rectiusculo vel convexiusculo ; apertura branchiali sub praeoperculi margine posteriore destnente; dentibus pharyngealibus masticatoriis a"- gregatis 2. 4. 5/5. 4. 2. apicem versus compressiusculis , facie masticatoria oblique truncata mar^i- nibus non vel parum elevatis non lobata, dentibus serie anteriore antice non sulcatis; osse scapu- lari trigono acute rotundato; linea dorsali convexa linea ventrali convexa multo altiore; ventre ante pinnas ventrales plano, post pinnas ventrales planiusculo non carinato; squamis subverticalibus la- teribus antice iis cetero corpore majoribus, dimidio libero et dimidio basali longitudinaliter subradiatim striatis, 34 vel 35 in linea laterali, 13 in serie transversali (ventralibus infimis inclusisj quarum 5*''2 (6) snpra lineam lateralera, 12 in serie longitudinali occiput inter et pinnam dorsalem; linea laterali rectiuscula, antice tantum declivi, basi ventralium non multo magis quam llneae dorsali approximata, singulis squamis tubulo simplice mediam squamam attingente vel superante notata; pinna dorsali ante pinnas ventrales incipiente et longe ante pinnam analem desinente, basi alepidota, acuta, vix emarginata, corpore vix humiliore, valde multo minus duplo altiore quam longa; pinnis pectoralibus et ventralibus acutis, longitudine subaequalibus. 6'/2circiter ia longitudine corporia, pectoralibus ventrales non, ventralibus analem non attingentibus ; anali basi vagina squamosa humillima inclusa, acuta, vix emarginata, dorsali sat multo humiliore sed duplo circiter breviore, duplo circiter alti- ore quam basi longa, radio simplice tertio gracili cartilagineo ; caudali basi squamosa, profunde incisa, lobis acutis, subaequalibus, 4V'i circiter in longitudine corporis; colore corpere supeme viridi, inferno argenteo; iride flava vel rosea; pinnis roseis vel roseo-liyalinis. B. 3. D. 4,8 vel 4/9. P. 1/14. V. 2,8. A. 3,5 vel 3,'6. C. C,/17/6 vel 7'17/7 lat. brev. incl. Syn. Gobio microcephalus Blkr, Descr. spec. pisc. Ja van. nov. Nat. T. Ned. Ind. XIII p. 357. Wadon gunung Mal. Bat. Hab. Java (Batavia), in fluviis. Longitudo speciminis unici 71'". Aanra. Ondenverpelijke soort is evenmin eene Gobio als Lobocheilos Javanicus en behoort tot hetzelfde geslacht als deze. Evenzoo bezit zij slechts de bovenkaaks- en niet de snuitvoeldraden. Zij verschilt echter- door kleineren kop en hooger lig- chaam (bij voorwerpen van beide soorten van gelijke grootte), door niet naar de mondopening teruggebogene snuitvlakte, betrekkelijk breeder operkel, enz. Mijn voorwerp behoort hoogstwaarschijnlijk tot den nog zeer jeugdigen leeftijds- toestand, zoodat het voor eene betere kennis der soort noodis; is, dat ook arootere voorwerpen worden onderzocht. 158 Lohochellos? (^Gohionichthjs ?) hispidus Bik r. Descriptio Valenciennesiana sequens. 1) Uil Labéon assez semblableaux prócédens (Labeo erytliropterus K. v. H., Labeo fimbriatus Val.) » et qui a deux très-courts barbillons k l'angle de la bouclie. La hantsur est du cinquième de la ulongueur totale; la tête egale cette liauteur. Le museau, obtus, esthe'rissé de tubercules poiBtus ; j) la caudale est bien fourchue; la dorsale est haute et pointue: son premier rayon est assez rigide )>et de'tacbé; l'anale est étroite; les ventrales sont longues. D. 11. A. 6. C. 19. P. 17. V. 9. Sur )) un dessin fait a Java, je vois que le dos est bleu, et qu'une bandelette de cette couleur se dessine » par le milieu de le queue et va s'évanouir a la liauteur de la pectorale. Les flancs sont argentës , Hteints de rosé', qui se change en jaunatre sur le ventre; les nageoires sont jaunes. Le poisson, "long d'un pied, vient de Bultenzorg. Les jeunes naturalistes a qui nous le devons, avaient l'idóe i)de distinguer celui-ci comme genre, et de le nommer Lobocheilos". Syn. Lobocheilos sp. Van Hass., sec. Valenc. Labeo hispidus Val., Poiss. XVI p. 272; Blkr, Enumerat. pisc. Arch. Indic. Labéon hérissé Val. , ibid. Aanm. De hier overgenomene beschrijving van den heer Valenciennes laat vol- strekt niet toe te beslissen of de soort eene Labeo is of niet. Ik plaats haar onder Lobocheilos, voornamelijk omdat Van Hasselt zelf haar daartoe heeft gebragt. Indien zij inderdaad slechts bovenkaaksdraden en geene snuitdraden heeft , zou daar- uit volgen, dat zij tevens behoort tot het ondergeslacht Gobionichthys. Wat betreft de puntige snuitknobbeltjes, deze geven niets kenmerkends aan de hand. Bij zeer vele Labeoninen met zigtbare snuitporiën heb ik die aangetroffen. Zij zijn eenvoudig eene kalkachtige afscheiding dier poriën en daardoor zeer af- vallig. Zij staan in dezelfde verhouding tot de snuitporiën als de hoornachtige kaakscheeden , welke bij de Phalakrognathinen algemeen zijn, de kaak los bedekken en meestal zoo afvallig zijn, dat eene ligte drukking of trekking ze van de kaak doet verwijderen. RoHiTA Vcal., Poiss. XVI p. 184, Heek. Fiscli. Syr. p. 35 Nachtr. p. 180. ROHITA. Corpus oblonguna compressum , squamis magnis vel mediocribus ves- titum. Maxilla nudae , non tumidae. Cirri 4 vel 2 , rostrales et supra- maxillares, vel supramaxiHares tantum. Rostrum carnosnm, inte- grum, paulo vel vix ante os prominens, lateribusnon lobatum, mar- gine libero nee papillatum nee fimbriatum. Os suborbitale anterius or- bitae approximatum. Labiuni superius ante maxillam superiorem pen- dulum , fimbriatum , cum labio iiiferiore coutinuum. Eictus ore aperto 159 plus minusve ovalis. MaxilLa superior acie tenui semilunari. Maxilla inferior acie tenui truncata vel rotundata, symphysi tuberculo nullo. Labium inferias reflexum, j)apillatum vel fimbriatnm, non lobatum. Sulcus postlabialis utroque latere simplex longitudinaliter marginem oris versus directus, isthmo lato a sulco lateris oppositi separatus. Pinna dorsalis ante pinnas ventrales incipiens et ante vel supra pin- nam analem desinens , radio simplice postico cartilagineo. Dentes pha- rjngeales raasticatorii aggregati 2.4.5/5.4.2. facie masticatoria oblique truncati. Subg. Rohita Blkr, Cirri 4, rostrales et supramaxillares. '/ Rohitodes Blkr, Cirri 2, supramaxillares tantum. Aanm. Het geslacht Rohita omvat alle echte Labeoninen met gave niet gekwabte snuithuid, tegen de oogkas liggend voorste onderoogkuilsbeen , niet verdikte en aan de symphysis niet geknopte onderkaak, gefranjede met elkander zamenvloeijen- de 'lippen en enkele, niet met die der tegenovergestelde zijde vereenigde, achterlips- groeve. Op deze wijze bepaald is het voldoende te onderkennen, eensdeels van de verwante geslachten Labeo, Rohitichthys, Diplocheilichthys en Morulius, en anderen- deels van de insgelijks verwante geslachten Abrostomns, Dangila en Barbichthys. De heer Valenciennes , het geslacht Rohita opstellende, beperkte het tot de soor- ten met 4 voeldraden, terwijl hij meerdere soorten, bij Avelke slechts bovenkaaks- draden en geene snuitdraden aanwezig zijn, bragt tot het geslacht Labeo, zooals zijne Labeo cephalus, Labeo Dussumieri, Labeo Reynauldi, Labeo microlepidotus en Labeo fimbriatiis. Heckel beperkte het geslacht Rohita niet tot de soorten met 4 voeldraden, maar nam ook soorten aan met 2 en zelfs soorten zonder voeldraden. Heckel heeft echter het geslacht niet naar de natunr gekend en daardoor is het verklaarbaar, dat de beide definities, welke hij van Rohita heeft gegeven, in meerdere opzigten onvol- doende en zelfs onnaauwkeurig zijn. Zoo wordt in zijne eerste diagnose gesproken van // Dentes aggregati 3. 3. C/6. 3. 3" wat onjuist is; — voorts van // os inferum", wat insgelijks voor eenige soorten onjuist is, — en eindelijk van // maxilla superior carnea, margine fimbriata, sub rostro crasso poroso occulta" wat eene geheel verkeerde voorstelling is, omdat niet de dunne kraakbeenige bovenkaak gefranjed is maar wel do vrij voor haar afhan- gende bovenlip, terwijl bovendien bij meerdere soorten de snuit zonder zigtbare poriën is. Deze laatste onjuiste voorstelling is in zijne latere diagnose van het jaar 1S47 herhaald. 160 Het geslacht Rohita is rijk aan soorten , doch zij behooren alle tot Zuid-Azië en den Indischen Archipel. De heer Valenciennes gaf den naam van eene der ben- gaalsche soorten (Cyprinus rohita Buch.) aan het geslacht, doch zijne typische soort is zijne Rohita nandina, of Buchanan's Cyprinus nandina, welke inderdaad eene echte Rohita is, terwijl Cyprinus rohita Buch. behoort tot het geslacht Morulius, wegens hare ver voor het oog liggende voorste onderoogkuilsbeenderen. Het ware dus eigenaardiger geweest den geslachtsnaam Nandina te geven aan alle die soorten, welke echte Rohiten zijn en dien van Rohita te behouden voor Cy- prinus rohita Buch. en de daaraan verwante soorten. Ten einde echter verwarring in de beteekenis te voorkomen , heb ik den naam van Rohita behouden voor de soort, op welk de heer Valenciennes dien bij voorkeur toepaste. Meerdere zuid-aziatische soorten, door den heer Valenciennes tot Rohita gebragt , zijn, na de splitsing van het geslacht, niet meer daartoe te brengen, maar tot het geslacht Morulius. Ik kan niet voor alle soorten met zekerheid aangeven, tot welk der beide genera zij te brengen zijn, vermits de bestaande beschrijvingen en afbeeldingen ten opzigte der generische kenmerken meestal niet voldoen. De vier ben^aalsche soorten mijner verzameling evenwel (Rohita Buchanani Val. , Rohita Belangeri Val. , Rohita calbosu Val. en Rohita chalybeata Val.) zijn tot Morulius te brengen, doch zij zijn niet de eenige, zooals ik, over Morulius handelende, na- der zal aanduiden. Overigens zijn , om bovengemelde redenen , in de lijst der La- beoninen nog meerdere soorten tot Rohita gebragt , welke een nader onderzoek mis- schien zal leeren soorten van Morulius te zijn. De soorten van den Indischen Archipel, tot dus verre tot Rohita gebragt, be- hooren op slechts eene enkele uitzondering, inderdaad daartoe, zijnde slechts mijne vroegere Rohita chrysophekadion tot Morulius te brengen. Deze soorten zijn, na aftrekking van laatstgenoemde, nog 14 in getal en alle be- hoorende tot het subgenus Rohita, wegens hare 4 voeldraden. Voor een goed deel zijn 7.ij gemakkelijk van de overige bekende soorten te onderscheiden, doch sommige soorten zijn zoo na aan elkander verwant, dat eene naauwkeurige studie noodig is om de soortelijke verschillen met zekerheid te bepalen. Ik meen daarin geslaagd te zijn, in volgend schema. 1. Cirri 4, rostrales et supramaxillares (Subgen. EoJdla). A. Squamae 45 ad 53 in linea laterali. Cirri bene evoluti oculo non breviores. D. 4/17 ad 4/19. ■j- Squamae 10 vel 11 snpra lineam lateralem. Oculi subposteri. P. 1/16 vel 1/17. Macula postaxillaris magna oblonga transversa nigra. Rostrum antice poris conspicuis nullis. lloJdta (RoJiitd) meIa?iopleura Blkr. 161 f' Sqiiamae S supra liaeam lateralem. Oculi superi. P. 1/14. Macula caudalis rotundata nigra. Rostrum antice corporis conspicuis 5 in seriem transversam dispositis. Mohita [Rohita) horneënsis Blkr. B. Squamae 32 ad 37 in linea laterali. Cirri bene evoluti. f Rostrum antice poris conspicuis nullis. ó Squamae 7 (6^) supra liaeam lateralem. Os suborbitale anterius irregulariter tetragonum. o Oculi superi. -ö Fascia ceplialo-caudalis fusca. D. 4/12 vel 4/13. P. 1/14. Squamae 33 vel 36 in linea laterali. Cauda radium dorsalem posticum inter et basin caudalis 4i circiter in longitudine corporis. Bohita (Ro/iiia) Waandersi Blkr. -ö' Fascia ceplialo-caudalis nuUa sed macula magna nigra caudam araplec- tens. D. 4/15 vel 4/16. Squamae 32 ad 34 in linea laterali. Cauda ra- dium dorsalem posticum inter et basin caudalis 7| circiter in longi- tudine corporis. Rohita {Eohita) Kappenii Blkr. o' Oculi posteri. • ■© Latera vittis vel fasciis nullis. D, 4/13 ad 4/15. Squamae 34 ad 36 in linea laterali. Cauda radium dorsalem posticum inter et basin cau- lis 5|- circiter in longitudine corporis. Holdia (lio/iita) BMegeli Blkr. ó Squamae 6 (5|^) supra lineam lateralem. Oculi superi. o Latera postice vittis pluribus longitudinalibus fuscis , antice guttis aureis vel nitente-viridibus. D. 4/14 ad 4/18. Squamae 34 ad 37 in linea la- terali. Os suborbitale anterius irregulariter tetragonum. Boldia {RoJiita) Uassellii Val. o Latera fascia cepkalo-caudali unica nigra. Squamae 34 vel 35 in linea laterali. P. 1/14. Os suborbitale anterius semilunare. •ö D. 4/12 vel 4/13. Caput altitudine 1| in ejus longitudine. Squamae 14 in serie transversali. Bohita (^Rohita) microcephalus Val. -©' D. 4/10 vel 4/11. Caput altitudine 1| in ejus longitudine. Squamae 13 in serie transversali. Bohita {Bohita) hrachynotopterus Blkr. 21 ó" Squamae 5 (4^) supra lineam lateralem. o Cauda macula rotunda nigra. D. 4/14 vel 4/15. Squamae 33 ia linea laterali. Bohita {EoMta) Kuhli Blkr. f' Rostrum antice poris conspicuis. Oculi superi. Squamae 6 (5|) supra li- neam lateralem. ó Rostrum antice poris 2 distantibus. D. 4/15 vel 4/16. Squamae 85 in linea laterali. Regio suprascapularis macula coerulea. Bohita {RoJdta) Jcahajanensis Blkr. ó' Rostrum antice poris conspicuis 3, medio lateralibus majore. Squamae 32 ad 34 in linea laterali. D. 4/10 ad 4/14. o Pinna dorsali antice macula nigra nulla. Squamae 14 in serie transversali. Operculum latitudine 2 ad 2 et paulo in ejus altitudine. Bohita {RoJiita) vitiata Val. o' Pinna dorsalis antice macula magna nigra, Squamae 13 in serie trans- versali. Operculum latitudine 1|- ad 1| in ejus altitudine. Bohita (Rohita) triporos Blkr. ó" Rostrum poris 8 in lip zou er niet getepeld zijn, wat echter niet aan te nemen is. De verschillen in de formule der schubben laten zich verklaren , wanneer men aanneemt , dat de tel- ling minder juist heeft plaats gehad of het waargenomen voorwerp eene juiste telling niet heeft toegelaten. Van eene staartvlek is ook bij enkele mijner voorwerpen een spoor aanwezig. Ik geloof dat Dangila leptocheilus Val. dezelfde soort is als Dangila Cuvieri Val. en daarvan den middelbaren leeftijdstoestand voorstelt, terwijl het door den heer Valenciennes beschreven voorwerp van Dangila Cuvieri tot den jeugdigen leeftijdstoestand betrekking heeft, in welken de kop in verhouding tot de lengte des ligchaams betrekkelijk grooter is. De soort is op Java vrij algemeen, vooral in de hoogere gedeelten der grootere rivieren. Zij biedt vele verscheidenheden aan wat de betrekkelijke hoogte des ligchaams betreft. De mannetjes zijn in den regel aanmerkelijk slanker dan de wijfjes. De aangehaalde afbeelding van den heer Valenciennes geeft den habitus der soort goed terug, doch is niet juist ten opzigte van de formule der schubben. Ook zijn er de bovenliptepeltjes niet te ontwaren. Dangila sumatrana Blkr, Diagn. beschrijv. nieuwe vischs. Sumatra, Tiental I — IV, Nat. T. Ned. Ind. III p. b^fj. — Sumatrasche Lamha. Atl Cjpr. Tab. XV fig. 4. Uangil corpore elongato compresso, altitudine 5', '4 ad 51/2 in ejus longitudiue, latitudine 2 et paulo in ejus altitudine; capite acuto, 6'/^ circiter in longitudine corpovis cura, vix plus quam 5 in lopgitudine corporis absque pinna caudali, altitudine 1*,3 ad 1-/d circiter, latitudine I-3 ciriiter 201 iu ejus iongitudine; oculis superis, diametro 3 circlter iu loDgitudine capitis, diametro 1 in capitis pai'te postoculari , diametro 1 et paulo distantibus, mombrana palpebrali iridis partem externum tegente, antice qiiam postice latiore, apertura subcirculari ; linea rostro-dorsali fronte et vertice de- clivi rectiuscula , nuclia dorsque convexa ; linea intercculari convexa ; naribus orbitae magis quam rostii apici approximatis, posterioribus patulis valvula claudendis, anterioribus subtubulutis; poris parvis nares inter et ■angulum operculi superiorem conspicnis nullis; rostro carnoso, planiuseulo, convexo, paulo ante os prominente, oculi diametro non vel vix breviore, antice poris numerosis transversira pluriseriatis valde conspicuis; osse suborbitali anteriore irregulariter trigono, vix vel nou altiore quam longo, margine inferiore oblique convexo, marglnibus lateralibus anteriore convexo et posteriore convexo vel anguiato in angulum acutura sursum speetantem naribus approximatura unitis , osse suborbitali 2" elongato-tetragono, duplo circiter longioro quam alto, antice quam postice altiore , oculi diametro triplo circiter humiliore; osse suborbitali S" osse suborbitali 4° latiore oculi dianletro triplo circiter graciliorc; poris suborbitalibus conspicuis nullis ; cirris gracilibus, supramaiillaribus ros- tralibus multo longioribus oculi diametro paulo longioribus; rictu subparallelogrammico ; maxillis ^oie cartilaginea margine anteriore valde obtusis truncatiusculis ; maxilla superiore mediocriter deorsum protractili; maxilla inferiore symphysi postice tuberculo conico subhamato; labiis parum curnosis , su- periore ante maxülam superiorem pendulo, margine libero papillis conicis brevibus obtusis uniseriatis obsito; labio inferiore parum refl:xo, integro, sulcis inferne brevibus antice istlimo lato valde distanti- bus; mento propter maxillam inferiorem vix adscendentem vix oblique truncato; operculo latitudine 2 circiter in ejus altitudine, oculi diametro sat multo graciliore, margine inferiore convcxiusculo ; apertura brancliiali sub praeoperculi parte posteriore desinente; dentibus pharyngealibus masticatoriis aggregatis 2. 4. 5/3. 4. 2, singulis facie masticatoria oblique truncata plus minusve contorta mar- glnibus elevatis- irregularibus, dentibus serie anteriore antice diraidio aplcali sulco longitudinalï lato percursis ; osse scapulari trigono , acute rotundato ; linea dorsali convexa linea ventrali convexa multo altiore; ventre ante pinnas ventrales plano; squarais postrorsum obliquis , mediis lateribus quam cetero corpore paulo majoribus, dimidio basali vix vel non , dimidio libero conspicue longitudina- liter striatis, 37 vel 38 in linea laterali, 14 vel 15? in serie transversali (ventralibus infimis inclusis) quarum ÖV2 (6) supra lineam lateralera, 11 vel 12 ia serie longitudinalï occiput inter et pinnam dorsalem ; linea laterali rectiuscula, antice tantum declivi, basi ventralium paulo magis quam lineae dorsali approximata, singulis squamis tubulo simplice raediam squamam attingente notata; pinna dorsali longe ante pinnas ventrales incipiente et supra basin anteriorem pinnae analis desinente, basi alepidota, acuta, emarginata, minus duplo longiore quam alta , Iongitudine 3'/3 ad 81/5 ia Iongi- tudine corporis, altitudine 1 vel plus quam 1 in altitudine corporis; pinnis pectoralibus et ventra- libus acutis, Iongitudine subaequalibus, 7 circiter in Iongitudine corporis, pectoralibus ventrales non. ventralibus analem non attiugentibus; pinna anali basi vagina squamosa humili inclusa, acuta, non vel parum emarginata, dorsali multo humiliore et minus quintuplo breviore, radio simplice ter- tio gracili cartilagineo ; pinna caudali basi squamosa, profunde incisa, lobis acutis 4? circiter ia Iongitudine corporis; colore corpore superne viridi, inferne argentoo; iride ilava vel rosea; fascia cephalo-caudali violaceo-fusca dififusiuscula tota Iongitudine a linea laterali percursa; pinnis roseo- hyalinis vel roseis. B. 3. D. 4/23 vel 4/24. P. 1/15. V. 2/8. A. 3/5 vel 3/6. C. 6/17/6 vel 7/17/7 lat. brev. incl. Hab. Sumatra ( Solok , Laliat), in fluviis. Longitudo speciminis unici 185"'. Aanm. Zeer na moet Dangila sumatrana verwant zijn aan Dangila philippinia. 26 202 Naar de korte beschrijving dezer soort van Heckel te oordeelen, verschilt zij er slechts van door langere rugvin en overlangschen ligchaamsband. Mijn eenig voorwerp dezer soort bevindt zich in een' weinig voldoenden toestand van bewaring. Een nader naauwkeurig onderzoek heeft mij de vroeger door mij niet ontwaarde bovenliptepeltjes doen herkennen, terwijl ook de inplantingsgroeven der grootendeels verloren gegane schubben, vrij voldoende de formule der schub- ben hebben laten ontcijferen. De soort is ook verwant aan Dangila leptocheilos Val. Voorwerpen van deze soort, van gelijke grootte als mijn voorwerp van Dangila sumatrana, met het laatste vergelijkende, vallen de verschillen in habitus van lio-chaam en kop zeer in het oog, vermits bij Dangila leptocheilos de rug aan- merkelijk hooger is en meer gewelfd, de kop aanmerkelijk stomper en betrekkelijk hooo-er en de rug vin langer. Het voornaamste verschil komt mij echter voor ge- legen te zijn in de aanwezigheid bij Dangila leptocheilos van één schubrei méér boven de zijlijn. Dangila phllippinia Blkr. — Philippijnsche Lamha. Descriptio Heckeliana sequens. «Gestalt gestreckt, besonders gegen den 'Rückenfirst starkcomprimirt; Kopf klein, stumpf, 2/13 » der Gesammtliinge , oder "3 der grössten Körperhöhe gleich. Augen V3 des Kopfes , Rückenflossen- » basis selir lang . 1^/2 Diametern der grössten Körperhöhe gleich. Die Mitte der Analflossenbasis )i steht unter dem Ende der Rückenflossenbasis. Schuppen gross, beinahe durchaus gleich; in der «Linea lateralis 37 Schuppen, 6 Schuppenreihen über und 5 unter derselben. D. 3/23. A. 3/5." Syn. Cyrene philippinia Heek., Fisch. Syr. p. 35, Cyi-ene philippina Heek. Fisch. Syr. Nachtr. p. 183. Hab. Insul. Philippin. Longitudo specimiuis descripti 6 poll. Aanm. Naar de korte beschrijving van Heckel te oordeelen, zou deze soort slechts van Dangila sumatrana verschillen door eene kortere rugvin en de afwezigheid van een* bruinen overlangschen ligchaamsband. Een nader onderzoek en eene ver- gelijking van voorwerpen van beide soorten naar de natuur is noodig, om de mo- gelijk verder bestaande verschillen te bepalen. Met het oog op den grooten af- stand der Philippijnsche eilanden van Sumatra is het niet waarschijnlijk, dat beide soorten tot eene enkele zullen kunnen worden teruggebragt. Dangila festiva Blkr, Act. Soc. scient. Ind. Neerl. Tiende bijdr. ichth. fauna v. Borneo p. 16. — Borneosche Lamha. Atl. Cvpr. Tab. XV fig. 6. Dangil. corpore oblongo compresso, altitudine 4==/* ad é'/a in ejus longitudine, latitudine 2 cir- ,citer in ejus altitudine; capita acuto, ö^/s circiter in longitudine corporis cum , 4 ad 4'/3 in longitn- 203 dine corporls absque pinna caudali, altitudine IV3 ad li/i. latltudine l^/icirciterin ejuslongxtudine; oculis superis , diametro 2V2 circiter in longitudine capltis , diametro 1 fere ad 1 in capitis parte post- oculari, diametro 1 circiter distantibus, membrana palpebrali iridis marginem externum tantum te- gente, aportura subcirculari ; linea rostro-dorsali fronte et vertice declivi rectiuscula, nucha dorso- que convexa; linea interoculari convexiuscula ; naribus orbitae magis quam rostri apici approxiraatis, posterioribus patulis valvula claudendis, anterioi-ibus subtubulatis ; poris parvis utroque latere na- res inter et anguliim operculi superiorem longitudinaliter uniseriatis parum ad non conspicuis; ros- tro carnoso, planiusculo, convexo, paulo ante os prominente, oculi diametro breviore, antice poris pluribus magnis valde conspicuis transversira biseriatis ; osse suborbitali anteriore irregulariter tri- gono, vix ad non altiore quam longo , margine inCeriore obliquo convexiusculo, marginibus ante- riore concavo et posteriore undulato vel angulato in angulum acutum sursum spectantem et nares inter et oculum desinentem unitis ; osse suborbitali 2° elongato-tetragono , antice quam postice raul- to altiore, plus duplo longiore quam alto, oculi diametro plus quadruplo liumiliore; ossibus sub- orbitalibus 3° et 4° oculi diametro plus quadruplo graeilioribus; poris suborbitalibus conspicuis nullis; cirris gracilibus supramaxillaribus rostralibus longioribus oculi diametro vix ad sat multo longiori- bus; rictu subparallelogramraico ; maxillis acie cartilaginea margine anteriore valde obtusis trun- catiusculis: maxilla superiore mediocriter deorsum protractili; maxilla inferiore symphysi postice tu- berculo conico subhamata; labiis parum carnosis, superiore ante maxillam superiorem pendulo mar- gine libero papillis conicis brevibus obtusis uniseriatis obsito, inferiore parum reflexo margine libe- ro integro, sulcis inferne brevibus antice isthmo lato valde distantibus; mento propter maxillam inferiorem adscendentem leviter oblique truncato; operculo latitudine l'/2 circiter in ejus altitudine, oculi diametro multo graciliore, margine inferiore rectiusculo vel concaviusculo ; apertura branchi- ali sub praeoperculi parte posteriore desinente; dentibus pharyngealibus masticatoriis aggregatis 2. 4. 5/5. 4. 2 , singulis facie raasticatorla oblique truncata marginibus parum elevatis , dentibus serie anteriore facie masticatoria plus minusve contorta antice dimidio apicali sulco longttudinali lato percursls; osse scapularl trigono acutiusculo rotundato; linea dorsali convexa linea ventrali convexa altiore; ventre ante pinnas ventrales plano, post pinnas ventrales rotundato non carinato; sqnamia subverticalibus , margine libero valde convexis mediis lateribus quam cetero corpore paulo majoribus; striis squamis longitudinalibus dimidio earum basali nullis, dimidio libero vix conspicuis vel nullis; squamis 33 vel 34 in linea laterali, 16 in serie transversali (ventralibus infimis inclusis ) quarum 7'/2 (8) supra lineam lateralem, 11 in serie longitudinali occiput inter et pinnam dorsalem, ventrali- bus infimis longitudinaliter triseriatis; linea laterali rectiuscula, antice tantum declivi, basi ventra- lium non multo magis quam lineae dorsali approximata, singulis squamis tubulo simplice mediam squamam attingente vel subattingente notata; pinna dorsali longe ante ventrales incipiente et supra mediam basin pinnae analis desinente, basi alepidota, acuta, emarginata, duplo fere ad duplo longi- ore quam alta, longitudine 3 et paulo in longitudine corporls, altitudine iVi ad vix, plus quam 1 in altitudine corporis; pinnis pectoralibus et ventralibus acutis, longitudine subaequalibus 6*/i circiter in longitudine corporis, pectoralibus ventrales non, ventralibus analem non attingentibus ; analibasi vagina squamosa humili inclusa, non vel parum emarginata, acuta, dorsali multo humiliore et quintuplo circiter breviore, radio simplice tertio gracili cartilagineo ; caudali basi squamosa, pro- funde incisa, lobis acutis 4 fere in longitudine corporis; colore corpore superne coerulescente-viridi, inferne argenteo; iride rosea vel flava; squamis dorso lateribusque singulis basi vittnla transversa semilunari fusca vel violacea ; pinnis roseis, dorsali caudaliqüe ceteris profundioribus , dorsali superne late nigricante-violaceo limbata, caudali medio utroque lobo fascia lata longitudinali violaceo-nigra. B. 3. D. 4/25 vel 4/26. P. 1/18. V. 2/8. A. 3/5 vel 3/6. C. 7/17/7 lat. brev. incl. Syn. Cyrene festiva Heek., Abbild. Beschreib. Fisch. Syriens p. 35, Nachtr. p. 183. 204 Hab. Borneo (Kahajan), in flaviïs. Loiigitudo 5 speciminum 82'" ad 98'". Aanm. De eerste kennis dezer soort is evenzeer aan Heckel te danken als die van Dangila ocellata. Zij is kortelijk, maar voldoende herkenbaar, in zijne Fische Syriens beschreven en gemakkelijk te herkennen aan de overlangsche zvpartachti- ge banden op de staartvinkvvabben , welke men bij geene der overige bekende soorten van Dangila terugvindt. Zij staat overigens in verwantschap tusschen Dangila sumatrana Blkr en Dangila lipocheilus Val. en onderscheidt zich , afgeschei- den van de staartviubanden , nog van Dangila sumatrana door 4 of 5 schubben in de zijlijn en door 2 schubben méér boven de zijlijn , en van Dangila lipocheilus door een paar schubben minder in de zijlijn en drie schubreijen méér boven de zijlijn. Dangila cyanopareja Blkr. — HeckeVs Lamha. Descriptio Heckeliana sequens: » Gestalt der Cyprinus Idus L. Kopf etwas weniger als '/s der Gesammtlünge, oder 73 der grössten 11 Körperhöhe glcich. Augen klein , \ der Kopflange. Die Rückenflossenbasis ist der grössten Körper- » hohe, ilire ersten Strahlen einer Kopflange gleich. Die Analfiosse entspringt nach dem Ende der I) Kückenflossenbasis. Schuppen gross , besonders im Anfang der Linea lateralis ; diese besteht aus H 35 Schuppen, hat 5 Eeihen über und 4 unter sich. Ein blauer Fleck auf dem Deckel, gegen den » obern Winkel der Kiemenspalte. D. 3/17. A. 3/5". ' Syn. Cyrene La ligne laterale droite par Ie milieu dn corps; les écailles petites, minces. sans stries, forraent 1)36 range'es dans la longueur, 14 dans la hauteur; une grande écaille longue, pointue, couvre II l'aisselle de la ventrale. «La couleur du dos plombée, celle des flancs et du ventre verdatre a reflets dorés, prés de Ia Il queue, blanchatre argentée. La dorsale est blanchatre, avec une grande tache oblongue, noiratre » dans Ie haut. Les pectorales , ventrales et anale jaunatre palc; la caudale grise, bordée de noir. Sur II Ie dessin envoyd de Java par MM. Kulil et Van Hasselt , Ie dos est vert , Ie ventre bleuatre ; iiil y a du janne sur l'opercule et sur les flancs; la dorsale et la caudale sont bleuatres; Ie poisson, II déposd k Leide, est long de huit pouces". Syn. Labeoharbus lipocheilos K. v. H. Mss. sec. "Val. Cyrene lipocheUa Heek., Fisch. Syr. p. 35, Nachtr. p. 183. Hab. Java (Batavia, ïjilankahan), in fluviis. Aanm. Van deze soort bezit ik geen enkel voorwerp, niettegenstaande zij te Batavia zou voorkomen, althans volgens eene afbeelding, nagelaten door Kuhl en Van Has- selt en gemerkt Laheoharhus lipoclmlus. Volgens deze afbeelding, welke genomen is naar een voorwerp van 70" lengte, zou de formule der rugvinstralen zijn 2/18, wat goed beantwoordt aan de formule van den heer Valenciennes , waar de for- mule =5 2/8 blijkbaar gelezen moet worden 2/18. De soort zou dan voornamelijk kenbaar zijn aan het geringe aantal harer rugvin- stralen, terwijl de rug vin zelve, naarde afbeelding te oordeelen, opmerkelijk is door hare kortheid^ gaande hare lengte er 4 malen in de lengte des ligchaams en be- dragende zij aanmerkelijk minder dan twee malen hare hoogte. De afbeelding ver- toont 5 of 5^ schubreijen boven de zijlijn, welk cijfer echter nader zou dienen bevestigd te worden, daar de afbeelding 33 schubben op eene overlangsche rei aangeeft, terwijl de heer Valenciennes van 36 schubben inde zijlijn spreekt. Op de bedoelde afbeelding is nog aangeteekend , dat de soort ook, ter dubbele grootte van de afbeelding, gevonden is aan Java 's zuidkust, bij Tjilankahan^ in bijna stilstaande wateren. 206 Dangila spilurus Blkr, Nieuwe Bijdr. ichthyol. Borneo, Nat. T. Ned. Ind. I p. 272. — Staartvlehkige Lamha. Atl. Cjpi*. Tab. XV fig. 1. Dangil. corpore elongato compresso, altitudine 5 circiter in ejus longitudine, latitudine 2 circlter in ejus altitudine; capite acuto plus quam 5 in longitudine corporis cura, é'/i circiter in longitudine corporis absque pinna caudali, altitudine l"/5 circiter, latitudine 1% circlter in ejus longitudine; oculis Subsuperis, diametro 3 et paulo in longitudine capitis , diametro 1 et paulo in capitis parte posto- culari, diametro I-/5 circiter distantibus, membrana palpebrali iridis marginem externum tegente, apertura subcirculari ; linea rostro- dorsali fronte et vertice convexiuscula , nucba dorsoque convexa ; linea interoculari convexiuscula; naribu3 orbitae magis quam rostri apici approxiraatia, posterioribus patulis valvula claudendis, anterioribus margine elavato subtubulatis; poris parvis utroque latere nares inter et operculi angulum superiorem longitudinaliter uniseriatis parum conspicuis ; roatro car- noso planiusculo convexo, paulo ante os prominente, oculi diametro vix vel non breviore, antice poris pluribus parum conspicuis ; osse suborbitali anteriore tetragono , non vel vix longiore quam alto margine inferiore rectiusculo; osse suborbitali 2° elongato-tetragono , plus duplo longiore quam alto, antice quam postice non multo altiore, oculi diametro plus triplo humiliore; osse suborbitali 3° osse suborbitali 4° vix latiore, oculi diametro multoties humiliore; poris suborbitalibus conspi- cuis nullis; cirris supramaxillaribus cirris rostralibus et oculi diametro sat multo longioribus; rictu subparallelograramico; maxillis acie cartilaginea margine anteriore valde obtusis truncatiuscu- lis; maxilla superiors mediocriter deorsum protractili ; maxilla inferiore symphysi postice tuberculo conico parum conspicuo; labio superiore carnoso, antemaxillam superiorem pendulo, margine libero papillis conicis brevibus obtusis conspicuis uniseriatis obsito ; labio inferiore valde carnoso, reflexo, integro, sulcis inferne sat longis antice isthmo lato val4e distantibus; mento propter maxillam infe- riorem adscendenten leviter oblique truncato; operculo latitudine IV3 circiter in ejus altitudine, oculi diametro non graciliore, margine inferiore convexiusculo ; apertura branchiali sub praeoperculi mar- gine posteriore desinente; dentibus pharyngealibus masticatoriis aggregatis 2.4.5/5.4.2, facie masti- catoria truncatiusculis snblobatis,- osse scapulari trigono obtiususcule rotundato; linea dorsali con- vexa linea ventrali convexa altiore ; squamis obliquis (angulo marginis liberi superiore ante angu- lum marginis liberi inferiorem sito), mediis lateribus quam cetero corpore paulo majoribus , 28 p. m. in linea laterali, 12 p. m. in serie transversali (ventralibus infimis inclusis) quarum 4*,2 (5) supra lineam lateralem, 9 vel 10 in serie longitudinali occiput inter et pinnam dorsalem; linea laterali rectiuscula, antice tantum declivi; pinna dorsali sat longe ante pinnas ventrales incipiente et sat longe ante pinnam analem desinente, basi 5-/3 circiter in longitudine corpo- poris, acuta, emarginata, corpore paulo humiliore, non vel vix altiore quam basi longa; pinnis pectora- libus et ventralibus acutis, longitudine subaequalibus ? 7? circiter in longitudine corporis ; anali acuta, emarginata, dorsali sat multo humiliore et minus triplo breviore, duplo fere altiore quam basi longa, radio sinplice tertio gracili cartilagineo ; caudali basi squamosa, profunde incisa, lobis acutis (partim abruptis); colore corpore superne roseo-viridi , inferne argenteo; cauda macula rotun- da nigricante in linea laterali basi pinnae caudalis approximata ; pinnis roseis. B 3. D. 4/10 vel 4/11. P. 1/12? V. 2/7 vel 2/8. A. 3/5 vel 3/6. C. 6/17/6 lat. brev. incl. Hab. Borneo (Bandjermasin), in fluviis. Longitudo speciminis unici male conservati 75'". Aanm. Ik heb bovenstaande beschrijving moeten nemen naar hetzelfde beschadig- de voorwerp, naar hetwelk ik de soort in 1850 voor het eerst beschreef, zijnde het 207 Ulij niet mogen gelukken in het bezit van nieuwe voorwerpen daarvan te geraken. De soort is in haar geslacht zeer gemakkelijk herkenbaar aan het geringe aan- tal schubben en de korte rug vin. Door hare korte rugvin nadert zij , meer dan eenige andere soort , het geslacht Barbichthys, doch in habitus van den kop wijkt zij er weder zeer van af wegens de geringe ontwikkeling der onderoogkuilsbeen- deren. Abrostomüs Smith, Illustrat. Zool. South Africa, Pisc. tab. etpag. 12 • — Weekbek-karper. Corpus elongatum compressura , squamis mediocribus tectum. Maxil- lae nudae. Cirri 4, supralabiales (vel rostrales?) et supramaxillares. Rosti'um carnosum, integrum, vix ante os prominens , lateribus non lobatum. Labium superius crassum , carnosum , integrum , nee papil- latum nee fimbriatum, cum labio inferiore unitum. Eictus parvus parallelogrammicus. Labium inferius integrum , nee lobatum , nee fimbriatum. Sulcus postlabialis utroque latere simplex, longitudinaliter marginem oris versus directus. Pinna dorsalis ante pinnas ventrales incipiens et longe ante pinnam analem desinens, radio simplice pos- tice cartilagineo. Pinnae peetorales subhorizontaliter insertae. Aanm. Het geslacht Abrostomüs is door den heer Andrew Smith te regt als een eigen geslacht beschouwd. Heckel nam het ook als zoodanig aan , doch plaatste het niet onder zijne Temnochilae, waartoe het echter, blijkens de afbeelding van den heer Smith in zijne lUustrations of the Zoology of South Africa (Pisces tab. 12 fig. a), blijkbaar behoort. In verwantschap staat het geslacht eensdeels tusschen Labeo en Rohitichthys, en ten andere tusschen Labeo en Crossocheilos. Het is voornamelijk gekenmerkt onder de Labeoninen door zijne ronde zamenhangende gaaf- randige lippen en parallelogramvormige mondopening , terwijl de herkenning nog gemakkelijk wordt gemaakt door den weinig uitpuilenden , noch gegroefden, noch gekwabten snuit en betrekkelijk kleine schubben (meer dan 70 tot meer dan 100 op eene overlangsche rei, althans volgens de af beeldingen). Indien de af beeldingen van Abrostomüs umbratus en Abrostomüs capensis ten opzigte der cirri juist zijn , zou het geslacht nog de bijzonderheid hebben, dat het bovenste paar voeldraden er niet , zooals gewoonlijk , op den snuit, maar op de bovenlip zelve zijn ingeplant. In zijne beschrijvingen spreekt echter de heer Smith herhaaldelijk van snuitdraden en zoo zijn de afbeeldingen ten deze misschien inkorrekt. Het verdient echter aanteekening, dat bij de vier overige kaapsche Cyprinoïden, in genoemd werk afge- 208 beeld, de snuitdraden behoorlijk, als van den snuit ontspringende, zijn voorgesteld. Omtrent het tandonstelsel vindt men bij den heer Smith geene opheldering. Ue twee genoemde kaapsche soorten zijn de eenige, welke tot nog toe van het geslacht Abrostomus zijn bekend geworden. Het schijnt^ dat hot geslacht tot Zuid-Afrika beperkt is. Barbichthys Blkr. — Santran. Corpus subelongatum compressum, squamis magnis vestitum. Ma- xillae nudae , non tumidae. Cirri 4 , rostrales et supramaxillares. Rostrum non carnosura , integrum , ante os prominens , lateribus non lobatum , margine libero nee papillatum nee fimbriatum. Ossa supramaxillaria ossa intermaxiila tota tegentia , intermaxillaria et inframaxillaria cum os- sibus lateris oppositi obtusangulatim unita, aciebus tenuibus. Maxilla inferior symphysi tuberculo raunita. Rictus angulatus. Labia tenuia, integra , nee papillata , nee fimbriata , superius ante maxillam superiorem pendulum , cum labio inferiore eontinuum, inferius reflexum , non loba- tum , vix post maxillae aciem insertum. Sulcus postlabialis simplex , margini maxillae inferioris parallelus , eura sulco lateris oppositi unitus. Ossa suborbitalia nuda, anterius formam pedis equini subsimilans, cetera valde elevata, genas maxima parte tegentia. Pinna dorsalis ante pinnas ventrales incipiens et longe ante pinnam analem desinens, basi ale- pidota, radio simplico postico cartilagineo, Dentes pharyngeales mas- ticatorii aggregati 2. 4. 5/5. 4. 2. ossibus fragilibus inserti. Aanm. Ik grond dit geslacht op eene soort, welke Van Hasselt reeds aan- duidde onder den naam van Barbus nudicephalus, de heer Valenciennes in de sroote Histoire naturelle des Poissons beschreef onder den naam van Barbus laevis, en welke ik zelf, naar de verschillende toestanden, waarin ik haar heb waargenomen, heb beschreven onder de namen Barbus brachynemus, Barbus go- bioides en Barbus taeniopterus. Die soort behoort echter niet tot Barbus, maar tot een geheel verschillend ge- slacht, hetwelk, wegens zijne naakte kaken en vrije lippen, tot de Labeoninen te brengen is. De dunne bovenlip hangt geheel vrij voor de bovenkaak , doch de onderlip plant zich zeer nabij den voorrand der onderkaak in, zoodat zij zonder nader onderzoek schijnt de onderkaak te omgeven als bij Barbus. Met den bouw der monddeelen , welke die is der Labeoninen , stemt ook de 209 habitus van het geheele ligchaam overeen en ook de keelgatbeenstanden zijn ge- bouwd naar de type der Labeoninen van de oude wereld. Barbiclithys is na verwant aan Dangila en onderscheidt zich daarvan voorname- lijk door niet vleezigen snuit, ongetepelde bovenlip, zeer ontwikkelde hooge onder- oogkuilsbeenderen , van welke het voorste een min of meer paardenhoefachtige ge- daante heeft, hoekige mondopening, naauwelijks van de onderkaak afgezonderde onderlip en korte rugvin. Tot nog toe is slechts een enkele soort bekend. Onder de talrijke nog onvoldoende verklaarde Cyprinoïden van Zuid-Azië zie ik er geene, welke tot het geslacht Bar- bichthys gebragt kan worden en de voorwerpen, mij van de verschillende groote Soenda-eilanden geworden en vroeger door mij beschouwd als tot twee soorten te be- hooren, zijn mij sedert, door vergelijking eener groote rei van exemplaren, geble- ken slechts een enkele soort uit te maken , welke dezelfde is als Barbus laevis Val. Barhichthys laevis Blkr. — Gewone Santran. Atl. Cvpr. Tab. XVIII. Barbichth. corpore subolongato compresso, altitudine 4V3 ad SV* in ejus longitudine, latltudine 12/3 ad 2 in cjus altitudine; capite obtusiusculo, convexo, 4'/3 ad 6 ','2 in longitudine corporis cum, 3'/3 ad 5 in ejus longitudine absque pinna caudali ; altitudine capitis I2 3 ad iVs, latitudine 2 fere ad 1-5 in ejus. longitudine; oculis diametro 3 ad é'/a in longitudine capitis, diametro 1^/i ad l^/* in capitis parte postoculari, diametro iV* ad 2V2 fere distantibus, membrana palpebrali iiidis mar- ginem externum sat late tegente, apertura subcirculari ; rostro obtuso convexo, apice carnoso, ante 03 prominente, juvenilibus oculo non rel vix longiore, adultis oculo multo longiorej naribus orbitae magis quam rostri apici approximatis; linea rostro-dorsali capite et nucha convexa, occiput inter et nucham aetate proveetis vulgo concaviuscula; linea interoculari convexa; osse suborbitall anteriore formam pedis equini subreferente solea subhorizontali apice antrorsum spectante, medio crista longi- tudinall vulgo ramosa percurso; osse suborbitall 2° pentagono, junioribus non vel vix longiore quam alto, oculo humiliore, aetate proveetis frequenter altiore quam longo oculo non humiliore, margine inferiore subhorizontali, marginibus anteriore et postiore inferioribus subverticalibus, marginibns su- perioribus concaviusculis in angulum acutum sursum spectant'em ossi suborbitall 1° contiguam unitis ; osse suborbitall 3° valde lato et convexo margine posteriore margini praeoperculari posteriori ap- proximato; maxilla superiore mediocriter verticaliter deorsum protractili, longe ante oculum desi- nente; rictu tranverso obtusangulo, antice (superne) margine triplice ex osse interraaxillari labiis- que interraaxillari et rostrali formato, margine interraaxillari acuto symphysi paulo inciso; labio intermaxillari tenui membranaceo sat lato, a margine ossis intermaxillaris anteriore pendulo; labio rostrali margine tenui a rostri apice et ossIs supramaxillaris facie anteriore pendulo ; rictu postice (inferne) margine duplice anteriore ex acie ossis inframaxillaris , posteriore e labio inferiore formato; labio inferiore vel plica menti sat lato membranaceo, a toto margine ossis inframaxillaris anteriore pendulo, integro, margine ejus libero rictui subparallelo ; maxilla inferiore symphysi tuberculo conico valde conspicuo subhamato, inferne utroque ramo poris 4 p. m. in seriem longitudinalem dispositis, non semper conspicuis ; cirrls gracilibus longitudine subaequallbus , oculo duplo ad minus duplo brevi- oribus, anterloribus insertione longe ab osse suborbitall 1° remota apici rostri approximata; oper- culo latitudine 2 fere ad 2 ia ejus altitudine, margine inferiore convexiusculo vel rectiusculo ; aper- 27 210 tura branchiali sub praeoperculi angulo posteriore desinente; dentibus pharyngealibus masticatorüs aggregatis 2. 4. 5/5. 4. 2 , ossibus gracilibus fragilibus insertis ; osse scapulari trigono obtuse rotun- dato; ventre ante pinnaa ventrales plano, lateribus angulato, post pinnas ventrales rotundato non carinato; dorso sat elevato angulato, ventre multo altiore; squamis dimidio libero et vulgo etiam di- midio basali flabelliforrae striatis, 3G ad 39 in linea laterali, 13 in serie transversali absque ven- tralibus infimis quarum 6*,2 supra lineam lateraleni, 11 vel 12 in serie longitudinali occiput inter et pinnam dorsalem, ventralibus infimis longitudinaliter quinqueserialis , serie media postrorsum Tuagnitudine sensim accrescentibus iis seriebus lateralibus non majoribus ; linea laterali rectiuscula antice tantum leviter curvata, lineam rostro-caudalem non attingente, singulis squamis tubulo siraplice niediam squamam vulgo non attingente notata; pinna dorsali ante pinnas ventrales incipiente, acuta, emarginata, corpore non vel paulo tantum humiliore, multo sed multo minus duplo altiore quam basi longa, radio simplice postico gracili, laevi, maxima parte cartilagineo flexili, capitenon ad non multo longiore; pinnis pectoralibus et ventralibus acutis longitudine subaequalibus vel pectoralibus ventra- libus paulo longioribus 6 ad 6'/3 in longitudine corporis , pectoralibus ventrales junioribus attingen- tibus vel subattingentibus aetate provectis non attingentibus ; ventralibus analera non attingentibus ; anali acuta, non vel parum emarginata, dorsali multo sed multo minus duplo humiliore, duplo circiter altiore quam basi longa, radio simplice tertio gracili basi tantum osseo; pinna caudali basi tantum squamosa, profunde incisa lobis acutis S'/a ad 4 in longitudine corporis; colore corpore superne coerulescente-viridi, inferne argenteo; irideflava roseo tincta; operculo macula diffusa ignea specimini- bus conservatis non conspicuis; pinnis flavis vel roseis basi frequenter pulchre rubris , caudali utroque lobo fascia longitudinali intramarginali nigricante-violacea ; dorsali junioribus fascia obliqua lata nigri- cante ab apice pinnae basin pinnae postei-iorem versus descendente et insuper basi antice macula magna trigona nigricante. B. 3. D. 4/8 vel 4/9. P. 1/14 ad 1/16. V. 2/8. A. 3/5 vel 3/6. C. 7/17/7 vel 6/17/6 lat. brev. incl. Syn. Barbus nudicephalus K. v, H. sec. delin. inedit. Barbus laevis Val., Poiss. XVI p. 145; Blkr, Zevende bijdr. ichth. Borneo, Nat. Tijdschr. N. Ind. V p. 447. Barbeau lisse Val., Poiss. XVI p. 145. Barbus brachynemus Blkr, Verh. Bat. Gen. XXIII Ichth. Midd. Oost- Ja va p. 18. Barbus gobioides Blkr, Diagn, beschr. vischs. Sumatra Tient. I — IV, Nat. T. Ned. Ind. III p. 592. Barbus tueniopterus Blkr, Ind. descript. pisc. Nat. Tijdschr. Ned. Ind. XIV p. 475. Battu-uhi Lampong, Wadon gunong Mal Bat., Santran Sundan., Wader Javan. Hab. Java (Batavia, ïangerang, Rankasbetong, Lebak, Buitenzorg, Parongkalong , Surabaja, Gempol ), in iluviis. Sumatra ( Provincia Lampong, Pangabuang, Palembang, Lahat), in fluviis. Borneo ( Pengaron ), in fluviis. Longitudo 48 speciminum 68'" ad 340"'. Aanm. Volledige reijen voorwerpen der onderwerpelijke soort van Java, Sumatra en Borneo, hebben mij doen herkennen, dat mijne vroegere Barbus taeniopterus (Barbus gobioides Blkr nee Val.) tot haar terug te brengen is, even als ik vroeger reeds heb aangeduid , dat mijne Barbus brachynemus insgelijks Barbus laevis voorstelt. De soort was reeds aan Van Hasselt bekend, blijkens eene door hem nagelatene 211 teekening , welke den naam draagt van Barbas nudiceplialus en van welke ik eene kopie bezit. Die teekening is echter, hoewel zij de soort nog laat herkennen, blijkbaar naar een verkleurd voorwerp genomen en bezit overigens meerdere gebreken. De eerste beschrijving der soort is te danken aan den heer Valenciennes, doch de beschrijving der vormen is te onvolledig en die der kleuren, genomen naar de besprokene afbeelding, te gebrekkig, dan dat men daarnaar de soort zou kun- nen herkennen. Toen ik alzoo de soort voor het eerst beschreef, meende ik eene eigene soort voor mij te hebben, niettegenstande de voorwerpen, naar welke mijne beschrijving van Barbus brachynemus genomen is, ten opzigte der kleuren te wen- schen overlieten. Het eerste fraai bewaarde voorwerp, hetwelk ik van Barbichthys laevis waarnam , ontving ik van Palembang in 1852 en was slechts 105'" lang. De donker violette staartvinbanden en de roode schuinsche overlangsche band der rugvin, welke bij de oudere voorwerpen trouwens verdwijnt, deden mij het brengen tot eene eigene soort, welke ik Barbus gobioides noemde, een naam, dien ik sedert ontwaarde reeds aan eene andere species gegeven te zijn en die daarom in dien van Barbus taeniopterus veranderd werd. De Santran is op Java niet zeldzaam, doch zij schijnt in oostelijk Java veel- vuldiger voor te komen dan in het westelijke gedeelte van het eiland. Wat Suma- tra en Borneo betreft, ontving ik haar slechts van het zuidoostelijke gedeelte dier eilanden. Reeds elders heb ik oplettend gemaakt op het feit , dat de vischfauna van zuidoostelijk Sumatra en van zuidoostelijk Borneo meer overeenkomst heeft met die van Java dan die der overige streken dier beide eilanden. MoRARA Blkr. Corpus elongatum compressum, squamis magnis vestitum. Maxillae nudae , acie cartilaginea tenues. Cirri nulli. Rostrum non carnosura , in- tegrum , obtusum , convexum, ante os prominens , lateribus non lobatum , margine libero nee papillatum nee fimbriatum. Ossa supramaxillaria ossa intermaxillaria tota tegentia. Maxilla inferior symphysi tuberculo nullo. Riotus ore elauso semilunaris. Labia tenuia , Integra , nee papillata nee fimbriata , superius ante maxillam superiorem pendulum cum labio infe- riore continuüm , inferius paulo post maxillae aeiem insertum. Ossa sub- orbitalia nuda, anterius pentagonum apice sursum spectante, cetera valde lata, genas maxima parte tegentia. Pinna dorsalis supra basin pinna- rum ventralium incipiens et longe ante pinnam analem desinens , basi ale- pidota , radio simplice postico cartilagineo. Pinna analis dorsali longior. 212 Dentes pharyngeales masticatorii aggregati triseriati? facie masticatoria oblique truncati plani. Aanra. Het geslacht Morara komt mij voor in verwantschap te staan tusschea Barbichthys en Mrigala, doch nog de meeste overeenkomst te bezitten met Bar- bichthys, waarvan het voornameHjk verschilt door zeer dunne scherpe platte onder- kaak zonder knobbel aan de symphysis, zeer dunne onderlip, vijfhoekig voorste onderoogkuilsbeen, halvemaanvormige bekspleet, aanwezigheid van voeldraden, niet voor de buikvinnen beginnende rugvin, langere aarsvin, enz. Ik grond het geslacht op Cyprinus morar Buch., van hetwelk ik een jeugdig voor- werp bezit, hetwelk zich in geen' te besten toestand van bewaring bevindt. Ik kan het aantal der tanden niet bepalen , doch zij behooren stellig tot de dentes aggregati met schuins afgeknotte effene kaauwvlakten. Te oordeelen naar hetgeen de heer MacClelland zegt omtrent zijne Leuciscus mar- garodes, is ook deze soort tot Morara te brengen. Semiplotus Blkr. Corpus oblongum compressum, squamis magnis vestitum. Maxilla inferior in aciem cartilagineam attenuata. Cirri nulli. Caput et rostrum integrum valde carnosa. Ossa intermaxillaria ossibus maxillaribus affixa et ossa maxillaria ossibus nasalibus et suborbitalibus affixa, unde ma- xilla superior immobilis. Labia nee papillata nee fimbriata, inferius vix reflexum. Eietus inferus. Pinna dorsalis ante pinnas ventrales in- cipiens et supra pinnam analem desinens , radio simplice postico osseo non serrato. Dentes.? Aanm. Ik stel dit geslacht op naar de soort, door den heer MacClelland onder den naam van Cyprinus semiplotus beschreven en afgebeeld. De heer Valenciennes heeft deze soort onder de soorten van Cyprinus opgenomen, doch Ileckel zonderde haar te regt daarvan af en bragt haar tot zijne Temnochilae, waar hij haar onder zijn geslacht Cyprinion plaatste. Zeker ook is zij aan Cyprinion verwant, maar zij verschilt er van niet alleen door de afwezigheid van voeldraden, wat op zich zelf van geene generische waarde zou zijn, maar ook door zeer vleezigen kop en snuit, het met elkander vast verbonden zijn van de tusschenkaaks- , bovenkaaks,- neus-en onderoogkuilsbeenderen , het ongetande van den rugdoorn en door de bui- tengewone lengte van de rugvin zelve, welke ongeveer 26 verdeelde stralen heeft 213 en, naar de afbeelding te oordeelen , niet alleen ver vóór de buikvinnen begint maar zelfs eerst midden boven de aarsvin eindigt. De soort is opmerkelijk door hare 9 in eene dvvarsche rei geplaatste groote snuit- poriën Zij is overigens ten opzigte van den bouw der lippen nog slechts onvol- doende bekend, terwijl van het tandenstelsel in het geheel geene melding is gemaakt. Opistocheilos Blkr. Corpus elongatum vel subelongatum compressum, squamis parvis vestitum. Maxillae nudae, acie cartilaginea tenues. Cirri 4, rostrales et supramaxillares. Rostrum earnosum integrum, non lobatum, ante os prominens. Labia integra, hec papillata nee fimbriata, superius cum inferioris margine libero continuüm , inferius reflexum. Pinna dorsalis ante vel supra pinnas ventrales incipiens et longe ante pin- nam analem desinens , radio simplice postico osseo serrato. Pinna analis basi plica longitudinali , anum tegente , squamis magnis instruc- ta. Dentes pharyngeales 2. 3. 5/5. 3. 2. Aantn. Toen Heckel in eene reeks van uit Cashmir ontvangene Cyprinoïden het merkwaardige kenmerk waarnam van eene den anus bedekkende overlanorsche met groote schubben bekleede plooi, meende hij alle soorten, welke dat kenmerk bezitten, tot eeneigen geslacht te moeten brengen , hetwelk hij Schizothorax noem- de. Deze soorten deed hij nader kennen in zijne // Fische aus Caschmir", in 183S te Wecnen gepubliceerd. Toen echter reeds bragt Ileckel de hem bekende soor- ten , naar den bouw harer monddeelen , tot drie groepen , welke hij omschreef als volsrt. A. Labiis margine in aciem attenuatis , inferiore (labio) membrana cartilaginea polita tecto margineque ipsius reflexo integro; maxilla inferiore horizontal!. B. Labiis margine in aciem attenuatis, mollibus; margine reflexo labii inferioris medio interrupto. C. Labiis incrassatis, muticis. Te regt zag Ileckel later in, dat zijn oorspronkelijk geslacht Schizothorax een zamengesteld geslacht was, en in 1847, in zijne // Nac:htrag zur Charakteristik uud Classifikation der Cyprineëa-Gattungen", zonderde hij dan ook die soorten van Schizo- thorax af, bij welke de onderkaak in een' dunnen kraakbeenigen rand eindigt. Deze soorten bragt hij tot een eigen geslacht zijner Temnochilae, hetwelk hij Schizopyge noemde en waarin hij opnam alle soorten , welke te brengen zijn tot zijne boven aangehaalde groepen A en B , t. w. Schizopyge plagiostomus Heek. , 214 Schizopyge sinuatus Heek., Schizopyge curvifrons Heek., Schizopyge longipinnis Heek., Schizopyge niger Heek. en Sehizopyge nasus Heek. Ik ga een stap verder dan Heckel en beschouw zijne groepen A en B als af- zonderlijke geslaehten , welke door den lipbouw voldoende van elkander verschil- len om ze tot twee afzonderlijke geslachten te verheffen. Opistocheilos is alzoo gevormd ten koste van Schizopyge Heek. , en omvat slechts Heckel 's Schizopyge plagiostomus en Schizopyge sinuatus, terwijl de overige soor- ten onder Schizopyge kunnen blijven. De afdeeling C van Heckel beantwoordt alzoo aan Schizothorax, zooals hij het later zelf opvatte. Zijne afdeeling B heeft dezelfde beteekenis als Schizopyge, zooals ik dit geslacht aanneem en hieronder nader zal omschrijven; terwijl zijne afdeeling A gelijkbeteekend is met het geslacht Opistocheilos, zoo als het hierboven is bepaald. Behalve de beide genoemde soorten, ken ik tot nog toe geene andere, welke tot Opistocheilos kunnen gebragt worden , ten zij misschien , althans naar de af- beelding te oordeelen, Racoma nobilis McCl., alsmede Schizothorax proprius McCl. Het geslacht Opistocheilos behoort nog tot de echte Labeoninen met driereijge keelgatbeenstanden , doch het is het eenige bekende , bij hetwelk de acherste on- verdeelde rugvinstraal beenachtig en tevens getand is en waar eene aarsscheede met groote schubben wordt aangetroffen. CocHLOGNATHUS Baird Gir., Notie, of a new genus of Cyprinidae in Proceed. Acad. nat. scienc. Philad. VII 1854 p. "150; Girard, Cyprin. Fish. Unit. States ibid. VIII 1856 p. 181. Corpus oblongum compressum, squamis magnis 'vestitum. Maxillae nudae cochleariformes acie acutae. Cirri nulli. Rostrum integrum ob- tusum. Rictus parvus terminalis. Pinna dorsalis supra pinnas ventrales ineipiens et longe ante pinnam analem desinens , radio simplice osseo ? (structure of Pimephales Gir.). Dentes pharyngeales cultriformes unci- nati 4/4. Aanm. Dit geslacht schijnt voornamelijk gekenmerkt te zijn door de iepelvormige gedaante der kaken. Ik zie er slechts eene enkele soort van vermeld, Cochlognathus ornatus Baird Gir. De heer Girard zegt ook , dat de rugvin er den bouw heeft van dien van Pimephales , wat doet denken , dat de laatste onverdeelde rugvinstraal er ins- gelijks beenig is. 215 PiMËPHALES Raf., Iclith. Ohiens. ; Ag., Ichth. Pacif. slope N. Amer. p. 35 in Amer Journ. scienc. arts 2"^ Ser. XIX; Gir., Cyprin. Fish. Unit. Stat. in Proceed. Acad. nat. scienc. Philad. VIII p. 180. Corpus oblongum subfusiforme , squamis magnis vestitum. Maxillae aequales, nudae, cai'tilagineae, durae. Cirri nulli. Caput breve conicum. Rostrum obtusum integrum. Rictus curvatus , terminalis. Pinna dorsalis supra vel vix ante pinnas ventrales incipiens, radio simplice postico osseo. Dentes pharyngeales cultriformes leviter uncinati 4/4 facie mas- ticatoria gracili. Aanm. Het geslacht Pimephales is onder de Labeoninen der nieuwe wereld de te- genhanger van Opistocheilos Blkr, door zijnen doornachtig ontwikkelden achtersten rugvinstraal, welke echter niet, zooals die van Opistocheilos, getand is. Omtrent de bijzondere verhouding der lippen vind ik ophelderingen noch bij den heer Agassiz , noch bij den heer Girard. Behalve de door Rafinesque ontdekte soort (Pimephales promelas Raf.) brengt de heer Girard nog twee soorten tot Pimephales t. w. Pi- mephales maculosus Gir. en Pimephalus fasciatus Gir. PSEUDOGOBIO Blkr. Corpus elongatum subfusiformi-compressum, squamis magnis vesti- tum. Maxillae nudae. Cirri 2 , supramaxillares. Rostrum integrum, acu- tum, porrectum, nonante os prominens, inferne nee erenulatum nee lo- batum. Os suborbitale anterius longe ante oeulum situm. Labium superius ante maxillam superiorem pendulum, erenulatum. Labium inferius re- flexum trilobatum. Os inferum , rictu ore clauso semilunari vel formam ferri equini referente. Maxilla inferior non tumida. Linea lateralis parum curvata. Anus longe ante pinnam analem perforatus basi pin- narum ventralium approximatus. Regio thoraco-gularis alepidota. Pinna dorsalis sat longe ante basin ventralium incipiens et vix post basin ventralium desinens , radio simplice postico toto cartilagineo. Pinnae pectorales subhorizontaliter insertae. Dentes pharyngeales gra- ciles acuti 5/5. Aanm. Ik grond het geslacht Pseudogobio op eene soort, afgebeeld en uitvoerig 216 beschreven in de Fauna Japonica onder den naam van Gobio esocinus. De heer Schlegel, de talrijke merkwaardigheden opmerkende, welke deze soort aanbiedt , liet haar niettemin onder het geslacht Gobio plaats nemen. Inderdaad ook heeft zij in voorkomen veel van eene Gobio, maar gewigtige kenmerken wijzen haar eene plaats aan, verre van Gobio verwijderd. Zooals de bewerktuiging der raonddeelen door den heer Schlegel beschreven is, blijft er bij mij geen twijfel over of de soort behoort tot de Phalakrognathinen. In deze groote reeks van Cyprinoïden blijft het echter dan nog moeijelijk haar eene juiste plaats aan te wijzen. Zij behoort daarin blijkbaar tot de Labeonineu , maar laat zich tot geen der talrijke daarin thans reeds opgestelde geslachten terug brengen. De plaatsing van den anus nabij den grond der borstvinneu en het schublooze van de keel-borststreek zijn kenmerken , waar- door zij zich van alle andere bekende geslachten van Labeoninen onderscheidt. Door hare eenreijige keelgatstanden onderscheidt zij zich voorts van alle geslachten van Labeoninen der oude wereld en sluit zij zich aan de amerikaansche geslachten Hyborhynchus Ag., Hybognathus enz. en door hare bovenkaakstanden aan het ame- rikaansche geslacht Mylocheilos Ag., van hetwelk zij echter, behalve door het tan- denstelsel, door meerdere andere bijzonderheden in de bewerktuiging verschilt. Ik houd dit geslacht voor een der meest natuurlijke en heb het genoemd naar zijne schijnbare verwantschap aan Gobio. — Pseudogobio esocinus is tot nog toe zijne eenigste bekende vertegenwoordigster. Mylocheilus Ag., Ichth. Faun. Pacif. slope N. Amer. p. 44, in Ame- ric. Journ. scienc. arts 2^ Ser. Vol. XIX. Corpus elongatum compressum , squamis mediocribus vestitum. Maxil- lae nudae . Cirri 2 , supramaxillares. Eostrum rotundatum , integrum. Eictus subterrainalis , horizontalis. Pinna dorsalis brevis ante? pinnas ventrales incipiens, radio simplice postico cartilagineo. Dentes pharyn- geales molares, nee gyrati nee sulcati, persistentes 2.5/5.2. vel cum serie decidua 3.2.5/5.2.3. Aanm. Uit hetgeen de heer Agassiz zegt van de hoornachtige scheeden van de bo- ven- en onderkaak, blijkt, dat Mylocheilus tot de Phalakrognathinen behoort. De heer Girard heeft het tandenstelsel nader toegelicht, doch hij zegt, in bepaalde tegenstel- ling van den heer Agassiz, dat de buik vinnen vóór den voorrand der rugvin zijn ingeplant. Sir Richardson meldt van zijne Cyprinus (Leuciscus) caurinus, welke tot Mylocheilus behoort, dat de buikvinnen er onder den vijfden rugviustraal zijn in- 217 geplant, wat de definitie van den heer Agassiz bevestigt. Overigens vind ik bij geen der drie schrijvers eenige mededeeling omtrent den bouw der lippen. Behalve de genoemde soort zijn nog twee andere tot Mylocheilus gebragt, t. w. Mylocheilus lateralis Ag. Piek en Mylocheilus fraterculus Gir. ExoGLOSSuM Raf. ; Ag., Ichthyol. Pacif. slope N. Amer. p. 30 in Am. Journ. scienc. arts 2^^ Ser. Vol. XIX; Girard, Cyprin. Fish. Unit. Stat. in Proc. Acad. nat. scienc. Phil. VIII 1856 p. 191. Corpus elongatum cylindrico-compressiusculum , squamis mediocribus vestitum. Maxillae nudae. Cirri nulli. Rostrum obtusum convexum integrum, non ante osprominens. Labium superius integrum nee papil- latum nee fimbriatum , cum labio inferiore continuüm. Rictus subinferus. Labium inferius utroque latere latum quasi lobum efficiens. Maxilla inferior inter lobos labii inferioris symphysi deficientis prominens , unde maxilla ipsa quasi triloba. Pinna dorsalis supra vel vix post pinnas ventrales incipiens et ante pinnam analem desinens, radio simplice postico cartilagineo. Dentes pharyngeales cultriformes compressi , curvati uncinati 1^4/4.1. Aaüm, Tot het geslacht Exoglossum , zoo als het door de heeren Agassiz en Girard is beperkt en hierboven omschreven, zijn tot dusverre slechts 2 soorten te brengen , t. w. Exoglossum maxillingua Hald. Ag., de typische reeds aan Rafinesque beken- de soort, en Exoglossum mirabile, door den heer Girard in zijn bovenaangehaald artikel kortelijk beschreven. Exoglossum is een der weinige geslachten van Labeoni- nen van Noord- Amerika, van welke de bouw der monddeelen met voldoende naauvv- keurigheid beschreven is. o Campostoma Ag. , Ichth. Pacif. slope N. Amer. p. 33 in Amer. Journ. scienc. arts 2*i Ser. XIX; Girard , Cyprin. Fish. Un. Stat. in Proc. Acad. nat. scienc. Philad. VIII 1856 p. 176. Corpus elongatum fusiformi-compressum, squamis mediocribus ves- titum. Maxillae nudae. Cirri nulli. Rostrum obtusum, integrum, ante os prominens. Labia valde evoluta. Rictus inferus curvatus. Pinnae ventrales ante pinnam dorsalem insertae. Pinna dorsalis radio simpli- ce postico cartilagineo. Dentes pharvngeales cultriformes uncinati 1.4/4.1. facie masticatoria gracili. 28 218 Aanm. Het geslacht Campostoma Ag. schijnt van Exoglossum voornamelijk te verschillen door den lipbouw, alhoewel ik dien niet in bijzonderheden van Cam- postoma beschreven zie. De heer Girard vermeldt van dit geslacht 4 soorten t. w. Campostoma anomalum Ag. , Campostoma ornatum Gir. , Campostoma formosulum Gir. en Campostoma ornatum Gir. Mylopharodon Ag. ; Gir., Res. Cyprin. Un. Stat. in Proceed, Acad. nat. scienc. Philad, VIII 1856 p. 169. Corpus elongatum. Caput subconicum. Cirri nulli. Rictus magnus. Pinnae ventrales ante pinnam dorsalem insertae, dorsalis radio sim- pliee postico cartilagineo. Dentes pharyngeales molares corona com- pressiuseuli, nee gyrati, nee sulcati, persistentes 2.4/4.2. vel 2.5/5.2, vel cum serie decidua 2.2.5/5.2.2 vel 3.2.4/4.2.3. Aanm. Dit geslacht is tot dusverre weinig voldoende bepaald. Aangaande den bouw der kaken en lippen zie ik niets vermeld. Daar evenwel het tanden- stelsel groote overeenkonst heeft met dat van Mylocheilus en de soorten in wes- telijk Noord-Amerika te huis behooren, even als die van Mylocheilus, Iaat zich vermoeden , dat het geslacht evenzeer tot de Labeoninen behoort. Mylopharodon conocephalus Gir. en Mylopharodon robustus zijn de eenige soorten^ welke ik, als tot dit geslacht behoorende, vermeld zie. SiBOMA Gir. , Cyprin. Fish. Unit. States, Proceed. Acad. nat. scienc. Philad. VIII 1856 p. 208. Corpus oblongum compressum , squamis magnis vestitum. Rostrum integrum cuneiformi-rotundatum. Maxillae aequales. Rictus parvus, terminalis , horizontalis. Cirri nulli. Pinna dorsalis supra vel ante pin- nas ventrales incipiens , radio simplice postico cartilagineo. Dentes pharyngeales raptatorii uncinati 1.4/5.2 facie masticatoria nulla. Aanm. Van de diagnose van dit geslacht van den heer Girard laat zich het- zelfde zeggen als van die van Cliola (p. 221). Het is gegrond op Lavinia cras- sicauda Baird Gir. De tweede bekende soort van Siboma is Siboma atraria Gir. 219 Lavinia Gir., Descr. new Fish. inProc. Ac. nat. scienc. Ph. 1854, Cypr. Fish. Unit. St. ib. VIII 185G p. 184 ^ Acrocheilus Ag., Ichth. Pac. slope N. Am. p. 26 in Am. Journ. scienc. arts. 2"^ Ser. XIX, Corpus oblongum compressum, squamis mediocribus vestitura. Ma- xillae nudae. Cirri riulli. Rostrum integrum supra os prominens. Ric- tus ore clauso transversus. Maxilla inferior plana acie truncata; ma- xilla superior acie rotundata. Labium superius carnosum cum acie maxillae inferioris unitum. Pinna dorsalis supra pinnas ventrales in- cipiens et supra vel ante initium pinnae analis desinens , radio simplice postico cartilagineo. Dentes pharyngeales cultriformes uncinati 5/5. Aanm. De heer Girard stelde het geslacht Lavinia op in 1854, doch omschreef het weinig voldoende met de volgende woorden : // Mouth shaped as in Gila and Pogonichthys , but proportionally smaller than either and unprovided with barbel. Body covered with large scales as in Pogonichthys". Hij bragt er aanvankelijk drie soorten toe, van welke echter Lavinia crassicauda Baird Gir. later tot Si- boma en Lavinia conformis Baird Gir. tot Tigoma gebragt zijn. Wat men van de meer wezenlijke kenmerken van het geslacht weet, heeft men te danken aan den heer Agassiz, die het ter aangehaalde plaatse onder den naam van Acrocheilus nader omschreef, naar Acrocheilus alutaceus Ag. Piek. — In zijn later artikel over de Cyprinoïden van Noord-Amerika gaf de heer Girard insgelijks eene' nadere omschrijving van het geslacht en bragt hij tot hetzelve, be- halve Acrocheilus alutaceus Ag. Piek, Lavinia exilicauda Baird Gir. en eene nieu- we soort, Lavinia harengus genoemd. DioNDA Gir., Cypr. Fish. Un. St., Proc. Ac. nat. se. Phil. VIII 1 856 p. 176. Corpus elongatum compressum, squamis mediocribus vel magnis vesti- tum. Cirri nulli. Rostrum integrum prominens. Maxillae nudae , inferior plana tenuis acie rotundata. Pinna dorsalis ante vel supra pinnas pec- torales incipiens, radio simplice postico cartilagineo. Dentes pharyn- geales cultriformes non uncinati 4/4. Aanm. Volgens den heer Girard is zijn geslacht Dionda zeer na verwant aan de geslachten Hyborhynchus en Campostoma. Hij heeft er niet minder dan 10 soor- ten van beschreven, alle als nieuw voor de wetenschap, t. w. Dionda episcopa, Dionda serena, Dionda texensis, Dionda papalis, Dionda argentosa, Dionda chry- 220 sitis, Dionda melanops, Dionda Couclii, Dionda plumbea en Dionda spadicea. Algoma Gir., Cyprin. Fisli. Unit. States, Proceed. Acad. nat. scienc. Philad. VIII 1856 p. 180. Corpus elongatum? squamis magnis vestitum. Cirri nulli. Caput subtruncatum. Maxillae nudae, inferior superiore brevior. Eictus parvus inferus. Pinna dorsalis ante pinnas ventrales incipiens , radio simplice postico cartilagineo. Dentes pharjngeales cultriformes 4/4. facie masticatoria sublineari. Aanm. Het geslacht schijnt , volgens den heer Girard , verwant te zijn aan Hy- borhynchus en Pimephales , van welke het voornamelijk door de groote schubben en ook door de afwezigheid van rugvindoorn te onderkennen is. Slechts 2 soorten er van zie ik kortelijk beschreven, Algoma amara en Algoma fluviatilis. Hybohynchus Ag. , Ichth. Pacif. slope N. Amerie. p. 37 in Amer. Journ. scienc. arts 2^ Ser. XlX ; Gir., Cyprin. Fish. Unit. Stat. Proc. Acad. nat. scienc. Philad. VIII 1856 p. 184. Corpus oblongum squamis magnis vestitum. Maxillae nudae , in- ferior acie late rotundata. Cii'ri nulli. Eostrum integrum, gibbosum, truncatum. Rictus inferus parvus horizontalis. Pinna dorsalis supra pin- nas ventrales incipiens , radio simplice postico cartilagineo. Dentes pha- ryngeales cultriformes subuncinati 4/4 facie masticatoria gracili lineari. Aanm. De heer Agassiz beschouwt het geslacht Hyborhynchus als na verwant aan Fimephales. Hij grondde het op Minnilus notatus Raf. De heer Girard plaatste nog vier andere soorten onder hetzelfde geslacht t. w. Hyborhynchus perspicaus Gir. , Hyborhynchus tenellus Gir. , Hyborhynchus puniceus Gir. en Hyborhynchus con- fertus Gir. Hybognathus Ag. , Ichth. Pacif slope. N, Amer. p. 38 in Amer. Journ. scienc. arts. 2^ Ser. XIX; Gir., Cyprin. Fish. Unit. Stat. Proc. Acad. nat. scienc. Philad. VIII 1856 p. 181. Corpus elongatum compressum, squamis raagnis vestitum. Maxil- lae nudae, inferior symphysi tuberculo munita. Cirri nulli. Rostrum 221 integrum non ante os prominens. Ilictus subterminalis horizontalis. Pinna dorsalis ante vel supra pinnas ventrales, incipiens et ante pin- nam analem desinens radio simplice postico cartilagineo radiis sequen- tibus longiore. Dentes pharyngeales cultriformes non vel vix imcina- ti 4/4 facie mastieatoria gracili lineari. Aanm. De heer Agassiz grondde het geslacht Hybognathus op zijne Hybognathus nuchalis. De heer Girard brengt Leuciscus nitidas De Kay tot hetzelfde geslacht en bovendien nog 4 andere soorten t. w. Hybognathus argyritis Gir. , Hybognathus Evansi Gir. , Hybognathus placitus Gir. en Hybognathus regius Gir. Orthodon Gir., Cyprin. Fish. Unit. State., Proceed. Acad. natur. Sciene. Philad. VIII 1856 p. 182. Corpus subfusiforme squamis parvis vestitum. Maxillae nudae aequales. Cirri nuUi. Rostrum integrum non ante os prominens . Maxilla inleri- or symphysi tuberculo munita, Rictus terminalis, obliquus, mediocris. Pinna dorsalis supra pinnas ventrales incipiens, radio simplice postico cartilagineo. Dentes pharyngeales cultriformes, lanceolati, subrecti 5/5. Aanm. Dit geslacht schijnt na verwant te zijn aan Hybognathus. Als eenige soort brengt de heer Girard daartoe Gila microlepidota Ayr., welker beschrijving, voorkomende in het eerste deel van de Proceedings of the Californian Academy natural sciences (1855) ik, wegens gemis van dat werk, niet kan raadplegen. Cliola Gir. , Cyprin. Fish. Unit. States , Proceed. Acad. nat. sciene. Philad. VIII 1856 p. 192. Corpus elongatum compressum , squamis magnis vestitum. Cirri nuUi. Rostrum integrum rotundatum. Maxillae aequales. Rictus amplus ter- minalis. Pinna dorsalis supra pinnas ventrales incipiens , radio simplice postico cartilagineo. Dentes pharyngeales raptatorii uncinati 4/4 facie mastieatoria nulla. Aanm. De beschrijving van den heer Girard laat voor dit geslacht, even als voor vele andere, niet toe te bepalen of het inderdaad tot de Labeoninen te brengen is. Ik vermoed zulks slechts op de aanduiding van den heer Girard, dat het den 222 habitus heeft van Dionda. Hiertoe zie ik gebragt drie soorten, Leuciscus vigilax Baird Gir. , Cliola velox Gir. en Cliola vivax Gir. Algansea Gir., Cyprin Fish. Unit. States, Proc. Acad. natur. scienc. Philad. VIII 1856 p. 182. Corpus oblongum compressum, squamis mediocribus vel magnis vestitum. Cirri nulli. Caput subconicum. Rostrum integrum plus mi- nusve acutum. Maxillae nudae aequales. Rietus mediocris obliquus. Pin- na dorsalis ante vel supra pinnas ventrales incipiens et ante pinnam analem desinens , radio simplice postieo cartilagineo. Dentes pharynge- ales cultriformes 4/4 vel 5/5. Aanm. De heer Girard grondt dit geslacht op Leuciscus tincella Val., welke in habitus veel moet hebben van eene zeelt. Hij heeft nog drie andere soorten bekend gemaakt onder de namen Algansea bicolor , Algansea obesa en Algansea formosa. 223 STIRPS 2. CHONDROSTOMINI. Kraakbeenlipkarpers. Cypriniformes phalacrognathini , labio inferiore deficiënte. Aanm. De tweede groote reeks der Phalakroguathinea is gemakkelijk herkenbaar aan de naakte kin, aan welke de onderlip ontbreekt. Deze reeks is van gelijke beteekenis als de reeks B van de Temnochilae in Heckel's bovenaangehaalde // Nachtrag". Ik noem ze Chondrostominen naar het geslacht, het- welk het eerst in de reeks werd opgesteld en spoedig het burgerregt verkreeg. De Chondrostominen, zooals ze hier zijn opgevat, behooren uitsluitend tot het oostelijk halfrond, maar ook in dit halfrond hebben zij eene veel meer beperkte verbreiding dan de Labeoninen. Wèl leven eenige soorten van Chondrostoma in zuide- lijk Europa, in welk werelddeel geene Labeoninen worden aangetroffen, maar daar- entegen ontbreken zij , een paar soorten van Egypte en Abyssinië uitgezonderd, in geheel Afrika, evenzeer als in den Indischen Archipel. De geslachten en soorten der Chondrostominen zijn ook veel minder talrijk dan die der Labeoninen. Slechts 9 der geslachten van de Phalakrognathinen behooren tot de Chondrostominen en deze geslachten omvatten te zamen slechts ruim 60 soorten. Twee dier geslachten heb ik naar de natuur kunnen onderzoeken , Mrigala van Bengalen en Acheilognathus van Japan. Het zijn ook de eenige nieuwe generische typen , welke bij de reeds bekende te voegen zijn. Heckel heeft het meest tot de nadere kennis der Chondrostominen bijgedragen. Nadat de heer Agassiz in 1837 het geslacht Chondrostoma had bekendgemaakt, voegde de heer MacClelland in zijn geslacht Oreinus eene nieuwe tot dezelfde groo- te reeks behoorende type daarbij , zonder de verwantschap daarvan met Chondrostoma aan te duiden. Heckel, dit geslacht insgelijks herkennende. , noemde het Scaphio- don, maar bovendien stelde bij reeds in 1842 ook voor, de geslachten Cyprinion , Gymnostomus, Chondrochihis en Chondrorhynchus. De beide laatste genera liet hij in 1847 vervallen, doch daarentegen stelde hij Dillonia, Schizopyge en Aspi- doparia als nieuwe geslachten op, Schizopyge echter ontleenende aan zijn vroeger geslacht Schizothorax en daarin nog begrijpende enkele soorten, welke tot de La- beoninen te brengen zijn en welke door mij onder den geslachtsnaam Opistocheilos van Schizopyge zijn afgezonderd. De Chondrostominen , hoezeer niet bezittende de voor de diagnose van de genera der Labeoninen zoo belangrijke onderlip, bieden toch nog eene rei van kenmer- ken aan , welke hare groepering in geslachten gemakkelijk maakt. Deze kenmerken vindt men al weder in het tandenstelsel , in het kraakbeenige 224 of beenige en getande of niet getande van den achtersten onverdeelden rugvin- straal, de lengte der rugvin, de verhouding der aarsschubben, de gedaante der onderoogkuilsbeenderen , enz. De geslachten laten zich naar die kenmerken overzien als volgt. I Dentes pharyngeales uniseriati cultriformes 5/5 ad 6/6 vel 7/6. Spina dorsaiis nulla. A. Rostrum integrum ante os prominens. Cirri nulli. Pinna dorsaiis longe ante pinnam analem desinens. Chondrostoma Ag. B. Rostrum foveatum non ante os prominens. Cirri 2 , supramaxillares. Pinna dorsaiis supra pinnam analem desinens. Acheilognathus Blkr. II Dentes pharyngeales triseriati. A Pinna dorsaiis anacantha. a. Pinna dorsaiis ventrales inter et analem sita, pauciradiata. Cirri nulli. Ossa suborbitalia genas tegentia. Dentes aggregati 2. 4. 4/4. 4. 2. Linea lateralis valde deflexa, Aspidoparia Heek, b. Pinna dorsaiis supra vel ante pinnas ventrales incipiens. Linea lateralis rectiuscula. f Cirri 2 supramaxillares vel nulli. Rostrum margine libero integrum. Dentes palaeformes 2. 8. 4/4. 3. 2. Gymnostomus Heek. f' Cirri 2 rostrales. Rostrum margine libero crenulatum. Dentes aggre- gati 2. 3. 5/5. 3. 2. Mrigala Blkr. B. Spina dorsaiis ossea. a. Spina dorsaiis edentula. Squamae anales normales. Pinna dorsaiis pauci- radiata, Dentes cochleariformes 2. 3. 4/4. 3. 2. Cirri nulli. Dillonia Heek. b. Spina dorsaiis serrata. f Squamae anales normales, squamis ceteris non majores. ó Pinna dorsaiis pluriradiata. Cirri 2 supramaxillares. Squamae magnae. Dentes cochleariformes 2. 3. 4/4. 3. 2. Cyprinion Heek. 225 ó' Pinna dorsalis pauciradiata. Cim4, rostrales et supramaxillares vel 2 , supramaxillares. Squamae parvae vel médiocres. Dentes palaeforraes 2. 3. 4/4 3. 2. Oreinus McCl. s ScapJdodon Heek. ff Squamae anales squamis ceteris multo majores. ó Pinna dorsalis pauciradiata. Cirri 4, rostrales et supramaxillares. Squamae parvae. Dentes aggregati 2.3.5/5.3.2. Schizopyge Heek. Species Chondi-ostominorum hucusque cognitae. Habit. Chondrostoma nasus Ag. =3 Nasus mas et faem. Marsigl. =: Cypri- nus nasus L. BI. =: Leuciscus nasus Cuv Europa. // Genei Bp. :=3 Chondrostoma rysela Ag. Heek. =3 Chon- drostoma jaculum De Fil. Europa. // soëtta Bp. =3 Chondrostoma se va Val. i=: Chondrostoma nasus De Fil. ;=; Chondrochylus nasicus Heek. =3 Chondro- rhynchus soëtta Heek . Europa. // Knerii Heek Europa. u phoxinus Heek. : Europa. // regius Heek. =3 Chondrochilus regius Heek Syria. u ? labeo Heek. zn Cyprinus labeo Pall. =5 Chondrostoma labeo Val Dauria. Acheilognathus melanogaster Blkr Japonia. // lanceolatus Blkr :=! Capoëta lanceolata T. Schl. =3 Devario lanceolata Heek Japonia. // intermedius Blkr =3 Capoëta intermedia T. Schl. =3 Devario intermedia Heek Japonia. // limbatus Blkr =: Capoëta limbata T. Schl. :=: Devario limbata Heek Japonia. // rhombeus Blkr =3 Capoëta rhombea T. Schl. =: Devario rhombea Heek Japonia. Aspidoparia sardina Heek. Assam. Gymuostomus (Gymnostomus) syriacus Heek. :=: =3 Chondrostoma sy- riacum Val Syria. // (Acra) anisurus Blkr r:: Gobio anisurus McCI. =J Gymnosto- mus anisurus Heek Beagala. 29 226 Gymnostoma (Acra) bicolor Blkr = Gobio bicolor McCl. =j Gyranostomus bicolor Heek u ) acra Blkr =: Cypr. acra Buch, =:; Cypr.cara Buch. :=: Go- bio lissorhynehus McCl. z:: Gymnostomus lissorhynchus Heek- =3 Leuciscus acra Val- Il ) limnophilus Blkr =3 Cyprinus bangon Buch. =3 Gobio lim- nophilus McCI. ::::5 Gymnostomus limnophilus Heek. . H ) gangeticus Blkr ^ Chondrostoma gangeticum Val. =3 Gymnostomus gangeticus Heek '/ ) fulungee Blkr =: Chondrostoma fülungee Syk. =3 Gymno- stomus fulungee Heek // ) boggut Blkr =3 Chondrostoma boggut Syk. =3 Gymno- stomus boggut Heek II ) kawrus Blkr ^ Chondrostoma kawrus Syk. =: Gymno- stomus kawrus Heek II ) wattana Blkr =3 Chondrostoma wattanah Syk. =: Gym- nostomus wattanah Heek '/ ) muUyah Blkr =3 Chondrostoma mullyah Syk. rs Gymno- stomus mullya Heek //? ( Il ) dembensis Blkr ■=:, Chondrostoma dembensis Rüpp. (nee Val.) =3 Gymnostomus dembensis Heek // ) Duvaucelii Blkr s Chondrostoma Duvaueelii Val. =3 Tylognathus Duvaucelii Heek H ) semivelatus Blkr =3 Chondrostoma semivelatum Val. =3 Tylognathus semilarvatus Heek. . // ) bobree Blkr z^ Varicorhi)ius bobree Syk. s3 Gibelion bo- bree Heek *?.'' ( II ) potail Blkr =3 Cyprinus potail Syk. ;=: Gibelion po- tail Heek Mrigala Buchanani Blkr =3 Cyprinus mrigala Buch. r=! Gobio mrigala McCl =3 Cirrhina mrigala Val. =3 Isocephalus mrigala Heek. // bengalensis =3 Cirrhina ber.galensis Blkr. n cirrhosa Blkr =5 Cyprinus cirrhosus BI. r3 Cirrhina Blochii Val. =5 Isocephalus cirrhosus Heek // rubripinnis Blkr z3 Cirrhina rubripinnis Val. :=; Isocephalus ' rubripinnis Heek. II ? reba Blkr =3 Cyprinus reba Buch. =3 Gobio reba McCl. ;=: Isocephalus reba Heek. . Hab. Bengala. Bengala. Bengala. Bengala. Deccan. Deccan. Deccan. Deccan. Deccan. Aegypt. Hindostan. Hindostan. Deccan. Deccan. Bengala. Bengala. Hindostan. Bengala. Bengala. o* y 227 Hab. Mrigala ? plumbea Blkr s Cirrhina plumbea Val. =: Isocephalus plumbeus Heek Pegu. Dillonia abyssinica Heek. :=! Chondrostoma Dillonii Val, =3 Dillonia Dilonii Heek Abyssinia. Cyprinion aculeatus Heek. =j Chondrostoma aculeatum Val Persia. cypris Heek Syria. kais Heek Syria. macrostomus Heek Syria. neglectus Heek Syria. tenuiradius Heek Syria. Oreinus (Orein.) maeulatusMcCl.:=! Seaphiodonmaculatus Heek. . . .Bengala. // ( » ) tinea Blkr :=! Scaphiodon tinca Heek Natolia. // (Seaphiodon) amir Blkr =^ Scaphiodon amir Heek Persia. //(//) maerolepis Blkr ■^ Scaphiodon macrolepis Heek. . . . Persia. II { H ) niger Blkr ;=: Scaphiodon niger Heek Persia. //(//) Saadii Blkr ^ Seaphiodon Saadii Heek Persia. //(//) peregrinorum Blkr -^x Seaphiodon peregrinorum Heek. . . Syria. V {if ) fratercula Blkrzs Scaphiodon fratercula Heek. .... Syria. «/{//) socialis Blkr ö Scaphiodon socialis Heek Syria, //(*/) trutta Blkr =3 Scaphiodon trutta Heek Syria. H {» ) umbla Blkr ;=! Scaphiodon umbla Heek Syria. i> i^u ) fundulus Blkr =3 Cyprinus capoëta Güldenst. =; Capoëta fundulus Val. -zi. Scaphiodon capoëta Heek Syr. M. Casp. v?( «?) Burnesianus Blkr ;=! Cirrhinus Burnesiana McCl Cabul. '/(//) guttatus Blkr :=! Oreinus guttatus MeCl. =3 Scaphiodon guttatus Heek Butan. « [ Il ) progastus Blkr ::: Oreinus progastus McCl. =3 Scaphio- don progastus Heek ' . . Assam. //(//) Richardsonii Blkr =! Cyprinus Richardsonii Gr. =3 Scaphio- don Riehardsonii Heek Bengala.? Schizopyge curvifrons Heek. ;=; Schizothorax curvifrons Heek. . . . Cashmir. // longipinnis Heek. =3 Schizothorax longipinnis Heek. . . . Cashmir. // niger Heek. =3 Schizothorax niger Heek. ..... Cashmir. // nasus Heek. =3 Schizothorax nasus Heek Cashmir. '/ ? ehrysoehlora Blkr =3 Raeoma chrysoehlora MeCl. . . . Cabul fl. '/ ?? Griffithi Blkr =3 Oreinus Griffithii McCl. ..:.:; Afghanistan. 228 Chondrostoma Ag. , Méra. Sociét. scienc. natur. Neuchatel I. 1837; Heek. , Fisch. Syr. Naehtr. p. 186; Heek. Kner , Fiscli. oest- reich. Monareh. p. 217. ;=3 Chondrostomus , Ciiondrochilus , Chondrorhynchus Heek., Fish. Syr. p. 40,41. Corpus elongatum cylindrico-compressum , squamis magnis vel me- dioeribus vestitum. Maxilla inferior in aciem tenuem truncatam car- tilagineam attenuata. Cirri nulli. Rostrum earnosum integrum ante os prominens. Os nudum. Rictus inferus transversus. Pinna dorsalis su- pra pinnas ventrales incipiens et ante pinnam analem desinens, radio simplice postico cartilagineo. Dentes pharyngeales cultriformes 5/5, 6/6 vel 7/6. Aanm. Nadat het geslacht Chondrostoma door den heer Agassiz in 1837 was opgesteld, meende Heckel (in 1842) het te moeten splitsen in drie geslachten , wel- ke hij grondde op de formule der keelgatbeenstanden , doch eenige jaren later (in 1847) nam ook Heckel het geslacht Chondrostoma aan in de beteekenis, door den heer Agassiz aan hetzelve gegeven. Het geslacht schijnt eigen te zijn aan Europa en West-Azië. Heckel voert wel eene soort van Amerika, Leuciscus nasutus Ayr. aan, als eene Chondrostoma maar slechts onder het geleide van een vraagteeken , en sedert de heeren Agassiz en Girard zoovele verwante noord-amerikaansche vormen hebben doen kennen als gene- risch van Chondrostoma verschillende, is het niet vermoedelijk, dat genoemde soort van den heer Ayres inderdar.d tot het geslacht Chondrostoma behoort. Het tijdschrift, waarin die soort beschreven en afgebeeld is niet ter mijner beschikking zijnde, kan ik niet bepalen of zij naar de afbeelding en beschrijving te brengen is tot een der door de heeren Agassiz en Girard voorgestelde geslachten van Phalakrognathi- neu. Evenmin ben ik in de gelegenheid te raadplegen de beschrijving van Cy- prinus labeo Pall,, vi^elke in noordoostelijk Azië te huis behoort en, insgelijks onder het geleide van een vraagteeken, door Heckel tot Chondrostoma is gebragt. Alle overige bekende soorten van Chondrostoma behooren tot Europa en West-Azië. ACHEILOGNATHUS Blkr. Corpus oblongum compressum , squamis magnis vestitum. Maxillae nudae , acie cartilaginea tenues. Cirri 2, supramaxillares. Rostrum fo- veatum, integrum, obtusum, convexum, non ante os prominens. Ossa supramaxillaria ossa intermaxillaria maxima parte tegentia. Maxilla 229 inferior plana symphysi postice tuberculo parvo. Rictus ore clauso se- milunaris, Labium superius valde tenue utroque latere cum cute menti unitum. Labium inferius verum nullum. Ossa suborbitalia nuda, ante- rius pentagonura apice sursuni spectante , cetera gracilia. Pinna dor- salis supra pinnas ventrales incipiens et supra initium pinnae analis desinens, basi aiepidota, radio simplice postico cartilagineo rigido edentulo. Pinna analis pinna dorsali non longior. Dentes pharyngeales compressi, uncinati, uniseriati 5/5 , facie masticatoria gracili sublineari. Aanm. De Japansche rivieren zijn rijk aan eigene typen van Cyprinoïden. In de Fauna Japonica zijn alle de van Japan bekende echte Cyprinoïden tot 5 geslachten gebragt, tot Cyprinus, Carassius, Gobio, Capoëta en Leuciscus. Met uitzondering der onder beide eerstgenoemde geslachten , gebragte soorten , welke echter Cyprininen zijn, behooren die, welke daar onder Gobio, Capoëta en Leuciscus zijn gebragt, tot verschillende typen, welke volgens den tegen woordigen stand der kennis tot verschillende geslachten te brengen zijn. Zoo is Gobio eso- cinus T. Schl. eene Pseudogobio Gobio barbus T. Schl. eene Hemibarbus, Leu- ciscus variegatus T. Schl. eene Sarocheilichthys , Leuciscus parvus T. Schl. en Leuciscus pusillus T. Schl. soorten van Fseudorasbora. Capoëta elongata T. Schl. en Capoëta gracilis T. Schl. behooren waarschijnlijk tot het subgenus Bengala van mijn geslacht Rasbora, terwijl Leuciscus platypus, Leuciscus macropus, Leuciscus minor, Leuciscus Temminckii en Leuciscus Sieboldii van de Fauna Japonica mij voorkomen te behooren tot het geslacht Opsarius , zoo als het door mij is beperkt, of althans tot een daaraan na verwant genus. De overige in de Fauna Japonica vermelde Cyprinoïden , Capoëta lanceolata, Capoëta intermedia, Capoëta limbata en Capoëta rhombea, behooren, zooals de heer Schlegel zelf reeds heeft aangeduid, niet tot het geslacht Capoëta Val., hetwelk overigens een kunstmatig zamenstel van soorten maar geen natuurlijk geslacht is , maar schijnen mij toe veeleer te brengen te zijn tot het genus Devario, totdat ik door het ontvangen van een paar voor- werpen van Acheilognathus melanogaster , van Jedo, die soorten heb herkend als tot onderwerpelij k geslacht te behooren. AspiDOPARiA Heek., Fisch. Sjriens Nachtr. p. 186. Corpus elongatum compressum, squamis magnis vestitum. Maxil- lae nudae acie cartilaginea tenues. Cirri nulli. Rostrum integrum porrectum. Ossa suborbitalia genas tegentia. Rictus subinferus semicir- cularis parvus. Labium inferius symphysin versus deficiens. Plica a- 230 nalis squamis majoribus imlla. Pinna dorsalis post pinnas veritrales in- cipiens et ante pinnam analem desincns, radio simplice postico carti- lagineo. Pinna analis longior. Pinnae ventrales radiis divisis 7. Linea lateralis valde deflexa. Dentes pharyngeales aggregati 2,4,4/4.4.2. Aautu. Heckel stelde in 1847 dit geslacht op naar een voorwerp , hetwelk in habitus veel heeft van EngrauUs. Het geslacht is onder de Chondrostominen op- merkelijk door de hooge de wangen bedekkende onderoogkuilsbeenderen , de plaatsing der rugvin tusschen buikvinnen en aarsvin , de sterk gebogene zijlijn en de plaveiselge- wijze keelgatbeenstanden. Gymnostomus Heek., Fisch. Syriens p. 40, Nachtr. p. 185. Corpus oblongum vel elongatum compressum, squamis medioeribus vel magnis vestitum. Maxillae nudae acie cartilaginea. Cirri 2 , supra- maxillares vel nulli. Rostrum 'integrum plus rainusve ante os promi- nens. Labium inferius symphysin versus deficiens. Plica analis squa- mis majoribus nullis. Pinna dorsalis supra vel ante pinnas ventrales incipiens et ante pinnam analem desinens , radio simplice postico car- tilagineo. Dentes pharyngeales palaeformes 2.3.4/4.3.2. Subg. Gymnostomus Heek. — Cirri 2 , supramaxillares. II Acra Blkr. — Cirri nulli. Aanm. Het geslacht Gymnostomus werd het eerst door Heckel in 1842 voorge- steld, doch in 1847 gaf hij eene nieuwe bepaling daarvan, welke aan de boven- staande beantwoordt. Het geslacht zou zich daarnaar van de overige Chondrosto- minen onderscheiden door den bouw zijner driereijige keelgatbeenstanden, kraakbee- nigen achtersten onverdeelden rugvinstraal en inplanting der rugvin boven of vóór de buikviunen. Het blijkt niet , dat Heckel naar de natuur gekend heeft een der vrij talrijke soorten, welke door hem tot zijn geslacht Gymnostomus zijn gebragt, zijnde zelfs de kenmerken, aan het tandenstelsel ontleend, slechts genomen naar eene enkele soort en wel naar de beschrijving en afbeelding van Chondrostoma syriacum Val. van de groote Histoire naturelle des Poissons. Mij zelven zijn evenmin naar de natuur bekend soorten , door Heckel tot Gym- nostomus gebragt, en met het oog op het onvoldoende der bestaande beschrijvingen dier soorten, slechts die van Chondrostoma syriacum Val. uitgezonderd, laat zich weinig bepaalds omtrent de wezenlijke verwantschappen dier soorten bepalen, hoezeer het 231 luij voorkomt, dat zij^ beter bekend zijnde, zullen blijken tot verschillende genera te beliooren. Chondrostoma syriacum Val. alzoo onder het subgenus Gymnostomus plaatsen- den, zou men voorloopig de overige Heckelsche soorten van Gymnostomus, welke alle gezegd worden geene voeldraden te bezitten, onder den subgenerischen naam Acra, ontleend aan een der Buchanansche soorten , kunnen verzamelen. Ook zou men daarbij kunnen voegen Chondrostoma Duvaucelii Val. en Chondrostoma semi- velatum Val. , welke door Heckel tot zijn zaraengesteld geslacht Tylognathus zijn gebragt, alsmede een paar soorten met langere rugvin, door Heckel onder zijn niet aannemelijk genus Gibelion gerangschikt, t. w. Varicorhinus bobree Syk. en Cy- prinus potail Syk. Mrigala Blkr. Corpus oblongum vel elongatum compressum, squamis magnis vel mediocribus vestitum. Maxillae nudae,acie cartilaginea tenues, infe- rior symphysi tuberculo munita. Rostrum integrum plus minusve ante os prominens margine libero crenulatum. Cirri 2, rostrales. Labia (tam superius quam inferius) deficientia. Plica analis squamis majoribus nuUa. Pinna dorsalis ante pinnas ventrales incipiens et ante pinnam analem desinens, radio simplice postico cartilagineo. Ossa suborbitalia genas non tegentia. Dentes pharyngeales masticatorii aggregati 2.3.5/5.3.2. Aanm. In mijne Nalezingen op de ichthyologische fauna van Bengalen en Hindostan beschreef ik eene soort onder den naam van Cirrhina bengalensis , welke mij bij later naauwkeuriger onderzoek der monddeelen , gebleken is tot, de Chondrostorai- nen te behooren , en daarin tot een eigen geslacht , hetwelk zich van de overige der afdeeling gemakkelijk laat onderkennen door de aanwezigheid van twee snnit- draden met gelijktijdige afwezigheid van bovenkaaksdraden , aan het knobbeltje op de symphysis der onderkaak , aan zijnen kraakbeenigen achtersten onverdeelden rugvinstraal die boven of vóór de buikvinnen ingeplant is, en aan de formule zijner plaveiselgewijze keelgatbeenstanden. Ik heb dit geslacht genoemd Mrigala , naar den soortnaam van Cyprinus mrigala Buch., welke mij voorkomt insgelijks daartoe te behooren , terwijl ik het evenzeer waarschijnlijk acht, dat ook Cirrhina rubripinnis Val. en Cyprinus cirrhosus BI. daartoe te brengen zijn. Het geslacht Cirrhina, volgens de opvatting van den heer Valencicnnes , verschilt van Mrigala door den bouw der monddeelen en behoort tot de afdeeling der Chei- 232 lognathineu vermits de heer Valenciennes er van zegt dat het heeft // les lèvres et la bouche simples" van het geslacht Barbus. DiLLONiA Heek., Fisch. Syriens p. 183. Corpus oblongura compressum, squamis magnis vestitum. Maxillae nudae, acie cartilaginea tenues. Cirri nulli. Rostrum integrum obtu- sum. Labium inferius symjDhysin versus nullum. Rictus eurvatus. Pin- na dorsalis ante vel supra pinnas ventrales incipiens et longe ante pin- nam analem desinens , radio simplice postico crasso osseo laevi. Regio analis plica squamis majoribus nulla. Dentes pharyngeales cochlea- riformes 2.3.4/4.3.2. Aanm. Heckel heeft dit geslacht opgesteld naar Chondrostoma Dillonü Val, van Abyssinië, welke tot nog toe de eenige bekende soort van het geslacht is. Het is gemakkelijk van de verwante geslachten te onderkennen aan zijne groote schubben, normale aarsschubben, ongetanden rugdoorn en lepelvormige keelgatbeenstanden. Cyprinion Heek., Fisch. Syriens p. 25, Nchhtr. p. 183. Corpus oblongum vel elongatum compressum , squamis magnis ve- stitum. Maxilla inferior in aciem tenuem cartilagineam attenuata. Cir- ri 2, supramaxillares. Rostrum integrum ante os prominens. Os nudum. Rictus inferus transversus. Pinna dorsalis ante vel supra pinnas ventrales incipiens et ante pinnam analem desinens, radio simplice postico osseo serrato. Dentes pharyngeales cochleariformes 2.32.4/4.3.2. Squamae majores in pronoto attenuato distichae. Aanm. Heckel heeft onder zijne naaktmondige met een' rugdoorn gewapende Tem - nochilen 4 geslachten gebragt, t. w. Cyprinion, Dillonia, Schizopygc en Scaphiodon. Cyprinion zou daaronder kenbaar zijn aan zijne twee bovenkaaksvoeldraden , lange rugvin met getanden doorn en squamae distichae op den nek. Het schijnt een zeer natuurlijk geslacht te zijn. Heckel bragt daartoe, behalve 5 soorten van Perzië en Syrië , welke hij naar de natuur kende , Chondrostoma aculeatum Val. en Cyprinus semiplotus McCl.- Chondrostoma aculeatum Val. schijnt inderdaad eene Cyprinion te zijn, alhoewel zij dan tot eene afwijkende type behoort met zeer slank ligchaam en korte rugvin (ü. 10). Cyprinus semiplotus McCl. daarentegen beantwoordt niet aan de geslachtsdiagnose van Heckel en is evenmin tot Dillonia of Schizopyge of Scaphiodon te brengen. Hierboven is deze soort reeds onder een' eigen geslacht gebragt met den naam Semiplotus. 2oi> OuEiNüS McCL, Res. Asiat. Soc. XIX p. 273. — Bergbarbekl =! ScAPHioDON Heek., Fisch. Syr. p. 30, Nachtr. p. 184. Corpus oblongum vel elongatum compressum, squamis parvis vel mediocribus vestitum. Maxilla inferior in aciera cartilagineam atte- nuata. Cirri 4 vel 2, rostrales et supramaxillares vel supramaxilla- res tantum. Rostrum integrum plus minusve carnosum. Rictus in- ferus transversus vel plus minusve curvatus. Pinna dorsalis supra vel ante pinnas ventrales incipiens et longe ante pinnam analem de- sinens, radio simplice postico osseo serrato. Dentes pharjngeales pa- leaformes 2.3.4/4.3.2. Subg. Oreinus. Cirri 4, rostrales et supramaxillares. II Scophlodon. Cirri 2 , supramaxillares tantum. Aanra. De heer J. MacClelland stelde dit geslacht op met de volgende kenmer- ken: //Head fleshy, mouth directed downwards, lovver jaw shorter than the upper, snout muscular and projecting , furnished with cirri , dorsai preceded by a serra- ted spinous ray, scales small". In zijne diagnose van Oreinus, voorkomende in zijn artikel //Afghan collection of Fishes", opgenomen in het 2'' deel (1S42) van het Calcutta Journal of NaturalIIistory, voegt hij bij deze diagnose nog: //The upper lip soft and continuous, with a reflccted maramillated fold which passes across the lower jaw behind a hard and cartilagineous lovver lip. liet geslacht is alzoo ge- heel hetzelfde, als hetwelk Heckel in 1842 onder den naam Scaphiodon opstelde en Heckel heeft dan ook alle de door den heer MacClelland tot zijn geslacht Orei- nus gebragte soorten in zijn geslacht Scaphiodon opgenomen. De naam van Oreinus behoort alzoo voor die soorten en de daaraan verwante behouden te blijven, want wenschte men de namen der geslachten te veranderen naar de wijziging, welke de uitbreiding der kennis in hunne diagnosen zoo dik- werf noodzakelijk maakt, dan zouden de meeste geslachten spoedig eene reeks van naamsveranderingen ondergaan, welke niet dan tot verwarring zouden leiden. De heer Valenciennes nam het geslacht Oreinus slechts voorwaardelijk aan, om- dat bij de daartoe gebragte soorten niet naar de natuur kende, maar hij hield het er voor, dat die soorten eigenlijk tot zijn geslacht Barbus behooren. Heckel deed het geslacht naauvvkeuriger kennen in 1842, doch hij bragt er toen nog twee soorten toe, Capoëta macrolepidota Val. en Capoeta amphibia Val, welke echter niet alleen niet tot Oreinus , «maar zelfs niet tot de Phalakrognathi- nen behooren, zijnde Capoëta macrolepidota eene Hampala en Capoëta amphibia eene Systomus. Deze soorten zijn trouwens in de lijst der soorten van ScapLio- 234 don, voorkomende in Heckel's Nachtrag zur Classification der Cyprineën-Gat- tungen , weggelaten. Men kent thans soorten met 4 en soorten met slechts 2 voeldraden. Voor de eerste stel ik voor als subgenerischen naam dien van Oreinus te behouden en onder den door Heckel voorgestelden geslachtsnaam Scaphiodon slechts te bren- gen de soorten, bij welke alleenlijk de bovenkaaksdraden aanwezig zijn. Ik moet hier nog aanteekenen, dat Gobio damascinus Val., welke door Heckel onder zijne soorten van Scaphioden, hoezeer met twijfel, is opgesomd, niet wel daartoe te brengen is , vermits de getande rugdoorn er niet bestaat. Zoolang men de monddeelen dezer soort niet beter kent, zal het beste zijn de soort onder het geslacht Gobio te laten blijven. Ook heeft de heer MacClelland in zijne n Afghan Collection of Fishes" twee soorten van Oreinus opgebragt , van welke de eene, Orei- nus plagiostomus , dezelfde is als Opistocheilos plagiostomus Blkr, terwijl de an- dere, Oreinus Griffithii, of eene Schizopyge, of eene Opistocheilos is. ScHizoPYGE Heek., Fisch. Syriens Nachtr. p. 183. Corpus elongatum vel subelongatum compressum , squamis parvis ■vestitum. Maxillae nudae, acie eartilaginea tenues. Cirri 4, rostrales et supramaxillares. Rostrum integrum, non lobatum, plus minusve ante os prominens. Labium inferius symphysin versus nuUum. Pinna dorsalis ante vel supra pinnas ventrales incipiens et longe ante pinnam ana- lem desinens, radio simpliee postico osseo serrato. Pinna analis basi plica longitudinali , anum tegente, squamis magnis instructa. Dentes pharyngeales aggregati 2.3.5/5.3.2. Aanm. Het geslacht Schizopyge, zooals het boven omschreven is, heeft dezelfde beteekenis als de afdeeling B der soorten van Schizothorax , zoo als Heckel die in zijne Fische aus Caschmir opstelde. Zijne Schizopyge plagiostomus en Schizo- pyge sinuatus vallen er buiten en behooren, zooals vroeger reeds aangeduid is, tot mijn geslacht Opistocheilos. Slechts 4 soorten zijn tot nog toe met zekerheid tot Schizopyge te brengen , welke alle het hoogland van Cashmir bewonen , t. w. Schizopyge curvifrons Heek., Schizopyge longipinnis Heek., Schizopyge niger Heek. en Schizopyge nasus Heek. Waarschijnlijk behoort echter ook Racoma chryso- chlora McCl. uit de Cabul-rivier tot hetzelfde geslacht, althans te oordeelen naar de afbeelding, welke de heer MacClelland van deze soort heeft gegeven ; terwijl misschien ook nog Oreinus Griffithii McCl. tot Schizopyge te rekenen is. De tan- den, door Heckel van Schizopyge curvifrons afgebeeld, zijn bepaaldelijk //aggregati" en niet // cochleariformes". COHORS II CHEILOGNATHINI. Bedektkakigen. Cypriniformes maxillis labiis inclusis , vagina vel lamina cornea nulla. Aanm. Bij de groote meerderheid der Cypriniformes gaat het mondslijmvlies on- merkbaar in de lippen over, zoodat de kaken zijn omkleed met de lippen, welke nimmer het hoornachtig omhulsel bezitten , hetwelk bij de Phalakrognathinen de liplooze uiteinden der kaken beschermt. Men kan deze groote rei derhalve met den hier aan ze gegeven' naam bestempelen , welke beter het karakter der rei uitdrukt dan de door Heckel gebezigde benaming Pachychilae, welke zelfs voor een groot, zoo niet het grootste, aantal soorten be- paald onjuist is. De Cheilognathinen omvatten drie scherp gekenmerkte groepen , van welke de grondtypen tè vinden zijn in de geslachten Catostomus Les., Cyprinus Cuv. en Bar- bus Cuv. De groepen zijn daarnaar genoemd Catostominen , Cyprininen en Barbinen. De Catostominen zijn uitwendig herkenbaar aan dikke vleezige lippen en onder- staande mondopening met gelijktijdige afwezigheid van voeldraden of vindoornen. Acht men zich met deze kenmerken nog in het onzekere, dan beslissen de merkwaardige keelkaken met hare talrijke tanden, het voorkomen hebbende van eene gebogene kam, omtrent de wezenlijke plaats in het stelsel. De Cyprininen zijn scherp gekenmerkt door hunnen getanden aarsvindoorn. Vlee- zige ronde lippen, betrekkelijk hoog ligchaam, groote schubben en veelstralige rugvin met getanden doorn, zijn kenmerken, niet minder standvastig aanwezig dan de getande aarsvindoorn , maar komen ook bij vele Barbinen voor. De Barbinen missen den getanden aarsvindoorn der Cyprininen en hoezeer men de uitwendige teekenen der Catostominen alle in ze terugvindt, komen ze niet alle te gelijk bij één soort voor. Bovendien ligt een zeker herkenningsteeken in het tandenstelsel , waarin men bij geene enkele soort der Barbinen meer dan 12 tanden in een onderkeelgatsbeen aantreft en nimmer meer dan 5 of 6 tanden op eene en- kele rei. De Cheilognathinen hebben eene wijdere geographische verbreiding dan de overige Cyprinoïden. Men vindt ze overal waar de grenzen zijn van de Cyprinoiden zelve , zoowel in Japan en den Indischen archipel, als aan de zuidspits van Afrika, hoog 236 iü het noorden van Azië, Europa en Afrika, ja zelfs tot in Mexico. Die verbreiding is evenwel niet zoo groot voor de groepen. Zoo de Catostoininen al niet in volstrekten zin tot Noord-Amerika beperkt zijn, vindt men toch slechts een enkele van hare meer dan vijftig bekende soorten in het niet ver van Amerika verwijderd gedeelte van Noord-Azië. üe Cyprininen zijn echte buitenkeerkringsvisschen van het oostelijk halfrond en gaan slechts in de, overigens buiten de keerkringen wortelende, stroomgebieden van Zuid-China tot in de warme luchtstreek. De Barbinen daarentegen bevinden zirh allerwege met de Catostominen en Cv- prininen te zamen en strekken zich, door de keerkringeu heen, tot in de zuidelijke gematigde klimaten uit. Het aantal thans bekende Cheilognathinen bedraagt meer dan 700 soorten. Meer dan 600 dier soorten, en alzoo meer dan de helft van alle bekende Cyprinen , behooren tot de Barbinen, terwijl het aantal der Catostominen weinig meer dan 50 en dat der Cyprininen weinig meer dan 30 soorten beloopt. Het zijn ook de Barbinen vooral, welke rijk zijn aan generische typen. Die der Cyprininen zijn slechts twee in getal, Cyprinus en Carassius, bij welke enkelen ook nog Carpio aannemen. De Catostominen, tijdens hare ontdekking door Lesueur alle zamen gevat in zijn geslacht Catostomus, zijn spoedig daarna in meerdere ty- pen ontleed. Rafinesque herkende de typen Moxostoma, Carpiodes, Cycleptus en Ichthyobiis; de heer Agassiz Bubalichthys, Ptychostomus en Hylomyzon; en de lieer Girard Acomus en Minomus. j\Iaar in de Barbinen zijn meer dan 60 generische typen aan te nemen , Welke alle aan de geslachten Barbus, Gobio, Tinoa, Cirrhina, Abramis en Leuciscus van Cuvier's Règne animal zijn ontleend. Talrijke ichthyologen hebben tot de opstelling van die typen bijgedragen , zelfs wanneer men buiten beschouwing laat die genera, welke niet aannemelijk zijn of met andere in beteekenis overeenkomen. Hamilton Buchanan gaf het geslacht Chela. Aan Rafinesque heeft men de aanwijzing te danken van Luxiius, Plargyrus, Semotilus en Chrosomus. Van Hasselt wees op de generische beteekenis van Harapala. De heer Rüppell duidde de generische waarde aan van Labeobarbus. De heer Agassiz merkte op, de geslachten Rhodeus, Phoxinus, Aspius, Ptycho- cheilus en Plybopsis. Aan den heer MacClelland had men te danken de aanwijzing van Systomus, Ra- coma, Opsarius en Perilarapus, gelijk als die van Rohtee aan den kolonel Sykes. Swainson ontdekte de waarde als geslacht van Chedrus en Esomus. Heckel wees op nog andere generische typen in Aulopyge, Schizothorax, Acan- thobraraa, Leucosomus, Argyreus, Phoxinellus, Amblvpharyngodon (Mola Heek.). 237 De prins van Canino ontdekte de generische waarde van Scardinius. De heer Valenciennes gaf eene generische beteekenis aan Catla. De geslachten Ceratiohthys, Gila, Meda, Alburnops, Cyprinella, Codoma en Tiaroga zijn aanwijzingen, het eerste van den heer Baird, het tweede van de hee- ren Baird en Girard, en de overige van den Girard alleen. De heer Basilewski voegde hierbij nog Culter en Chanodichthys (Leptocephalus Bas.). Mijne eigene nasporingen eindelijk hebben mij geleid tot de aanneming van nog eene andere reeks van generische typen van Barbinen , welke ik genoemd heb Cy- clocheilichthys, Balantiocheilos , llypselobarbus , Albulichthjs , Amblyrhynchichthys, Hemibarbus, Pseudoculter , Hemiculter, Elopichthys, Leptobarbus, Sarcooheilich- thys, Pseudophoxinus , Thynnichthys, Hypophthalmichthys, Gnathopogon, Rasbora, Pseudorasbora, Rasborichthys, Luciosoma, Laubuca, Macrochirichthys en Smiliogaster. Stirps 1. Catostomini. — Kamtandkarpers. Cjpriniformes cheilognathini corpore oblongo vel elongato compresso vel subfusiformi , maxillis labiis carnosis latis inclusis , ore infero , pinna dorsali ante pinnas ventrales incipiente anacantha, squamis corpore parvis ad magnis, dentibus pharyngealibus utroque latere 36 ad 130 uniseriatis in seriem pectiniformem dispositis; cirris nullis. Aantn. De Catostominen staan scherp gekenmerkt in de groote familie der Cy- prinoïden door hunne talrijke op eene enkele rei als eene kam geplaatste keelgat- beenstanden. Lesueur vereenigde de hem bekende soorten, in 1S17, onder den geslachts- naam Catostomus. Rafinesque kwam kort na Lesueur's artikel over Catostomus tot de overtuiging, dat Noord-Amerika meerdere geslachten van Catostominen voedt en legde den grond tot de kennis der geslachten Ichthyobus, Carpiodes, Cycleptus en IMoxo- stoma, doch hij omschreef ze onvoldoende, zoodat het moeijelijk is geweest ze naar de door hem waargenoinene soorten te herstellen. Cuvier nam het geslacht Catostomus van Lesueur aan en omschreef het kortelijk als te bezitten dezelfde dikke , gefranjede of gekartelde lippen , als Labeo , doch eene korte rugvin als die van Leuciscus en boven de buikvinnen geplaatst; eene diagnose, voor den tegen woordigen stand der kennis van de Cyprinoïden volstrekt onvoldoende. Heckel omschreef het geslacht nader en grondde het voornamelijk op de talrijke eearsijige keolgatbeenstanden , welke hij noemt // pectiniformes". Hij stelde zelfs voor. 238 de Cypriuoïdeu met zoodanig tandenstelsel tot eeue Tribus te verheffen en ze te plaatsen in de drie geslachten Catostomus Les. , Rhytidostomus Heek. en Exoglos- sum Raf. Heckel kon evenwel niet over voldoende bouwstoffen beschikken, blijkende uit zijne lijst der soorten, dat hij slechts Catostomus teres Les. en Cy- prinus catostomus Forst, naar de natuur heeft kunnen onderzoeken. Zijn geslacht Rhytidostomus was reeds door Rafinesque herkend en Cvcleptus genoemd. Van de twee soorten, welke Heckel van Rhytidostomus opsomt is Cato- stomus elougatus Lesueureene Cycleptus en Cyprinus catostomus Forst, eene echte Catostomus. Het geslacht Exoglossum overigens behoort volstrekt niet tot de Ca- tostominen, maar tot de Chondrostominen, doch onder dat geslacht zijn zeer van elkander verschillende soorten gebragt, zijnde Exoglossum macropterum Raf. inder- daad tot de Catostominen en wel tot het geslacht Hylomyzon te brengen. De heer Valenciennes, in het 17^ deel der Histoire naturelle des Poissons , de Ca- tostominen beschrijvende, bragt ze, even als Heckel, onder drie geslachten, onder Catostomus, Sclerognathus en Exoglossum. — Catostomus behield er ongeveer dezelfde beteekenis als bij Lesueur , doch de soorten , door den heer Valenciennes tot Cato- stomus gebragt, zijn naar de nieuwere splitsingen van dit geslacht te brengen, deels tot Catostomus, deels tot de geslachten Moxostoma, Acomus, Ptychostomus , Hylomyzou en Cycleptus. Het geslacht Sclerognathus Val. omvat de twee geslach- ten van Rafinesque Carpiodes en Ichthyobus en het geslacht Exoglossum Val. - niet alleen Exoglossum maar ook de geslachten Hylomyzon Ag. en Campostoma Ag. De heer Agassiz heeft sedert 1854 de Catostominen nader toegelicht en aanlei- ding gevonden de vroeger opgestelde geslachten van Rafinesque te herstellen en beter te omschrijven en bovendien nog andere geslachten voor te stellen. In zijn artikel // Synopsis of the Ichthyological Fauna of the Pacific slopa of North America", gaf hij nadere omschrijvingen van de geslachten Carpiodes, Ichthyobus, Cycleptus en Moxostoma van Rafinesque , alsmede bepalingen van de geslachten Bubalichthys , Ptychostomus en Hylomyzon, welke hij van de overige geslachten der Catostomini meende te moeten afzonderen. De heer Girard voegde in 1856 bij alle die geslachten nog de genera Minomus en Acomus. Ik ken de Catostomini niet naar de natuur en de afbeeldingen en beschrijvingen der bekende soorten laten niet toe, behoorlijk te bepalen , in hoeverre de vrij talrijke geslachten, welke men gemeend heeft in deze afdeeling te moeten opstellen , als na- tuurlijke geslachten te beschouwen zijn. En hoezeer het mij voorkomt, dat meu ten deze met de spitsing der geslachten misschien te ver is gegaan en daartoe kenmerken heeft gebezigd, welker generische waarde aan redelijken twijfel onder- hevig is, heb ik mij, ten deze niet naar de natuur kunnende beslissen, hier slechts bepaald tot het geven van een overzigt dier genera en van hunne ken- 239 merken, zooals ik die naar de bestaande gegevens heb kunnen zamenstellen. Een dier geslachten, Moxostoma Raf. , is zeer kenbaar aan en zeer merkwaardig door het niet aanwezig zijn eener zigtbare zijlijn. Vier andere geslachten , Carpiodes Raf. , Ichthyobus Raf , Bubalichthys Ag. en Cycleptus Raf. hebben met elkander gemeen eene lange rugvin , welke, even als bij alle Catostominen, vóór de buikvinnen begint doch zich tot boven de aarsvin uitstrekt. Deze geslachten zijn slechts door minder gewigtige kenteekenen van elkander onder- scheiden. Bubalichthys Ag. zou zich voornamelijk slechts van de overige drie on- derscheiden doordien er de rugvin van voren niet of weinig hooger is dan in het midden en van achteren, alsmede door sterke driekantige keelgatsbeenderen en stompe bolle kaauwvlakte der keelgatbeenstanden. Bij Carpiodes zijn de keelgats- beendei'en buitengewoon dun en de lippen dwars geplooid. Ik vermoed, dat de schubscheede langs de basis der rugvin , bij Dekay van Carpiodes cyprinus afgebeeld, bij dit geslacht eene generische beteekenis heeft. Cycleptus en Ichthyobus schijnen uiterst na verwant te zijn. Ichthyobus evenwel zou dunne lippen hebben en een- knobbelige keelgatstanden; Cycleptus daarentegen keelgatstanden zonder knobbels en dikke lippen , van welke de onderlip tweekwabbig. De overige geslachten zijn gemakkelijk van de genoemde te onderkennen aan de veel kortere, ver voor de aarsvin eindigende rugvin. Hiertoe behooren Catostomus in engeren zin , Acomus Gir. , Minomus Gir. , Hylomyzon Ag. en Ptychostomus Ag. Het komt mij voor, dat de kenmerken der geslachten scherper behooren gesteld te worden , dan gedaan is, om ze als natuurlijke geslachten te kunnen aannemen. Dat zij zulks inderdaad zijn , laat zich wel opmaken uit hun verschil in habitus , zooals b. v. Hylomyzon nigricans Ag., Ptychostomus macrolepidotus Ag. , Catostomus teres Les. en Acomus aurora Gir. Men kent thans meer dan 50 soorten van Catostominen, welke, met uitzon- dering slechts van Catostomus Tilesii Val. van noordoostelijk Azië, alle tot Noord- Amerika behooren. Het komt mij zelfs nog voor een nader onderzoek te behoeven of Catostomus Tilesii inderdaad tot deze groep behoort, vermits het eigenlijke kri- terium voor de bepaling gelegen is in de talrijke kamsgewijze geplaatste keelgats- tanden , waaromtrent ik niets vermeld zie. Indien die soort inderdaad tot de Catostominen behoort', zal zij plaats behooren te nemen in het geslacht Acomus Gir. De geslachten der Catostominen laten zich overzien als volgt. I. Linea lateralis conspicua. A. Pinna dorsalis longe ante pinnam analem desinens. Labium inferius bilo- bum. Corpus elongatum. a. Dentes pharyngeales tuberculati. Labia papillata. Caput elongatum , ros- tro valde prominente. Squamae corpore antice quam postice minores. 1. Squamae parvae vel médiocres, caudales supra-axillaribus multo majores. Ossa pharyngealia gracilia non introrsum directa, dentibus bituberculatis. 240 Acomus Gir. 2. Squamae médiocres vel aiagnae, caudales supra-axillaribus paulo majores. f Ossa pharyngealia gracilia valde introrsuin directa dentibus bituberculatis. Mimmus Gir. f' Ossa pharyngealia valida compressiuscula , dentibus unituberculatis. Catostomus Les. b. Dentes pharyngeales non tuberculati Rostrum vix ante os prominens. 1. Squamae corpore antice et postice aequales. Labia minus carnosa trans- versim sulcata. Ossa pharyngealia valida lata. Pti/chosiomus Ag. 2. Squamae corpore antice quam postice majores. Labia lata carnosa papil- lata. Ossa pharyngealia latiuscula. Hylomyzon Ag. K. Pinna dorsalis multiradiata supra pinnam analem desinens. a. Pinna dorsalis antice valde elevata, medio et postice humilis. Labia papillata. 1. Ossa pharyngealia tenuia valde compressa, dentibus unituberculatis. La- bium inferius bilobum. Carpiodes Raf. 2. Ossa pharyngealia validiora triquetra vel subtriquetra, dentibus facie masticatoria oblique emarginata. Labium inferius medio emarginatum. Ctjdeptus Raf. 3. Ossa pharyngealia validiora triquetra vel subtriquetra , dentibus unituber- culatis. Labium inferius papillatum. Ichthyohus Raf. b. Pinna dorsalis antice quam postice et medio vix altior. Labia granulata. 1. Ossa pharyngealia valida triquetra , dentibus facie masticatoria convexa angulo tantum processu brevi munita. Buhaliclithys Ag. IL Linea lateralis inconspicua. A. Pinna dorsalis subelongata, ante pinnam analem desinens. Labium infe- rius bilobum. MoxQstoma Raf. 241 Species Catostominorum hucusque cognitae. Acomus latipinnis Gir. — Catostomus latipinnis B. Gir. . . Amer. sept. (Rio Gila). // aurora Gir. =5 Catostomus aurora Ag. (sec. Ag. ead. spec. ac sequens.) Amer. sept. (Lac. super.). // Eorsterianus Gir. =; Catostomus Porsterianus Richds., Ileck. (nee Ag.) Amer. sept. (Canada). // Guzmaniensis Gir Amer. sept. (Chihuahua). t/ generosus Gir Amer. sept. (Utah-Iac). // griseus Gir Amer. sept. (Platte-river). // lactarius Gir Amer. sept. (Milkriver), // ? Tilesii Blkr ^ Cyprinus rostratus Tiles. =3 Catosto- mus Tilesii Val Asia sept. oriënt. (Siberia). Minomus insignis Gir. =^ Catostomus insignis B. Gir. ;=: Pty- chostomus? insignis Ag Amer. sept. (Rio Gila). // plebejus Gir. =:: Catostomus plebejus B. Gir. . , Amer. sept. (Rio Gila). «' Clarkii Gir. =! Catostomus Clarkii B. Gir. . . . Amer. sept. (Rio Gila). Catostomus hudsonius Les. ^ Cyprinus catostomus Forst, zi Rhytidostomus catostomus Heek Am. s. (Sin. Hudson, Cumbl.). // Forsterianus Ag. (nee Richds.) Am. sept. (Lac. superior). u teres Les. — Cyprinus teres Mitch. =3 Catostomus communis Les. :=i Catostomus gracilis Kirtl. . . . Amer. sept. (Prov. unit. or.). // bostoniensis Les. =3 Catostomus pallidus De Kay ? =5 Catostomus florealis Baird Amer. -sept. (Prov. unit. or.). 1/ occidentalis Ayr . . ... . Amer. sept. (Californ.). // macrocheilus Gir Amer. sept. (Astoria). v Sucklü Gir Amer. sept. ^Milkriver). // Eernardini Gir Amer. sept. (Mexico). // labiatus Ayr. , A. s. (Pr. un. occ, Lac. Klam.). // longirostrum Les Amer. sept. (Vermont). Ptychostomus congestus Gir. s Moxostoma? congestum Ag. — Catostomus congestus B. Gir Am. sept- (ïexas, Rio Salado). // aureolus Ag. z: Catostomus aureolus Les. ;=3 Catosto- mus Sueurii Richds. ? Heek . Am. s. (Lac. sup., Erie, Can.). // albidus Gir Amer. sept. (Californ.). // Duquesnü Ag. z3 Catostomus Duquesnii Les. :s Ca- tostomus erythrurus Raf ; A. s. (Lac. Canad. Huntsv.etc). // Haydeni Gir , Amer. sept. (Missuri). // macrolepidotus Ag. =; Catostomus macrolepidotus I^es, 31 242 =: Catostoraus carpio Val? ^ Catost. olieida De Kay. Ains. (N.Y,Ont., Oneid. Can) Ptychostomus melanops Ag. =s Catostomus melanops Raf. = Catostomus fasciatus Les.— Catostomus melanotus Val. Am- s. (Pr. un. occ- et mer). Hylomyzon nigricans Ag. ~ Catostomus nigricans Les. =: Ca- tostomus maculosus Les.zs Catostomus fasciolaris Raf. :=; Catostomus flexuosus Raf. = Catostomus megasto- mus Raf. =5 Catostomus xanthopus Raf. ::= Exoglossum macropterum Raf. =: Hypentelium macropterum Raf. =3 Catostomus planiceps Val. Am. s. (Pr. un. or. et med.). Carpiodes cyprinus Ag. ^ Catostomus cyprinus Les. ^ Car- piodes vacca Ag. £= Labeo cyprinus De Kay. =:; Scle- rognathus cyprinus Val Amer. sept (Prov. unit. merid.) // ïiiompsoni Ag. =: Catostomus cyprinus Zad. Thomps, Amer. sept. (Lac Champlain).. // velifer Raf., k^:-:^ Catostomus cyprinus Kirtl. r= Carpiodes carpio Raf. ^ Carpiodes setosus Raf. er Catostomus (Moxostoma) anisopterus Raf, . . . Amer- sept. (Ohio). w bison Ag. Am. sept. (Mississip., Osage fi.) » damalis Gir. . . . - Amer. sept (Missuri). Cycleptus elongatus Ag. :=! Catostomus elongatus Les- =ï Decactylus Raf. :=; Rhytidostomus elongatus Heek. . Amer. sept. (Ohio, Cincinnati).' tl nigrescens Raf. . . .-.■.■ Amer. sept. (St. Louis). Ichthyobus bubalus Raf., Ag. =3 Sclerognathus cyprinella Val. Amer. sept. (N. Orleans). // Rauchii Ag. Amer. sept. (Jowa). // StoUeyi Ag Amer. sept. (Missuri). y tumidus Gir. :=; Carpiodes tumidus B. Gir. =3 Icty- obus tumidus Gir. . . . ■ . . . .... . Amer. sept. (Texas). Bubalichthys bubalus Ag. :=; Catost. bubalus Kirtl. (nee Raf.) Amer. sept. (Ohio)- // bonasus Ag. . . . . . . Amer. sept- (Osage fl): H niger Ag. ^ Catostomus niger Raf. ...... Amer. sept. (Ohio)- // vitulus Ag. =; Carpiodes vitulus Ag. ..... Amer. sept. (Wabash)- // taurus kg. ■^ Carpiodes taurus Ag Amer. sept. (Mobile fl.). * urus Ag. =2 Carpiodes urus Ag. ....... Amer. sept. (Tennessee fl.). Moxostoma oblongum Ag. =: Cyprinus oblongus Mitch. s Catostomus vittatus Les. =: Labeo esopus De Kay =3 Labeo gibbosus De Kay :=: Labeo oblongus De Kay p= Labeo elegans De Kay :=: Catostomus tuberculatus Les. s Catostomus gibbosus Les. =3 Moxostoma tu- berculatum v. gibbosum Ag Amer- sept (Pr. unit oriënt.): Moxostoma sucetta Ag. rs Cyprin. sucetta Lac. :=! Catost. sucetta Les. =3 Catost. suceti Val. =: Moxost. suceti Ag. . . Am. s. (Charlest.Georgiaetc). 243 Moxostoma anisurus Ag.=: Catost. (Moxostoma) anisurus Raf. Am. s.(ErieIac.,Illin.,Miss.etc). K tenue Ag Amer. sept. (Alabama). claviformis Gir. Amer. sept. (Canadian fl.). Kennerlii Gir Amer. sept. (Texas). Victoriae Gir. . Amer. sept. (Texas). Campbelli Gir. Amer. sept. (Texas). AcoMus Gir. , Research. Cyprin. Fish. Unit. States in Proceed. Acad. natur. sciene. Philadelph. Vol. VIII p. 173. Corpus elongatum fusiformi-compressum squamis parvis vel medio- cribus corpore antice quam postice multo minoribus vestitum. Maxil- lae labiis papillatis inclusae. Labium inferius bilobum. Caput longi- us quam altum. Rostrum integrum ante os valde prominens. Pinna dorsalis ante pinnas ventrales incipiens et longe ante pinnam analem desinens, altior quam longa. Ossa pharyngealia non expansa. Dentes pharyngeales compressi, bituberculati , numerosi, in seriem pecti- niformem dispositi. Aanm. De heer Girard brengt tot dit geslacht, behalve Catostomus Forsteri- anus Richds. (nee Ag.) en Catostomus aurora Ag. , nog 5 door hem ontdekte soor- ten. Cyprinus rostratus Tiles. van noord-oostelijk Azië zal insgelijks tot Acomus te brengen zijn, indien deze soort inderdaad tot de Catostominen behoort. MiNOMüS Gir. , Research. Cyprin. Fish. Unit. States in Proceed. Acad. natur. scienees of Philadelph. Vol. VIII p. 173. Corpus elongatum fusiformi-compressum , squamis magnis vel me- diocribus corpore antice quam postice paulo minoribus vestitum. Maxil- lae labiis papillatis inclusae. Labium inferius bilobum. Caput longius quam altum. Rostrum integrum ante os prominens. Pinna dorsalis ante pinnas ventrales incipiens , et ante pinnam analem desinens , altior quam longa vel aeque alta ac longa. Ossa pharyngealia lateraliter non expansa sed valde introrsum directa. Dentes pharyngeales compressi bicuspidati, numerosi, ia seriem pectiniformera dispositi. 244 Aanm. Tot dit geslacht heeft de heer Girard gebragt drie soorten , welke hij in 1854 met den heer Baird had bekendgemaakt onder de namen Catostomus Clarkii, Catostomus insignis en Catostomus plebejus. Ik twijfel zeer of Minomus met regt als geslacht van Catostomus is gescheiden , wat zich overigens ook van het geslacht Acomus Gir. laat zeggen. Catostomus Les., Journ. Acad. Phil. I; Ag. Ichth. Pacif. slope N. Amer. p. 22. in Amer. Journ. se. arts. 2<^ Ser. Vol. XIX Corpus elongatum , fusiformi-compressum , squamis magnis vel me- diocribus corpora antice quam postice minoribus vestitum. Maxillae labiis carnosis papillosis inclusae. Labium inferius bilobum. Rostrum integrum obtusum ante os prominens. Maxilla inferior lata, brevis. Pinna dorsalis ante pinnas ventrales incipiens et longe ante pinnam a- nalem desinens. Ossa pharyngealia valida compressiuscula. Dentes pharyngeales médiocres symphysin ossium pharyngealium versus magni- tudine accrescentes , compressi, facie masticatoria obtusa angulo processu brevi, numerosi, in seriem pectiniformem dispositi. Aanm. Nadat door de splitsing van het Lesueursche geslacht Catostomus reeds talrijke soorten, oorspronkelijk daartoe behoorende, daarvan waren afgezonderd, bleven nog vrij talrijke soorten over, welke tot Catostomus, in zijnen tegen vvoor- digen beperkten zin, behooren. Tot die soorten zijn te brengen Cyprinus catostomus Forst., Catostomus teres Les., Catostomus bostonensis, Catostomus longirostrum Les. en nog eenige door de nieuwere amerikaansche ichthyologen ontdekte soorten. Ptychostobius Ag., Ichth. Pacif. slope North. Amer. p. 18 in Amer. Journ. science and arts, 2^ Series Vol. XIX. Corpus oblongum vel elongatum compressum, squamis magnis cor- pora antice et postica aequalibus vestitum. Maxillae labiis tenuibus transversim sulcatis inclusae. Labium inferius bilobum. Eostrum in- tegrum vix ante os prominens. Pinna dorsalis ante pinnas ventrales incipiens et longe ante pinnam analem desinens, longior quam alta. Ossa pharyngealia valida lata. Dentes pharyngeales médiocres symphy- sin ossium pharygealium versus magnitudine accrescentes, compressi, facie masticatoria plana angulo processu brevi minuta, numerosi, in seriem pectiniformem dispositi. 245 Aanm. Het geslacht Ptychostomus schijnt zich van Hylomyzon voornamelijk slechts te onderscheiden door dwars geplooide en niet getepelde lippen. Het is rijker aan soorten dan Hylomyzon, zijnde reeds zeven soorten daarvan in de we- tenschap opgenomen. Hylomyzon Ag., Ichth. Pacif. slope North Araer. p. 20 in Americ. Journ. scienc. and arts 2^ Series Vol. XIX. Corpus elongatum fusiformi-compressum , squamis magnis corpore an- tice quam postice majoribus vestitum. Maxillae labiis latis carnosis papillatis inclusae. Labium inferius bilobum. Caput superne planum. Kostrum integrum vix ante os prominens. Pinna dorsalis ante pinnas ventrales incipiens et longe ante pinnam analem desinens , aeque alta circiter ac longa. Ossa pharyngealia latiuscula. Dentes pliaryngeales médiocres symphysin ossium pharyngealium versus magnitudine accres- centes, compressi, facie mastieatoria gracili non tuberculata , numerosi, in seriem pectiniformem dispositi. Aanm. De eenige tot dus verre van Hylomyzon bekende soort is Hylomyzon nigricans Ag;, v^^elke onder verschillende soort- en geslacht-namen (Catostomus, Exo- glossum, Hypentelium) door de verschillende ichth yologen beschreven is. Carpiodes Eaf., Ichth. Ohiens. ; Ag. Ichth. Faun. Pacific slope North Araer. p. 4 in Amer. Journ. scienc. and arts 2'^ Series Vol. XIX :=: ScLEROGNATHUS Val. ex parte. Corpus oblongum compressum, squamis magnis vestitum. Maxillae labiis tenuibus transversim sulcatis inclusae. Labium inferius bilobum. Caput aeque altum circiter ac longum. Rostrum integrum convexum. Pinna dorsalis elongata antice valde elevata , ante pinnas ventrales in- cipiens et supra pinnam analem desinens. Ossa pharyngealia compressa valde tenuia. Dentes pharyngeales parvi, compressi, apice unituber- culati, numerosi, in seriem pectiniformem dispositi. Aanm. Carpiodes is kenbaar aan zijne lange van voren zeer hooge rugvin, twee- kwabbige onderlip en zeer dunne zamengedrukte keelgatsbeenderen. Catostomus cyprinus Les. is de oudst bekende soort van dit geslacht, welke echter door den 246 heer Valenciennes tot zijn geslacht Sclerognathus en door De Kay tot het geslacht Labeo gebragt werd. Men kent bovendien nog vier andere soorten, waaronder Car- piodes velifer Raf, naar welke Rafinesque het geslacht opstelde. CrcLEPTüS Raf., Prodr. of 70 n. gen.; Ag. Ichthi, Faun. Pacif slope North Amer. p. 12 in Amer. Joui-n. of scienc. and arts 2*^ Series Vol. XIX. irj Ehytidostomus Heek. ex parte. Corpus elongatura cylindricum , squamis magnis vestitum. Maxillae labiis papillatis inclusae. Labium inferius medio emarginatum. Pinna dox'salis elongata, antice quam postiee multo altior, longe ante pinnas ventrales incipiens et supra pinnam analem desinens. Ossa pharyn- gealia valida subtriquetra. Dentes pharyngeales médiocres symphysin ossium pharyngealium versus magnitudine accrescentes , compressi , facie masticatoria plus minusve obliqua vel emarginata , numerosi , in seriem pectiniformem dispositi. Aanm. Van Cycleptus zie ik slechts twee soorten vermeld , de typische soort van Rafinesque , Cycleptus nigrescens , en Cycleptus elongatus Ag. , welke echter nog nader bewezen moet worden soortelijk van Cycleptus nigrescens Raf. te verschillen. IcHTHYOBUS Raf, Ichth. Ohiens. ; Ag., Ichth. Faun. Pacif. slope North Americ. p. 10 in Americ. Journ. scienc. and arts 2d . Series Vol. XIX. Corpus oblongum compressum , squamis magnis vestitum. Maxillae labiis tenuibus inclusae. Rostrum integrum non ante os prominens. Maxiila inferior lata. Pinna dorsalis elongata, antice quam postiee multo altior, supra vel ante pinnas ventrales incipiens et supra pin- nam analem desinens. Ossa pharyngealia subcompressa subtriquetra. Dentes pharyngeales pai'vi symphysin ossium pharyngealium versus magnitudine accrescentes , compressi , facie masticatoria processu brevi muniti, numerosi, in seriem pectiniformem dispositi. Aanm. De meest bekende soort van Ichthyobus is Sclerognathus cyprinella Val , welke soort evenwei door Rafinesque reeds was aangeduid onder den naam van Ichthyo- 247 büs bubalus. Do kennis van nog drie andere soorten heeft men aan de heeren Agassiz en Baird en Girard te danken. BüBALiciiTHYS Ag., Ichth. Faun. Pacif. slope North America p. 7 in Americ. Journ. scienc. and arts 2^ Series Vol. XIX. Corpus oblongum compressura squamis magnis vestitum. Maxillae labiis tenuibus granulatis inelusae. Pinna dorsalis elongata antice quam postice paulo altior, ante pinnas ventrales incipiens et supra pinnam analem desinens. Ossa pharyngealia valida triquetra. Dentes pharyn- geales médiocres symphysin ossium pharyngealium versus magnitudine accrescentes , compressi , facie masticatoria convexa obtusa angulo tan- tum processu brevi munita, numerosi , in seriem pectiniformem dipositi. Aanm. Dit geslacht heeft de lange rugvin van Carpiodes , Cycleptus en Ichthyo- bus, maar de vin is van voren naauwelijks hooger dan meer achterwaarts, waardoor het geslacht gemakkelijk te onderkennen is. De heer Agassiz vermeldt 6 soorten van Bubalichthys. — Catostomus niger Raf. ea Catostomus bubalus Kirtl. (nee Raf.) be- hooren daartoe. MoxosTOMA Eaf., Ichth. Ohiens. ; Ag., Ichth. Pac. slope North Amer. p. 14 in Amer. Journ. scienc. and arts 2d Series Vol. XIX. Corpus oblongum vel elongatum compressum, squamis magnis ve- stitum. Maxillae labiis tenuibus carnosis transversim sulcatis inelusae. Labium inferius bilobum. Linea lateralis poris vel aperturis externis nullis. Pinna dorsalis ante pinnas ventrales incipiens et ante pinnam analem desinens. Ossa pharyngealia subcompressa , subtriquetra. Den- tes pharyngeales médiocres symphysin ossium pharyngealium versus magnitudine accrescentes, compressi, curvati, subuncinati, numerosi, in seriem pectiniformem dispositi. Aanm. Het geslacht Moxostoma is kenbaar aan de afwezigheid van eene zigtbare zijlijn. Tot nu toe zijn 8 soorten er van bekend. Een daarvan, Moxostoma su- cetta Ag. was reeds aan Lacépède bekend en een paar andere aan Lesueur en Rafi- nesque, doch de overige zijn eerst in de jongste jaren beschreven geworden. 248 Stirps 2. Cyprinini. — Echte Karpers. Cypriniformes cheilognatliini corpore oblongo compresso, maxillis labiis carnosis rotundis inclusis; ore antico; pinna dorsali elongata et pinna anali pauciradiata radio osseo serrato munitis; squamis corpore magnis; dentibus pharyngealibus parcis uni- ad triseriatis. Aanm. De Cyprininen vormen eene scherp gekenmerkte groep door haren gelan- den aarsvindoorn , een kenmerk, wat alleen dezen stam in de groote familie der Cy- prinoïden toekomt. De herkenning wordt overigens nog gemakkelijk gemaakt door de lange, tot boven de aarsvin zich uitstrekkende en meteen' gelanden doorn ge- wapende rugvin. De lipbouw der Cyprininen doet ze behooren tot de Cheilogna- thinen. Zij schijnen voor de oude wereld te zijn, wat de Catostominen zijn voor de nieuwe wereld. De Cyprininen omvatten het geslacht Cyprinus, zooals het door Cuvier en den heer Valenciennes is opgevat. Nilsson zonderde daarvan af de soorten zonder voeldraden , welke hij tot een eigen geslacht bragt onder den naam Carassius, Fitzinger bragt dezelfde soorten onder zijn geslacht Cyprinopsis, hetwelk gelijk- beteekenend is met Carassius. Heckel ging nog verder en zonderde zijne Cyprinus Kollarii van het geslacht Cyprinus af, op grond van eenige bijzonderheden in het tandenstelsel, Hij noemde dit geslacht Carpio. Carpio zou dan slechts verschillen van Cyprinus door de be- kervormige gedaante der keelgatstanden , vermits het overigens alle kenmerken bezit van Cyprinus, tot zelfs de vier voeldraden toe, Heckel ging soms te ver in de toekenning van generische waarde aan bijzon- derheden in het tandenstelsel. Hij gevoelde dat soms zelf, zooals blijkt b. v. uit de intrekking van zijne geslachten Chondrochilus en Chondrorhynchus, welke hij van Chondrostoma afgezonderd had op grond van ligte getalverschillen in de keelgatstanden , doch later weder tot Chondrostoma terugbragt. Het komt mij voor, dat aan ver- schillen in de bijzonderheden van het tandenstelsel slechts dan generische waarde mag worden gehecht, wanneer die verschillen door uitwendig zigtbare kenmerken zijn vertaald. Zulks het geval niet zijnde bij Carpio Heek., schijnt dit geslacht niet aannemelijk te wezen. Ik neem alzoo slechts twee geslachten van Cyprininen aan , welke uitwendig reeds van elkander te onderkennen zijn aan de aanwezigheid of afwezigheid der voel- draden en welke overigens een vrij aanmerkelijk verschillend tandenstelsel bezitten. De Cyprininen zijn tot de oude wereld beperkt. Hun eigenlijk vaderland is 249 daar de gematigde zone van het noordelijk halfrond. Van daar strekken zij zich in oostelijk Azië tot binnen de keerkringen uit, doch behalve in het zuiden van China, zijn zij van Zuid- Azië tot dusverre niet bekend- De Javasche soort is daar overgeplant, even als Cyprinus carpio L. uit Europa naar Noord- Amerika is overgebragt. Carassius auratus, met hare talrijke verscheidenheden en monstrosi- teiten heeft men niet alleen naar Europa , maar ook naar den Indischen Archipel , Afrika en Amerika overgeplant. Zeer merkwaardig is het voorkomen van 2 soorten van Carassius op het eiland Mauritius , maar het zou mij niet bevreemden , indien het bleek , dat de karpers van Mauritius derv/aarts van China of Japan zijn over- gebragt. De beide geslachten der Cyprininen zijn gemakkelijk herkenbaar , als volgt. I Cirri 4, rostrales et supramaxillares. Dentes pharyngeales molares vel calycifor- mes 1.1.3/3.1.1 vel 1.4/4.1. Cyprinus Art. II Cirri nulli. Dentes pharyngeales scalpriformes 4/4. Carassius Nilss. Species Cyprininorum hucusque cognitae. Cyprinus carpio L. ^ Cyprinus nobilis Schon. ;=! Cyprinus rex cyprinorum BI =3 Cyprinus carpio macrolepidotus Ag. Eur., As. min.(Am.Sept. intr.). V acuminatus Heek. Kner (nee Richds.) ö Cyprinus angulatus Heek. ;=! Cyprinus thermalis Heek. . . Europa. // hungaricus Heek. ^ Cyprinus primus Marsigl. :=3 Cy- prinus carpio var. lacustris Fitz. ...*... Europa. // regina Bp.:=i carpio? regina Heek . Europa. // elatus Bp ;........ Europa. // Nordmanni Val. :...... Europa. // striatus Holandre :=: Carpio striatus Heek. . . . Europa. // Kollarii Heek. :=i Carpio KoUarü Heek Europa. V chinensis Basil China. // obesus Basil. . . ; . China- //? fossicola Gr. Richds. . : China. * flavipinna V. Hass- =; Cyprinus floripenna V. Hass. (err- typogr.) =3 Cyprinus nigro-auratus Lac. ? n^ Cypri- nus rubro-fuscus Lac.?=3 Cyprinus viridi-violaceus Lac? 250 =! Cvprinus flavipiunis Val. zs Cyprinus vittatus Val. s Cyprinus atro-virens Ricbds. ?=5 Cyprinus flammans Richds. ?=: Cyprinus hybiscoides Ricbds. ?=3 Cyprinus acuminatus Richds. ?=: Cyprinus sculponeatus Richds. =3 Cyprinus conirostris T. Schl. =2 Cyprinus haemato- pterus T. Schl. . Chin , Jap. (Jav. mtrd.). * Cyprinus melanotus ï. Schl Japonia. Carassius vulgaris Nilss. =s Cyprinus carassius L. =3 Cyprino- psis carassius Fitz. :s Carassius Linnaei Bp. - • . Europa. // gibelio Nilss. =: Cyprinus gibelio Gmel Europa. // luoles Ag Europa. ' 1/ oblongus Heek. Kner. Europa. // humilis Heek. ^ Cyprinus h umilis Heek Europa. '/ ? incobia Heek. — Carassius incobia Bp Europa. '/ bucephalus Heek. — Cyprinus bucephalus Heek. . • Europa. ff lineatus Heek. :=3 Cyprinus lineatus Val China. 1/ Langsdorfii Heek. :::: Cyprinus Langsdorfii Val. . . China. * // Bürgeri ï. Schl. :=: Cyprinus (Carassius) Bürgeri T. Schl. =2 Carassius coeruleus Bas China, Japonia. * u auratus Nilss. =: Cyprinus auratus BI ^ Cyprinus te- lescopus Lac. ^ Cyprinus maerophthalmus Bl.^i Cypri- nus quadrilobus Lac. =2 Cyprinus nukta Syk. ;=; Cy- prinus quadrilobatus Bas Chin., Jap. ,Phil.(Jav..Eur.intr.). // pekinensis Bas China. // discolor Bas. China. 1/ abbreviatus Blkr=: Cyprinus abbreviatus Richds. • China. // gibelioides Blkr =s Cyprinus gibelioides Cant. ::3 Cy- prinus nigrescens Cant. (an Carassius Langsdorfii Val? sec. Richds.) China. ri carassioides Blkr =3 Cyprinus carassioides Gr. . . China. r/ Cuvieri T. Schl. ui Cyprinus (Carassius) Cuvieri T. Schl. Japonia. 1/ grandoculis T. Schl Japonia. 1/ thoracatus Heek. =: Cyprinus thoracatus Val. . . . Maurit., Japonia? r mauritianus Blkr =3 Cyprinus mauritianus Benn. . • Mauritius. 251 Cyprinus Artl; L., Svst. Nat. ed. 6^ (1748), Nilss. Skand. Fisk. =: Carpio Heek. , Fisch- Syr. p. 24 — Karper. Corpus oblongum compressum, squamis magnis vestitum. Maxil- lae labiis carnosis teretibus simplicibus inclusae. Cirri 4 , rostrales et supramaxillares. llictus terminalis, ore clauso formam ferri equini referens. Suleus postlabialis utroque latere simplex, longitudinalis , non cum sulco lateris oppositi unitus. Opercula rugosa. Pinna dor- salis elongata, supra vel ante pinnas ventrales incipiens et supra pinnam analem desinens, basi alepidota, radio simplice postico osseo serrato. Pinna analis pauciradiata , radio simplice postico osseo ser- rato. Dentes pharyngeales molares vel calyciformes bi- ad tri-seriati facie masticatoria sulcati. Aanm. Het geslacht Cyprinus, zooals het boven omschreven is, omvat de ge- slachten Cyprinus Heek. en Carpio Heek., welke mijns inziens slechts een enkel geslacht uitmaken. Inderdaad zou Carpio Heek. in niets anders van Cyprinus verschillen dan in de gedaante der keelgatstanden , welker kaauwvlakte een weinig hol is, hoezeer die tanden naar de type van die vau Cyprinus zijn gebouwd en insgelijks groeven op de kaauwvlakte vertoonen. Men kent thans de boven genoemde soorten van Cyprinus, van welke de meeste Europa bewonen, tervpijl de overige alle van China en Japan zijn bekend gewor- den. Slechts eene enkele archipelagische soort bevindt zich in mijne verzame- ling, welke tot nu toe in den Indischen archipel slechts in het westelijke gedeelte van Java is aangetroffen en derwaarts uit China overgebragt. Deze soort laat zich door volgende kenmerken van alle overige bekende van het geslacht onderkennen- I. Altitudo corporis 34 ad 4{ in ejus longitudine. Caput acutum 3| ad 4| in longitudine corporis, altitudine 1-g-ad IJ in ejus longitudine. Oculi 3 ad 4-^ in longitudine capitis. D. 4/16 ad 4/18. Dentes, globulari laevi ex- cepto, oblique truncati facie masticatoria vulgo tricarinati 1.1.3/3.1.1, vel 1.3/3.1. Cyprinus flavipinna K. v. H. 252 Cyprinus fiavipinna K. v. H.; Val., Poiss. XVI p. 52 tab. 547;Blkr, Descr. spec. pisc. Jav. nov. Nat. Tijdschr. Ned. Ind. XIII p. 345 , Geelvinnige Karper Atl. Cypr. Tab. XIX. Cypr. corpora oblongo compresso, altitudine 3'/2 ad 4'/4 in ejus longitudine, latitudine 1'- 3 ad 2 in ejus altitudine; capite acutiusculo conieo, 3^4 ad 4*/2 iu longitudine corporis cum, S'/e ad S^/s in longitudine corporis absque pinna caudali ; altitudine capitis iVs ad l'i, latitudine l^/t ad l^/s in ejus longitudine; oculis diametro 3 ad 4*^3 in longitudine capitis, diametro 12/5 ad 2 in capitis par- te postoculari, diametro 1 ad 2 fere distantibus, membrana palpebrali iridis marginem eiternum tantum tegente, apertura subcirculari; rostro acutiusculo vel obtusiusculo convexo, non ante os prominente, junioribus oculo breviore, aetate provectis oculo longiore; naribus orbitae multo magis quam rostri apici approximatis ; linea rostro-dorsali rostrum inter et nucbam vulgo declivi rectius- cula, nucba convexa; osse suborbitali anteriore oblique tetragono, plus duplo ad duplo fere longi- ore quam lato , margine posteriore valde convexo , margine antiore rectiusculo vel concaviusculo, dimidio inferiore crista longitudinali postrorsum adscendente percurso ; osse suborbitali 2° oblique tetragono, anti- ce quam postice multo altiore, duplo circiter longiore quam alto, osse suborbitali 1^ triplo circiter humi- liore; maxilla superiore maxilla inferiore longiore, deorsum valde protractili, ante oculum desinente, 3^/5 ad 4 in longitudine capitis; rictu parum obliquo; cirris rostralibus cirris supramaxillaribus multo ad plus duplo brevioribusi, interdum deficientibus ; cirris supramaxillaribus oculo brevioribus ad paulo longioribus; labiis carnosis teretibus, facie orali transversim striatis; sulco postlabiali isthmo sat lato a sulco lateris oppositi separato; maxilla inferiore sympbysi tuberculo conieo obtuso brevi, inferne utroque ramo poris pluribus ia seriem longitudinalem dispositis; ossibus suborbitalibus et limbo praeoperculi poris conspicuis in seriem curvatam simplicem dispositis ; operculo radiatim ru- goso, latitudine 1^,3 ad 2 iit ejus altitudine, margine inferiore rectiusculo vel concaviusculo ; aper- tura brancliiali sub praeoperculi margine posteriore desinente; dentibus pharyngealibus molaribus 1.1.3/3.1/1 vel 1.3/3.1, dente serie posteriore interno globulari obtusissimo non sulcato, ceteris obli- que truncatis facie masticatoria vulgo tricarinatis ; osse scapulari trigono valde obtuse rotundato; ventre ante pinnas ventrales plano lateribus angulato, post pinnas ventrales obtuse carinato ; dorso elevato rotundato vel subangulato ventre multo altiore; squamis dimidio libero et dimidio basali longitudinaliter subradiatim striatis, 35 ad 37 in linea laterali, 14 vel 13 in serie transversali abs- que ventralibus infimis quarum 6 (5V2) supra lineam lateralem, 12 ad 14 in serie longitudinali occiput inter et plnnam dorsalem , ventralibus infimis longitudinaliter quinqueseriatis , serie media postrorsum magnitudiue vix accrescentibus iis seriebus lateralibus non majoribus ; linea laterali rectiuscula, antice tantum declivi, lineam rostro-caudalem non attingente, singulis squamis tubulo simplice mediam squamam attingente vel subattingente notata ; pinna dorsali supra vel paulo ante pin- nas ventrales incipiente, basi alepidota, 2^/5 ad 3 fere in longitudine corporis absque pinna caudali , acuta vel obtucuscula, eraarginata, altitudine iVs ad plus quam 2 in altitudine corporis, javenilibus duplo fere aetate provectioribus duplo ad multo plus duplo longiore quam alta, spina sat valida pos- tice dentibus conspicuis armata cum parte ejus flexili capite absque rostro breviore; pinnis pecto- ralibus et ventralibus acutiuscule vel obtusiuscule rotundatis, pectoralibus ventralibus paulo longi- oribus 6 fere ad 6^/3 in longitudine corporis ventrales attingentibus vel non attingentibus , ventra- libus analem non attingentibus; anali basi loviter squamata, acuta, non vel parum emarginata , dor- sali paulo vol non humiliore, duplo ad sat multo minus duplo altiore quam basi longa, radio pos- tico radio dorsali postico opposito vel paulo post cum inserto , spina sat valida postice dentibus conspi- , cuis armata ; caudali basi squamosa, profunde incisa, lobis acutis vel acutiuscule rotundatis 4 ad 4'/* 253 in longitudine corporis; colore corpore pulcherrime aureo, vel aureo-vlridi , vel profunde viridi, vel dorso nigro laterlbusc[ue aureo vel argenteo ; laterlbus interdum vittis longitudinalibus diffasis préfun- diorlbus; iride aurea, vel rosea, vel flava ; pinnis aureo-rubrls vel aureo-flavis vel dilute roseis, interdum violaceo vel nigro nebulatis. B. 3. D. 4/16 ad 4/18. P. 1/13 ad 1/lG. V. 2/8. A. 3/5 vel 3/6. C. 6/17/6 ad 8/17/8 lat. brev. incl. Syn. Cyprimis floripenna (err. irapress.) V. Hass. , Algem. Konst- en Letterb. 1823 II p. 132, Buil. de De Féruss. 1824 Zool. p. 375. Cyprimis rubro-fuscus Lac, Poiss. V p. 531, Val., Poiss. XVI p. 54?; Richds., Rep. Fish. Chin. Jap. in Rep. 15h Meet. Brit. Assoc. p. 288? Cypr'm rouge-brun Lac, Poiss. V p, 531 tab. 16 fig. 1? Cyprimis nigro-auratus Lac, Poiss. V p. 547; Val., Poiss. XVI p. 53, Richds., 1. c. p. 290? Cyprin mordoré Lac, Poiss. V p. 547 tab. fig. 2 ? Cyprimis viridi-vlolaceus Lac, Poiss. V p. 448; Val., Poiss, XVI p. 55, Richds., 1. c. p. 288? Cyprin verd-violet Lac, Poiss. V p. 548 tab. 16 fig. 3? Carpe rouge-brun Val., Poiss. XVI p. 54? Carpe mordorée Val,, Poiss. XVI p. 53? Carpe vert-violet Val., Poiss. XVI p. 55? Cyprinus atro-virens Richds., Rep. Ichth. Chin. Jap. in Rep. 15" Meet. Brit. Assoc. p. 287? Cyprimis Jlammans Richds. ibid, p. 288. Cyprinus hyUscoides Richds., ibid. p. 289? Cyprimis acuminatus Richds., ibid. p. 289 ? Cyprimis scidponeatus Richds., ibid. p. 290? Carpe aux nageoires jannes Val., Poiss. XVI p, 457. Cyprinus vittatus Val., Poiss. ibid. Carpe aux bandes vertes Val., Poiss., ib. Cyprimis haematopterus T. Schl., Faun. Jap. Poiss. p. 189 tab. 96. Cyprinus conlrostris T. Schl., Faun. Jap. Poiss. p. 191 tab. 97 fig. 2. Hih-li, Hah-li, Tang-U, Tong-U, Ho-U, Fo-U, Luh-U, Luh-U, Foo-yung-li, Foo-yang-U Fu-yung-U, Shang-hae-la, Shang-hai, Sheung-hoi-lap , Hae-U, Hoi-U, Kih-U Chinens. Tambra et Tambra mas Mal. et Sund. Hab; Java (Batavia, Buitenzorg, Tjampea, Tugu, Tjiseroa, ïjipanas, Tjiandur, Lelies, Bandong, Tjibulus, Pandjallu), in fluviis, lacubus et piscinis. Japonia (Jedo) , in fluvii's. Longitudo 35 speciminum 70'" ad 248"'. Aanra. Cyprinus flavipinna V. Hass. is na verwant aan den gewonen europeschen karper (Cyprinus carpio L.) en verschilt daarvan hoofdzakelijk door slanker ligchaam , grooteren kop en grootere oogen en minder bol profiel. Vele voorwerpen hebben zelfs de fraai goudglanzig-groene kleur der gewone europesche karpers. Cyprinus melanotus van Japan is slanker van ligchaam en van kop dan Cyprinus flavipinna , heeft de borstvinnen meer ontwikkeld en biedt nog meerdere andere ver- schillen aan in den vorm der onderoogkuilsbeenderen en de geaardheid van de kaanw- vlakten der keelgatstanden. Cyprinus vittatus Val. is dezelfde soort als Cyprinus flavipinna. Ik bezit meer- 254 dere voorwerpen, welke wegens de overlangsche banden des ligcliaams tot Cypri- nus vittatus Val. zouden behooren, dodi in niets wezenlijks van Cvprinus flavipin- na verschillen. De bandteekening vertoont zich bij eenige voorwerpen reeds tijdens het leven, bij andere eerst na bewaring in wijngeest. De kleuren bieden bij de verschillende voorwerpen zoo talrijke schakeringen aan, dat men bij oppervlakkig onderzoek daarin ligtelijk soortelijke verschillen zou mee- nen te vinden. In plaats van het cijfer der rugvinstralen 27 (eene drukfout), in het groote vischwerk opgegeven, leze men 17. De groene verscheidenheid wordt in vi^estelijk Java eenvoudig ^Ta^wSra, de goud- kleurige daarentegen l^avibra mas genaamd. De soort behoort tot de smakelijkste zoetwatervisschen van Java en wordt daarom in de bovenlanden veel in vijvers gehouden. Alle mijne voorwerpen behooren tot den jeugdigen en middelbaren leeftijd, daar de soort eene lengte bereikt van meer dan 400'". Van Hasselt heeft reeds aangeteekend dat Cyprinus fiavipinnis uit China naar Java is overgebragt. Opmerkelijk is het ook, dat zij de eenige echte karpersoort is, welke tot nog toe in den Indischen archipel in vrijen toestand is waargenomen, en dat hare verbreiding zich tot Java en wel slechts tot de westelijke helft van dat eiland bepaalt. Tndien de bewering van Van Hasselt juist is, wat ook ik op grond van mededeelingen op Java geloof, komt het mij thans zeer waarschijnlijk voor, dat zij dezelfde soort is als die, welke Lacepède onder de namen Cyprinus rubro-fuscus , Cyprinus nigro-auratus en Cyprinus viridi-violaceus als drie verschil- lende soorten heeft afgebeeld en welke onder dezelfde namen in de groote His- toire naturelle heeft plaats genomen. De habitus dier soorten, zooals die in de af- beeldingen van Lacepède is voorgesteld, beantwoordt zeer goed aan dien mijner jongere voorwerpen, hoezeer de bijzonderheden der uitvoering veel te wenschen overlaten. Cyprinus corirostris T. Schl. en Cyprinus haematopterus T. Schl. van Japan houd ik nog meer bepaald voor dezelfde soort als Cyprinus flavipinna; vooral nadat ik een vooral voorwerpen van Jedo met mijne Javasche heb kunnen vergelijken. Indien met zekerheid te bepalen was, dat inderdaad de drievoudig voorgestelde soort van Lacepède dezelfde is als onderwerpelijke, zou aan de hier beschrevene een der namen van Lacepède gegeven behooren te worden, waartoe die van nigro-au- ratus nog de voorkeur zou verdienen. De heer Richardson heeft , naar afbeeldingen van Reeves , behalve de drie naam- soorten van Lacepède, nog eenige andere soorten van Cyprinus van China opge- steld onder de namen Cyprinus atro-virens, Cyprinus flammans, Cyprinus hybiscoi- des, Cyprinus acuminatus en Cyprinus sculponeatus, welke ik vermoed, dat alle dezelfde soort voorstellen als die van Lacepède. De bijzonderheden, naar welke ze zijn opgesteld, zijn ontleend aan de afbeeldingen en deze missen, wat uit de 255 beschrijvingen van den heer Richardson is op te maken, de noodige naauwkeurig- heid ten opzigte van de getallen der schubben , enz. Indien alzoo mijne meening ten deze mogt blijken juist te zijn, zouden de 8 Richardsonsche soorten tot eene enkele behooren te worden teruggebragt , waar- toe dan ook zouden te brengen zijn de beide javasche soorten van den heer Valen- ciennes en Cyprinus haematopterus T. Schl. en Cyprinus conirostris T. Schl. van •Japan, zoodat van die twaalf soorten slechts eene enkele in de wetenschap zou behooren plaats te nemen. Carassius Nilss. , Heek. Fisch. Syr p. 24, — Karausch. Corpus oblongum corapressum , squamis magnis vestitum. Maxillae labiis carnosis teretibus simplicibns inclusae. Cirri nulli. Rictus termi- nalis , ore clauso formam ferri equini referens. Sulcus postlabialis utro- que latere simplex, longitudinalis , non cum sulco lateris oppositi unitus. Opereula rugosa. Pinna dorsalis elongata , supra pinnis ventrales incipiens et supra pinnam analem desinens , basi alepidota, radio sim- plice postico osseo serrato. Pinna analis pauciradiata, radio simpliee postico osseo serrato. Dentes pharyngeales scalpriformes 4/4. Aanm. Van Carassius zijn thans ongeveer 20 soorten bekend , van welke de meeste tot de fauna van China en Japan en de overige tot die van Europa behooren. Carassius thoracatus Heek. van Mauritius schijnt eene Japansche soort te zijn , al- thans ook in Japan voor te komen en even als Carassius auratus monstrositeiten met dubbele vinnen op te leveren. Cyprinus mauritianus Benn. (Proceed. Comm. Zool. Soc I p. 167) is misschien geene andere soort als Cyprinus thoracatus Val., wat zich echternaar de zeer korte beschrijving van Bennett niet laat bepalen. In het algemeen komt het mij voor, dat meerdere der Chinesche en Japansche soorten nader dienen onderzochten vergeleken te worden. Het zal dan misschien blijken, dat eenige soorten slechts nominaal zijn en niets anders dan variëteiten of monstrosi- teiten. Zoo is b. v. ook Cyprinus nukta Syk. van Dekkan slechts eene monstrosi- teit van Carassius auratus. Carassius auratus Nilss.; Heek., Fisch. Syr. p. 24 — Goudvisck. Syn. Cyprinus auratus L. Gm., Syst. Nat. ed. 13a p. 1418 et auct. Cyprinus telescopus Lac. , Poiss. Cyprinus macrophlhalmus BI., Ausl. Fisch. tab. 410. * Cyprinus quadrilobus Lac, Poiss. V tab. 18 fig. 3. Cyprinus nukta Syk., Fish. Dukhun in Trans. Zool, Soc. Il p. 355 (monstr.). 256 Cyprinus quadrilobatus Basil, Nouv. Mém. Soc. imp^r. Natur, M osc. X 1855, Ichth. Chin. bor. p. 230 tab 5 fig 5. Aanm. Ik bezat van Carassius auratus talrijke voorwerpen, alle behoorende tot verschillende monstrositeiten der soort, zooals zij op Java en in Japan in vijvers en glazen tot vermaak onderhouden worden. Alle die voorwerpen , in eene groote stopflesch bewaard , zijn bij de jongste verplaatsing van mijn kabinet verloren ge- gaan en, hetzij door de dragers ontvreemd, hetzij wegens het breken der flesch tijdens het transport weggeworpen. De voornaamste monstrositeiten , door mij waargenomen , had ik echter reeds aangeteekend op bladz. 4S van mijne // Nalezingen op de Ich- thyologie van Japan", opgenomen in het 25*^ deel der Verhandelingen van het Ba- taviaasch Genootschap van kunsten en wetenschappen. Zij waren gelegen , behalve in afwijkingen der gedaante en lengte van kop, ligchaam en vinnen, in het niet of dubbel aanwezig zijn van een of meerdere vinnen. Deze monstrositeiten laten zich in weinige woorden aanduiden als volgt. Monstrositas 1 Mononotopterus , diuropterus, diproktopterus , phaionotus. // 2 Mononotopterus, diuropterus, monoproktopterus , aureus. // 3 Anotopteras, diuropterus, diproktopterus^ aureus. // 4 Anotopterus , diuropterus , phaiosoma. Alle deze monstrositeiten vond ik terug bij een aantal goudvisschen uit de vij- vers der vorsten van Soerakarta. Ik heb vroeger betrekkelijk enkele voorwerpen , tot die monstrositeiten behoorende, het volgende aangeteekend. 1 Carassius aicratus, macronotopterus diuropterus , diproktopterus , phaionotus. Syn. Cyprinus auratus var. Basil., Ichth. Chin. boreal. tab. 5 fig. 2. Tambra mas Mal. Jav. C. corpore oblongo compresso, altitudine 3 ad B'/a in ejus longitudine ; capite obtuso , rotundato, 5 ad 6 in longitudine corporis; oculis diametro 3'/2 in longitudine capitis; linea dorsali valde con- vexa ; ventre dorso multo convexiore; squamis lateribus 2i. vel 25 in serie longitudinali ,- pinnis val- de elevatis et elongatis , dorsali , pectoralibus ventralibusque simplicibus , anali caudalique duplicatis, caudali triloba lobis acutis medio bis tantum in longitudine totius corporis; colore corpore superne nigricante-fusco , lateribus inferneque flavescente-aureo ; pinnis fuscis. D. 4/19. P. 1/16. V. 2/6 vel 2/7. A. 3/6 + 3/6. C. 17 + 17 et lat. brev. Hab. Surakarta, in piscinis principum. Longitudo 2 speciminum 115'" et 170'". 2 Carassius auratus, macronotopterus, diuropterus, monoproktopterus, ob- longus , aureus. Sya, Cyprinus macrophthalmus BI., Ausl. Fisch. tab. 410. Cyprin gros-yeux Lac, Poiss. V tab. 18 fig. 2. Cypriii quatre-Iobes Lac, Poiss. V tab. 18 fig. 3. 257 Ouen-Yu ou Lettre' s, Mors-doré et Elégand, 23 Jujitbe et Baté^^ Maltaclie et Croix Manche 29- Copiae Savignü. Kin-Yu, Mauricot. 7, Ardoisé et Eubicon 4, Nigrkant et Aurore IG, Mauclie et Marhrê 2, Noriroux 6 , Brunei et Cinabré 8 , Superbe 3 , /Souci et Capucine'l , Charbonnier et Bleuel 5 , Cop. Savignü. Orirjinal et Bande-gueule 21, Mauri-jaune, Ensanglanté et Tout-chair 20, Cop. Savignü. Nin-Eubk-Yu ou Nymphes, Agréable 24. Nacre' et Rougi-membres 30. iÏM6ïS ei Taches mine 18 Cop. Savignü. Long- Tjing-Yu OM. les Yeux de dragon, espèce des Fa-Tan-Fw ou Oew/s cZe Canne ; Rouillé , Cérise et Léopard, 22, Masqué et Cap-mine 10, Quinte-bande et Norimembre li , Bubis- mouche et Nuageux 12, Télescope 11, Turquoise et Agathe 26. Cop. Savignü. Ta- JVin- F« ou Oeu/s rfe Canne, Ferrugineux, Tettard et Frangirouge 15. Cop. Savignü, A't«- Teou-FM, ou Cabrioleurs, Verdret et Sombricolore 17. Cop. Savignü. Tambra mas Mal. C. corpore oblongo compresso, altitudine SVa ad 4 in ejus longitudine; caplte obtuso rotundato 4 circiter in longitudine corporis; ocuüs diametro 3'/2 in longitudine capitis; linea dorsali regulariter convexa; dorso ventre convexiore; squamis lateribus 23 ad 25 in serie longitudinali; pinnis dorsali, pectoralibus. ventralibus analique simplicibus, caudali duplice triloba, lobis acutis S'/a circiter in longitudine corporis; colore toto corpore aureo, pinnis flavescente-aureo. D. 4/16 vel 4/17. P. 1/14 vel 1/15. V. 2/8. A. 3/6. C. 16 + 16 et lat. brev. Hab. Surakarta, in piscinis principum. Longitudo 2 speciminum 75'" et 103'". 3. Carassius auratus, anotopterus, dmroptei'us , diproktopterus , aureus. Syn. Tambra mas Mal. C. corpore oblongo compresso, altitudine 3 circiter in eja3 longitudine; capite obtuso ö'/a circiter in longitudine corporis; oeulis diametro 31/2 in longitudine capitis ; linea dorsali antice valdéangu- lata; ventre dorso gibboso multo convexiore; squamis lateribus 25 p. m. in serie longitudinali ; pin- nis dorsali nulla, pectoralibus et ventralibus simplicibus elongatis , anali caudalique duplicatis , cau- dali tetraloba lobis acutis mediis bis tantum in longitudine totius corporis j colore corpore aureo, pinnis flavescente-aureo. D. 0. P. 1/17. V. 2/6. A. 3/7. -t- 3/6. C. 19 + 19 et lat. brev. Hab, Surakarta, in piscinis principum. Longitudo 2 speciminum 110'" et 210'". 4. Carassius auratus, anotopterus^diuropterus ,diproktopterus,phaionotus. Syn. Cyprinus auratus var. BI., tab. 94 fig, 2, Tambra mas Mal, C. corpore oblongo compresso, altitudine 4V2 circiter in ejus longitudine; capite obtuso 6 ferein longitudine totius corporis; oeulis diametro 3^/4 in longitudine capitis; valvula nasali in lobum pro- ducta; linea dorsali irregulariter rotundata; dorso valdc carinato ventre convexiore; squamis lateri- bus 20 p, m, in serie longitudiuali; pinnis dorsali nulla , pectoralibus et ventralibus simplicibus maxi- 33 258 me elongatis caudam multo superantibus; anali et caudali duplicatis, analibus radüs longissimis, caudali tetraloba lobis acutis plus dimidio corporis totius longitudinis efficientibus; colore corpore pinnisque fusco, operculis ventreque tantum aureo vel argenteo. D. 0. P. 1/16 vel 1/17. V. 2/7. A. 3/9 + 3/6. C. 15 + 15 et lat. brev. Hab. Surakarta, in piscinis principum, Longitudo speciminis unici 185'". Sedert het verloren gaan der voorwerpen, naar welke bovenstaande aanteekenin- gen genomen zijn , ben ik weder in het bezit gekomen van eenige monstrositei- ten , alle van Japan , en grootendeels afkomstig uit de kweekkommen van een voornaam Japanees te Jedo. Vaii deze monstrositeiten heb ik de volgende aanteekeningen genomen. 5. Carassius auratus , macronotopteriis , diuropterus , dlproktopterus , aureus. Syn. Cypnnus auratus var. Basilewski, Ichthyogr. Chin. bor. tab. 5 fig. 3, 5. C. corpore oblongo compresso, altitudlne 3 ad 3Vi in ejus longitudine; capite obtuso 4^/5 ad 5 in longitudine totius corporis ; oculis diametro 3 ad 3V3 in longitudine capitis ; naribus non tubulatis, posterioribus autem magnis valvula claudendis; linea dorsali sat regulariter rotundata; dorso ca- rinato ventre turaido non vel paulo tantum altiore; squamis lateribus 26 vel 27 in linea laterali; pinnis valde elongatis et elevatis, dorsali aeque alta circiter ac longa, simplice; pectoralibus capite vix ad non brevioribus; ven tralibus capite longioribus; anali duplicata; caudali duplicata quadriloba lobis valde acutis, lobis mediis trunco cum capite non vel vix breviore (bis circiter in longitudine totius corporis); colore corpore pinnisque rubro-aureo; pinnis dimidio libero interdum pulchre roseis. D. 4/15 vel 4/16. P. 1/16 vel 1/17. V. 2/8. A. 3/7 + 3/7. C. lat. brev. + 1/17 + 17/1 et lat. brev. Hab. Japonia, in pisicinis urbis Jedo. Longitudo 2 speciminura 123'" et 126'". Carassius auratus, macronoiopterus , diuropterus, monoproktopterus , aureus. Een voorwerp, behoorende tot de monstrositeit n°. 2, doch in meerdere bijzonderheden van mijne vroegere voorwerpen verschillende, t. w. door slanker ligchaam, meer hoekige rug- en buiklijn en grootere staartvinkwabben. Het voorwerp is afkomstig van Nagasaki en 85'" lang. 6. Carassius auratus , micronotopterus , diuropterus, monoproMopterus , aureus. Syn. Val., Poiss. XVI p. 86. Cyprinus auratus var. Basil, Ichth. Chin. bor. tab. 5 fig. 1. C. corpore oblongo compresso, altitudine 2 Va circiter in ejus longitudine; capite obtnso, parum convexo, 4 fere in longitudine corporis; oculis diametro 3 V2 circiter in longitudine capitis; naribus non tubulatis, posterioribus autem valvula magna claudendis; linea dorsali valde angulata; linea ven- trali regulariter convexa ; dorso ventre vix altiore ; squamis 25 p. m. in linea laterali ; pinna dorsali 259 brevi operculo non longiore, multo altiore quam longa, corporeplas duplo humiliore; pinnis pectora- libus et ventralibus acutis capite brevioribus; anali simplice acuta postice rotundata; caudali duplice tetraloba, lobis acutis subaeqnalibus 3%circiter in longitudine corporis; colore corpore rubro-aureo , pinnis pulchre rubro; pinnis dorsali et caudali nigro marginatis. D. 4/5 vel 4/6. P. 1/15. V. 2/7. A. 3/5 vel 3/6. C. 1/17/1 et lat, brev. + 1/13/1 etlat.brev. Hab. Japonia (Jedo), in piscinis. Longitudo speciminis unici 90'". Carassius auratus, anotopterus , dluropterus, diproktopterus , phaionotus. Twee voorwerpen van Jedo, behoorende tot de monstrositeit n". 4, maar veel korter van vinnen en ligchaam , welks hoogte er slechts ongeveer 2| malen gaat in zijne lengte. De kop gaat er slechts 3^ tot 4 malen in de lengte des ligchaams , de staartvin ZVs tot 3 malen. Er zijn 27 tot 21 schubben in de zijlijn. De buik- en borstvinnen zijn korter dan de kop; het neusklap vlies is tot eene lange vleezige kwab ontwikkeld. De voorwerpen hebben eene lengte van 53'" en 95". 7. Carassius auratus, anotopterus , diuropterus , diproktopterus , sarcoce- phalus, aureus. Car. corpore oblongo compresso, altitudine 23/4 circiter in ejus longitudine; capite obtusissimo, maxime convexo, altiore quam longo, cute villoso-carnosa ubiqvie tecto, 4 et paulo in longitudine corporis; oculis diametro 4 circiter in longitudine capitis; valvula nasali in lobum carnosum multi- partitum evoluta; linea dorsali rotundata linea ventrali rotundata paulo altiore; dorso valde crasso non carinato; squamis 25 p. m. in linea laterali vix conspicua; pinna dorsali nulla; pinnis pecto- ralibus et ventralibus acutis capite paulo brevioribus; anali hemi-duplicata (antice duplicata gobi- oidea , postice simplice ; caudali duplicata tetraloba , lobis acutis lateralibus quam mediis longiori- bus 3 et paulo in longitudine corporis; colore corpore pulchre aureo-rubro, pinnis rubro, maxilla superiore nigra. D. 0. P. 1/14 vel 1/15. V. 2/7 vel 2/8. A. -?^ +3. C. lat. brev. + 1/13/15/1 et lat. brev. 2/3 Hab. Japonia (Jedo) , in piscinis. Longitudo speciminis unici 139'". 8. Carassius auratus, anotopterus, diuropterus, monoproktopterus , aureus. Syn. Cyprinus auratus var. BI., tab. 94 fig. 1. Car. corpore oblongo compresso, altitudine 2^/4 circiter in ejus longitudine; capite valde obtuso, angulato, altiore quam longo, 4 fere in longitudine corporis; oculis diametro 3 in longitudine ca- pitis; vertice villosiusculo; valvula nasali incrassata sed non in lobum producta; linea dorsali re- gulariter curvata linea ventrali rotundata non vel vix convexiore; dorso crasso, non carinato; squamis 26 in linea laterali; pinna dorsali nulla; pinnis pectoralibus et ventralibus acutis, capite brevioribus; pinna anali simplice acuta; pinna caudali duplicata triloba, lobis acutis longitudine subaequalibus 3 circiter in longitudine corporis; colore corpore aüreo-rubro , pinnis rubro. 260 D. 0. P. 1/16. V. 2,6. A. 3/5 vel S/6. C. lat. brev. + 1/33/1 + lat. brev. Hab. Japonia (Jedo), in piscinis. Longitudo speciminis unici 101'". 9. Carassius auratus , macronotopterus , monuropterus , monoproJctopterus , rhombeus , aureus. Syn. Cyprinus auratus var. Basil., Ichthyogr. Chin. boreal. tab. 5 fig. 4. Car. corpore oblongo compresso, rhombeo, altitudine 2% ad 2^/t in ejus longitudine; capite an- gulato , acuto , depresso , 3*/5 ad 4 in longitudine corporis , aeque alto circiter ac longo ; oculis dia- metro 3 et paulo ad S'/s in longitudine capitis; valvula nasali mediocriter evoluta; linea dorsali obtusangula; linea ventrali rotundata; dorso carinato ventre vix altiore; squamis 25 ad 29 in linea laterali; pinna dorsali elongaia, longiore quam alta; pinnis pectoralibus et ventralibus acutis capite brevioribus; pinna anali simplice acuta altiore quam longa; pinna caudali simplice biloba, lobis acutis 2V2 ad 2^3 in longitudine corporis ; colore corpore superne aureo-rubro, inferne argenteo; pinnis pulchre rubris. D. 4/15 ad 4/19. P. 1/13 ad 1/15. V. 2/7 ad 2/8. A. 3/6 vel 3/7. C, 1/17/1 et lat. brev. Hab. Japonia (Jedo), in piscinis. Longitudo 2 speciminum 66'" et 68'". Aanm. Bij een dezer beide voorwerpen is de snuit zeer spits en de snuitvoor- hoofdslijn zeer hol. Bij dit voorwerp heeft de rug vin tusschen den 2"^ en 7° straal eene groote zwarte vlek. Bij het andere voorwerp ontbreekt deze vlek en is ook de voorhoofdslijn niet konkaaf. Monstrositates sequentes cognitae in museo meo desunt, 10. Jnotopterus , monuroproktopterus. Syn. Cyprinus auratus var. BI. tab. 94 fig. 3. 11. Macronotopterus, monuropterus, monoprohtoftterus , elongatus (a statu normali parum diversus). Syn. Niri'Eubk-Tu ou, Nymphes, Amlre- jaune et Tricolor 13, Q,ueue- mine et Hirondelle 27 , Fade et Minier 28. Cop. Savignii. Kin-Yu, Orangé 19, Vermillon 25. Cop. Savignii. 12. Dinotopterus (Val., Poiss. XVI p. 82). 13. Micronotopterus , diuropterus diproktopterus. (Val., Poiss. XVI p. 86, 87), 261 Stieps 3. — Baebini. — Barbelen. Cypriniformes cheilognathini corpore oblongo vel elongato, com- presso vel subfusiformi , radio anali simplice posteriore laevi edentulo , dentibus pharyngealibua uni-ad tri-seriatis parcis , utroque latere nun- quam plus quam 12. Aanm. Tot de Barbinen breng ik alle Cheilognathinen , welke niet behooren tot de Catostominen en Cyprininen. Reeds hiervoren heb ik gewezen op de moeijelijkheid, de meer dan 600 thans bekende soorten van Barbinen naar hare natuurlijke verwantschappen te rangschik- ken en de geslachten met de noodige scherpte te bepalen. Heckel's proeve van eene natuurlijke rangschikking der Cyprinoïden voldeed zoo weinig aan de eischen van een natuurlijk stelsel, dat hij haar eenige jaren later zelfverwierp, door opstelling zijner Temnochilae, welker geslachten in zijne vroe- gere rangschikking, in welke alle door hem aangenomene genera van Cyprinoïden met No. 1 tot No. 54 zijn vermeld, op de nos. 5, 13, 18 tot 23 en 27 tot 30 voor- komen, omringd van Cyprininen, Barbinen en Catostominen. En zelfs v;anneer men de Cyprininen en Catostominen uit die lijst wegneemt', alsook het geslacht Glossodon, hetwelk tot eene andere orde behoort, volgen de Barbinen er nog geenszins natuurlijk op elkander. De volgreeks waarin alsdan de Barbinen zou- den voorkomen, zou zijn als volgt. 1 Gibelion Heek. 2 Devario Heek. 3 Rhodeus Ag. 4 Systomus McCl. 5 Barbus Cuv. 6 Labeobarbus Rüpp. 7 Luciobarbus Heek. 8 Schizothorax Heek. 9 Aulopyge Heek. 10 Gobio Cuv. 11 Tinca Rond. 12 Isocephalus Heek. 13 Abramis Cuv, 14 Blicca Heek. 15 Bliccopsis Heek. 16 Acanthobrama Heek. 17 Osteobvama Heek. 18 Ballerus Heek. 19 Chela Buch. 20 Esomus Swns, 21 Pelecus Ag. 22 Perilampus McCl. 28 Alburnus Rond. 24 Aspius Ag. 25 Scardinius Bp. 26 Idus Heek. 27 Leucos Heek. 2S PachystomusHeck. 29 Leuciscus Rond. 30 Phoxinellus Heek. 31 Phoxinus Rond. 32 Argyreus Heek. 33 Squalius Bp. 34 Leucosoraus Heek. 35 Opsarius McCi. Vele dezer geslachten zijn sedert beter bekend geworden, terwijl andere zijn ge- bleken niet behouden te kunnen blijven worden. Talrijke andere, sedert ontdekte, generische vormen hebben ook nieuw licht geworpen op de verwantschappen der 262 oudere en daardoor heeft dit gedeelte der kennis van de Cyprinen thans ook reeds een geheel ander aanzien gekregen. Veel laat zich echter afdingen op de waarde van talrijke dier nieuwe geslachten. Het is vooral bij de Barbinen , dat men te ver gegaan is met de schepping van nieuwe geslachten op grond van onbeduidende wijzigingen in het tandenstelsel. Heckel werd daarin nog overtroffen door de heeren Agassiz en Girard. Gewis heeft ook het tandenstelsel zijne waarde bij de stelselmatige rangschik- king der Barbinen, maar niet zoodanige, dat een gering verschil in de reijen en in de gedaante der tanden gewigtig genoeg mag geacht worden om met voorbij- zien van de overige natuurlijke verwantschapen der soorten, daarop alleen de ge- slachten te vermenigvuldigen , en het zal dan zeker ook blijken , dat vele op die wijze ontworpen geslachten, onhoudbaar zijn. De Barbinen bieden echter, buiten het tandenstelsel, meerdere kenmerken aan, waardoor men in staat gesteld- wordt ze beter te groeperen , dan tot dus verre is geschied. Een voortreffelijk kenmerk vindt men in de gedaante van het voorste gedeelte des ligchaams. De buik is bij de meeste Barbinen voor de buikvinnen plat, eene min of meer breede ondervlakte aanbiedende, op welke men bij de geschubte soor- ten van 3 tot meer overl^ngsche schubreijen kan waarnemen. Bij vrij talrijke an- dere echter is de buik mesvormig zamengedrukt, vormt in stede van eene platte on- dervlakte slechts eene scherpe kiel, en de buikvinnen zijn daar niet aan den on- derrand des ligchaams maar aan de zijden boven de buikkiel ingeplant. Men kan deze beide groepen noemen Amhlygastri en Oxygastri. De Oxygastri omvattende de 5 geslachten Smiliogaster Blkr, Culter Basil, Lau- buca Blkr , Ghela Buch. en Macrochirichthys Blkr, welke zich verder scherp laten kenmer- ken door het al of niet aanwezig zijn van een' getanden of ongetanden rugdoorn, de plaatsing der rugvin voor of boven de aarsvin , den bouw der kaken , de beschub- bing, de gedaante der zijlijn en der buiklijn, enz. Bij het zoeken naar vaste kenmerken om de Amblygastri in ondergroepen te split- sen ontmoet men talrijke moeijelijkheden. In het tandenstelsel zijn die kenmerken niet te vinden, tenzij men de natuur- lijke verwantschappen geheel zou willen verbreken. Zoo b. V. vindt men driereijige tanden bij Barbus, Rohtee, Catla, Luciosoma , Opsarius, Rasborichthys, enz; tweereijige tanden bij Meda, Aspius , Gobio, Argy- reus, Phoxinus, enz ; éénreijige tanden bij Tinca, Aulopyge Acanthobrama , Rhodeus , Esomus, enz., geslachten, welker natuurlijke rangschikking eene geheel andere is. In de voeldraden vindt men die kenmerken nog minderen zelfs zijn deze, op zich zelve genomen, niet voldoende bij de vaststelling van de geslachten, vermits bij meer- dere natuurlijke geslachten, zooals Cyclocheilichthys , Hypselobarbas , Systoraus, Lu- 263 ciosoma, vier, twee of geene voeldraden bij de soorten van hetzelfde geslacht wor- den aangetroffen. Dezelfde moeijelijkheden doen zich voor, wanneer men de rangschikking beproeft naar andere kenteekenen, b. v. de lengte der rugvin en aarsvin, de beschubbing, de plaatsing en grootte der mondopening , de grootte der kieuwopening, de gedaante van den snuit, het verloop der zijlijn, enz. Andere kenteekenen nog, van welke misschien met nut gebruik genaaakt zou kun- nen worden , zooals de bijzonderheden der kaak- en lipvorming , de gedaante der voorste onderoogkuilsbeenderen , de schubbige rugvinscheede, enz. zijn op verre na niet van alle geslachten bekend en men stuit daarom bij de toepassing dier kenmerken spoe- dig op onzekerheden, welke niet op te heffen zijn. Het is mij voorgekomen , dat van de geaardheid van den achtersten onverdeelden rugvinstraal nog het meeste partij te trekken is bij eene algemeene verdeeling der Amblygastri. Ik heb ze daarnaar gesplitst in Acanihophori en Anacanthonoti. Het aanwezen of niet aanwezen van een' rugdoorn stemt nog het meest, ofschoon niet volko- men, met de overige natuurlijke verwantschappen overeen en heeft het praktische nut van eene gemakkelijke herkenbaarheid. Ook hier evenwel doen zich over- gangen voor, ofschoon, voor zoover mij bekend is, slechts bij de geslachten La- beobarbus en Systomus, waar de rugdoorn bij enkele soorten zoo weinig ontwik- keld is, dat zijne beenige natuur betwijfeld kan worden. Tot de van een' rugdoorn voorziene geslachten behooren Racoma McCl. , Schizo- thorax Heek., Balantiocheilos Blkr, Arablyrhynchichthys Blkr , Albulichthys Blkr, Hampala V. Hass , Hypselobarbus Blkr, Systomus McCl. , Cyclocheilichthys Blkr, Barbus Cuv. , Labeobarbus Rüpp., Hemibarbus Blkr, Pseudophoxinus Blkr. Rohte- ichthys Blkr, Rohtee Syk. , Acanthobrama Heek., Rhodeus Ag., Chanodichthys Blkr, Pseudoculter Blkr, Hemiculter Blkr, Aulopyge Heek. en Meda Gir. , de beide laatste hoogst merkwaardig door schubloos ligchaam. Ik heb die geslachten verder gerangschikt naar het al of niet beschubt zijn des ligchaams^ de gedaante der aarsschubben, van de lippen, kieuwopening, snuit, bekspleet, onderoogkuilsbeenderen, rugvin en aarsvin , naar het getand of niet getand • zijn van den rugdoorn, het al of niet bestaan van een ooglidvlies, de rangschikking en bijzondere vormen der tanden, enz. De geslachten der Anacanthonoti zijn nog aanmerkelijk talrijker dan die der Acanthophori. Twee dier geslachten zijn opmerkelijk wegens de aanwezigheid van zeshoekige cellen of wratachtige verhevenheden op de kaken zelve met gelijktijdige schublooze borststreek. Deze geslachten zijn Chedrus Swains. en Plargyrus Raf. Eene andere rei van geslachten doet zich opmerken door platte, min of meer 264 lepelvormige onderkaak. Zij zijn overigens ook verwant door algeraeenen habitus, platten snuit, min of meer achterstaande oogen en tandenstelsel. Hiertoe behooren Catla Val, Thynnichthys Bikr, Hypophthalmichthys Blkr en Amblypharyngodon Blkr (Mola Heek.)- Eene derde rei van geslachten der Anacanthonoti is kenbaar aan slank ligchaam, met lagen rug en boven de aarsvin ingeplante rugvin. Luciosoma Blkr , Perilampus McCl. en Esomus Sws. behooren hiertoe. Ook het geslacht Devario Heek. is aan deze rei verwant en houdt het midden tusschen haar en de rei van Catla. Eene vierde natuurlijke rei laat zich zamenstellen uit een aantal geslachten , welke met elkander gemeen hebben een fijn beschubt ligchaam, met vleezigen snuit en korte vóór de aarsvin geplaatste rugvin en evenzoo korte aarsvin. Zij hebben alle ook slechts één- of tweereijige tanden. Hiertoe breng ik Tinca Cuv. , Argyreus Heek. , Chrosomus Raf. , Tiaroga Gir. , Phoxinus Ag. en Phoxinellus Heek. , het laatste geslacht weder zeer opmerkelijk door de afwezigheid van schubben , behalve alleen op de zijlijn. Aan deze rei sluiten zich natuurlijk eenige geslachten met grootere schabbeu , zooals Sarcocheilichthys Blkr, Gobio Cuv. en Cirrhina Cuv. Bij nog eene andere rei zijn kop en snuit neergedrukt , het ligchaam slank, de rug laag en de rugvin kort en voor de aars vin gelegen. Mijne geslachten Leptobarbus, Gnathopogon, Pseudorasbora , Rasbora en Rasborichthys zijn daartoe te rekenen. De overblijvende geslachten der Anacanthonoti kunnen nog tot twee andere, minder scherp gescheidene, groepen worden gebragt. Die der eene groep hebben met elkander gemeen eene wijde tot onder de oogen reikende bekspleet, eene min of meer veelstralige aars vin, eene zeer gebogene zij- lijn en een' spitsen snuit met eindstandige mondopening. Ik het gemeend hier- toe te moeten brengen Elopichthys Blkr, Opsarius McCl. en de uiterst na aan el- kander verwante genera Aspius Ag., Gila Baird Gir. en Ptychocheilus Ag. Bij de geslachten der andere groep is de bekspleet minder groot , soms zelfs klein en de snuit meer bol en vleezig. Zij zijn in meerdere of mindere mate ver- want aan Aspius en eene scherpe afscheidingslijn is niet te stellen. Het is in deze beide laatste groepen vooral , dat ook de scherpe bepaling der ge- slachten uiterst moeijelijk is, en even als Gila en Ptychocheilus nog eene nadere beproeving op Aspius behoeven, is hetnoodig, dat de grenzen der geslachten Abra- mis Cuv. , Luxilus Raf. , Alburnus Heek. , Hybopsis Ag. , Leucosomus Heek., Ce- ratichthys Baird, Semotilus Raf. , Leuciscus Klein , Scardinius Bp., Alburnops Gir., Cyprinella Gir. en Codoma Gir., hieronder nog als genera opgebragt, scherper wor- den vastgesteld, dan thans geschied is, om ze definitief als natuurlijke geslachten te kunnen beschouwen , en zulks niettegenstaande meerdere andere der in den nieu- vveren tijd opgestelde geslachten reeds tot de hierboven genoemde zijn teruggebragt. 265 Hieronder heb ik beproefd, vau alle de in dezen arbeid aangenomene geslach- ten der Earbinen een diagnostisch overzigt te geven. Ten opzigte der geographisohe verbreiding van de geslachten der Barbinen ver- oorlooft de tegenwoordige staat der wetenschap de volgende gevolgtrekkingen. Eigen aan Noord- Amerika zijn Meda, Luxilus, Leucosomus, Alburnops, Cy- prinella, Plargyrus, Semotilus, Ptychocheilus , Gila, Hybopsis, Ceratichthys , Tia- roga , Argyreus en Chrosomus. Aan beide halfronden gemeen zijn slechts Leuciscus, Alburnus en Gobio , zoo- dat alle overige geslachten eigen zijn aan de oude wereld. Van die geslachten komen uitsluitend voor in Europa: Aulopyge, Scardinius , Phoxinus en Phoxinellus. Van Afrika is geen geslacht bekend, hetwelk niet tevens in Europa of Azië voor- komt , ten zij misschien het mij volstrekt onbekende geslacht Opsaridium Peters. Europa, Afrika en Azië bezitten gemeenschappelijk: Barbus, Labeobarbus en Alburnus. Europa bezit gemeenschappelijk met Azië alleen: Rhodeus, Abramis, Aspius, Tinca en Chela. Azië heeft gemeen met Afrika, maar niet met Europa: Systomus en Opsarius. Alle overige geslachten zijn aan Azië eigen, doch velen komen uitsluitend voor op de Aziatische eilanden, in Japan en den Indischen Archipel. Azïë's Vastland heeft met de Japansche eilanden gemeen slechts het geslacht Opsarius , en met de Soenda-eilanden : Labeobarbus , Systomus , Balantiocheilos , Amblyrhynchichthys, Hampala, Thynnichthys , Rasbora, Luciosoma , Chela en Ma- crochirichthys. Aan de Japansche eilanden zijn eigen: Hemibarbus, Sarcocheilichthys , Pseudo- rasbora en Gnathopogon. Aan de Soenda-eilanden eindelijk zijn eigen: Cyclocheilichthys , Albulichthys , Rotheichthys , Leptobarbus en Rasborichthys. De geslachten der Barbinen laten zich overzien als volgt: 1 Amhlygastri. Venter ante pinnas ventrales non cultratus. 1. Acanthophori. Pinna dorsaUs spina armata. a Corpus squamosum. ó Squamae anales squamis ceteris parvis majores. Spina dorsalis dentata. Cirri rostrales et supramaxillares. ó Labium inferius lobatum. Bacoma McCl. ó' Labium inferius non lobatum. Dentes cochieariformes 2.3.5/5.3.2. Schisothorax Heek. 34 266 ó' Squamae anales squamis ceteris non majores. 6 Apertura branchialis verticalis angustior sub operculo desinens. Spina dorsi serrata. Cirri nulli. Labium inferius a toto maxillae margine pendulum saccuai postice tantum apertum efficiens. Dentes uncinato- cochleariformes 2.3.5/5.3.2. Squamae magnae. Dorsum angulatum. Balantiocheilos Blkr. ó' Apertura branchialis lata sub praeoperculo vel sub oculo desinens. f Oculi maxima parte membrana palpebrali velati. Spina dorsi serrata. Cirri nulli. Squamae magnae. Dorsum angulatum. Maxilla inferior symphysi tuberculo hamata. o Rostrum truncatum. Ossa supramaxillaria apicem rostri attingentia ibi- que ossa intermaxillaria retracta occultantia. Os suborbitale anterius calceiforme. Pinna caudalis basi tantum squamosa. Dentes aggregati cuneiformes 2.3.4/4.3.2. AmhlyrhjncldcUhjs Blkr. o' Rostrum convexum non truncatum. Ossa supramaxillaria apicem rostri non attingentia. Os suborbitale anterius pentagonum. Pinna caudalis dimidio basali tota squamosa. Dentes incisivi scalpriformes 2 3.4/4,3.2. Alhidicldhys Blkr. I' Oculi non velati. o Pinna analis pauciradiata. aa Rictus magnus obliquus. Maxilla superior et apertura branchialis sub oculo desinentes. Cirri 2 supramaxillares. Spina dorsi dentata. Squa' mae magnae. Dentes cochleariformes 1.3.5/5.8.1. Hampala V. Hass. bb Rictus parvus vel mediocris ante oculum desinens. + Rostrum genaeque tuberculis vel verrucis obsitae. Rostrum conicum. Spina dorsalis gracilis edentula. Cirri 4, vel 2, vel nulli. Hypseloharhus Blkr (subg. Ilypseloharhus , Gonoprok- topterus et Tamhra Blkr. N +' Rostrum genaeque tuberculis vel verrucis nullis. ^ Squamae magnae vel médiocres. * Os suborbitale anterius pentagonum apice acuto sursum spectans. Sulcus postlabialis utroque latere margini oris parallelus, isthmo a bulco lateris oppositi separatus- Os anticum vel subanticum. Squa- 267 mae magnae. Cirri 4, vel 2, vel nuUi. Spina dorsalis" den- tata vel edentiila. Dentes non aggregati triseriati 8 ad 10. Systomus McCl. (subg. Barbodes , Capoëta et Systomus Blkr) *' Ossuborbitale anterius trigonura apice acuto antrorsum spectans vel elongatum. Sulcus postlabialis unicus margini oris parallelus. X Spina dorsalis dentata. Rostrum conicum. Dentes cochlearifor- mes vel subcochleariformes 7 ad 10 triseriati. I Pinna dorsalis basi vagina squamosa. Dorsum elevatum an- gulatura. Genae striis numerosis transversis parallelis V. 2/9. CyclocheilichthijsWikï {svihg. Cyclocheilichthjs , Siaja et Ajiematichihjs Blkr.) I' Pinna dorsalis basi non squamosa. Dorsum humile. Cirri 4. Barhus Cuv. X' Spina dorsalis edentula. Squamae magnae. V. 2/8. I Cirri 4. Dentes cochleariformes vel subcochleariformes 7 ad 10 triseriati. Labeobarbus Rüpp. I' Cirri 2 , supramaxillares tantum. Dentes acuti uniseriati 4/4. Hemibarbus Blkr. -^' Squamae parvae. Cirri nulli. * Spina dorsalis edentula. Pinna dorsalis basi alepidota. Dentes contusorii 5/4. , PseudopJiOxinus Blkr. '*' Spina dorsalis dentata. Apertura branchialis sub oculo desi- nens. Pinna dorsalis squamosa. Dentes uncinato-cochlearifur- mes 2.3.5/5.3.2. BoMeicMIiys Blkr. n' Pinna analis elongata vel subelongata, pluri-ad multi-radiata. Cirri nulli. Os anticum vel subanticum. aa Spina dorsalis dentata. Squamae parvae. Dentes cochlearifor- mes 2.3.5/5.3.2. RoJdee Syk. zzi Osteobrama Heek. bb. Spina dorsalis edentula. Squamae médiocres vel parvae. + Corpus oblongum. Rostrum convexum. Dentes 5/5. 268 '^ Linea lateralis basi pinnae caudalis desinens; Squamae parvae vel médio- cres. Dentes contusorii. Acanthohrama Heek. ^' Linea lateralis corpore antice tantum conspicua. Squamae magnae, Dentes cultriformes. Bhodeus Ag. +' Corpus subelongatum. Rostrum valde acutum. Squamae médiocres. Linea lateralis parum curvata. ^ Maxilla inferior non prominens. Dorsum angulatum. Rostrum porrectum. Chanodichthys Blkr. '^' Maxilla inferior prominens. Dorsum humile. Rostrum breve. PseudocuUer Blkr. +" Corpus elongatum. Rostrum breve. Squamae médiocres vel parvae. Linea lateralis valde curvata. HemicuUer Blkr. b. Corpus alepidotum. ó Spina dorsalis dentata. Rictus parvus. Nares utroque latere simplices. Cirri 4. Dentes scalpriformes 4/4. Aulopyge Heek. ó' Spina dorsalis edentula. Rictus sub oculo desinens. Cirri nulli. Dentes pre- hensiles 1.4/4.1. Meda Gir. 2. Anacanthonoü. Spina dorsalis nulla. Corpus squamosum. a Maxillae tumidae poroso-verrucosae seu lacunosae. Regio tboraco-gularis ale- pidota. Squamae magnae. Cirri nulli. ó Ossa humeralia valde evoluta nuda. Pinna dorsalis post ventrales incipiens. Dentes uncinato- contusorii 4.5/5.4. Chedrus Swns. s Pachystomus Heek. ex parte. ó' Ossa humeralia normalia. Pinna dorsalis supra ventrales incipiens. Dentes compressi prehensiles 2.4/4,2, 269 Plargyrus Raf. =- IJypsolepis Baird. Maxillae cute laevi tectae. ó Maxilla inferior depressa cochleariformis. Cirri nuUi. Rostrum depressum. Os anticum. Dentes aggregati vel molares triseriati. ó Pinnadorsalis multiradiata, analis pauciradiata. Squamae magnae. Sulcus postlabialis unicus. Labium inferius a toto maxillae margine pendulum. Dentes aggregati 2-4.5/5.4.2. Catla Val. -zi Gibelion Heek. ex parte. ó' Pinna dorsalis pauciradiata. Squamae parvae. Oculi posteri vel inferi. f Pinna analis multiradiata pinna dorsali longior. Opercula radi- atim rugosa. Hypopïithalmichthys Blkr. f' Pinna analis pauciradiata pinna dorsali brevior. Opercula non rugosa. o Pinna dorsalis supra vel ante pinnas ventrales incipiens. Dentes aggregati facie masticatoria oblique truncati plani 2.4.5/5.4.2. Thynnichihys Blkr. o' Pinna dorsalis post pinnas ventrales incipiens. Dentes molares facie masticatoria oblongo-rotundati et transversim rugosi 1. 2.3/8. 2.1. Amblypharyngodon Blkr =5 Mola Heek. ó' Pinnae dorsalis et analis elongatae multiradiatae, dorsalis magna parte anali opposita. Cirri nulli. ó Squamae magnae. Corpus oblongum elevatum. Linea lateralis valde curvata lineae ventrali convexae approximata. Bevario Heek. ó" Pinna dorsalis pinnae anali tota vel ex parte opposita. Dorsum humile. Squamae magnae. Oculi post vel infra apicem rostri siti. o Rictus latus obliquus sub oculo desinens. Pinnae dorsalis et analis pau- ciradiatae breves, pectorales elongatae. Cirri 4 carnosae vel nullae. Dentes subcochleariformes vel voratorii 2.4.4/4.4.2, vel 2.4.5/5.4.2. Luciosoma Blkr (subg. Luciosoma et TrinematicJdhys Blkr). 6' Rictus parvus ante oculum desinens. Cirri 4, supramaxillares rigidi setacei. f Linea lateralis valde curvata lineae ventrali convexae approximata. Pinnae dorsalis et analis pluri- ad multiradiatae , pectorales non elon- gatae. 270 Terilampus Mc Cl. f' Linea lateralis nuUa. Cirri rostrales cirris supramaxillaribus approximati. Pinnae dorsalis et analis pauciradiatae breves, pectorales elongatae. Dentes acuti vix curvati 5/5. Esomus Svvns. =5 Nuria Val u'" Squamae parvae. Rostrum carnosum. Pinnae dorsalis et analis pauciradiatae , dor- salis tota ante analem sita. ó Cirri 2, supramaxillares. f Os terminale. Corpus oblongum compressuiu dorso elevato angulato. Dentes clavati 4/5. Tinca Rond. Cuv. f' Os infernm. Corpus elongatum fusiforme dorso humili. Dentes raptatorii uni- vel biseriati 1.4/4.2, vel 2.4/4.2, vel 4/4. Argyreus Heek. =3 BJdnichthys Ag. =:: Agosia Gir. ó' Cirri nuUi. Corpus elongatum fusiforme. f Corpus ubique squamosum. Linea lateralis vix curvata. Os terminale, o Dentes leviter uncinati facie masticatoria gracili 5/5. Squamae mera- branaceae. Chrosovius Raf. o' Dentes raptatorii facie masticatoria nuUa 1.3/3.1. Isthmus latissimus. Tiaroga Gir. o" Dentes raptatorii 2.4/4.2, vel 2.5/4-2. Rostrum obtusum convexura. JPlioxmus Rond. Ag. f' Corpus linea laterali antice tantum squamosum, squamis uniseriatis. o Dentes contusorii 5/4. Rostrum obtusum convexum. Os terminale. Phoxinellus Heek. ó"" Squamae^ magnae. Rostrum carnosum. Pinnae dorsalis et analis breves, dor- salis ante ventrales incipiens et longe ante analem desinens. Rictus parvus. ó Cirri 2 rostrales tantum. Rostrum non porrectum. Cinldna Cuv. ó' Cirri 2 supramaxillares tantum. Rostrum porrectum.. Dentes raptatorii 2.5/5.2 , vel 2.4/4-1 , vel 3-5/5.2. 271 Gohio Cuv. o" Cirri nuUi. Rostrcim valde carno5am elevatum. Linea lateralis rectiuscula. Pinna dorsalis ante ventrales incipiens. Sarcocheilichthi/s Blkr. " Rostrum acutum depressum. Corpus elongatum dorso humili. Pinna dorsalis pauciradiata ante analem sita. ) Pinna dorsalis supra vel vix ante pinnas ventrales incipiens. Squamae magnae. Pinna analis pauciradiata. 1 Cirri 4 , rostrales et supramaxillares. Labia gracilia. Rictus me- diocris obliquus. Maxilla inferior symphysi tuberculo nuUo. Linea lateralis curvata. Dentes cochleariformes facie masti- catoria pluricrenuiata 2.3.5/5.3.2. Leptoharhus Blkr. •j-' Cirri 2 , supramaxillares tantum. Rictus mediocris obliquus. Linea lateralis rectiuscula. Dentes? Gnathopogon Blkr. f" Cirri nulli. Labia valde carnosa. Os superum , rictu brevissimo vert-icali. Linea lateralis rectiuscula. Dentes uncinato-com- pressorii 5/5. Pseudorasbora Blkr. )' Pinna dorsalis post pinnas ventrales incipiens. Cirri nulli. Os anticum, rictu mediocri. Dentes bi- ad tri-seriati. •j- Pinna analis pauciradiata. Squamae magnae. Maxilla superior symphysi incisura tuberculum inframaxillare symphysiale reci- piente. Oculi non velati. Linea lateralis lineae ventrali approxi- niata. Dentes subcochleariformes uncinati. Basbora Blkr. f' Pinna analis multiradiata dorsali multo longior. Squamae mé- diocres. Maxilla superior symphysi incisura nuUa. Ocui mem- brana palpebrali maxima parte velati. Linea lateralis vix curva- ta. Dentes cultriformes, Hasborichthys Blkr. '" Rictus magnus obliquus sub oculo desinens. Pinna analis pluri- radiata. Linea lateralis valde curvata. Rostrum acutum. Os anticum. ó Ossa nasalia valde evoluta. Maxilla inferior symphysi tuberculo hamata. Vesica natatoria triloba. Corpus elongatum. Squamae parvae vel médiocres. Cirri nulli. Rostrum porrectum. 272 Elopichthjs Blkr . ó" Ossa nasalia normalia. f Dentes pharyngeales biseriati, raptatorii. Cirri nulli. Pinua dorsalis post ventrales incipiens. o Maxilia superior sympliysi emarginata, inferior prominens symphysi tuberculo incisuram intermaxillarem intrante. Corpus elongatum. Cau- da gracilis. Squamae magnae vel médiocres. Dentes cylindrici. Aspius Ag. o' Squamae parvae vel médiocres inaequales. Corpus elongatum cauda gracili. Dentes compressi. Maxilia inferior hamata? Gila Baird Gir. =: Tigoma Gir. s Cheonda Gir. o" Squamae médiocres inaequales. Labia carnosa. Corpus oblongum vel elongatum. Cauda robusta. Dentes facie masticatoria nulla. Isthmus mediocris. Ptychocheilus Ag. s Clinostomus Gir. f' Dentes pharyngeales voratorii triseriati 2.3.5/5.3.2, vel 2.3.4/4.3.2. Venter convexus dorso nonhumilior. Cirri 4 , vel 2, vel nulli. Squamae magnae vel médiocres. Linea lateralis valde curvata. Ojosanws McCl. (subg. Shacra, Bendilisis, Opsarius^lkx). o'""" Rostrum convexum non depressum. Squamae magnae vel médiocres. Pinna dorsalis brevis. . ó Pinna analis multiradiata elongata dorsali multo longior; dorsalis post pinnas ventrales incipiens. Squamae magnae. Cirri nulli. Corpus valde elevatum. Dentes uni- vel biseriati. o Linea lateralis leviter curvata. Venter post ventrales carina alepidota. Abramis Cuv. =; Blicca Heek. =; Balier us Heek. =: Blic- copsis Heek. o' Linea lateralis valde curvata. Luxilus Raf. =3 Stilbe De Kay :=! Bichardsotiius Gir. ó' Pinna analis multiradiata dorsali longior. Corpus subelongatum , dorso non elevato. Maxilia superior symphysi incisura tuberculum maxillae inferi- oris recipiente. Rictus valde obliquus. Pinna dorsalis post ventrales in- cipiens. Venter post ventrales carinatus. Linea lateralis valde curvata. 273 Alburnus Rond., Heek. ;=: Alburnellus Gir. =3 Leucaspius Heek., Kner. ó" Pinna analis non elongata, dorsali brevior ad vix longior. f Rostrum valde convexum truncatiusculum ante os prominens. Pinna dor- salis supra ventrales incipiens. Squamae magnae. Cirri 2 supramaxil- lares vel nuUi. Linea lateralis rectiuscula. Hybopsis Ag. (Subg. Htjhopsü Ag., Hudsonius Gir.) f' Rostrum non truncatum , non ante os prominens. Pinna dorsalis ante vel supra initium analis desinens. o Cirri 2 , supramaxillares. Squamae magnae. Corpus elongatum vel sub- elono;atum. aa Rictus sat magnus. Linea lateralis curvata. Dentes biseriati. Leucosomus Heek. =3 Cheilonemu% Baird=: FogonicUhys Gir. =: Nocomis Gir, bb Rictus mediocris. Linea lateralis rectiuscula, Dentes uniseriati. CeratichtJiys Baird. o' Cirri nuUi. Squamae magnae vel médiocres. Dentes uni- vel biseriati. Corpus oblongum vel elongatum. aa Rictus sat magnus. Pinna dorsalis post ventrales incipiens. Oculi superi. Genae elevatae. Linea lateralis parum curvata. Semotihs Raf. (gen. Leucosomus Heek. valde affin.). bb Rictus mediocris vel parvus. Corpus oblongum vel elongatum. f Pinna dorsalis supra vel vix post ventrales incipiens. Linea lateralis parum ad valde curvata. Squamae magnae vel médiocres. Leuciscus Rond., Klein ;=; Zewco-s Heek. s S^ualiusB^. Tnx Tekst es Bp. t' Corpus oblongum. Squamae magnae. Linea lateralis mediocriter cur- , vata. Pinna dorsalis post pinnas ventrales incipiens. Scardinius Bp. — Idus Heek. f" Squamae magnae deciduae. Rostrum incrassatnm ante os prominens. Pinna dorsalis supra ventrales incipiens. Linea lateralis rectiuscula. Alhurnops Gir. f" Squamae altae breves. Rictus brevis. Linae lateralis mediocriter curvata. Pinna dorsalis supra vel vix post ven trales incipiens. 35 274 Cyprinella Gir. +"" Squamae médiocres. Maxillae aequales. Linea lateralis parum curvata. Pinna dorsalis ulo post ven trales incipiens. Isthmus sat latus. Dentes 4/4. Codoma Gir. II Oxygastri. Venter ante pinnas ventrales cultratus. Corpus squamosum. Pinnae, analis elongata, dorsalis brevis. Cirri nuUi. 1. Pinna dorsalis spina armata. Pinnae pectorales médiocres. a. Spina dorsalis serrata. Corpus oblongum , dorso rostroque angulatis. Squamae parvae. Linea lateralis rectiuscula. Dentes compressi facie masticatoria obliqua truncata plurituberculata 2.2.4/4.2.2. Smiliogaster Blkr. b. Spina dorsalis edentula. Corpus elongatum dorso humili. Pinna dorsalis ven- trales inter et analem sita. Squamae médiocres vel parvae. Linea lateralis valde curvata. Vesica aërea triloba. CuHer Basil. 2 Pinna dorsalis spina nulla, anali tota vel ex parte opposita. Pinnae pecto- rales elongatae. Rictus valde obliquus. a. Linea gulo-ventralis regulariter convexa. Linea lateralis valde curvata. ó Corpus oblongum. Rictus brevis. Maxilla superior symphysi non eraargi- nata, inferior symphysi non tuberculata. Squamae maquae, subaegualesj nuchales longe post oculum rejcctae. Dentes voratorü 2.4.5/5.4.2. Lauhuca Blkr. ó' Corpus oblongum vel elongatum. Squamae magnae vel parvae , inaequales , nuchales supra oculum incipientes. Maxilla superior symphysi incisura tuberculum maxillae inferioris recipiens. Dentes raptatorii bi-vel triseriati 2.4.5/5.4.2. vel 2.5/5.2 vel 4.4/4.4. CAela Buch. =: Felecus Ag. b. Linea gulo-ventralis post axillam valde emarginata. Linea lateralis parura curvata. ó Corpus elongatum. Squamae parvae. Rictus magnus subverticalis. Dentes voratorü subcochleariformes 4.4/4.4. Pinnae pectorales elongatae. MacrocUricUhys Blkr. 275 Species Barhinorum hucusque cognitae. Racoma labiata McCl Afghanistan. // brevis McCl Afghanistan. // Edeniana Blkr=: Schizothorax Edeniana McCl. . . Afghanistan. V Ritchieana Blkr z3 Schizothorax Ritchieana McCl. . Afghanistan. Schizothorax esocinus Heek Affghan., Cashmir. 1/ micropogon Heek Cashmir. // planifrons Heek Cashmir. // Hügelii Heek. . . v Cashmir. ff intermedius McCl Afghanistan. // ? barbatus Blkr ;— Schizothorax barbatus McCl. . . Afghanistan. // ? gobioides Blkr ^ Racoma gobioides McCl Afghan. (Bamean fl). * Balantiocheilos melanopterus Blkr :=; Barbus melanopterus Blkr zn Systomus melanopterus Blkr Sumatra, Borneo, Siam. * Amblyrhynchichthys truncatus Blkr =5 Barbus truncatus Blkr ^ Systomus truncatus Blkr Sumatra, Borneo, Siam. * Albulichthys albuloides Blkr::^ Systomus albuloides Blkr. . Sumatra, Borneo, Siam. * Hampala ampalong Blkr =^ Capoeta ampalong Blkr. . . . Borneo, Sumatra. * 1/ macrolepidota V. Hass. z3 Capoeta maerolepidota Val. =; Scaphiodon macrolepidotus Heek. ;=; Systomus macro- lepidotus Heek Jav.,Sum.,Born,, Pin., ïenss. Hypselobarbus (Hypselobarbus) mussuUah Blkr:::^ Barbus mus- suUah Syk Deccan. //?(//) nancar Blkr — Cyprinus nancar Buch ^ Gibe- lion nancar Heek Bengala. // (Gonoproktopterus) kolus Blkr =3 Barbus kolus Syk. =i Systomus kolus Heek. =: Capoeta kolus Blkr. . Deccan. v (Tambra) abramioides Heek. — Leuciscus abramioides Blkr Deccan. Systomus ? (Barbodes) surkis Blkr =; Barbus surkis Rüpp. . Nilus. // ? ( // ) perinee Blkr =: Barbus perince Rüpp. . . Nilus. 1/ ? ( // ) intermedius Blkr— Barb, intermedius Rüpp. Nilus. " ? ( " ) bynni Blkr ;=: Cyprinus bynni Forsk. :=: Cyprinus lepidotus Geoffr. ^ Barbus bynni Val. Nilus. ■1/ ? ( '/ ) gobionides Blkr ;=) Barbus gobinoides Val. (an Barbus pallidus Smith??);=5 Barbus go- bioides Heek. . : . . : Prom. bon. spei. 276 Systomus (Barbodes) pallidus Blkr =: Barbus (Pseudobarbus pallidus Smith Prom. bon. spei. // ( " ) Burchelli Blkr :=; Barbus (Pseudobarbus) Burchelli Smith. Prom. bon. spei. // ^ ( " ) callensis Blkr =i Barbus callensis Val. . . Algeria. '/ ? ( // ) setivimensis Blkr :=; Barbus setivimensis Val. ^ Barbus leptopogon Ag. ? Algeria. // { " ) labecula Blkr =^ Barbus labecula Val. . . Palaestina. // ? ( " ) lacerta Blkr:=! Barbus lacerta Heek. . . Syria. // ? ( // ) perniciosus Blkr ^ Barbus perniciosus Heek. Syria- // ? ( // ) pectoralis Blkr =3 Barbus pectoralis Heek. . Syria. // M " ) chalybatus Blkr ^ Cyprinus calybatus Pall. =3 Barbus chlybatus Heek. Mar. casp. // { " ) arabicus Blkr :=3 Cyprinus arabicus Ehr. =: Arabia Barbus arabicus Val Arabia. // { " ) kersin Blkr^ Barbus kersin Heek. . . . Syria. // ( '/ ) rajanorum Blkr ^ Barbus rajanorum Heek. Syria. // ( " ) Duvaucelii Blkr :=: Barbus Duvaucelii Val. . Bengala. // ( " ) capito Blkr :=! Cyprinus capito Pall. z=i Bar- bus capito Val Georgia. // ( " ) clavatus Blkr :=; Barbus clavatus McCl. — Cy- prinus chagunio Buch. sec. McCl. (1845); an potius spec. Cycloclieilichthys. ? .... Bengala. // ? ( 1/ ) spilopholus Blkr =i Barbus spilopholus McCl. =j Cyprinus chagunio Buch. sec. McCl. (1839); an Cyclocheilichthys ? vel gen. propr. ? . . Bengala. // ( '/ ) deliciosus Blkr ^ Barbus deliciosus McCl. . Assam. // ( " ) kadoon Blkr=: Russ. Ne 260 Hindostan. // ( '/ ) gibbosus Blkr:::: Barbus gibbosus Val. . . Hindostan. . // ( V/ ) subnasutus Blkr ^ Barbus subnasutus Val. Hindostan. // ( " ) kakus Blkr zn Kakoo v. Karoo Russ. No. 205 z=i Barbus kakus Val Hindostan. // ( " ) chrysopoma Blkr :=j Barbus chrysopoma Val. Hindostan. 1/ { " ) roseipinnis Blkr;=: Barbus roseipinnis Val. . Hindostan. // ( " ) Polydori Blkr = Barbus Polydori Val. . . Hindostan. v ( " ) sarana Blkr ^ Barbus sarana Val. . . . Plindostan. // ( '/ ) kunnamo Blkr :=: Kunnamo Russ. No.-204:::^ Cyprinus sarana Buch. =: Barbus sarana Val. exparte =: Barbus kunnamvo Heek. . . . Hindostan. 277 Systomus (Barbodes) immaculatus Blkr s Systomus immaculatus jVIcCI. :=: Barbus immaculatus Heek. ^ Cyprinus MacClellandi Val. =: Barbus MacClellandi Val. gardonides Blkr ^ Barbus gardonides Val. , . sada Blkr ^ Cyprinus sada Buch. :=! Gonorhyn- chus fimbriatus McCl. ^ Barbus sada Val. =3 Rohita? fimbriata Heek • rododactylus Blkr ;=! Barbus rododactylus McCl. micropogon Blkr ;=3 Barbus micropogon Val . deauratus Blkr :=: Barbus deauratus Val. . . carassioides Blkr:=: Barbus carassioides Heek. (descr. mihi ignota) . . . balleroides Blkr ;::: Barbus balleroides Val. . Schvvanefeldi Blkr ^ Barbus Schvvanefeldii Blkr. belinka Blkr amblycephalus Blkr;=3 Barbus amblycephalus Blkr. erythropterus Blkr ;=i Barbus erythropterus Blkr. bramoides Blkr ^ Barbas bramoides Val =3 Bar- bas bremoides Val. =3 Barbas wadon Blkr. . javanicus Blkr =j Barbas javanicus Blkr. . . koilometopon Blkr ^ Barbus koilometopon Blkr. gonionotus Blkr =3 Barbas gonionotus Blkr. . Hugaenini Blkr ;=! Barbas Huguenini Blkr. . hypselonotus Blkr:::^ Barbus hypselonotus V. Hass. ;=! Barbus hypoeoenatus Buil. Férass. 1824 (err. typogr.) . macrophthalmus Blkr=! Barb.macrophthalm. Blkr. platysoma Blkr.:r! Barbus platysoma Blkr. . rubripinna Blkr ;=; Barbus rubripinna V. Hass. :=; Barbas rubripinnis Val. :=; Barbas orphoides Val. ^ Barbas gardonides Val. (specim. javan.) =5 Barbas sarananella Blkr // ) banter Blkr :=ï Barbus bunter Blkr. , '/ ) tetrazona Blkr:=! Barbas tetrazona Blkr. . » ) lateristriga Blkr:::: Barbus lateristriga Val. " ) fasciatas Blkr =: Barbas fasciatus Blkr. // ) obtusirostris Blkr :^ Barbus obtusirostris V. Hass- '/ ) maculatas Blkr=; Barbus maeulatas V. Hass.= Barbas binotatusKuhl. ;=; Barbus oresigenes Blkr Assam. Bengala. Bengala. Assara. Hindost. (Mysore). Cochin-China. Borneo. Archip. sundaic. ?? Sumatra, Borneo. Sumatra. Borneo. Java, Borneo. Java. Java, Sumatra. Java. Java. Sumatra. Java. Java. Java. Java, Siam. Java. Borneo. Jav., Sum., Born., Bank-, Biltn. Sumatra, Banka, Borneo. Java. 278 := Barbus blitonensis Blkrs Barbas kusanensis Blkr=:Barbus polyspiloa BIkr. Jav.,Bali.,Sum., Bilit.,13ank., Bint., Nias, Bom, * Systomus (Barbodes) goniosoma Blkr Samatra. ■ ) marginatus Blkr =3 Barbus marginatus Val.. . Java, Siimatra. (Capoëta) beso Blkr =3 Varicorhinus beso Rüpp. =3 Systomus beso Heek. =3 Labeo varicorhinus Val. Nilus. // ) luteus Blkr=: Systomus luteus Heek. . . . Syria. II ) albus Blkr =: Systomus albus Heek. . . . Syria. H ) amphibius Blkr =3 Capoëta amphibia Val. ;:: Scapbiodon amphibia Heek •. Hindostan. M ) chola Blkr -^ Cyprinus chola Buch. =:3 Systomus chola McCl. =3 Capoëta chola Blkr Bengala. h ) chrysosomus Blkr =5 Systomus chrysosomus MeCl. Bengala. // ) padangensis Blkr s Capoëta padangensis Blkr. Sumatra. *- ) sumatranus Blkr ==! Capoëta tetrazona Blkr. . Sumatra. // ) brevis Blkr 3 Capoëta brevis Blkr Java. // ) leiacanthus Blkr t^^, Capoëta javanica Blkr. . Java. // ) oligolepis Blkr =3 Capoëta oligolepis Blkr. . . Samatra. (Systomus) chrysopterus McCl : , Bengala. M ) guganio Blkr =3 Cyprinus guganio Buch. . . Bengala. // ) tictis Blkr ^ Cyprinus tictis Buch Bengala. // ) puntio Blkr=^ Cyprinus puntio Buch. . . . Bengala. '/ ) Duyaucelii BIkr;=: LeuciscusDuvaucelii Val.jPoiss. fig. 491 p. 71 (nee pag. 58 quae spec. plane diversa.) . . . Bengala; '/ ) terio Val. :=3 Cyprinus terio Buch. =3 Cyprinus teripungti Buch. :=3 Systomus gibbosus McCl. . Bengala. // ) sophore McCl. =3 Cyprinus sophore Buch. ^ Bar- bas sophore Val Bengala. // ) phutunio Val. =3 Cyprinus phutunio Bach. :=; Cy- prinus phutunipungto Buch. =3 Systomus lep- tosomus McCl Bengala. // ) siamensis Casteln. Mss Siam. H ) gelius McCl. =3 Cyprinus gelius Buch. ^ Cy- p